24. Geen aanstoot geven voor broers en zusters

Romeinen 14:13-23

‘Laten wij dan niet langer elkaar oordelen, maar oordeel liever dit: de broer geen aanstoot of oorzaak tot struikelen te geven’ 13.

Het Koninkrijk van God zit van binnen, in de innerlijke mens. Daarom moet men niet oordelen over uiterlijkheden. Wat het eten van rein of onrein voedsel betreft, waar het in deze verzen in het bijzonder over gaat, geldt: wie niet eet, kan hierin moeilijk verandering brengen, omdat hij innerlijk gebonden is om niet te eten. Wie daarentegen wel eet, kan dit ook laten, omdat hij vrij is het zó of ook anders te doen. Door uiterlijke gewoonten of daden kan men echter aan het geestelijke leven van de medechristen schade toebrengen. Geef daarom geen aanstoot, dit wil zeggen: roep geen gewetensconflicten bij uw broer op. Probeer iemand van binnenuit te overtuigen, door hem kennis bij te brengen van Gods Woord, maar kwets hem niet in zijn gevoelens. Kom tot dit oordeel of maak voor uzelf de goede keus, dat geen aanstoot geven het allerbelangrijkste is. De sterken die al in vers 1 vermaand werden, moeten de zwakken niets in de weg leggen, waardoor deze zouden kunnen vallen.

‘Ik weet en ben ervan overtuigd in de Heer Jezus dat niets in zichzelf onrein is. Alleen voor hem die van mening is dat iets onrein is, voor hem is het onrein’ 14.

Paulus zelf heeft een heldere kijk en wat hij weet, is zeker, omdat hij met de Heer gemeenschap heeft. Niets is onrein in zichzelf. Dit is geen subjectieve mening van de apostel, maar de gedachte van de Heer. Waardoor was iets onrein? Doordat het in verbinding gebracht was met boze geesten en dus onder beïnvloeding stond van de demonen. Het was dan in de tempels aan de afgoden toegewijd, zoals bijvoorbeeld vlees en wijn. Als wij sterk staan, kunnen wij deze verbinding verbreken en de invloed teniet doen door het geloof in de ware God. Het probleem voor de zwakken is, dat zij dit geloof nog niet kunnen opbrengen. In het oude verbond, de tijd van de schaduwen, wordt gesproken over onreine dieren zoals varkens en slangen, omdat zij symbolen van boze geesten waren en zij mochten daarom door de Joden niet gegeten worden. Toen de werkelijkheid kwam, verklaarde Jezus al het voedsel rein (Marc.7:18-20).

‘Maar als uw broer om wat u eet bedroefd wordt, dan wandelt u niet meer naar de liefde. Richt door uw eten niet hem te gronde voor wie Christus gestorven is. Laat dan het goede dat u bezit niet gelasterd worden’ 15,16.

Naamchristenen die vast houden aan uiterlijkheden, leven dikwijls in een kramp en staan bloot aan allerlei verwarrende gedachten. Hun godsdienst wordt dan: dit mag niet en dat moet. Geestelijk liggen zulke zwakken aan een ketting. Zij zijn dan nog vaak een beproeving voor de opnieuw geboren christenen. De zwakke broer, die nog weinig kennis en inzicht heeft, ziet eigenlijk in de sterkere iemand die zijn christendom misbruikt om zich maar alles te kunnen permitteren. Maar er is niets onrein in zichzelf (vers 14). Ook aan het Joodse systeem is een einde gekomen. ‘Laten wij daarom feest vieren, niet met oud zuurdeeg’ schreef de apostel in 1 Corinthiërs 5:8. Al hebben dus de sterken gelijk, toch moeten zij de liefde betonen en vanwege het lichaam van Christus, de zwakken verdragen en helpen.

