Romeinen 9:19-23
‘U zult dan tegen mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn wil weerstaan? Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt? Zal ook het maaksel tegen hem die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt?’ 19,20.
Paulus belicht nu wat hij gezegd heeft op een andere manier. Dit deed hij ook in hoofdstuk 3:1-8. Daar had hij gesteld dat de onrechtvaardigheid en de ontrouw van de mens er juist oorzaken van waren, dat Gods trouw en rechtvaardigheid des te sterker uitkwamen. Daar stelde hij de merkwaardige vraag: ‘Waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld, als ik door mijn kwaad Gods rechtvaardigheid bewijs en zijn heerlijkheid des te sterker doe uitkomen?’ Nu zegt de apostel dat Gods kracht meer openbaar en zijn roem verder uitgebreid worden door de verharding en de tegenstand van hen die zich verzetten tegen zijn plan. De apostel voelt zich weer staan tegenover mensen met dezelfde geestelijke instelling als in hoofdstuk 3. Ze zeggen: ‘Als dit zo is, hoeft God die tegenstanders toch niet te berispen. Zij zullen immers God plan toch niet kunnen tegenhouden’.
Maar Paulus is het met deze redenering niet eens, want ze willen de verantwoordelijkheid van de mens wegschuiven en die op God leggen. God zou dan door hun verzet gebaat zijn. Zij denken hiermee vrijuit te kunnen gaan. De apostel vindt dit een verschrikkelijke gedachtegang. In Romeinen 3 concludeert hij: ‘Het oordeel over hen is welverdiend!’ Nu roept hij uit: ‘Maar mens, waar haal je het lef vandaan om God tegen te spreken en je te verzetten tegen zijn wil’. Ze moesten op de plaats waar God ze gesteld had, zich altijd voegen naar zijn wil en gehoorzamen aan zijn woord. Een beeldje kan toch ook niet tegen zijn maker zeggen: ‘Ik had zus of zo willen zijn’. De beeldhouwer beslist toch zelf of hij een groot of een klein beeld wil maken en wat hij erin uitdrukken wil? Het minder mooie beeld ontleent aan zijn kleinheid geen recht om zich te verzetten:
- Ismaël was door God op de tweede plaats gesteld en daarin had hij God moeten gehoorzamen.
- Ezau had Jacob moeten dienen omdat de Heer dit zo gewild had.
- De machtige farao had ontzag moeten hebben voor de nog machtiger God van Israël, die door Mozes en Aäron gerepresenteerd werd.
- Tenslotte had het volk Israël zich moeten stellen onder Jezus Christus, want Hij was meer dan Mozes en wie Hem hoorde, hoorde ook God.
‘Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp klei het ene voorwerp tot een eervol, het andere tot een oneervol voorwerp te maken?’ 21.
De klomp klei van de hemelse pottenbakker is het mensdom. Dit is voor Hem het leem waaruit Hij telkens weer nieuwe vaten kneedt. Hij geeft aan alle mensen de geest (1 Cor.15:44b-45) en geeft hen een lichaam. De miljarden mensen die de aarde bevolken, zijn niet gelijk en in hun verschil openbaart zich de veelkleurige wijsheid van God. Bij de grote uitbreiding van de mensen kiest God uit ieder volk en uit iedere natie mensen met een eervolle taak, ‘want er is geen overheid dan door God en die er (nog) zijn, zijn door God gesteld’ (Rom.13:1, Op.13:15). Ook in de uitwerking van zijn reddingsplan kiest God voor Zich mensen die Hij een eervolle bestemming geeft:
- Hij bewaarde Noach om het menselijke geslacht in stand te houden, omdat Hij aan de mensheid zijn beloften verbonden had.
- Hij riep Abraham om zijn naam te bewaren en om door zijn nageslacht de Christus voort te brengen.
- Hij koos Izak en Jakob uit om als aartsvaders een volk voort te brengen dat zijn wetten zou onderhouden.
- Hij haalde David van achter de kudde vandaan om een troon te beklimmen, die de troon van God genoemd zou worden (1 Kron.29:23).
- Hij verwekte Jezus bij Maria, zodat deze de eniggeboren Zoon van God zou zijn en de Eerste onder veel broers en zusters.
Zo stelt God bij de ontwikkeling van zijn ‘eeuwig plan’ sommigen op een eervolle plaats. Een rechtvaardig en oprecht man als Job had deze bijzondere bestemming, net als bijvoorbeeld Melchizédek. Mannen als Ismaël, Ezau, Farao en miljoenen anderen hadden een ‘alledaagse’ bestemming. Wanneer zij mee hadden willen delen in een geestelijke zegen, hadden zij zich moeten voegen bij en zich stellen onder de leiders of ‘overheden’ in het Koninkrijk van God. Israël had onder alle volken van de aarde een uitverkoren plaats en een eervolle bestemming. Het had de belofte dat het de Christus zou voortbrengen, die de zonde van de wereld zou wegnemen en die degenen die Hem erkennen zouden, op zou voeren tot een hoge bestemming. Dit ‘eervol gebruik’ in de hemelse gewesten was alleen voor de gehoorzamen die zich voegden bij deze Uitverkorene. De rest van het volk had, net als de tempeldienst en de ceremonieën, zijn betekenis verloren. Het had voortaan geen bijzondere eervolle bestemming meer, want het Koninkrijk van God was van hen weggenomen en gegeven aan het geestelijk Israël, namelijk de gemeente (Matth.21:43).
