20. Liefde t.o.v. allen

Romeinen 12:9-21

‘Laat de liefde oprecht zijn. Heb een afkeer van het kwaad en hou vast aan het goede’ 9.

Na de christelijke levenswijze komen de christelijke plichten, het persoonlijke gedrag. Na de charismata komt het vermaan tot liefde als de vervulling van de wet van God. De gaven staan immers in dienst van de gemeente, het lichaam van de Heer. Net zoals in 1 Corinthiërs 13 volgt de oproep tot liefde achter de diversiteit van gaven en bedieningen. De liefde kan niet zonder de gaven, maar de gaven zijn nutteloos zonder de liefde. Daarom klinkt het vermaan: ‘Streef de liefde na en streef naar de gaven van de Geest’ (1 Cor.14:1). Deze liefde moet oprecht zijn. Het innerlijke van de christen moet ten opzichte van de broer of zuster in de gemeente werkelijk positief zijn. Hij mag niet alleen aan de buitenkant beleefd en vriendelijk schijnen. Hij mag geen liefde huichelen.

Liefde is een toegekeerd zijn, een positief staan t.o.v. de ander. Dit sluit echter een compromis met het kwade uit. Wanneer een zonde- of leugenmacht in een broer of zuster werkt, moet men wel positief ingesteld blijven tegenover de broer of zuster, maar de macht bestrijden. Men mag niet vriendelijk zijn tegenover de zonde, maar moet zich van het kwade afkeren. Er zijn christenen die zich identificeren met dwalingen. Wanneer de leugengeesten ontmaskerd en dus openbaar wordt met wie zulke mensen verbonden zijn, trekken zij dit zich persoonlijk aan en spreken over liefdeloosheid. Zij willen dat de mantel van de liefde hun tekortkomingen en fouten bedekt en dat vanwege de broederlijke liefde de dwaling getolereerd wordt. Men moet echter gehecht zijn aan het goede. Dit betekent: ermee verbonden zijn zoals een man met zijn vrouw.

‘Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon. Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heer’ 10,11.

Bij de woorden broederlijke liefde, denken wij aan de positieve houding die de broers en zusters in de gemeente t.o.v. elkaar hebben. De liefde vormt een onderlinge band. In Galaten 5:6 staat dat het geloof door de liefde werkt. Aan deze band met God en de broers kan men dus zien of een christen werkelijk geloof heeft. Men bereikt alleen samen, als gemeente, het doel. Afzonderlijk is men wel een levende steen, maar men functioneert alleen in de tempel van God in verbondenheid met de andere stenen. Het gaat niet om de stenen, maar om het gebouw. Wie zijn broer haat, is niet uit God, want hij functioneert niet mee in het lichaam van Christus.

Het woord ‘hartelijk’ wijst op speciale, tedere liefde, zoals tussen ouders en kinderen. God heeft zo’n positieve instelling t.o.v. ons en zo zullen wij ook steeds positief moeten staan t.o.v. onze medechristenen. In 1 Petrus 1:22 staat: ‘Nu u uw zielen door gehoorzaamheid aan de waarheid gereinigd hebt tot oprechte broederliefde, hebt dan elkaar van harte en altijd lief’. Wij merken hierbij op dat zo’n liefde die bereid is te geven en te ontvangen, alleen mogelijk is wanneer de broers niet alleen in gerechtigheid leven, maar ook in waarheid wandelen. Wanneer een broer in ongerechtigheid of in zonde leeft, moet men niet met hem omgaan (1 Cor.5:11). Dit is onder christenen wel bekend, maar wanneer iemand zich niet gereinigd heeft door aan de waarheid te gehoorzamen – dus als hij de leugen of de dwaling liefheeft – geldt hetzelfde. De zogenaamde broederliefde wordt dan onoprecht.

