1. De zegen van de geloofsbeproeving

Jacobus 1:1-12

1,2: ‘Jacobus, een dienstknecht van God en van de Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn: wees verheugd!’.

Hoewel Jacobus een broer van de Heer is, wil hij daar geen enkele status aan ontlenen, want hij noemt zich ‘een dienstknecht van God en van de Heer Jezus Christus’. Hij vindt het een eer dat hij een slaaf van God is en dat hij zich onderworpen heeft aan Jezus, die hij als de Heer en als de Gezalfde (Christus) erkent. De geadresseerden zijn de twaalf stammen in de verstrooiing. Hier kunnen niet de natuurlijke en nationale stammen van Israël mee bedoeld zijn. Jacobus had geen gezag over hen en alle stammen waren toen trouwens nog niet verstrooid. Hij richt zich niet tot zijn volksgenoten die Jezus niet hadden aangenomen, zoals hij dit zelf wel had gedaan, maar hij schrijft aan de twaalf stammen in de verstrooiing of diaspora; wij zouden zeggen aan buitenlandse joden en joden genoten die christen zijn geworden. Hier hoorden natuurlijk ook de christenen bij die Jeruzalem ontvlucht waren vanwege de vervolgingen.

Jacobus schrijft niet aan ongelovigen, maar aan broers, een woord dat 17 maal in zijn brief voorkomt. Hij heeft het over ‘onze vader Abraham’ (2:21) en verwijst naar personen als Job en Elia, die bij hen goed bekend waren (5:11,17). Hij richt zich tot christenen, want hij schrijft over ‘uw geloof in onze Heer van de heerlijkheid, Jezus Christus’ (2:1). Wij denken in dit verband aan het feit dat ook Paulus een speciale brief schreef aan de Hebreeën, die gelovig waren geworden, om hen te onderrichten. De uitdrukking; ‘wees verheugd’ wordt ook wel vertaald als ‘groet’, dit betekent letterlijk ‘zaligheid’ (Statenvertaling). In vers 2 wordt het door ‘vreugde’ weergegeven. Het is een oudere vorm van groeten, waarmee men iemand gezondheid toewenste, overeenkomende met de ouderwetse groet: veel heil en zegen.

2,3: ‘Acht het enkel vreugde, mijn broers, wanneer u in allerlei verzoekingen terechtkomt, want u weet dat de beproeving van uw geloof volharding teweegbrengt’.

Jacobus weet dat de verstrooide en dikwijls zwervende christenen, die ook tussen eigen joodse volksgenoten geïsoleerd leefden, het vaak moeilijk hadden. Hij valt dan ook met de deur in huis en begint ogenblikkelijk hun een hart onder de riem te steken met de paradoxale uitspraak dat zij hun verzoekingen als louter vreugde moesten begroeten. Op alle mogelijke manieren zal satan immers hun geloof proberen te ondermijnen om hen ontrouw te maken. Het woord voor ‘verzoeking’ kan ook weergegeven worden door: proef, beproeving, loutering, aanval of examen. Die ‘verzoekingen’ kunnen dus verleidingen, moeilijkheden, moeilijke situaties of lichamelijke kwalen zijn. Paulus bijvoorbeeld noemde zijn ziekte een ‘verzoeking’ voor de Galaten. Zij hadden hem als apostel aanvaard, hoewel hij ziek was. Dit zouden de joden nooit gedaan hebben, want dezen beschouwden ziekte als een straf van God voor begane extra zonden (Gal.4:13,14).

De broers moeten zich niet door verzoekingen laten verontrusten, maar hun innerlijke mens moet zich steeds meer op Jezus richten, die ook in alles op de proef gesteld was (Hebr.4:15). Zij moeten zich door de temptaties niet laten intimideren of beangstigen, niet mismoedig worden of door de tegenslagen verslappen. Zij zullen er in de allereerste plaats rekening mee moeten houden dat de Heer deze moeilijkheden toelaat, zodat de echtheid van hun geloof zal blijken. Op deze manier wordt bovendien hun geloof versterkt, zodat zij – juist door de verdrukkingen heen – standvastig en onbeweeglijk worden.

