27. De beloften aan Abraham

<<<<<

Romeinen 9:7b-13

‘Er staat immers geschreven: Door Izak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte gelden als nageslacht’ 7b-8.

Paulus legt hier uit wat hij in vers 7a schreef: ‘Niet allen die afstammen bij Israël, horen bij Israël.’ In Galaten 4:21-31 werkt de apostel deze gedachte verder uit. Met Hagar wordt dan het ‘tegenwoordige Jeruzalem op aarde’ bedoeld, ‘want dat is met zijn kinderen in slavernij en met Izak wordt het ware zaad van Abraham bedoeld: ‘En u, broers, bent, net als Izak, kinderen van de belofte’. Izak was het beloofde kind (vers 9) en hij werd dus ontvangen en geboren uit kracht van de belofte. Hierin was hij dus een type van allen die in het nieuwe verbond voor het zaad van Abraham worden gerekend: want zij zijn opnieuw geboren uit ‘onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr.1:23).

  • ‘Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden en dat ondanks haar hoge leeftijd, omdat zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte’ (Hebr.11:11).

Op deze manier worden de verborgenheden van het nieuwe verbond over het ware zaad van Abraham in het oude verbond uitgebeeld. Alles hangt dus af van de goddelijke keuze, van de beloften die God gedaan heeft en waaraan de mens door het geloof deel heeft. Over Ismaël was geen reddingsbelofte uitgesproken en daarom had hij niets waaraan hij zich in het geloof kon vastgrijpen. Niet Hagar, niet Ketura, maar Sara zou de zoon hebben.

Wat hadden Hagar en haar zoon nu moeten doen? Doordat zij zich niet konden vastgrijpen aan een belofte, hadden zij zich moeten onderwerpen aan hem die de belofte had, net als alle anderen van Abrahams huis. Izak en zijn geslacht waren uitgekozen en hadden een speciale opdracht gekregen, zodat in hen de hele aarde gezegend zou worden. In de verkiezing van Izak hebben we weer een type.

De laatste en eeuwige keuze van God: Jezus Christus

De laatste en eeuwige keuze die God doet, is zijn Zoon: ‘Totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg’ (Gal.3:19). Het ware nageslacht ontstaat niet door natuurlijke afstamming of door natuurlijke rechten, maar juist zij horen erbij, die de belofte in het geloof vastgepakt hebben. Sara en Abraham hielden de belofte vast. Zij volgden niet hun verstand en niet hun gevoel, ze letten ook niet op hun oude lichamen, maar zagen dat de geestelijke weg, het geloof, een bovennatuurlijke weg is, waardoor het doel van God met de mens bereikt wordt. Het ware nageslacht van Abraham wordt altijd op bovennatuurlijke wijze geboren.

Men kan echter niet in God geloven zonder dat Deze eerst gesproken heeft. Soms zegt men: ‘Dat is zo’n gelovige man of vrouw’, maar onmiddellijk rijst de vraag: wat gelooft hij of zij dan? Aan welke woorden van God klemmen zij zich vast? Aan de Belijdenisgeschriften, Heidelberger of Rome? Het geloof van Abraham en Sara had in de belofte een vaste grond. God had gesproken en zij geloofden. Geloven is de Woorden van God vastgrijpen en als God niet gesproken heeft, valt er ook niets te geloven. Kinderen van de belofte zijn dus zij over wie God gesproken heeft, aan wie Hij zijn belofte geschonken heeft en die daarop antwoordden door gelóóf. Hieruit volgt dat in oud Israël altijd een geestelijke groep aanwezig geweest is, dat door geloof een plaats had in het Koninkrijk van de hemelen en dat met Abraham, Izak en Jacob zal aanzitten (Matth.8:11).

‘Want dit is het woord van de belofte: Rond deze tijd zal Ik komen en dan zal Sara een zoon hebben’ 9.

God houdt geen rekening met het natuurlijke denkpatroon. Ismaël was de eerstgeborene en Abraham hield van hem. De aartsvader zei: ‘Och, mocht Ismaël voor u leven!’ (Gen.17:18). Maar Izak was de keus van God en Hij maakte die door een belofte openbaar. Het hele huisgezin van Abraham was hiervan op de hoogte en iedereen was dus verplicht deze keus te eerbiedigen. Izak was dus alleen de echte zoon vanwege de belofte. Hij werd tegen alle wetten van de natuur in geboren, want de realisering van de belofte is altijd verbonden met het geloof van degene die de belofte ontvangt. Daarom wordt er gezegd:

  • ‘Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden en dat ondanks haar hoge leeftijd, omdat zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte’ (Hebr.11:11). Zij hoorde bij degenen die door geloof en geduld de beloften erven (Hebr.6:12).