Vaak worden oprechte kinderen van God beschuldigd van liefdeloosheid t.o.v. hun medechristenen. Dit betreft dan meestal ‘lieve’ broers of zusters die zich met dwalingen bezighouden. De ware christen weigert ieder contact met de zondemachten, maar ook met de leugengeesten. Wanneer een broer of zuster met zo’n geest verbonden is, merkt hij de afkeer die de vrije, geestelijke christen van het rijk van de duisternis heeft. Hij zal deze aversie aanvoelen als tegen zichzelf gericht. Vandaar dit spreken over hardheid of liefdeloosheid. Wordt de dwaling bestreden en ontmaskerd, dan zal de broer die zich ermee geïdentificeerd heeft, zichzelf dus gekwetst en aangetast voelen. Het mag echter nooit in de bedoeling liggen om een broer, hoe gebonden ook, als mens liefdeloos te behandelen. Het doel van de ontmaskering of van de vermaning moet juist zijn om de broer de ogen te openen en hem te bevrijden, zodat de broederliefde in alle oprechtheid wederzijds kan functioneren. Het doel van alle vermaning is immers om liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en uit een oprecht geloof op te wekken (1 Tim.1:5). Wanneer de zintuigen geoefend zijn in het onderscheiden van goed en kwaad en men geleerd heeft wat de méns wil en wat de boze geest uitwerkt, is het niet moeilijk beiden van elkaar te scheiden: de boze geest te bestrijden en de mens lief te hebben en deze te claimen voor het Koninkrijk van God.

Met Gods Geest is ook de liefde van God in de harten van de gelovigen uitgestort. God blijft altijd positief t.o.v. de mens staan, bovenal tegenover hen die zijn Zoon aangenomen hebben. Wanneer zijn liefde in ons woont, zullen wij ook de broers liefhebben en bereid moeten zijn hen te helpen en te ondersteunen. De liefde van God is een gevende liefde! Jezus zei dan ook dat het heerlijker is te geven dan te ontvangen (Hand.20:35). Het is dus heerlijker te helpen dan om geholpen te worden. De schenkende liefde zoekt het welzijn van de medemens en zij kan alleen maar efficiënt werkzaam zijn, wanneer zij samengaat met het bezit van de charismatische gaven van de Geest, die reddend, herstellend en opbouwend functioneren (vers 3-8). Liefde is een zaak van de innerlijke mens, maar eerbetoon kijkt naar de buitenkant van de zaak. In plaats van moeite te doen om voorrang te krijgen, moet men dus er naar streven om anderen de eerste plaats te laten innemen, zoals in Filippenzen 2:3 vermaand wordt: ‘Maar in ootmoedigheid acht de een de ander uitnemender dan zichzelf. Wij moeten er op uit zijn, de gaven in onze broers te ontdekken en deze te waarderen en te stimuleren.’

In vers 8 had de apostel al gesproken over de ijver van hen die een leidende functie hebben. In principe is echter iedere christen bestemd om leiding te geven, want hij is een priester en een koning en de wereld zal mede door hem geoordeeld worden. Daarom geldt voor allen dat zij vol inzet moeten zijn, dus altijd bezig met de dingen van de Vader, zoals Jezus et goede voorbeeld hiervan gaf.

Vurig betekent: altijd, zonder ophouden en zonder dat het ooit teveel wordt. Deze inzet richt zich vooral en allereerst op het dienen in het Koninkrijk van God. De geestenwereld is altijd actief, dit is een van haar markantste eigenschappen. Jezus zei: ‘De Vader werkt tot nu toe’. De bewaarder van Israël slaapt en sluimert niet. De heilige engelen staan altijd klaar om hun dienst te verrichten. Ook de boze geesten gaan steeds rond als brullende leeuwen, zoekende wie zij zullen verslinden. De menselijke geest is van nature ook actief, maar wordt helaas van buitenaf dikwijls afgeremd en onder druk gezet. Dan wordt de mens moe en mat. Toen zondemachten hem overmeesterd hadden, klaagde David over zijn ‘verbroken geest’.