Waarschuwing voor het aanbidden van de aarde
Ook in het christendom vinden wij als ‘in een groot huis’ vaten met ‘minder eervolle bestemming’ en vaten met ‘eervolle bestemming’. Er is sprake van naamchristenen, die zich hechten aan uiterlijkheden, vormen, tradities en leringen van de aarde. ‘Vaten voor alledaags gebruik’ zijn beeld van de natuurlijke christenen die hun wandel alleen op aarde hebben. De apostel vermaant hen zich hiervan te reinigen om een voorwerp te worden met eervolle bestemming (2 Tim.2:20,21). Een opnieuw geboren(!) kind van God en navolger van Jezus Christus met een leven en een strijd in de hemelse gewesten, streeft naar de allerhoogste en meest eervolle bestemming.
‘En is het niet zo dat God, omdat Hij Zijn toorn wilde bewijzen en Zijn macht bekendmaken, met veel geduld de voorwerpen van Zijn toorn, voor het verderf gereedgemaakt, verdragen heeft? En dat met het doel om de rijkdom van Zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van Zijn ontferming, die Hij van tevoren bereid heeft tot heerlijkheid?’ 22,23.
Er is geen pottenbakker die opzettelijk onbruikbare voorwerpen maakt. Hij maakt prachtige en sierlijke vazen met een bijzondere bestemming, maar ook gewone alledaagse schalen, kruiken en potten.
- ‘Mislukte de pot die hij bezig was te maken, zoals dat gaat met leem in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het de pottenbakker goed dacht te maken’ (Jer.18:4).
Geen pottenbakker heeft het ‘eeuwige’ plan om onbruikbare keramiek te maken. Hij gaat niet voor zijn draaischijven zitten met de gedachte iets waardeloos te produceren. Zo is het ook met de hemelse pottenbakker. Het is niet Zijn plan iets voort te brengen dat verwerpelijk is. Hij kan niet anders dan iets goeds scheppen. Job zei:
- ‘Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt, geheel en volledig; en wilt U mij in het verderf storten? Bedenk toch, dat U mij als leem hebt gevormd, en wilt U mij tot stof doen weerkeren?’ terwijl hij tevoren al gezegd had, dat God wist dat hij niet schuldig was’.
Voor Job was het absurd dat de Heer zulke dingen zou doen. Job zag hoe God hem ‘geheel en volledig’ gemaakt had. Hij zei: ‘Leven en genade hebt U mij geschonken en uw zorg heeft mijn geest bewaakt’, maar hij wist ook dat wanneer hij de Heer losliet, zou zondigen en zich verharden, dat God hem niet vrij zou spreken (Job 10:8-14). Job ‘schreef God niets ongerijmds toe’ (1:22). Hij was geen calvinist die leert, dat God van eeuwigheid mensen voorbeschikt tot een eeuwig verderf, want dat is ongerijmd. De pottenbakker wil goede voorwerpen maken en zolang het leem nog zacht is, kan hij, wanneer er iets mislukt, het blijven omvormen tot bruikbare voorwerpen en deze zelfs nog sierlijker maken.
Sommige potten worden echter hard en dan kan de pottenbakker er niets meer mee beginnen. Sommige gaan scheuren vertonen of er komen gaten in vanwege ruw en onoordeelkundig gebruik. Deze al gebroken vaten worden dan weggeworpen. Men slaat ze tot gruis om dit te gebruiken als cement, waarmee men de in de grond gegraven of in de rotsen uitgehouwen waterreservoirs en putten ondoordringbaar maakt, zodat het water niet kan wegzakken. Zo staat in Jesaja 30:14:
- ‘Hij zal hem stukbreken, zoals een pottenbakkerskruik stukgebroken wordt, die meedogenloos wordt vergruizeld, zodat onder zijn gruis geen scherf wordt gevonden’.
