Romeinen 11:33-36
‘O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!’ 33.
Paulus prijst God over de manier waarop God zijn reddingsplan tot herstel van de mens uitvoert. Eeuwenlang had God Israël gebruikt om Zich een naam te bewaren en in de zienlijke wereld een schaduw en een voorbeeld te geven van zijn eeuwig voornemen in de onzienlijke wereld met het Israël van God. In de volheid van de tijd zond Hij zijn Zoon als eerste van deze nieuwe schepping en gaf Deze aan de hele wereld. De barmhartigheid van God gaat nu uit naar het hele mensdom (een rest van Israël inbegrepen). Daarom is een rijkdom van genade geopenbaard, zoals nooit tevoren in het oude verbond getoond was.
Een rijkdom van genade

De Joodse lezers wisten wat het was om God in de zichtbare wereld te dienen, in het onderhouden van de geboden, in het brengen van offers, in het geven van tienden, in het werken aan de ceremonieën. In het oude tijdperk was het genade om te kunnen boeten, om een straf te mogen ondergaan en daarna als gerechtvaardigd weer te worden aangenomen. Maar het nieuwe verbond kent geen boete, geen offers en geen altaar. Het schenkt genade voor genade, dus het stelt de ene genade in plaats van de andere. Deze rijkdom van genade is in Jezus Christus geworden op het kruis en trad na zijn opstanding in werking. Het is rijkdom van genade, want er staat:
- ‘En heeft ons mee opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van zijn genade te tonen naar zijn goedheid over ons in Christus Jezus’ (Ef.2:6,7).
Het is genade als een gevangene gratie ontvangt, dit wil zeggen niet langer voor zijn overtredingen hoeft te boeten of straf te dragen. Maar het is rijkdom van genade als de misdadiger niet alleen kwijtschelding van straf en boete ontvangt, maar ook aan het hof als kind wordt aangenomen en zelfs recht krijgt op de erfenis. Er is volheid van genade, want alles wat God te geven heeft wordt in het nieuwe verbond geschonken aan allen die in Christus Jezus zijn: vergeving, de doop met Gods Geest, heiliging en ontplooiing van geestelijke gaven als toerusting op de weg naar de troon van God. In Christus kregen de diepste gedachten van God gestalte en deze eindigen met de openbaring van de zonen van God, die het beeld van Jezus gelijkvormig zijn. Dit is het Israël van God van het nieuwe verbond, verzameld ‘uit alle volk en stammen en natiën en talen’. Zij worden ingeschakeld tot het herstel van de hele schepping.
Het Woord van God is vlees geworden

