49. Meestrijden in het geloof

<<<<<

Romeinen 15:30-16:2

‘En ik roep u ertoe op, broers, door onze Heer Jezus Christus en door de liefde van de Geest, om samen met mij te strijden in de gebeden tot God voor mij, dat ik verlost mag worden van de ongehoorzamen in Judea en dat mijn dienstbetoon, namelijk dat aan Jeruzalem, de heiligen welgevallig is, zodat ik met blijdschap naar u toe kom door de wil van God en bij u tot rust zal mogen komen. En mag de God van de vrede met u allen zijn. Amen’ 30-33.

Paulus vraagt de voorbede van zijn broers te Rome in verband met zijn strijd tegen de Judaïsten die de Joodse ceremonieën en wetten onderhielden en de heidenen wilden dwingen zich te laten besnijden. Hij ging nu naar Jeruzalem, dat nog altijd een bolwerk van deze richting was. Door zijn geldinzameling had hij het bewijs geleverd dat hij de broers daar accepteerde, maar zouden zij hem accepteren? Misschien dat zij de meegebrachte gelden zouden gebruiken om de ‘schijnapostelen’ en ‘de bedrieglijke arbeiders’ ermee te financieren. Dezen waren immers gewend om te maaien op de akker, waarop Paulus gezaaid had (2 Cor.11:13). Hij hoopte niet in conflict te komen met die ‘uit de kring van Jacobus’ die zelfs met de heidense broers niet aan één tafel wilden zitten (Gal.2:12), of met die duizenden die allen ‘ijveraars voor de wet’ waren (Hand.21:20,21).

Paulus riep zijn lezers in Rome op voor hem in de hemelse gewesten te strijden, want hij wilde deze Joodse volgelingen van Jezus, die zich nog niet hadden kunnen vrijwaren van de oude zuurdesem, benaderen met de liefde van God die in zijn hart met Zijn Geest uitgestort was. Het was nog niet zo zeker dat men in Jeruzalem hem met open armen zou ontvangen. Men zou mogelijk een grote ketter in hem zien, die de voorvaderlijke inzettingen tot de grond toe afbrak. Misschien zou men weigeren de meegebrachte gaven te aanvaarden, omdat ze afkomstig waren van de heidense gemeenten, die deze dikwijls van hun armoede afgezonderd hadden (2 Cor.8:2).

Met de weerspannigen, ongelovigen of ongehoorzamen, bedoelt de apostel de verblinde en verharde Joden die het evangelie van hun redding verwierpen. Zij waren het die regelmatig aanslagen op zijn leven pleegden (Hand.20:19). Paulus kende de leiding van de Geest van God in deze reis nog niet, toen hij dit schreef, maar later bleek hoe scherp en juist zijn vermoedens geweest waren, toen men in de tempel de handen aan hem sloeg al schreeuwende: ‘Help, mannen van Israël! Dit is de mens die tegen het volk, de wet en deze plaats overal allen leert en nu heeft hij ook nog Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontwijd’ (Hand.2:28).

De reis naar Jeruzalem mocht zwaar zijn, zijn laatste tocht naar Rome zou ondanks zijn gevangenschap, verfrissend blijken te zijn. Onder de Romeinse broers was geen gereserveerdheid ten opzichte van hem, maar spontane openheid en blijdschap. In Handelingen 28:14 en 15 lezen wij: ‘Hier (te Puteoli) vonden wij broers en wij werden uitgenodigd zeven dagen bij hen te blijven. En zo gingen wij naar Rome. En vandaar kwamen de broers, die van onze aangelegenheden gehoord hadden, ons tot Forum Appii en Tres Tabérnae tegemoet en toen Paulus hen zag, dankte hij God en kreeg moed’. Zijn brief aan de gelovigen in Rome had haar uitwerking niet gemist! Let echter op de reactie van de synagogegetrouwe Joden daar, die al ruziënde zich van de apostel distantieerden.