Wie vurig van geest is, bezit activiteit. Soms moet de menselijke geest in verbondenheid met Gods Geest zich aan de druk van de boze geesten ontworstelen om weer vurig te worden. Het woordje ‘vurig’ betekent letterlijk kokend, zoals een ketel bruist op het vuur. Het heeft dus niets te maken met vuur als beeld van de boze geesten. Het evangelie biedt aan de ‘armen van geest’ redding, want door hun bevrijding ontvangen zij een geest die weer actief kan worden en die zich rijk mag ontplooien. Waar de gesteldheid van de harten zo is, dat men de broers liefheeft, elkaar eer betoont, men zonder ophouden zich inzet in het Koninkrijk van God en vurig van geest is, kan ook sprake zijn van een dienen van de Heer. Het parool is: dien de Heer en wees geen slaaf van de zonde of van de leugen. Stel daarom uw leden aan God in dienst in de strijd voor gerechtigheid en waarheid.

‘Wees blij in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid’ 12,13.

Laat de hoop u blij maken, want het geloof geeft iets om te verwachten: overwinning, redding, een erfenis in de hemel, vernieuwing van de totale mens, eeuwig leven, het zoonschap, de volkomenheid, een plaats op de troon van God en het ingeschakeld worden bij het herstel van de hele schepping. Deze rijke roeping wekt dus de hoop in ons op (Ef.1:18). Hoe duidelijker het doel voor ogen staat, hoe sterker de verwachting. Wij hebben dus eerst het woord van God, dat ons kennis geeft van de onzienlijke wereld en een visie geeft op vandaag en de toekomst. Hoe meer kennis en inzicht wij hebben, hoe meer wij kunnen geloven. Hoe meer wij kunnen toevoegen aan deze kennis, hoe meer wij verstaan en weten, hoe meer wij ons geloof kunnen opbouwen. Onze hoop wordt door dit geloof gericht. Langs deze weg kan dan gezegd worden: ‘Christus in ons, de hoop van de heerlijkheid’. Daarom kan de christen in alle omstandigheden blij zijn, want alle dingen werken mee ten goede voor hen die God liefhebben.

Paulus accepteert geen klagend christendom, dat zich in schuilhoeken terugtrekt. De christen hoeft geen medelijden met zichzelf te hebben, want zijn erfenis is groot en het lijden van de tegenwoordige tijd is niet te vergelijken met de heerlijkheid die over hem geopenbaard zal worden. Blij zijn in de hoop betekent: altijd positief staan t.o.v. de beloften van God en met verwachting vooruitzien. Wie zich negatief opstelt en zijn hoop opgeeft gaat ten onder, omdat hij de gedachten en het klimaat overneemt van de boze geesten, die zonder blijdschap en zonder hoop in hun wereld zijn. Blijdschap en hoop gaan echter gepaard met verdrukkingen, zoals ook de beloften met verdrukking verbonden zijn (Matth.13:21 en Marc.10:30). De vermaning om geduldig in verdrukking te zijn, wijst erop dat de apostel vanaf het begin aantoont dat vervolging en lijden bij het ware christendom horen en er een stempel op zetten. In het lijden moet men vol moed zijn.

Geduld veronderstelt rust en voldoende kracht om zonder angst weerstand te bieden tegen druk en twijfel. Wie ongeduldig wordt, komt in onrust, verliest zijn zekerheid en gaat vragen: ‘Waar blijft de vervulling van de belofte?’ Door geduld te oefenen, kan de strijd worden volgehouden en door volharding wordt de belofte gekregen. De tijdsduur is een belangrijke factor in de verdrukking en in het lijden dat ermee gepaard gaat. Duurt het wachten op de vervulling van de belofte slechts een dag, dan kunnen veel mensen het nog wel volhouden, maar hoe staat het wanneer het weken, maanden of zelfs jaren gaat duren? Wanneer men dan het geduld gaat verliezen, laat men ook de moed zakken en de strijd is zo verloren en men stelt zich dan open voor de boze geesten.