Het doel van de Schepper is om voor eeuwig gemeenschap met de menselijke geest te hebben. Deze geest wordt zo hoog verheven dat hij bij Hem past. De gemeenschap komt er door de inwoning van Gods Geest in het lichaam van de mens, dat een tempel van God is. Daarom moest het Woord (Gods Logos en geen drie-eenheid!) vlees worden, zodat Jezus als eerste van een nieuwe schepping met een menselijke geest gezegend zou worden en Hij voor allen die in Hem zouden geloven, als de laatste Adam tot een levendmakende geest zou zijn, dus geestelijke mensen zou formeren. In het nieuwe verbond vinden wij voor de leerlingen van Jezus Christus namen als: broers, zusters, vrienden, zonen van God, medewerkers van God, deelnemers van de hemelse roeping. De naam van ‘vrouw van het Lam’ die als levenspartner van God voor eeuwig met Hem zal regeren over alle werken van zijn handen, is toch wel de intiemste en mooiste aanduiding.
De apostel spreekt ook van een diepte van wijsheid en kennis van God. Sommigen vertalen: ‘O, diepte van de rijkdom zowel van de wijsheid als van de kennis van God’. Er wordt dan gesproken van diepte en van rijkdom in verband met de wijsheid en kennis van God. Deze kennis en wijsheid liggen dus niet aan de oppervlakte en zijn daardoor niet te verstaan voor de natuurlijke mens. Alleen wanneer men geleid wordt door Gods Geest en een geestelijk mens is, kan men vervuld worden met al deze kennis (15:14). ‘Want Gods Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten (van rijkdom, van wijsheid en van kennis) van God’ (1 Cor.2:10). De herschepping is geen hocus pocus, geen samenloop van gelukkige omstandigheden en toevalligheden, maar zij ontwikkelt zich vanuit het denken van God en naar zijn gemaakt plan op redelijke en logische wijze. Gods beschikking, raadsbesluiten, beslissingen of oordelen, zijn ondoorgrondelijk, dat wil zeggen dat ze met het natuurlijke verstand en met menselijke wijsheid niet te begrijpen zijn. In Jesaja 55:8,9 zegt God:
- ‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord van de Heer. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten’.
De mens gaat immers van nature uit van wat voor ogen is, maar God rekent met een hemelse dimensie, met de geestelijke en eeuwige wereld. Alleen zij die door de Geest van God mogen functioneren in het Koninkrijk van de hemelen, kunnen zijn wegen onderzoeken en zijn gedachten volgen of doorgronden. In plaats van ‘hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen’ wordt ook vertaald ‘hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen’. De hele schepping is geïnfiltreerd en samengeweven met de wetteloosheid, maar God brengt door zijn Woord en Geest de scheiding of het oordeel tot overwinning, zodat het goede voor eeuwig van het kwade gescheiden wordt (Matth.12:20). Deze overwinning is alleen mogelijk langs de weg van het nieuwe verbond, de hoge weg door het onzienlijke Koninkrijk van de hemelen. De verlosten die erop wandelen, hebben ervaring van deze ondoorzoekelijk oordelen, want: ‘Geen leeuw en geen verscheurend dier zal daarop komen’ of hen tegenhouden (Jes.35:9). Voor alle anderen is het verborgen, zelfs voor de engelen die inzicht willen hebben in het reddingsplan’ (1 Petr.1:12).
‘Want wie heeft de gedachten van God gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet?’ 34,35.

De gedachten van God zijn zijn bedoeling of zijn plan. De apostel schijnt hier vrij te citeren uit Jesaja 40:13,14:
- ‘Wie bestuurde de Geest van God en onderwees Hem als zijn raadsman? Wie raadpleegde Hij, dat deze Hem inzicht zou geven, het rechte pad zou leren, kennis bijbrengen en de weg van het verstand doen kennen?’
Het zijn de gedachten van de God om de mens op Zijn troon te doen zitten en hem als hersteller en meeregeerder te plaatsen boven alle werken van zijn handen. Het koningschap van David, die op de troon van God zat (1 Kron.29:23) was hiervan slechts een schaduw. Door de gemeente herstelt God de hele schepping. Wanneer dit volk als medewerker van God en als meeheerser een plaats ontvangt in zijn troon, zal het ook de gedachten van Hem moeten verstaan. Dan wordt van de nieuwe schepping waarheid: ‘U hebt hem bijna goddelijk gemaakt’ (Ps.8:6).
Het volk Israël had de zin van God niet verstaan, zoals ook Jesaja vroeg: ‘Wie heeft onze boodschap geloofd?’ Hun ogen waren verblind en hun harten verhard. Het volk Israël ging niet akkoord met de raad van God, zoals Paulus deze nu in enkele hoofdstukken uiteengezet had. Het deed zijn best, het streefde een wet van de gerechtigheid na, het had de verbonden en de wetgeving, maar het bezat geen kennis van de diepste gedachten van God, die eeuwig en onveranderlijk op het vaste doel gericht zijn. Tot aan vandaag.
God bezit geen ‘raadgevers’ die Hem ‘inspireren’ kunnen