De brief van Paulus aan de Romeinen is de langste die deze apostel geschreven heeft, ja zelfs langer dan enige brief die uit de oudheid bekend is. Paulus en Tertius hebben veel tijd in het huis van ‘de geliefde Gajus’ te Corinthe doorgebracht om deze wondervolle boodschap te ontwikkelen en op te schrijven. Paulus heeft een uitvoerige uiteenzetting gegeven hoe de Jood Saulus in zijn denken vernieuwd werd tot de christen Paulus, hoe de oude Saulus van Tarsen, de mens onder de wet, de nieuwe Paulus in Damascus werd, die zeggen kon: ‘Zo is er dan nu geen veroordeling voor degenen die in Christus Jezus zijn’. Hij schreef daarom over zonde en gerechtigheid, over de ellendige mens en over de heerlijkheid van zijn bevrijding, over het natuurlijke en over het geestelijke Israël en over een geloofsprediking die vergezeld ging door kracht van tekens en wonderen.

Nu eindigt hij dit hoofdstuk met de gewone afscheidsformule, die allen, Joodse Christenen en die uit de heidenen, tot een onverbrekelijke eenheid, verbindt: ‘Mag de God van de vrede met u allen zijn!’ De Heer van de hemelse legers, de aanvoerder van de oorlog in de hemelse gewesten, is ook de God van de vrede, want Hij is het die deze bewerkt en bemint. De oudtestamentische zegen was: ‘Vrede zij u!’ En hier heet het: ‘De God van de vrede is met u allen!’ Deze God geeft door zijn Geest eenheid en geen meningsverschillen. Hij zet de gelovigen over in het Koninkrijk van God, dat openbaar wordt in ‘rechtvaardigheid, vrede en blijdschap’. Naar Joods gebruik volgt dan het ‘amen’, het zal zeker en waar zijn, want wat deze grote apostel schreef, waren de geïnspireerde gedachten van God.

Overgang naar laatste opmerkingen

In de brief aan de Romeinen ontbreekt iedere particuliere aanduiding. Paulus kende immers de gemeente in Rome niet. Hoofdstuk 15 eindigt met de gewone afscheidsformule. In hoofdstuk 16 richt de apostel zich echter tot alle goede bekenden, wat vreemd aandoet. Het aantal namen in de kennissenkring van de apostel in dit hoofdstuk genoemd, is ook te groot om te veronderstellen dat zij een soort zendingsteam vertegenwoordigden, dat de apostel al vooruitgegaan was, om in Rome een gemeente te stichten, zoals wel verondersteld wordt.

In vers 17 wordt volgens de Statenvertaling gesproken over de leer ‘van ons geleerd’. Ook de opmerking over de gehoorzaamheid van de lezers, in vers 19 genoemd, past niet voor mensen die de apostel niet kende. Volgens Handelingen 18:26 woonden Aquila en Priscilla te Efeze. Toen Paulus in Rome gevangen zat (2 Tim.1:16-18), woonden zij daar nog (2 Tim.4:19). Daarom is het zeer onwaarschijnlijk dat dit echtpaar bij het schrijven van de brief aan de Romeinen opnieuw in Rome woonde (vers 3). In vers 5 wordt Epénetus de eersteling voor Christus uit Asia, waarvan Efeze de hoofdstad was, genoemd. Wanneer Aquila en Priscilla hier voorkomen met een gemeente bij hen aan huis, waarom heeft de apostel dan niet tegelijkertijd en allereerst de leiders van de Romeinse christenkringen begroet?