Geduld is wat anders dan berusting, want deze veronderstelt dat de mens geen weerstand meer biedt. Men is dan wel rustig, maar het is niet de rust van de zekerheid van het geloof. Het is de rust van de overwonnene, die zich schikt onder het slavenjuk. Wanneer men geduld heeft, bewaart men het geloof, het leven en de kracht, die bij berusting verdwijnen. Geduld hebben is een prijzenswaardige eigenschap voor ieder die in het Koninkrijk van God wandelt. Wie zijn geduld verliest, raakt het Koninkrijk van God kwijt: de blijdschap, de vrede en de gerechtigheid.

Door volhardend gebed bewaart de christen het innerlijk contact met zijn Heer, de hoogste Leider van zijn geloof. Bidden is bezig zijn in de hemelse gewesten, gemeenschap zoeken met Jezus die ‘boven’ is, die wij alleen kunnen volgen, als wij zijn, waar Hij is. Bij het gebed wisselt men van gedachten met zijn Heer en maakt men zijn levensnoden bekend bij God, die antwoordt en voorziet. Ook aanbidding en lofprijzing zijn in het gebed opgenomen. Men maakt zijn positieve gevoelens bij God bekend en deze antwoordt door het schenken van redding en geluk. Satan probeert altijd de aandacht te vestigen op de moeilijke omstandigheden in de zichtbare wereld. De bidder sluit daarvoor echter de ogen, dit wil zeggen dat hij zich losmaakt van de hem omringende situatie, hij verheft zijn hart tot God. Als hij volhardt in het gebed, blijft hij dus met zijn denken in de geestelijke wereld, waarin hij zijn verlossing en hulp gevonden heeft. Van daaruit ziet hij de dingen van deze aarde die hem omringen. Daar strijdt hij zijn strijd, daar behaalt hij zijn overwinningen en daar is zijn leven met Christus, verborgen in God (Col.3:1). Men draagt bij in de geestelijke nood van de heiligen door gebed en door het verdrijven van boze geesten, onder oplegging van handen.

In de natuurlijke nood ondersteunt men anderen in geld of in natura. Ook verleent men hulp door broers en zusters met raad en daad bij te staan, bijvoorbeeld door het verzorgen van hun kinderen wanneer de vader of moeder daartoe tijdelijk niet in staat is, of door in moeilijke situaties even mee aan te pakken, of ook door middel van deskundige adviezen bijstand te verschaffen. Deze hulp moet allereerst aan de heiligen gebeuren, want zij betreft de broers en de zusters uit het huisgezin van God die allen geheiligd en afgezonderd zijn van de boze geesten. Wij zijn liefde verschuldigd aan onze medeschepsels in het algemeen, maar een bijzondere liefde t.o.v. onze geloofsgenoten in de gemeente waarin wij geplaatst zijn, zoals er staat: ‘Laten wij dus, omdat wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, juist voor onze geloofsgenoten’ (Gal.6:10). Ook kunnen wij in de woorden van de apostel: ‘bijdragen in de noden van de heiligen’ een opwekking zien om de arme broers en zusters in Judea, voor wie hij zo vaak collecteerde, niet te vergeten.

De vermaning om zich toe te leggen op de gastvrijheid zal wel in verband staan met het lijden, met de vervolgingen en met de moeilijke reisomstandigheden in die dagen. Zij die eigen huizen bezaten, moesten bereid zijn om de vervolgden een schuilplaats en de reizende broeders een onderdak te verlenen. Aangezien de apostel zelf dit zo vaak meegemaakt had, kon hij vanuit deze ervaring zo schrijven. Het gaat er dan niet alleen om rondzwervende christenen op te vangen wanneer deze aan de deur komen, maar de opdracht luidt: ‘Leg u erop toe’. Zie eens rond of er zulke mensen aanwezig zijn en dit te meer in een tijd, waarin herbergen schaars waren.