Hij laat Zich in verband met zijn plan niet ompraten noch intimideren. Hij verandert niet van gedachten en krijgt geen nieuwe ideeën, omdat de werken van God, Hem al van eeuwigheid bekend zijn (Hand.15:18). Daarom zal de mens moeten luisteren naar de Woorden van God die zijn voornemen openbaren. De gelovige zal de volle waarheid moeten leren verstaan en deze zal hem tot het einddoel voeren. De apostel Paulus was een van de mensen die de diepe gedachten van God had verstaan, de enorme rijkdom van wijsheid en van kennis van God. Ook in de Efezebrief ontvouwt hij hoofdstuk na hoofdstuk de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen en van het plan van God.
Ook is God niemand iets schuldig. Hij heeft geen enkele verplichting aan de engelen, maar ook niet aan de mens, zelfs niet aan de serieuze en vrome Jood. Meent iemand ergens aanspraak op te kunnen maken, dan kan dit slechts op grond van Gods beloften. Deze zal God zeker vervullen, maar dan heeft Gód de mens eerst iets gegeven, namelijk zijn Woord.
‘Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem is de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen’ 36.

God is van eeuwigheid en Hij is vóór alle dingen. Alles wat in de onzienlijke wereld is, kwam uit Hem voort. Zijn kennis en zijn wijsheid hebben alles toebereid en aan zijn kracht dankt de hele schepping haar bestaan. Ook het plan van de herschepping, het herstel van alle dingen, is van de Vader en wordt gerealiseerd door zijn wijsheid en door zijn vermogen. Zo is niet alleen alles ‘uit Hem’, maar ook ‘door Hem’. Wanneer het leven op aarde zich vermenigvuldigt en zich ontplooit, gebeurt dit alleen, omdat God de vruchtbaarheid en de groei erin gelegd heeft, ‘want de aarde en haar volheid (volle vrucht) is van de Heer’ (1 Cor.10:26). Wanneer de mens als Gods medewerker de verborgen krachten van de natuur productief maakt, kan dit alleen gebeuren omdat God aan de menselijke geest de mogelijkheid gaf om kennis te verzamelen en Hij hem ook de wijsheid en de energie schonk alles te benutten, wat in de schepping verborgen ligt.
- De schepping en de herschepping hebben een doel, dat door de apostel zo geformuleerd werd: ‘Zodat God alles in allen is’ (1 Cor.15:28). God zocht in de menselijke geest, voor Zich een partner en in diens lichaam een woning, een huis niet met handen gemaakt. Er staat immers van de opperste Wijsheid geschreven: ‘Mijn blijdschap was met de mensenkinderen’ (Spr.8:31). Daartoe is alles geschapen en wordt alles wat geschonden is, hersteld en vernieuwd, om het plan van God werkelijkheid te doen worden.
Paulus eindigt met dezelfde lofprijzing als waarmee het ‘Onze Vader’ besluit, dat Jezus ons leerde. Daar ligt het geloof aan ten grondslag, dat wat God Zich voorgenomen heeft, in volle glorie tevoorschijn zal treden en ook in eeuwigheid zal blijven bestaan. Gods heerlijkheid is de voltooiing van zijn plan. In Christus heeft de Schepper al deze volheid bereikt en ook in de gemeente zal zij tot openbaring komen. Paulus wist dit, toen hij schreef:
- ‘Hem nu, die door de kracht, die in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem is de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen’ (Ef.3:20,21).
- Jezus bad: ‘En nu, verheerlijk U Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld was’ (Joh.17:5).
Dit was dus de glorie die Hem van eeuwigheid toegekend was. Onze Heer kon hierom vragen, omdat Hij zijn aardse werk in volkomenheid uitgevoerd had.
In de voorgaande hoofdstukken had de apostel veel gedachten aan zijn lezers geopenbaard en hij had het plan van God voor Jood en heiden aan hen ontvouwd. Hij is zo onder de indruk van de bedoelingen van God en van diens wijze van uitvoeren, dat hij met deze machtige doxologie eindigt. Hij besluit haar met een hartgrondig ‘amen’, dit wil zeggen het zal waar en zeker zijn. Ook wij verheugen ons over deze rijkdommen en heerlijkheden, die God in zijn schepping en hérschepping openbaart. Omdat wij weten dat wij als leden van het lichaam van Christus aan alle beloften deel hebben en wij ‘de volheid hebben gekregen in Hem’. Dus hier naar toe groeien zeggen ook wij in grote blijdschap en eenheid van Gods Geest: ‘Amen’.