Wij stellen het ons dan ook zo voor: Paulus schreef aan christenen in Rome die hij niet kende. Een afschrift van zijn brief stuurde hij naar de oudsten van de gemeente te Efeze, de broers die hij later te Miléte bij zich ontbiedt (Hand.20:17). Zijn brief aan de Romeinen was te belangrijk, dat hij alleen in het verre westen bekend zou worden. Wanneer er maar één brief was, werd het risico gelopen dat deze op de verre reis verloren zou gaan. Ook de gemeenten in Asia, dezelfde waar Johannes in opdracht van de Heer aan schreef, moesten van de inhoud kennis nemen. Deze kwamen zelf immers ook vaak met de daarin behandelde problemen in aanraking. De kerkvader Origenes meldt dat er een Romeinenbrief bestond zonder de teksten 1:7 en 15, waarin dus de woorden ‘die te Rome zijn’ en ‘te Rome’ ontbraken. Dit weglaten van het directe adres in een voor omloop bestemd afschrift kennen wij ook in de brief aan Efeze. In het adres, ‘aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus, die te Efeze zijn’, staat de plaatsaanduiding in de Nieuwe Vertaling tussen haakjes. Die komt namelijk in de oudste handschriften niet voor.

Ook de brief aan de Galaten is aan meer dan één gemeente gericht en de namen van die gemeenten komen in die brief niet voor, dus ook deze heeft gecirculeerd (zie dr. J. de Zwaan: ‘Inleiding tot het Nieuwe Testament’, deel II). Hoofdstuk 16 is dan het geleidebriefje dat Fébe uit Corinthe, waar de brief geschreven werd, naar Efeze moest brengen. Dit hoofdstuk wordt dan ook vaak aangeduid als de Fébe-brief. Dit verklaart ook de soms onverwachte, scherpe toon tot de gemeente die Paulus wel goed kende. Hij schrijft immers: ‘Ik vermaan u’ en hij geeft de opdracht bepaalde personen te mijden (vers 17).

Aanbeveling van Fébe

‘En ik beveel u Fébe, onze zuster, aan, die een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is, zodat u haar ontvangt in de Heer op een manier die de heiligen waardig is en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig heeft, want ook zij heeft zelf bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf’ 1,2.

Fébe was een christin die zich in de gemeente en waarschijnlijk ook op maatschappelijk terrein verdienstelijk had gemaakt. Zij was dienares of letterlijk ‘diacones’ van de gemeente te Kenchreeën, de haven van Corinthe. Zij was hiervoor aangesteld en dit zal waarschijnlijk onder handoplegging gebeurd zijn. Let erop dat zij dus in dienst van de gemeente stond en meer was dan alleen maar actief lid. Haar taak in de gemeente als diacones hoeft niet opgevat te worden in de betekenis die het woord diaken later in de ontwikkeling van de christelijke kerken kreeg, dus van een vrouw die aangewezen was om hulp te verlenen in tijdelijke nood en bij ziekte. Naast het ambt van diaken, genoemd in hoofdstuk 12:7 onder de woorden ‘wie dient in het dienen’, vinden wij hier dus een vrouwelijk equivalent. Dit was ook wel nodig, omdat de bijzondere zielzorg en ook de hulp aan vrouwen wegens de fatsoenlijkheid niet aan mannen kon worden overgelaten. Ook waren zij, net zoals in onze dagen, nodig om te helpen bij het dopen door onderdompeling van de zusters van de gemeente. Het klassieke voorbeeld van ‘de zeven mannen’ uit Handelingen 6 wijst er wel op, dat deze diakenen en dus ook de diaconessen, ook het evangelie aan buitenstaanders brachten.

Fébe was waarschijnlijk een vrouw van aanzien en vermogen, want zij was voor velen en ook voor Paulus een ‘protectrice’ of beschermvrouw geweest. Zij had dus steeds op de bres gestaan voor christenen die op een of andere manier verdrukt en vernederd werden. Haar rijkdom stelde haar in staat dit mooie werk te kunnen verrichten en ook de reis naar Efeze te ondernemen. De apostel dringt er op grond van dit aanbevelende paspoort bij de heiligen daar op aan, haar als vrouw niet te minachten, maar haar te zien als een ambassadrice van de gemeenten te Corinthe en Kenchreeën en van hem persoonlijk. Zij moet dus respectvol in alles geholpen en bijgestaan worden.

>>>>>