Ook Sara zei, net als Maria, de moeder van de Heer: ‘Laat het gebeuren naar uw woord’. Zij ontving een zoon, omdat zij geloofde in Hem die de dingen die niet zijn, roept alsof ze waren. Zij leerde niet te letten op de zienlijke wereld van het vlees maar volkomen te vertrouwen op het woord van God. Daarom is zij type van het hemelse Jeruzalem, de moeder van het volk van God, dat geestelijk denkt en leeft uit geloof. Zij had een God bij wie alle dingen mogelijk zijn. Beloften en geloof moeten altijd hand aan hand gaan. Natuurlijke, maar ongelovige kinderen van Abraham erven de belofte niet, want belofte en ongeloof zijn innerlijk tegenstrijdige begrippen. Om deze reden was en is nu nog niet alles Israël, wat van Israël afstamt:

‘Sterker nog, Rebecca droeg in haar schoot twee kinderen van een en dezelfde man, onze vader Izaäk. En al voor zij waren geboren en iets goeds of kwaads hadden gedaan, werd haar aangekondigd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Daaruit blijkt, dat alleen het besluit van Gods verkiezing geldt, onafhankelijk van menselijke daden, alleen afhankelijk van Hem die roept. Er staat dan ook geschreven: Jacob heb Ik liefgehad, maar Ezau gehaat’ 10-13.

De apostel houdt zich nog steeds bezig met de vraag, waarom God niet allen die van Abraham afstammen, Israëlieten noemt. Het blijkt dan dat God telkens onder de nakomelingen van Abraham bepaalde personen kiest, aan wie Hij de beloften, aan deze aartsvader toegezegd, verbindt. Deze verkiezing zal tenslotte uitmonden in Jezus Christus, de laatste uitverkorene uit het geslacht van Abraham. Het geval van Jacob en Ezau spreekt sterker aan dan dat van Izak en Ismaël. Hier was immers geen sprake van de zoon van een slavin tegenover die van de vrije. Jacob en Ezau waren kinderen van Izak en hadden dezelfde moeder. Rebecca ontving deze zonen onder precies dezelfde omstandigheden: uit één en dezelfde ‘ontvangenis’, zoals sommige handschriften te lezen geven. De zaak van ‘onze vader Izak’ ging dus in het bijzonder de Joden aan. Hun stamvader was de uitverkorene! Gods keus was Jacob, niet omdat deze beter was dan zijn broer, of op grond van zijn werken, maar omdat God hem al voor zijn geboorte uitverkoren had en aan Rebecca bekend had gemaakt dat op hem de belofte rustte.

Ditzelfde verkiezende plan van God is gebleven tot aan de geboorte van Jezus. Wij vinden dit vrije raadsbesluit van God ook terug bij de zonen van Jacob. Wanneer het van willen en werken had afgehangen, zou Jacob wel Jozef en Benjamin gekozen hebben, maar God liet hem het profetische woord spreken: ‘Juda, u bent het, u zullen uw broers loven’ (Gen.49:8). De belofte was voor Juda en zo werkte God naar het Zaad toe, dat wil zeggen naar Christus (Gal.3:16). Uit de geslachten van Juda koos God het huis van Isaï en daaruit het geslacht van David. Het uitverkoren volk groepeerde zich rond hen die de beloften hadden.

Tot Rebecca was gezegd: ‘Twee volken zijn in uw schoot en twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere en de oudste zal de jongste dienen’ (Gen.25:23). Wat had Ezau nu moeten doen? Hij had zich moeten onderwerpen en zich moeten aansluiten bij Jacob; dan had hij meegedeeld in de zegen. Omdat Ezau dit weigerde en zelf de zegen wilde erven, hoewel hij op de hoogte was van het voornemen van God, gingen de broedervolken voorgoed uit elkaar. Uit het feit dat Izak aan Ezau de zegen wilde geven, blijkt dat hij geen absoluut geloof hechtte aan de verkiezing van Jacob. Waarschijnlijk zal dit daaraan te wijten zijn, dat hij niet zelf, maar Rebecca de openbaring van God ontvangen had. Daarom moest Rebecca met een slim plan ingrijpen. Zij had wél de zekerheid.