Ook Petrus schrijft dat wij ons verheugen moeten, ook al worden wij een tijd lang door allerlei verzoekingen gekweld. Deze apostel deelt ook mee, waarin wij ons dan verblijden zullen: in de eerste plaats in onze nieuwe geboorte of vernieuwing van denken en in de tweede plaats in de levende hoop op de heerlijke erfenis die voor ons klaar ligt: ‘Verheug u daarin, ook al wordt u nu, als het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd, zodat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijkt te zijn bij de openbaring van Jezus Christus in ons’ (1 Petr.1:7). Ook de Heer stelt het beproefde geloof als iets moois voor, wanneer Hij tot de gemeente van Laodicea zegt: ‘Ik raad u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, zodat u rijk mag worden’ (Op.3:18).

4: ‘Maar laat die volharding ook volledig mogen doorwerken, zodat u volmaakt bent en geheel oprecht en in niets tekortschiet’.

Uit deze woorden van Jacobus blijkt dat hij niet uitging van de dwaling van de kerken, dat een christen gedoemd is zondaar te blijven tot zijn dood. Het evangelie is immers een kracht van God tot behoud voor ieder die gelooft. Wanneer de mens het zuivere woord in zich opneemt, zal dit niet leeg tot God weerkeren, maar het zal doen wat Hem behaagt en datgene volbrengen, waartoe het uitgezonden wordt. Paulus omschrijft dit proces in 2 Timotheüs 3:16,17 als volgt: ‘Elk van God ingegeven Schriftwoord is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, zodat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot alle goede werken volkomen toegerust.’ De ware christen moet dus goed functioneren, zowel in de zichtbare als in de onzienlijke wereld. In de woorden ‘volkomen doorwerken’ ligt de gedachte aan een rijpingsproces, een volwassen worden. De vertaling Brouwer heeft: ‘En de standvastigheid, zij drage rijpe vrucht, zodat u rijp moogt zijn en uit één stuk’. In hoofdstuk 5:7 schrijft Jacobus over de landman die op de kostbare vrucht van het land wacht.

Wij schreven al dat verschillende uitspraken van de broer van de Heer ons aan de Bergrede herinneren. We denken aan de woorden van onze Heer in Mattheüs 5:48: ‘U dan zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is’. Het is niet voldoende om slechts een korte tijd vol te houden, maar wij moeten positief blijven in het vertrouwen op de Heer en in het vasthouden aan zijn beloften, willen wij in dit leven de volkomenheid bereiken. Paulus schreef in Filippenzen 3:12 dat hij nog niet volmaakt was, maar dat hij ernaar streefde dit te worden. Voor hem was de volkomenheid, de mannelijke volwassenheid, geen hersenschim, maar een realiteit waarop hij hoopte en waarnaar hij zich uitstrekte.

In het louteringsproces is de tijd een belangrijke factor. Wanneer een beproeving lang duurt, is het steeds moeilijker te blijven staan. Wie de strijd van het geloof volhoudt, bereikt de onberispelijkheid. Johannes schreef van deze categorie overwinnaars in de eindtijd: ‘Dezen zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is geen leugen (of dwaling) gevonden; zij zijn onberispelijk’ (Op.14:4,5). Zulke christenen hebben geen innerlijke beschadigingen meer en ze zijn geestelijk ontwikkeld.

5: ‘En als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God, Die aan ieder overvloedig geeft en geen verwijten maakt en ze zal hem gegeven worden’.

Het is mogelijk dat, wanneer iemand door de duivel verzocht wordt, hij merkt dat hij een gave van Gods Geest mist. Hij kan niet blijven staan, niet overwinnen en zegt gemakkelijk: ‘Ik zie het niet meer’, of vraagt: ‘Wat moet ik doen, wat moet ik zeggen en hoe kan ik de vijandelijke aanvallen pareren?’ Jacobus geeft de gelovige de raad, in zo’n geval om wijsheid te bidden, want God geeft aan allen, zonder onderscheid of aanzien van de persoon. De gelovige vraagt dan niet om aardse wijsheid of scherpzinnigheid, die volgens de uitspraak in hoofdstuk 3:15 ongeestelijk en zelfs demonisch kan zijn, maar om de wijsheid van God, een van de goede en volmaakte giften die afdalen van de Vader van de lichten. Deze wijsheid brengt immers een goede vrucht voort.