Wij merken nog op, dat de groep van de zwakken in Rome andere motieven had dan de judaïserende christenen in Galaten 4:9 en Colossenzen 2:16. Daar was de wet primair, dat wil zeggen, nodig om de redding te erven. Bij de zwakke broers in Rome echter had de weigering om bepaald voedsel te gebruiken een secundair doel, namelijk het vrij blijven van demonische beïnvloeding. Daarom schreef de apostel aan de Galaten: ‘Wie een ander evangelie (vermengd met Joodse riten) brengt, is vervloekt’ (Gal.1:8). Maar tot de gevorderde Romeinen zegt hij: ‘Verdraag de zwakken in liefde’. Ook in onze tijd zijn er veel ceremonieën als handgeklap, halleluja roepen, knielen, ogen sluiten, kleding, na het eten danken, kapsel en dergelijke te vinden in kerken en kringen. Deze uiterlijke vormen horen bij de zogenaamde ‘adiafora’, onbelangrijke dingen, die in wezen noch kwaad, noch goed kunnen heten.

Gelasterd worden is moreel pijn lijden. Velen leefden toen en zijn nu ook nog in een overgangstijd. Daarom moet men rekening houden met de opinie van de ander. Gelasterd worden is beschadigd zijn naar de innerlijke mens; er is geweld gebruikt bij de opbouw van het geestelijke leven. Men moet iemand niet door uiterlijkheden als eten en drinken in moeilijkheden brengen of tot zonde verleiden, maar ook niemand opleggen zich ergens van te onthouden. Ieder moet in volle vrijheid voor zijn eigen geweten overtuigd zijn (vers 5).

Iemand ‘te gronde richten’, betekent hem ten onder doen gaan of letterlijk hem ‘doden’, hier dus naar de innerlijke mens. Omdat de vrije broer zogenaamd onrein voedsel gebruikt, ziet de zwakke dit als een ongebondenheid en als wetteloosheid. Hij krijgt misschien spijt zich bij de gemeente gevoegd te hebben. Hij ‘ziet het dan niet meer’ en raakt los van de gemeente. Jezus stierf om hem te behouden, om hem tot vrijheid en tot volkomenheid te brengen. Dit proces heeft tijd nodig en men moet daarom met de zwakken geduld hebben en hun liefde bewijzen. De zwakken moeten echter de eis van de liefde ook niet verwaarlozen. Zij moeten de anderen de vrijheid gunnen, want dezen zijn ook voor hun eigen besef ten volle overtuigd. Wie bijvoorbeeld de zondag als oudtestamentische sabbat vieren wil, moet een ander niet verachten, die dit niet doet en de zondag ook voor recreatie gebruikt. Wanneer iemand handgeklap te luidruchtig vindt, moet hij een ander niet veroordelen die op deze manier zijn blijdschap tot uiting brengt.

De band van de liefde is een geestelijke verbinding tussen de broers en zusters in het Koninkrijk van God. Deze mag nooit gebroken worden, want de liefde doet de naaste geen kwaad. Een ware christen mag dus geen aanstoot geven, zodat een buitenstaander kwaad van de gemeente kan spreken, omdat men daar over uiterlijke dingen ruziet. Het goede is het leven van de gemeente in het Koninkrijk van God: in waarheid, gerechtigheid, vrede en blijdschap. Dit zijn de dingen waarop de apostel in het volgende vers wijst. Wanneer wij de geschiedenis van de kerk nagaan, zijn er veel voorbeelden van meningsverschillen over uiterlijkheden, waardoor de kerk voor de buitenstaanders onaanvaardbaar en belachelijk werd.

‘Want het Koninkrijk van God bestaat niet uit eten en drinken, maar uit gerechtigheid en vrede en blijdschap in Gods Heilige Geest’ 17.

Nog steeds richt de apostel zich tot de sterken die genoeg geloofskracht hebben om alles te nuttigen. Zij moeten echter de raad opvolgen door hun eten de zwakke broer niet te gronde te richten. Zij moeten vrijwillig iets van hun vrijheid afstaan vanwege de ‘bekrompen’ broers, want het Koninkrijk van God bestaat ook niet in eten en drinken. Het is immers niet nodig zijn vrijheid te demonstreren door maar alles te eten en het ligt meer in de weg van God om zichzelf iets te ontzeggen om een broer te behouden. De innerlijke gemeenschap met de Heer is niet afhankelijk van wat men eet, maar wel van de waarde die de gelovige in zijn leven aan eten en drinken toekent. Onmatigheid wordt door de Schrift veroordeeld. Vraat- en drankzucht worden veroorzaakt door onreine geesten. Daarbij horen ook het zich te buiten gaan aan verslavende middelen, aan sterke drank of aan roken.

