6. De wet helpt de Joden niet

<<<<<

Romeinen 2:21-29

‘U dan die een ander onderwijst, onderwijst u uzelf niet? U die preekt dat men niet stelen mag, steelt u zelf? U die zegt dat men geen overspel mag plegen, pleegt u zelf overspel? U die de afgoden verfoeit, pleegt u zelf tempelroof?’ 21,22.

Ook voor de wet- en Schriftgeleerden geldt de uitspraak van Jacobus: ‘U moet niet allemaal leermeesters willen zijn, mijn broers. U weet immers dat wij dan een strenger oordeel zullen ontvangen’ (Jac.3:1). Het is goed om onwetenden te onderwijzen en blinden te leiden, maar men moet tegelijkertijd ook een voorbeeld geven van goede werken in eigen leven. Het is niet genoeg het goede te belijden, maar men moet ook goed doen, want God zal ieder vergelden naar zijn werken. Wie zichzelf niet onderwijst, dit wil zeggen zelf niet ter harte neemt wat hij aan een ander leert, breekt door zijn doen en laten af wat hij door zijn woord wil bouwen, want zijn leven is in tegenspraak met zijn leer.

Stelen

De apostel noemt drie voorbeelden van zonden, waardoor de innerlijke mens schuldig voor God komt te staan. Men kan als orthodoxe Jood leren dat men niet stelen mag, maar tegelijkertijd door geldzucht geleid ‘de huizen van de weduwen opeten’ (Matth.23:14). Ook het christendom kent in haar geschiedenis de tegenstelling tussen de schatrijke kerken met haar kostbare gebouwen en de schrijnende armoede van haar leden. Wij denken ook aan de gewetenloze druk die in sommige kringen uitgeoefend wordt om geld te geven om het werk van de organisatie of van ‘de man van God’ in stand te houden. Men oefent zelfs druk uit door de zegen van de Heer in genezing, bevrijding of in voorspoed, te verbinden met geld, waarbij men gelukkig nog wel het ANBI nummer vermeldt: de gulle leden kunnen via de belastingaangifte altijd nog wat van hun geld terug vragen.

De overspelige man!

Het tweede voorbeeld spreekt over overspel. Misschien pleegt iemand geen overspel, maar loopt hij rond met verlangens naar de vrouw van zijn naaste. Door deze scherpe vraag te stellen, wijst de apostel op het verschil tussen theorie en praktijk. Waarom gingen de leiders, die de vrouw op overspel gegrepen, bij Jezus brachten, één voor één weg, toen de Heer zei: ‘Wie van u zonder zonde is, werpt de eerste steen naar haar’? Hoeveel rechtzinnige Joden pleegden bovendien nog geestelijk overspel door zich in te laten met allerlei occulte zaken? De gebedsriemen en de kwasten waren hier onder andere voorbeelden van.

Ontwijding van de tempel

Tempelroof is ontwijding van de tempel. Men gebruikt dan wat bij de tempel hoort voor zichzelf. In Maleachi 3:10-12 werd de oudtestamentische kerk verweten, dat zij God beroofde door Hem de tienden te onthouden. In het Nieuwe Testament lezen wij daar niets meer van. In Marcus 7:11 hekelt Jezus immers de tegenstelling in de door de Farizeeërs gesanctioneerde praktijk, dat de kinderen zich van de onderhoudsplicht jegens hun ouders afmaakten door wat zij konden geven tot korban te verklaren en dit zo buiten het bereik van hun ouders te stellen. Dit alles onder het vrome mom dat men God eerder moet geven dan de mensen. Wat korban verklaard was, werd namelijk aan God gewijd en daarmee aan elke andere bestemming onttrokken. Wij geloven daarom niet dat Paulus het ‘de man die zich Jood laat noemen’ verweet, dat deze zijn tempel tekort deed. Het gaat hier over de Jood die de afgodendienst verfoeit; de heidense godsdienst was voor hem een gruwel. Tot deze zegt de apostel: ‘U verfoeit de afgoden en begaat tempelroof’ zoals sommige vertalingen luiden.

Op de een of andere manier trokken de Joden, hoewel zij de afgoden verfoeiden, er toch profijt van. Van Paulus en zijn vrienden werd echter in Efeze getuigd: ‘Want u hebt deze mannen opgebracht, zonder dat zij tempelrovers zijn’ (Hand.19:37). Wij denken echter ook nog aan iets anders. In Deuteronomium 7:25,26 werd bevolen: ‘De beelden van hun goden moet u met vuur verbranden. Het zilver en goud dat erop zit, mag u niet begeren of voor uzelf nemen, anders wordt u daardoor verstrikt, want het is voor de Heer, uw God, een gruwel. U mag zoiets gruwelijks niet in huis halen, anders wordt u evenzo tot iemand waarop de ban rust; volledig verafschuwen moet u het, ja, er een diepe afschuw van hebben, want het is iets waarop de ban rust.’