Op dezelfde manier waren ook de nakomelingen van Lot en Abraham uit elkaar gegaan. De laatste had de beloften. Daarom had Lot bij Abraham moeten blijven en geen eigen weg moeten gaan. Lot volgde zijn natuurlijke verlangens, toen hij van Abraham scheidde en de vlakte van de Jordaan koos. Dit uiteengaan werd er de oorzaak van dat het Lot slecht verging. Rachab de hoer had geen enkele belofte, maar zij voegde zich bij het volk Israël. Dit werd haar behoud en langs deze weg werd ook zij een moeder van de Heer. Welke beloften had Ruth, de Moabitische? Niet één! Maar zij verbond zich met Naomi en daarmee aan het volk van God. Zij zei: ‘Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God’ (Ruth 1:16). Zij was als de Syro-Fenicische, die geen enkel recht bezat, maar inzicht had in deze gouden regel en zich daarom bij het volk Israël schaarde, al was het dan maar als een hondje dat de kruimeltjes oplikte. Haar bezeten kind werd bevrijd en daarmee werd zij bevoorrecht boven veel andere vrouwen in Israël. Zo kreeg ook Ruth deel aan de zegen van Israël en haar naam komt ook voor in de geslachtsregisters van onze Heer.

Van Mozes wordt gezegd, dat hij door het geloof aan de beloften, weigerde door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter. Hij wist dat aan de troon van Farao geen enkele geestelijke zegen verbonden was en daarom koos hij de kant van een volk dat in de natuurlijke wereld niets te bieden had, maar waaraan de beloften van God verbonden waren. Jonathan, de zoon van Saul, kende de belofte van God aan David en diens huis en daarom verbond hij zijn nageslacht eraan (1 Sam.20:15 en 42). Zelf bleef hij echter bij zijn vader in plaats van zich bij David te voegen. Hij was een held, een edel mens, een trouwe vriend, maar hij rekende maar gedeeltelijk met ‘het verkiezend plan van God’. Hij maakte uiteindelijk de verkeerde keus en dit werd zijn ondergang. Nooit hadden de tien stammen zich mogen losmaken van Juda, want de belofte was, dat de scepter van Juda niet zou wijken. Deze scheuring was de oorzaak van Israëls verwerping:

  • ‘Daarom was de Heer erg boos geworden op Israël en had hen voor zijn aangezicht verwijderd: niets bleef er van over dan alleen de stam van Juda’ (2 Kon.17:18).

In de geschiedenis van het uitverkoren volk lezen wij echter van heidenen die zich bij Israël voegden en die deelden in de zegen van hen die de beloften bezaten:

  • ‘De Filistijn, de Tyriër, de Moren, zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht’.

Op deze manier ontvangen de Gibeonieten zelfs een plaats en dienst in de tabernakel. Zij geloofden de beloften van God aan Israël geschonken en zeiden:

  • ‘Omdat aan uw knechten stellig werd meegedeeld wat de Heer, uw God, zijn knecht Mozes geboden had, namelijk om het hele land aan u te geven en al de inwoners van het land voor uw aangezicht te verdelgen’ (Joz.9:24).

Vijandschap tegen het Israël van God

Wij concluderen dus dat niemand ooit de zegen hoeft te missen, als hij zich aansluit bij en onderwerpt aan de persoon of het volk, aan wie God Zich door een belofte verbonden heeft. Ezau had geen belofte, omdat God hem niet in de verlossingslinie had geplaatst. Ook de heidenen hadden geen belofte en stonden buiten het raadsplan. Daarom bezaten de Edomieten noch de heidenen een heilige tempel, een ware eredienst, echte priesters of goddelijke profeten. Zij misten ‘de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften’ (vers 4). Zij kenden dus geen verzoening of redding.

God heeft een reddingsplan met de hele wereld, maar Hij werkt dit uit door middel van hen die de belofte bezitten. God haat allen die dit plan doorkruisen willen, want zij worden geleid door zijn tegenstander, de satan. Allen die er echter mee akkoord gaan en die zich voegen bij degenen die de belofte ontvangen hebben, worden gezegend. Hagar en Ismaël kenden de beloften van God over Izak, maar zij weigerden zich ermee te conformeren. Sara had een scherp inzicht in de situatie en in de geestelijke achtergronden. Zij wist zeker dat wanneer zij moeder en zoon nog langer in haar tent tolereerde, het op een ruzie tussen Ismaël en Izak zou uitlopen en dit zou een strijd worden als tussen Kaïn en Abel met alle gevolgen van dien. Toen Jacob de voorvaderlijke zegen op sluwe wijze aan zijn vader ontfutselde, greep hij ondanks alles naar iets waarop hij het volste recht had. Dit wist Rebecca en daarom hielp zij haar jongste zoon, hoewel zij daarbij niet de geloofsweg bewandelde, waarvan gezegd wordt dat men door geduld te oefenen het beloofde krijgt.