Wie zich in het Koninkrijk van God beweegt, probeert niet alles uit het natuurlijke leven te halen wat er mogelijk in kan zitten. Hij oefent zich om het natuurlijke leven achter te stellen voor zijn wandel in het Koninkrijk van God, want daar wil hij zich vrij kunnen bewegen en effectief werken. Daarom kan hij de zwakke broer gemakkelijk helpen en zonder moeite dit eten en drinken laten staan, waardoor hij zijn broer of zuster verontrust en waardoor diens geestelijke leven in gevaar komt. Het Koninkrijk van God openbaart zich in deze wereld in rechtvaardigheid, dat is in het functioneren van de mens naar de wetten van God. De basis hiervoor ligt in de schuldvergeving, waardoor het mogelijk is een nieuw leven te beginnen. Door de doop in Heilige Geest worden de wetten van God voor geest, ziel en lichaam weer in gedachten gebracht, dus ingeschreven in hart en verstand. De vernieuwde mens ontvangt door deze inwoning van Gods Geest ook kracht om als een rechtvaardige te leven. De vrede volgt hierop vanzelf vanwege de verbinding met Jezus Christus. Deze vrede is gebaseerd op de juiste verhouding tot God en de naaste.

Wanneer de mens in vrede met God leeft en bevrijd is van boze geesten die hem tot zonde verleiden, verleugenen of dwang op hem uitoefenen, volgt de blijdschap vanzelf. Vreugde is het bewijs van het functioneren van het leven naar Gods wil. Waar een religie niet resulteert in blijdschap, wordt het Koninkrijk van God daar niet gevonden. Gerechtigheid, vrede en vreugde worden van binnenuit bewerkt en niet van buitenaf opgelegd. Zij zijn dan ook niet afhankelijk van uiterlijke omstandigheden. Er is een ‘vrede van God die alle verstand te boven gaat’, omdat hij bewerkt wordt vanuit de geestelijke wereld, het Koninkrijk van God. Het gevolg hiervan is, dat Petrus kon spreken over ‘een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde’, die los staat van de natuurlijke situatie, waarin de christen zich bevindt (1 Petr.1:8).

Er is ook een natuurlijke blijdschap. Wanneer iemand bijvoorbeeld ruimschoots geld en goederen bezit, wanneer het rustig om hem heen is en hij een goede gezondheid geniet, heeft hij reden tot blijdschap. Hierdoor ontstaan lustgevoelens. Maar de vrede en de blijdschap van God functioneren ook als de omstandigheden tegen zijn. De profeet kon zeggen: ‘Al zou de vijgenboom niet bloeien en er geen opbrengst aan de wijnstok zijn …, toch zal ik juichen in de Heer, jubelen in de God van mijn redding’ (Hab.3:17-19). De apostel kon vanuit de gevangenis de Filippenzen opwekken: ‘Wees altijd blij in de Heer! Opnieuw zal ik zeggen: Wees blij!’ (Fil.4:4).

‘Want wie Christus in deze dingen dient, is welbehaaglijk voor God en in achting bij de mensen’ 18.

Ieder oprecht, blij en tevreden christen is acceptabel voor de natuurlijke mens. Een dienstknecht van Christus is een goed werkgever of werknemer. Hij heeft niet steeds moeilijkheden met zijn ondergeschikten of met zijn meerdere. Hij is een goed onderdaan en een hulpvaardig en prettig mens. Alleen bij hen die door boze geesten voortgedreven worden, kan hij geen goed doen. Vooral bij ‘vrome’ geesten is zijn blijdschap aanstootgevend. Van Jezus wordt gezegd dat Hij toenam in genade bij God en mensen (Luc.2:52). Men kan Christus alleen goed dienen en zich als een waar christen openbaren, wanneer men zich alleen door Gods Geest laat leiden. Dan verliest men ook zijn gerechtigheid, vrede en blijdschap niet en kan men de test van God en mensen doorstaan, ook als er zelfverloochening in het natuurlijke leven noodzakelijk is.