God geeft ‘overvloedig’, dat is zonder reserve en niet met mate, maar zoveel wij nodig hebben en van Hem verwachten. Bovendien maakt God er ons geen verwijt van, wanneer wij de gaven die Hij beloofd heeft, ook bij Hem komen vragen. Het is immers een vreugde voor God om het goede te kunnen geven. Hij schenkt dan ook niet alleen wijsheid, maar ook onderscheiding van de geesten, genezing, kracht en hulp waar het nodig is. Omdat Jacobus weet dat Gods liefde graag geeft, kan hij er zo zeker op laten volgen: ‘Zij zal hem gegeven worden’, want ‘God is trouw, die niet zal toelaten, dat u boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst (hier de wijsheid of weg tot ontkoming) zorgen, zodat u ertegen bestand bent’ (1 Cor.10:13).

6-8: ‘Maar laat hij er in geloof om vragen en daarbij niet twijfelen. Immers, wie twijfelt, lijkt op een golf van de zee, die door de wind voortgestuwd en op- en neergeworpen wordt. Want zo iemand moet niet denken dat hij iets ontvangen zal van de Heer. Hij is een dubbelhartig man, onstandvastig in al zijn wegen’.

In deze korte brief wordt betrekkelijk veel over bidden gesproken (4:2, 3:8 en 5:13-18). Duidelijk blijkt dat Jacobus een direct verband legt tussen het gebed van de gelovige en het positieve antwoord van God erop. De verhoring is bij hem geen vaag begrip van ‘de Heer verhoort altijd onze gebeden’ met de extra slag om de arm ‘maar op zijn wijze en op zijn tijd…’ Het gebed is bij hem een middel om te ontvangen wat wij nodig hebben en dat wij anders zonder gebed niet zouden ontvangen.

Bidden is bezig zijn in de hemelse gewesten. Met ons hart of onze innerlijke mens verlaten wij de natuurlijke wereld die ons geen zekerheid en veiligheid kan bieden en wij richten ons geheel op God die geest is. Wij doen dit in geloof, dit wil zeggen met groot vertrouwen op de hemelse Vader die ons de dingen waarop wij hopen, ook schenken zal. Onze verwachtingen zijn dus niet langer gebaseerd op menselijke kracht of wijsheid, maar op de beloften van God. Zonder kennis van Gods toezeggingen is bidden in geloof onmogelijk. Hoemeer wij vertrouwd zijn met Gods gedachten en zijn plannen, hoe zuiverder en sterker ons geloof kan functioneren, want daarmee pakken wij de woorden van God vast en zo ontstaat de hoop. Omdat de beloften van God waar zijn, hebben wij ook de zekerheid dat de hoop gerealiseerd wordt, want Jezus Christus is gisteren en vandaag dezelfde. Wij pakken dus iets aan dat vast is in de geestelijke wereld en eigenen ons dit toe.

Jacobus stelt aan het ontvangen van wat wij wensen, dezelfde voorwaarden zoals ook Jezus deed, toen deze aan de twee blinden die voor genezing tot Hem kwamen, vroeg: ‘Gelooft u, dat Ik dit doen kan?’ (Matth.9:28). Er mag geen twijfel of ongeloof zijn aan Gods beloften en geen wantrouwen ten opzichte van Hem die ze uitsprak. Ook past tijdens dit gebed om iets te krijgen, geen gevoel van kleinheid of onwaardigheid aan onze kant. In de onzienlijke wereld zullen wij ons moeten gedragen als kinderen van God, die dus van koninklijk en priesterlijk geslacht zijn. Een vaste geest heeft geloof en vertrouwen dat God de geestelijke gaven, dus ook de verlangde wijsheid in vers 5 genoemd, aan ons wil geven. Als iemand daar niet in gelooft dan heeft dit met zijn eigen onverstand en ongelood te maken. Hij zal zich moeten bekeren en in vol geloof de beloften van God voor waar aannemen (Luc.24:25).