Gastvrij zijn is ook in onze dagen nog een roeping. Hoe dikwijls doen zich in een gemeente noodgevallen voor, waar in tijden van ziekte, ouderdom en dergelijke, onderdak en verzorging moeten worden verleend. Ook is het goed de alleenstaanden en eenzamen eens uit te nodigen. Het is echter zaak bij dit alles ook onderscheiding van geesten te hebben. Men kan onwetend engelen herbergen, maar ook profiteurs, klaplopers en dus boze geesten! Johannes schrijft over mensen die dwalingen brengen en de huizen proberen binnen te dringen: ‘Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvang hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. Want wie hem welkom heet, heeft deel aan zijn boze werken’ (2 Joh.10,11). Men is dus gewaarschuwd.

‘Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet’ 14.

Na de oproep om zich toe te leggen op gastvrijheid, roept Paulus de Romeinen op, als ze vervolgd worden, deze vervolgers niet te vervloeken maar te zegenen. De Romeinse gemeente kwam enkele jaren later onder de wrede vervolgingen van keizer Nero. Deze vermaning was dus wel op haar plaats. Ook nu worden ware christenen in eigen omgeving door familie of kennissen bespot of gekweld. Maar dan geldt ook dezelfde vermaning: ‘Zegen en vervloek niet’. Jacobus schreef ook voor deze situatie: ‘Met de tong loven wij de Heer en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God geschapen zijn: uit dezelfde mond komen zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broers, niet zo zijn’ (Jac.3:9,10). Dit betekent echter niet dat wij onszelf moeten opofferen aan Godvijandige groeperingen. Wij moeten in alles God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen, d.w.z. wij zullen nooit akkoord gaan met hen die God haten. En zeker niet voor hen kruipen!

‘Wees blij met hen die blij zijn, en huil met hen die huilen. Wees eensgezind onder elkaar. Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog’ 15,16.

Leef met de broers en zusters mee. Probeer in hun situatie te komen. Wie dit doet, kan hen in hun nood bijstaan. Dit apostolisch vermaan vindt allereerst zijn vervulling in de plaatselijke gemeente, want ‘als één lid lijdt, lijden alle leden mee, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde’ (1 Cor.12:26). Als in het huisgezin van God geen jaloersheid is, is het eerste gebod, om blij te zijn met de blijden wel de gemakkelijkste opdracht. Als in de gemeente een oprecht medeleven is onder de kinderen van God, heeft men ook deel aan het leed van de ander. Door zich het verdriet voor te stellen en door de broederliefde te praktiseren, kan men het verdriet verzachten. Zo schreef de apostel in Hebreeën 13:3: ‘Denk aan de gevangenen, alsof u met hen gevangen was; aan hen die mishandeld worden, als mensen, die ook zelf een lichaam hebben’. Als leden van hetzelfde huisgezin, waarvan onze Heer de oudste broer is, worden wij allen door dezelfde Geest geleid en zijn wij allen op hetzelfde doel gericht: één van hart, één van zin, één van liefde en één van gevoel.