Wij kunnen nu ook de beeldspraak begrijpen uit Openbaring 2:27: ‘Als aardewerk worden zij verbrijzeld’. Er zijn dus vaten die klaar liggen voor de ondergang. Er zijn mensen die God niet meer kneden kan om ze nog tot iets bruikbaars om te vormen. Ze hebben zich opengesteld voor demonische beïnvloedingen en zijn daardoor verhard. God kan er niets meer mee beginnen. De satan heeft ze met zijn verleidingen en overweldiging geleid tot het verderf. Let er op dat er niet staat dat God ze tot het verderf bestemd heeft! Zij zelf hebben Hem als schepper niet gezocht en gediend. God neemt deze mensen niet weg zoals Ananias en Saffira, maar Hij laat ze voortbestaan om aan te tonen dat Hij tenslotte toch zal overwinnen over de machten van de duisternis, met hoeveel kracht dezen zich ook mogen manifesteren. Deze demonen gebruiken de mens om Gods plan te doorkruisen en tegen te houden. De Heer blijft echter geduldig en wil dat iedereen gered wordt (2 Petr.3:9) en doet zijn zon opgaan over bozen en goeden en regen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Hij blijft oproepen tot bekering, maar zij zeggen:
- ‘Het helpt niet, want wij zullen onze eigen gedachten volgen en ieder naar de hardheid van zijn boos hart handelen’ (Jer.18:12).
Juist door de openbaring van de kracht van het verderf of van de toorn komen de kracht en de rijkdom van Jezus Christus tot behoud van hen des te schitterender naar voren. Van de voorwerpen van ontferming staat geschreven: ‘Die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid’. In hen komt het werk van God openbaar door Zijn Geest tot lof van zijn heerlijkheid. Hoe feller de voorwerpen van toorn te keer gaan door Gods eeuwige plan met de mens en zijn reddingsplan te dwarsbomen, des te heerlijker wordt de uitredding en des te schoner en des te sterker komen de vaten van ontferming tevoorschijn.
Wanneer de farao verdrinkt met zijn brutale leger, staat het volk God aan de veilige oever en klinkt het lied van de verlosten. Wanneer in de eindtijd de zonen van God trekken door de glazen zee vermengd met vuur (beeld van de demonische verdrukkingen) en de antichrist daarin omkomt als voorwerp van de toorn, zullen de overigen bang worden en de God van de hemel eer geven.
Het gevaar dreigde dat de Joodse lezers door het drijven van hun volksgenoten op een dwaalweg zouden komen. Dezen meenden immers dat Israël naar het vlees in zijn geheel erfgenaam van de beloften was en dat de heidenen als vaten van oneer uit een andere klomp klei vervaardigd waren en op een behoorlijke afstand volgen moesten. Die zouden dan door het onderhouden van Joodse ceremoniën, besnijdenis en inzettingen ook deel krijgen aan het Koninkrijk van God, maar altijd nog op een lagere plaats.
Maar God had zijn wil bekend gemaakt en duidelijk de Beloofde aangewezen. Er was een nieuwe tijd aangebroken, die Israël niet onderkend had, omdat het verblind was door hoogmoed en rassenwaan. Dit volk had ten opzichte van Jezus en zijn volgelingen de geestesgesteldheid van de Syrofenicische moeten bezitten, die wél Gods uitverkorenen erkennen wilde en zich daarom beneden de Joden stelde om de kruimeltjes onder de tafel van de kinderen te verzamelen.
Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!
Israël weigerde (en weigert nog steeds) Jezus als Christus te erkennen en wilde zich niet bij Hem voegen en zeker niet gelijkgeschakeld worden met de heidenen. Het verhardde zich in deze levenshouding en werd hierdoor een voorwerp van de toorn. Daarom schreef de apostel:
- ‘Die zowel de Heer Jezus als hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind. Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken zodat die behouden zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde’ (1 Thess.2:15,16).
In zijn verblindheid wilde het verharde volk de apostel beletten tot de heidenen te gaan, hoewel dit Gods bedoeling was. Daarom werden de Joden vaten van de toorn, tot het verderf bereid door de ‘vrome’ demonen die hen inspireerden.
De aardse Israëlaanbidding
- Wanneer gezegd wordt: ‘Hij verhardt wie Hij wil’, is deze wil ook bekend. God geeft degenen die zich doelbewust verzetten tegen het plan van God, prijs aan de geesten van de verharding, aan die sterke demonen die zij bewust willen dienen.
Mensen die Christus niet kennen, zijn niet allemaal ‘vaten van de toorn’. Zij zijn immers nog tot bekering te brengen, maar het is het ‘geslacht’ dat de profeten doodt en stenigt die tot hen gezonden zijn. De vaten van de toorn worden gevormd in de ontrouwe kerk, die eindigt in de gemeente van de antichrist. Veel naamchristenen kennen God alleen zoals de duivel Hem kent, namelijk in zijn waarheid en gerechtigheid. Zij kennen de waarheid m.b.t. God, want zij weten dat Hij één is (Jac.2:19), dus enkel heiligheid, majesteit en zuiverheid en dat zijn gedachten en zijn woord onveranderlijk zijn. Zij kennen ook zijn gerechtigheid, net als de demonen die zich tegen Gods plan verzet hebben en verworpen werden.
Maar zij kennen NIET de liefde van God, zoals de mens Deze mag kennen, want God stelt alles in het werk om de mens te redden en te verlossen. De duivel kent Gods ontferming, zijn barmhartigheid en trouw niet. Daarom spreken deze mensen over een eeuwige verkiezing of verwerping van de mens.