Men moet ook niet denken dat men God om moet praten, zoals de Baälpriesters in de tijd van Elia zichzelf met messen staken om hun ‘heer’ gunstig te stemmen. Wij hoeven niet te smeken, te vasten, ons van alles te ontzeggen of ons te onthouden, om hierdoor God door de knieën te laten gaan. Vasten kan een middel zijn om het gebed voor te bereiden, om gemakkelijker in de onzienlijke wereld te komen, doordat men zich losmaakt van de aardse zorgen en bindingen, maar men beweegt er het hart van God niet mee. De profeet spreekt over vasten als een toebereiding om zijn stem in de hoge te doen horen. De Heer zegt: ‘Is dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien van de goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden (waarmee de mens aan de machten van de duisternis gekoppeld is), verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken?’ (Jes.58:4-7). Paulus vat al deze dingen in het Nieuwe Testament samen onder de uitdrukking: ‘het afleggen van de oude mens’. Natuurlijk mogen wij alleen vragen om iets wat naar Gods beloften of naar zijn wil is. Zijn beloften zijn ons geopenbaard en zijn wil is bekend; deze richt zich immers op het goede en volkomene (Rom.12:2). Ook is het zijn wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen (1 Tim.2:4). Wanneer wij in ons gebed Gods woord bewaren, hoeven wij geen ogenblik bang te zijn dat wij niet verhoord zullen worden. De Heer zegt immers: ‘als u in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraag wat u maar wilt en het zal voor u gedaan worden’ (Joh.15:7).

Men mag niet twijfelen, want wie dit doet, wordt nu eens opgeheven door geloof en dan weer neergeworpen door wantrouwen. Wie twijfelt, voegt bij het positieve verlangen in geloof, het negatieve denken van de satan. Twijfelen is het samengaan van ja en nee. Wie twijfelt, wordt heen en weer geschud en Jacobus vergelijkt zo’n christen met een golf van de zee, die nu weer hoog opstijgt en dan weer diep neerdaalt, die bewogen en heen en weer geslingerd wordt door de beweging van de wind, een typisch beeld in de Schrift van de boze geesten uit het rijk van de duisternis. Een twijfelaar is een persoon die voortdurend ‘waggelt’, zoals ook vertaald zou kunnen worden. Hij verkeert steeds in onrust, terwijl de gelovige bidder in alle omstandigheden de vrede en de rust kent die uit God zijn. Elia zei tegen het aarzelende volk dat zijn hoop half op God en half op de afgoden gevestigd had: ‘Hoe lang hinkt u op twee gedachten?’ (1 Kon.18:21).

Een onrustig mens die zich dan weer aan God vastklampt en Hem dan weer loslaat, moet niet denken dat zijn gebed verhoord wordt. Jacobus noemt zo’n persoon ‘innerlijk verdeeld’, want hij is niet één, zoals de Vader en de Zoon één zijn (2:19). Hij bewandelt ook niet één weg, maar wordt verscheurd door tweeslachtigheid. Hij is ‘ongestadig op al zijn wegen’, dit wil zeggen: hij kiest telkens weer een andere weg. Een twijfelaar is bijvoorbeeld de christen die op magische wijze zijn Bijbel laat openvallen, die een ‘promisesbox’ raadpleegt (een doosje met lieflijke teksten, waaruit men een greep doet), die zich oriënteert op de kalendertekst, of die een bijzonder teken vraagt, om de wil van de Heer te verstaan. In plaats van op de rechtstreekse leiding te vertrouwen van Gods Heilige Geest die Gods beloften in gedachten brengt, stelt men zich open voor de willekeur van het kansspel.

Wie thuis is in het Woord van God, houdt zich met zulke dingen niet bezig. De Statenvertaling gebruikt in plaats van ‘innerlijk verdeeld als hij is’ de uitdrukking ‘een dubbelhartig man’. Dit beeld werd door de joden gebruikt voor een man die naar de tempel ging om God te aanbidden en die tegelijkertijd bezig was met zijn aardse zaken te overdenken, van iemand die zich dus in twee werelden zeker wilde stellen. Zijn vertrouwen op God was niet zo groot, dat hij het aardse los kon laten, terwijl hij in aanbidding de handen naar de hemel hief. Hij werd heen en weer geslingerd tussen natuurlijke en geestelijke dingen.