‘Laten wij dus streven naar wat de vrede en de onderlinge opbouw bevordert. Breek niet om wat u eet het werk van God af. Alle dingen zijn wel rein, maar het is zondig voor hem die door wat hij eet aanstoot geeft. Het is goed geen vlees te eten, geen wijn te drinken en niets te doen waaraan uw broer aanstoot neemt, waarover hij struikelt of waarin hij zwak is’ 19-21.

Wij moeten er altijd op bedacht zijn elkaar op te bouwen in gerechtigheid, vrede en blijdschap. Alles wat wij in de zichtbare wereld doen of nalaten, moet aan dit doel meewerken. Laten wij onze medegelovigen die gegriefd of bedroefd zijn vanwege onze onachtzaamheid of onoplettendheid, zoals in vers 15 vermeld wordt, hun onlustgevoelens besparen. Laten wij ons hun situatie indenken en ons bij hen aansluiten, zodat zij van hun zwakheden genezen kunnen worden. Wij moeten proberen hun kennis bij te brengen, zodat zij van binnenuit veranderen en sterk worden. Door gebrek aan kennis en inzicht verstaan zij immers de woorden van de apostel niet.

De sabbatsviering en de weigering om bepaald voedsel te gebruiken, komen voort uit geestelijke onkunde. Voor de mens die in vrijheid wandelt, zijn dit soort zaken volkomen onbelangrijk. Hij moet ook wel offers brengen, maar doet dit alleen met de bedoeling dat het Koninkrijk van God zich in zijn leven baan breekt en gerechtigheid, vrede en blijdschap zich in en door hem openbaren. Een waar christen die vrij voor God leeft vanuit zijn krachtig geloof, kan toch de zwakke broer in een gewetensconflict brengen, omdat deze zich nog niet kan losmaken van de gedachte dat de sterke geestelijk besmet wordt door dit vrije leven. De sterke moet hiermee rekening houden.

De vermaning bedoelt natuurlijk niet dat de zwakke een soort geestelijke terreur op zijn medebroers en zusters kan uitoefenen. Petrus was een sterke. Hij zat, tegen de gewoonte van de orthodoxe Joden in, met de heidense broers aan één tafel en at en dronk met hen. Toen echter sommigen uit de kring van Jacobus gekomen waren, die de eenheid in Christus in het natuurlijke leven nog niet konden doortrekken, distantieerde Petrus zich en zonderde zich van de heidenen af. Dit deed hij niet vanwege zijn geweten, maar vanwege de mensen en van zijn reputatie bij de judaïserende christenen. Tegelijkertijd diskwalificeerde hij echter zijn heidense broers. Daarom bestrafte Paulus hem openlijk, omdat hij zich door de partij van Jacobus had laten intimideren. Paulus gebruikte in dit verband het woord ‘huichelarij’. Deze apostel stond op de bres voor de heidense broers en weigerde zich zijn vrijheid in Christus te laten ontnemen (Gal.2:11-14).

‘Hebt u geloof? Heb dat bij uzelf voor God. Gelukkig hij die zichzelf niet oordeelt in wat hem goeddunkt. Wie echter twijfelt als hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En alles wat niet uit geloof is, is zonde’ 22,23.