Oprechte, geestelijke christenen ruziën niet over zaken uit de zienlijke wereld. Zij bewegen zich in de hemelse gewesten en streven naar volmaaktheid. Men is dan vanzelf eensgezind, omdat men een gemeenschappelijk belang heeft, namelijk de groei van het lichaam van Christus. De ware liefde is nederig, geneigd tot dienen, omdat zij het welzijn van de hele gemeente wenst. Zij streeft niet naar de hoge dingen en grijpt dus niet naar iets buiten haar roeping om. Zoals de bloemen in een tuin samen een kleurrijk en mooi geheel vormen, zo zal ieder lid van de gemeente zich ontplooien en een plaats innemen die in het geheel past. Zoals een goede hovenier de kleinste planten in de border vooraan zet en de grootste achteraan, zo wil de Heer ook harmonie in de gemeente hebben, zodat ook de ‘kleinen’ hun plaats met eer kunnen innemen. Zij die rijke gaven ontvangen hebben, kregen deze niet om te heersen, maar om te dienen. Zij moeten zich ontfermen over de armen, zwakken en gebondenen. Zo dacht de Heer aan de gevallen vrouw (en mannen), die Hij vrijsprak en wiens zonden Hij vergaf. Toen Jezus de voeten van zijn leerlingen waste, gaf Hij daarmee een voorbeeld dat Hij de geringste dienst t.b.v. van zijn medebroeders wilde verrichten.

Hooghartigheid en eenheid passen niet bij elkaar, want de liefde die het lichaam als een organische eenheid bij elkaar houdt, zoekt zichzelf niet. In de geschiedenis van de kerk hebben velen gemeend deze eenvoudigheid of deze ‘nederige dingen’ zoals ook vele vertalingen hebben, te bereiken door een onnatuurlijk leven te leiden. Men deed aan zelfkastijding, koos voor het kloosterleven, deed de minste werkjes, of doodde ‘het eigen ik’ en gaf in zijn lied blijk van het verlangen om ‘niets te zijn’. Jezus herstelt echter het natuurlijke leven naar zijn eigen aard en structuur, terwijl de religieuze geesten het proberen te vernietigen. Het doel en de gezindheid van ieder kind van God moet zijn om geheiligd en volgroeid, in het lichaam van Christus, de gemeente, de plaats in te nemen die de Heer hem heeft toebedacht en waartoe hij geroepen is. Wij zijn dus elkaars leden, die ieder een eigen functie hebben.

Wie ‘eigenwijs’ is, meent het beter te weten dan de anderen; daaruit ontstaat afbrekende kritiek. Geen lid van het lichaam mag aan zelfoverschatting lijden, maar men is geroepen om elkaar te ondersteunen ‘naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent’ (Ef.4:16). Eigenwijsheid hoort bij de categorie waarvan de broer van de Heer zegt: ‘Dat is niet de wijsheid die van boven komt, maar zij is aards, ongeestelijk, duivels’ (Jac.3:15), terwijl de gemeente zich moet houden aan de hemelse wijsheid.

‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad. Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen’ 17.

In het oude verbond gold de wet: ‘Leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet, blaar voor blaar, wond voor wond, striem voor striem’ (Ex.21:24,25). Hetzelfde letsel dat een mens iemand toegebracht heeft, zal ook hem toegebracht worden (Lev.24:20). U zult hem niet ontzien, want het gaat leven om leven (Deut.19:21). Zo moest er gehandeld worden binnen het Verbondsvolk. In het oude verbond was immers de mens de dader èn de vijand. In het nieuwe strijden wij niet meer tegen vlees en bloed. Wij richten ons tegen de ware veroorzakers van het kwaad, de boze geesten in de hemelse gewesten. Zo bestrijden wij de dwalingen die de gemeente kunnen binnen sluipen.

De ware christen leeft volgens de wetten van het Koninkrijk der hemelen en beantwoordt dus het kwade met het goede. ‘Wees bedacht op wat goed is’ betekent in de eerste plaats: maak door de gave van onderscheiding van geesten een duidelijk verschil tussen de boosdoener en de macht die door hem heen werkt. Probeer als mogelijk de mens van deze demonen, die hem voortdrijven en opjagen, te scheiden. Dit deed Jezus ook en Hijzelf gaf ons een voorbeeld hoe wij ons tegenover de vijand moeten opstellen. Wanneer Jezus leed, dreigde Hij niet en als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug.