God verbiedt hier het in bezit hebben van afgodsbeelden en het handelen ermee. God spreekt hier niet over kostbaar antiek en over gewaardeerde kunstwerken. Wie in zijn huis afgodsbeelden heeft, misschien zelfs als trofee van zijn zendingsijver, heeft ‘een gruwel voor de Heer’ in bezit. Hij begaat hiermee ook tempelroof t.o.v. de heidense godsdiensten. Men verrijkt zich immers met wat van de demonen is. Ook hiervoor gelden de woorden van Paulus: ‘En ik wil niet, dat u in gemeenschap komt met de boze geesten’ (1 Cor.10:20).

‘U die in de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet? Want de Naam van God wordt, zoals geschreven is, door uw toedoen gelasterd onder de heidenen’ 23,24.

Het overtreden van de wet is het bewust zondigen. Wie zich beroemt op zijn wetskennis, op zijn zuivere leer, op zijn belijdenisgeschriften, onteert door een slechte levenswandel de naam van God bij hen die God niet kennen en dienen. De profeet Nathan zei tegen David in verband met diens overspel, dat hij door zijn daad de vijanden van de Heer zeer had doen lasteren (2 Sam.12:14). Paulus schreef voor mensen die in de wet onderwezen waren en vermeldt de plaats, die hij citeert, verder niet. In Jesaja 52:5 verwijt God zijn volk: ‘Voortdurend, de hele dag, wordt mijn Naam gelasterd’. In Ezechiël 36:20 wordt gezegd: ‘En bij alle volken waar zij kwamen, ontheiligden zij mijn heilige Naam, doordat men van hen zei: Dezen zijn het volk van de Heer, maar toch moesten zij weg uit zijn land’ en in vers 23: ‘Ik zal mijn grote Naam die onder de volken ontheiligd is, die u te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen’. Wanneer het beste corrupt wordt, is dit het ergste. Zo getuigt de geschiedenis er van, dat door de degeneratie van het naamchristendom ook de naam van God door joden en heidenen gelasterd werd.

De Joden en de besnijdenis

‘Want de besnijdenis heeft wel nut als u de wet houdt, maar als u een overtreder van de wet bent, is uw besneden zijn tot onbesneden zijn geworden’ 25.

De Joodse lezer zou kunnen vragen: ‘Als dan de zaak met Jood of heiden zo staat dat bij God geen onderscheid is, waarom is dan eigenlijk de besnijdenis ingesteld?’ Met de besnijdenis valt of staat het hele natuurlijke volk Israël. Het antwoord van de apostel klinkt heel voorzichtig: ‘De besnijdenis betekent iets’. De Joodse christen kon haar ook moeilijk ongedaan maken; maar zij was en bleef slechts een schaduw van de hemelse werkelijkheid. Zoals hier op aarde een volk is, dat door de besnijdenis afgezonderd is en onderscheiden van alle andere volken, zo is er in de hemelse gewesten een volk dat door de besnijdenis van het hart afgezonderd en onderscheiden is, een volk, eigendom van God.

Paulus is allereerst en bovenal een burger van het Koninkrijk van de hemelen en daar heeft alleen de besnijdenis van het hart betekenis. Daar geldt het: ‘Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is’ (Gal.6:15). Natuurlijk mag men Jood zijn en als zodanig zich laten besnijden, zoals men in het natuurlijke leven ook Nederlander, Chinees of Amerikaan blijft. Maar de ware betekenis van de besnijdenis is geestelijk. God had Israël uitverkoren zodat het de weg van de Heer zou bewaren en zijn wil doen (Gen.18:19). Wanneer Israël dit naliet, had zijn verkiezing en dus ook zijn besnijdenis verder geen betekenis. Dan stond de Israëliet gelijk met de heiden. De ware besnijdenis van het hart bestaat in het wegdoen van de zonde.

‘Als dan een onbesnedene de regels van de wet in acht neemt, zal zijn onbesneden zijn dan niet tot besnijdenis gerekend worden? En zal hij die overeenkomstig de natuur onbesneden is, maar die de wet volbrengt, u dan niet oordelen, die mét de letter van de wet en de besnijdenis een overtreder van de wet bent?’ 26,27.

Het geestelijk Israël van God

Paulus stelt in deze beide teksten twee mensen tegenover elkaar: de onbesneden christen uit de heidenen, in wie de eis van de wet vervuld wordt (8:4) en de besneden Jood, die Gods wet niet gehoorzaamt. De eerste leeft naar de Geest zonder wet als Abraham door het geloof en niet naar het vlees. De geestelijke betekenis van de besnijdenis, het afleggen van het lichaam van de zonde, is in hem werkelijkheid geworden en hij hoort bij het uitverkoren volk in de hemelse gewesten, dat besneden is naar het hart. Met zijn natuurlijke onbesnedenheid wordt niet meer gerekend, omdat hij bij het Israël van God hoort.