In Maleachi 1:3 staat:

  • ‘Toch heb Ik Jacob liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat; Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan jakhalzen van de woestijn prijsgegeven’.

Deze uitspraak werd 14 eeuwen na de geboorte van Ezau en Jacob gedaan. Nooit hadden de Edomieten er aan gedacht het plan en de bedoeling van God te aanvaarden om zich bij Israël aan te sluiten en zijn God te vereren en daardoor het woord van God waar te maken: ‘De oudste zal de jongste dienen’. Hoe totaal anders was de houding van Johannes de Doper t.o.v. Jezus, toen hij zei: ‘Hij moet groter en ik minder worden’. Hij wordt niet voor niets de grootste van het oude verbond genoemd! Edom bleef volharden in de afkeer t.o.v. het uitverkoren volk. Daarom staat in Maleachi, dat God Ezau haatte, dit wil zeggen dat Hij een negatieve houding ten opzichte van dit volk had. God had Jacob lief, wat zeggen wil dat Hij t.o.v. Israël een positieve houding had. Had Ezau of zijn nageslacht zich onder Jacob gesteld, dan zou God ook over hen zijn aangezicht hebben doen lichten en zij zouden gedeeld hebben in de liefde van God.

Johannes Calvijn: ‘God kiest sommigen tot de zaligheid en anderen tot het verderf….’

Natuurlijk verwerpen wij de leer van Calvijn, die mede op grond van deze tekst concludeerde, dat: ‘God sommigen tot de zaligheid en anderen tot het verderf verordineerd heeft’. Volgens deze ‘godgeleerde’ zou God de mensen al vóór hun geboorte haten of liefhebben. In zijn Institutie schreef Calvijn:

  • ‘Evenals Jacob, toen hij nog niets door goede werken verdiend had, tot genade werd aangenomen, alzo werd Ezau, toen hij nog door geen enkele boosheid besmet was, gehaat’.

Wij vragen ons af hoe deze uitspraak te rijmen valt met de al even grote dwaalleer van de erfzonde, die alle mensen voor God met zonde besmet en doemwaardig stelt. Volgens deze laatste leer waren Ezau en Jacob toch beiden onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. God zou dan in grote willekeur de een haten en de ander liefhebben. Deze calvinistische leer is volkomen in strijd met Gods barmhartigheid, met het logische verstand, met het ingeschapen rechtsgevoel en met de bedoeling van:

  • ‘God, onze Redder, die wil dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen’ (1 Tim.2:4).
  • Ook staat er: ‘De genade van God is verschenen, redding brengend voor álle mensen’ (Titus 2:11).

Calvijn leert dat er een goddelijk anathema, een vervloeking, rust op bepaalde ongeboren kinderen of zuigelingen, voor wie dan geen genade of verlossing mogelijk is. Zijn leer heeft duizenden ouders, die hun kindje moesten missen, in grote verwarring gebracht en hun verdriet vergroot. De leer dat God sommige ongeboren kinderen zou haten, is geïnspireerd door ‘vrome’ geesten, die wreed zijn en iedere ‘menselijkheid’ missen. Kinderen en zuigelingen hebben allen engelen in de hemel, die altijd het aangezicht van de Vader, die in de hemelen is, zien (Matth.18:10).

  • ‘Uit de mond van kinderen en zuigelingen heeft God sterkte gegrondvest, zijn tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige (en ook de mond van de verschrikkelijke Calvijn) te doen verstommen’ (Ps.8:3).

Jezus citeert deze uitspraak van de psalmist en wij weten eruit, dat het hart van deze kinderen dus niet verdorven is, want wat hier uit het hart of de innerlijke mens voorkomt, is tot lof van God.

Met deze teksten is én de leer van de erfzonde én de leer van de eeuwige verkiezing en verwerping veroordeeld. Onze tekst heeft dus geen betrekking op het eeuwig wel of wee van Jacob en Ezau, want dan zou geen Edomiet behouden kunnen worden, maar zij ziet op de verkiezing tot een bepaald doel en op het dragen van de belofte, die daarmee gepaard gaat.

>>>>>