Opnieuw geboren christenen zijn steeds bedacht op het goede en het aangename. Zij moeten ook proberen de ander in aanraking te brengen met het klimaat van het Koninkrijk van God, met zijn vrede, gerechtigheid en blijdschap, zodat door hun voorbeeld de ander tot het licht getrokken wordt. Beschaafdheid, welwillendheid, fijngevoeligheid en hulpvaardigheid zijn kenmerken van de navolgers van Christus.

‘Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen’ 18.

Christenen moeten in goede harmonie met elkaar leven en ruzies of spanningen vermijden. Ze zijn immers geroepen om vredestichters te zijn. Dit gold in het bijzonder voor hen die in het heidense en vijandige Rome woonden, maar dit principe geldt ook nog voor ons. Het wordt steeds moeilijker om in onze maatschappij navolger van Christus te zijn. Wij denken ook aan de schooljeugd of aan hen die in een Godvijandig gezin moeten leven. Het gevaar dreigt dat de gelovigen de spotters en degenen die hen belachelijk maken, onrechtvaardig behandelen, óf met gelijke munt gaan betalen, óf in fanatieke zelfverzekerdheid en minachting zich van hun medemensen isoleren en distantiëren. Hoe vaak leiden deze dingen niet, ook in gezinsverband, tot allerlei conflicten? De ware christen heeft de roeping om de vrede en de blijdschap van het Koninkrijk van God door de kracht van Gods Geest in de innerlijke mens te bewaren en ondanks hun onbekeerlijkheid ‘de heiden en de tollenaar’ als mens lief te hebben. Dan is er ook de mogelijkheid om met de omgeving in vrede te leven.

De apostel voegt eraan toe: ‘Voor zover dit tenminste van u afhangt’. Wanneer men geconfronteerd wordt met mensen die door agressieve demonen gebonden of door religieuze geesten bezet zijn, wordt het moeilijk. Deze boze geesten zullen immers zonder ophouden hun vijandschap tonen. Jeremia werd om deze reden ‘een man van ruzie voor het hele land’ (Jer.15:10). De hemelse wandel van de ware christen doet de onzienlijke ‘vrome’ geesten fel reageren. Deze gebruiken de mensen die zich met hun leugens en dwalingen identificeren. De psalmist beleed: ‘Ik ben een en al vrede, maar als ik spreek, dan zijn zij uit op strijd’ (Ps.120:7). Het is dus mogelijk dat men als christen niet in vrede en harmonie met een door boze geesten geleid persoon kan leven. Maar wanneer de gelovige weet te zwijgen en de vrede van het hart niet verliest, heeft de duivel geen vat op hem. Wanneer op deze manier de machten van de duisternis geen resultaat boeken, zullen zij het af laten weten en hij die op God vertrouwd heeft, komt dan ongeschonden als overwinnaar uit de strijd.

‘Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heer’ 19.

‘Wreekt uzelven niet, geliefden, maar laat ruimte voor Gods toorngericht’, luidt de vertaling Brouwer. Deze uitleg wordt door vele moderne verklaarders gesteund. Zich wreken, betekent iemand met gelijke munt betalen en dus werken met de ontbindende en negatieve krachten van het rijk van de duisternis. Wij zullen geen plaats laten voor eigen toorn wanneer in de gemeente strubbelingen en verdeeldheid voorkomen, want ‘de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort’ (Jac.1:20). Bij toorn verheft zich de geest van de mens. Boze geesten maken van deze emotie gemakkelijk gebruik om iemand te doen zondigen. Daarom staat er: ‘Raakt u in toorn, zondig dan niet’ (Ef.4:26). Men is dan immers geneigd kracht en geweld uit te oefenen en op deze manier te overwinnen. De menselijke geest grijpt dan maar al te vaak naar natuurlijke middelen om zich te handhaven. Wanneer een kind weerspannig of boos is, moeten zijn ouders hierdoor niet beïnvloed worden en ook niet boos worden, maar zij moeten blijven staan in de kracht en in de vrede van God. Zij moeten de boze geest die het kind misbruikt, in stilte binden en het onttrekken aan zijn invloed en het tot rede en rust proberen te brengen. Met de vijand zal de Heer zelf wel verder afrekenen.