Al is een sterke vaak geroepen om in de zichtbare wereld iets te doen of iets na te laten om zijn zwakke broer niet te kwetsen of tot zonde te brengen, zijn innerlijke overtuiging hoeft hij daarvoor niet te wijzigen. Hij handelt uit liefde tot zijn naaste, maar niet omdat hij het geloof van die naaste óók overneemt! Daarom hoeft hij zich ook geen verwijten te maken. Zou hij het offervlees eten, dan zou hij naar zijn geloof zich niets hoeven te verwijten. Hij zou het goed achten. Maar nu hij niet eet om zijn broer een plezier te doen, hoeft hij zich ook niets te verwijten, want innerlijk houdt hij zijn principe vast; hij wil echter zijn broer helpen en dat is goed. Wanneer iemand echter gaat twijfelen, doordat hij er niet zeker van is dat zijn eigen overtuiging waar en steekhoudend is en past hij zich daarom bij andersdenkenden aan, dan is hij innerlijk in conflict en valt onder het oordeel: ‘Maar laat hij er in geloof om vragen en daarbij niet twijfelen. Immers, wie twijfelt, lijkt op een golf van de zee, die door de wind voortgestuwd en op- en neergeworpen wordt. Want zo iemand moet niet denken dat hij iets ontvangen zal van de Heer. Hij is een dubbelhartig man, onstandvastig in al zijn wegen’ (Jac.1:6-8).

Ook wanneer iemand niet naar zijn eigen overtuiging handelt om een andere reden dan de naaste behulpzaam te zijn, leeft hij niet uit geloof, maar is hij huichelachtig. Ook dan is hij te veroordelen zoals Petrus te Antiochië. Als men twijfelt, doet men dus iets uit andere overwegingen dan uit eigen geloof in het Woord van God. Dan handelt men op gezag van anderen, uit angst voor mensen, uit traditie of onder dwang van de machten van de duisternis. Ook is iemand niet gelukkig die zichzelf wijsmaakt, dat zijn daad naar de bedoeling van God is, terwijl deze in wezen voortkomt uit zelfzucht of gemakzucht. De geest van de mens weet alleen wat in hem is en daarom zal de christen zichzelf moeten onderzoeken of hij in het geloof handelt en of hij wel heel zeker van zijn zaak is, want anders is hij verwerpelijk (2 Cor.13:5). Geloof dat zich in oprechtheid vastklemt aan God en aan diens woord is het criterium.

Een christen is bijvoorbeeld ziek en aarzelt of hij de dokter zal halen. Heeft hijzelf geloof in de grote Dokter of is hij benauwd dat een broer merken zal, dat hij naar de dokter loopt? Als iemand geen vast vertrouwen heeft en toch niet naar de dokter gaat, zondigt hij, want hij grijpt naar iets dat zijn geloof niet vatten kan. Zijn lichaam kan immers alleen herstellen door een wonder wegens zijn geloof. Wanneer hij dit laatste mist, zal hij door twijfel verontrust als een riet heen en weer bewogen worden. Heeft hij wel geloof, dan zal er onder alle omstandigheden rust en vrede in zijn hart zijn.

De uitdrukking: ‘Alles wat niet uit het geloof is, is zonde’ heeft dus betrekking op de belijders van het evangelie. Dezen zullen bij al hun daden zich rekenschap moeten geven of zij steun vinden in Gods woord en in zijn beloften, want die geven inhoud aan hun geloofsvertrouwen. In de kerkgeschiedenis lezen wij van mannen als Augustinus, die uit deze tekst de stelling hebben afgeleid, dat alle deugden van de ongelovige heidenen maar ‘blinkende zonden’ zijn, net zoals alle beschaving en humaniteit bij onbekeerde Gutmenschen. Deze gedachte is door de vader van de leugen, de satan, geïnspireerd, want deze wil dat de mens hem gelijk is, namelijk door en door zondig. Maar die uitleg is in strijd met het woord van God en met de werkelijkheid zoals deze zich in deze wereld voordoet. De Bijbel spreekt immers over heidenen die van nature dingen doen, die overeenkomstig de wet van God zijn (2:14). Ook zal in het laatste oordeel, wanneer de doden klein en groot voor de troon zullen staan, er nog een scheiding komen op grond van de werken die gedaan werden, hetzij goed hetzij kwaad en vooral of men tijdens zijn leven op aarde al of niet barmhartigheid heeft bewezen.