9,10: ‘Maar laat de broer die nederig is, zich beroemen op zijn hoge staat en de rijke in zijn nederige staat, want hij zal als een bloem in het gras voorbijgaan’.

Jacobus leefde tussen de joodse christenen, onder wie veel armen waren; zij konden zelfs hun reinigingsoffers niet betalen. Wij lezen bijvoorbeeld in Handelingen 21:23-26 hoe Paulus de kosten moest betalen voor de offers die bij de afloop van een termijn van tijdelijk Nazireeërschap gebracht moesten worden. Ook had deze apostel beloofd voor de armen onder zijn christelijke volksgenoten geld in te zamelen (Gal.2:10). Denk ook aan de vele weduwen van wie Handelingen 6:1 spreekt. Ook Jacobus zelf was een eenvoudig man uit Nazareth. Het jodendom verbond materiële voorspoed met de zegen van God. Het achtte welvaart een bewijs van goddelijke gunst. Ook zijn Messiasverwachting hield nauw verband met aanzien in de natuurlijke wereld. De gezalfde op de troon van David zou de grootheid van het volk Israël herstellen en de monarchie van de wereld van Rome naar Jeruzalem overbrengen.

Veel joden waren, net als opvallend veel naamchristenen in onze tijd, geobsedeerd door grootheidswaanzin voor deze natie in de natuurlijke wereld. Daarom was het nodig dat de joodse christenen van deze verkeerde inzichten bevrijd werden en zouden leren hun harten niet te zetten op de rijkdom en het aanzien van deze wereld, maar als christenen zich te verheugen op hun voorrechten in de hemelse gewesten.

Onder de joden waren de armen niet in staat om aan alle wetten en voorschriften te voldoen en zij werden door de rijken geminacht. Smalend werd over hen gesproken als over ‘die menigte die de wet niet kent, vervloekt zijn zij!’ (Joh.7:49). In de zichtbare wereld waren de arme joden niet in staat volwaardig God te dienen. Daarom durfde de rijke jonge man het niet aan, om in opdracht van de Heer, alles te verkopen en langs de geestelijke weg toch een schat in de hemel te ontvangen. Hoe geheel anders is het immers in het ware christendom, waarin geen aanzien van de persoon is, geen aards bezit noodzakelijk gesteld wordt en geen verplichtingen nodig zijn om een rechtvaardige te worden en als zodanig te leven. Deze hoogte kan iedereen bereiken, die gelooft in Jezus Christus. Elke broer en zuster kan zich beroemen in zijn rechtvaardigheid en zonder geld en zonder prijs de hoge weg bewandelen.

In vers 2 wekt Jacobus op om zelfs allerlei beproevingen ‘voor enkel vreugde’ te houden, net als Paulus dit deed, toen hij schreef: ‘Wij roemen ook in de verdrukkingen’ (Rom.5:3). De broer van de Heer adviseert hier de armen om zich te beroemen in hun verheffingen, dat is op hun hoge positie in de hemelse gewesten. Zo beroemde Paulus zich in 2 Corinthiërs 12:1 op gezichten en openbaringen van de Heer en Petrus noemde de gelovigen ‘een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte’ (1 Petr.2:9).

Wij merken op dat bij Jacobus zowel armen als rijken zich mogen verheugen. Geen situatie in het leven sluit de mogelijkheid uit, te roemen in God en zich in Hem te verblijden. Als wij dit dus niet doen, is het onze eigen schuld. Wanneer een rijke zich echter gaat beroemen op zijn hoogte in de geestelijke wereld, moet hij afzien van alles wat hij aan schatten, eer en aanzien in de natuurlijke wereld bezit. Om behouden te worden en het doel van God te bereiken, zal hij net als de arme broer, de geestelijke weg moeten gaan en zich naast deze als zijn gelijke moeten opstellen. Doet hij dit niet, dan zal hij merken dat alles wat hij op aarde bezit, vergankelijk is en wegvalt als een bloem die verdort. In dit verband schreef Paulus: ‘Omdat wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig’ (2 Cor.4:18).

11: ‘Want de zon is opgegaan met haar hitte en heeft het gras doen verdorren, ook is zijn bloem afgevallen en is de schoonheid van zijn uiterlijk verloren gegaan. Zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken’.