Onze taak is om in de voetsporen van Jezus: te redden, te helpen en te herstellen. Men kan soms verdrietig worden, omdat men ziet hoe een broer of zuster in de gemeente, ook door het kwaad dat hij ons aandoet, van God vervreemdt. De toorn van God komt dan over hem, want hij wordt een prooi van de boze geesten. Wanneer hij zich niet bekeert en met het kwade breekt, moet hij boeten ‘met een eeuwig verderf, ver van het aangezicht van de Heer’ (2 Thess.1:9). Zo weende Jezus over Jeruzalem en zijn inwoners, dat Hij zag afglijden naar zijn verwoesting: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn, hoe vaak heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt, en u hebt niet gewild’ (Matth.23:37).

‘Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen. Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede’ 20,21.

Paulus blijft spreken over het leven in de gemeente. Een mens wordt ‘vijand’, wanneer hij door boze geesten gebruikt wordt en zich met deze identificeert. Zo’n mens moet geholpen worden èn wij moeten proberen hem onder het geweld van satan weg te halen. Daarmee realiseren wij dus onze kennis over de strijd in de hemelse gewesten. Wij maken scheiding tussen de mens en de machten die hem bezetten en gebruiken. Wij zullen streng moeten optreden tegen de zonde- en leugenmachten, die de ware vijanden zijn van God en van de mens, en tegelijkertijd de geestelijk overweldigde bijstaan. Daarom geven wij de hongerende vijand te eten en de dorstige te drinken. Wij helpen door in de onzienlijke wereld hem het levensbrood te geven en het levenswater te laten drinken. Zodoende brengen wij als uitdelers van de velerlei genade van God, onze vijand in aanraking met Gods barmhartigheid en liefde. Zo tonen wij dat wij het beeld van Jezus Christus dragen.

Wij zullen eenmaal geoordeeld worden naar de daden van barmhartigheid die wij verricht hebben, ook aan onze tegenstanders. De ware christen kan beter beledigingen ondergaan dan zelf iemand kwetsen. De apostel vraagt in 1 Corinthiërs 6:7: ‘Waarom lijdt u niet liever onrecht?’ Jezus leerde dat wij hun die ons op de rechterwang slaan ook de linker zullen toekeren. God is de wreker van alle onrecht en heeft het oordeel aan zijn Zoon geschonken. Deze kent immers van ieder mens de omstandigheden en ook de machten die hem met geweld onderdrukken en hem tot wetteloze daden aansporen. ‘Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar maken’ (1 Cor.4:5).

Het ontstaan van de uitdrukking: ‘Vurige kolen op iemands hoofd hopen’, ontleend aan Spreuken 25:22, is ons bekend. De betekenis is uit het verband wel duidelijk. Beïnvloedt het denken van uw vijand, zodat dit veranderd en vernieuwd wordt en een brandend gevoel van schaamte over hem komt. Een van de principes van de ware christen moet zijn: drijf de duivel nooit uit door middel van Beëlzebul, de overste van de demonen, of door een van zijn trawanten. ‘Laat u niet overwinnen’, betekent: zorg dat de boze geesten u niet overmeesteren, zodat zij u voor hun karretje spannen. Wanneer de kinderen lastig zijn, hoeven de ouders nog niet geïrriteerd te reageren. De duivel probeer ook door middel van mensen en zelfs door kinderen de christen uit zijn rust en evenwicht te halen. Doorzie zijn listen en overwin hem door het goede te zeggen en te doen. Volgens vers 2 is het goede de wil van God. Het is datgene wat naar zijn wetten functioneert. De Heer geeft ons de wapens van het licht en de kracht van zijn Geest, zodat wij wettelijk kunnen strijden en overwinnen.