De andere persoon is de besneden Jood, die wel het natuurlijke teken aan het lichaam draagt, maar in de geestelijke wereld niet met de zonde gebroken heeft. Hij is daarom onbesneden van hart. Noch de letter van de wet, waaraan hij zich niet houdt en die hij ook niet houden kan, noch de besnijdenis hebben voor hem in de geestelijke wereld enige betekenis. In de onzienlijke wereld hoort hij niet bij het Israël van God, maar bij de wereld en Paulus schrijft aan de heiligen: ‘Weet u niet, dat de heiligen de wereld (dus ook het ongeestelijke, natuurlijke Israël) zullen oordelen?’ (1 Cor.6:2).

Ieder mens wordt geoordeeld naar het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, dit is het evangelie van Jezus Christus en de apostel noemt het in vers 16 ‘mijn evangelie’. Het overtreden van de wet komt voort uit de overheersing van de innerlijke mens door de demonen van Satan. Het bezit van de letter, dat is de wet, met de ritus van de besnijdenis die de wet bezegelde, schenkt geen enkele claim en heeft geen enkel voordeel om de zegen van Abraham, namelijk de gerechtigheid, te ontvangen.

‘Want niet híj is Jood die het in het openbaar is en niet dát is besnijdenis die in het openbaar in het vlees gebeurt, maar híj is Jood die het in het verborgene is en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God’ 28,29.

Paulus komt tot de kern van het evangelie van Jezus Christus, dat van de onzienlijke wereld of van het Koninkrijk van de hemelen. De uitdrukking in vers 27 ‘de van nature onbesnedene’ suggereert dat het om iets anders gaat dan het zichtbare. Dit heeft afgedaan en keert nooit meer terug. Het zichtbare van het oude verbond was slechts de schaduw van de hemelse werkelijkheid. De definitie van de werkelijke Jood die bij het ware volk van God hoort, luidt: ‘dit is een persoon die besneden is naar het hart, in de innerlijke mens, in de onzienlijke wereld’.

De ware besnijdenis is zintuiglijk niet te zien en hoort bij de geestelijke wereld. Zij is géén werk van mensenhanden, maar zij is het afleggen van het lichaam van het vlees en de breuk met iedere vorm van kwaad (Col.2:11). De oudtestamentische besnijdenis was een uiterlijk, maar verborgen teken. Men kon van iemands gezicht niet aflezen of hij bij het volk van God in het oude verbond hoorde. Dit verborgen teken stond in verband met het doorgeven van het natuurlijke leven.

De besnijdenis van het hart is echter een onderdeel van het proces van het opnieuw geboren worden dat in de geestelijke wereld gebeurt. Naar nieuwtestamentisch gebruik wordt deze onzienlijke wereld door Paulus het ‘verborgene’ genoemd, zoals ook Jezus sprak over de verborgenheden of de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen. In deze verborgenheid krijgt de onrechtvaardige mens die Jezus Christus aangenomen heeft en door zijn bloed van zondeschuld gereinigd is, naar zijn geest contact met God. De nieuwe, geestelijke mens wordt geboren, die volkomen naar de innerlijke mens met het oude leven naar het vlees breekt en die door het Woord van God geleid wordt.

‘Wie de naam van de Heer noemt, breekt met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19). De besnijdenis van het hart is deze breuk tussen de oude en de nieuwe (vernieuwde) mens, die door zijn geest bestuurd wordt. Door de doop met Gods Geest wordt zijn menselijke geest verenigd en gesterkt door Gods Geest om volkomen in nieuwheid van het leven te wandelen. Daarom is de ware besnijdenis niet die van Mozes (Joh.7:22), maar die van Christus (Col.2:11).

De besnijdenis van de innerlijke mens is het teken dat men bij het geestelijke Israël hoort. De eer berust dan niet op afstamming, niet op een voorgeslacht of op vader Abraham, maar op God die een mens door zijn woord opnieuw geboren laat worden. Het rituele, zichtbare zegel van de besnijdenis hoort bij het oude verbond en dat is ‘voor verouderd verklaard’ (Hebr.8:13). Het was slechts een schaduw van het geestelijke, onzichtbare zegel van de besnijdenis van het menselijke hart. Voor God is er geen uiterlijke Jood en geen uiterlijk uitverkoren volk meer. Het ‘Israël naar het vlees’ (1 Cor.10:18) heeft daarom als natie geen enkele betekenis meer:

  • ‘want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is’ (Gal.6:15)!

>>>>>