‘s Zomers is het in Palestina heet, zelfs gloeiend heet. In de natuur is de zomer hier dan ook niet het mooiste seizoen: alles is dood, het gras is vergeeld, de bomen en struiken zijn met stof bedekt. Jacobus tekent ons hier de verdorrende inwerking van de zonnestralen. De zon met haar felle gloed is hier beeld van de verdrukking, net als zij dit is in de gelijkenis van de zaaier, waarin verteld wordt dat de zon opkwam over het zaad dat in steenachtige plaatsen gevallen was. ‘Het verschroeide’, dat wil zeggen dat het niet bestand was tegen verdrukking, vervolging of verzoekingen (Matth.13:5,6,20,21). De christen die op zijn rijkdom en zijn bezit zijn vertrouwen stelt en dat niet alleen op geld, maar ook op natuurlijke ontwikkeling of kennis en uit kracht hiervan rechtvaardig meent te kunnen leven, zal merken dat zijn innerlijke mens ondergaat, wanneer de machten van de duisternis hem aanvallen.

De slotzin: ‘Zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken’, wijst erop dat de weg van het judaïsme met haar onhoudbare eisen voor de armen, een beletsel vormt om geestelijk te leven en het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan (Matth.19:23). Niet hij die financieel, cultureel of maatschappelijk een grote inbreng heeft, is groot in het Koninkrijk der hemelen, maar die de wil van de Vader doet en diens woord bewaart. De geschiedenis toont ons dat de rijke vorsten grote kathedralen bouwden om God gunstig te stemmen, maar dat hun leven vol ongerechtigheid en leugen was. Hun innerlijk leven was verwelkt en bracht geen enkele geestelijke vrucht voort.

12: ‘Gezegend is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij de kroon van het leven ontvangen, die de Heer beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben’.

Jezus zei dat zijn volgelingen in de wereld verdrukkingen zouden ondergaan, dit wil zeggen dat zij bloot zouden staan aan de verleidingen en pressies van de boze geesten. Dezen werken soms rechtstreeks, soms door mensen heen, maar zij proberen altijd Gods kinderen te laten struikelen en vallen. Hoe kan de ware christen blijven staan? Door overwinnen en volharden, door te blijven vasthouden aan het woord van de Heer en aan zijn beloften. Hij moet vertrouwen op de kracht van God die in hem is en daardoor innerlijk sterk zijn. Van Gods kant fungeert deze verdrukking als een beproeving van de innerlijke zuiverheid en kracht en van de geestelijke wapenuitrusting.

De beproeving werkt als het vuur, waarin metalen gebracht worden om ze te zuiveren en te harden. Doorstaat de christen de beproeving of zijn examen, dan noemt Jacobus zo’n man op oudtestamentische wijze: welgelukzalig of gezegend. In het Nieuwe Testament wordt het oorspronkelijk woord in de nieuwe vertaling ook tweemaal weergegeven door ‘gelukkig’, namelijk in Handelingen 26:2 en 1 Corinthiërs 7:40. Het is dan gelijkwaardig aan de loutere vreugde waarvan vers 2 spreekt. Deze zaligheid culmineert in de belofte van ‘de levenskroon’, het eeuwige en volmaakte leven dat door zijn zuiverheid en kracht, blijvend is. Een beproefd christen is dus een gekroonde christen, een koning in de geestelijke wereld. Paulus verwachtte deze kroon voor allen die de verschijning van Jezus in eigen leven hebben liefgehad, die tot het einde zijn woord bewaren, uit zijn kracht leven en hierdoor zijn beeld gelijkvormig worden (2 Tim.4:8). Johannes schreef aan de gemeente Smyrna over dit lijden en verzocht worden, over dit volharden en over de levenskroon met de volgende woorden:

  • ‘Wees niet bang voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, zodat u verzocht wordt en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot de dood en Ik zal u de levenskroon geven’ (Op.2:10).

‘Wie Hem liefhebben’ zijn zij die ondanks lijden en verdrukking zich positief blijven opstellen ten opzichte van hun Heer, zijn woord bewaren en dit realiseren in hun leven.