2. Ook de Joden zondigen

Romeinen 2:1-29

Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u ook bent die anderen oordeelt, want waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u uzelf. U immers die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen 1.

De ‘mens’ betekent hier Jood en heiden. De proselieten uit de heidenen hadden grote eerbied voor de Joodse tradities en inzichten. Niet alleen waren de apostelen Joden en waren de heilige Schriften van dezen afkomstig, maar de oprechte zoekers onder de heidenen erkenden altijd al dat de Joodse godsdienst op hoger niveau lag. De evangeliën en de Handelingen geven ons voorbeelden van zulke heidenen. Toch waren er onder de heiden-christenen velen die de Joden veroordeelden, omdat zij de Christus gekruisigd hadden. Zij meenden dat God zijn volk daarom verstoten had, dit wil zeggen totaal afgeschreven. Zij veroordeelden de Joden des te gemakkelijker, omdat de apostelen als Paulus hun leerden, dat het houden van Joodse wetten en tradities onverenigbaar was met het geloof in Jezus Christus. Vele Joden echter verachtten de heidenen, zoals de Farizeeër de tollenaar onder de woorden: ‘O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen’ (Luc.18:11).

Dit oordeel van de Jood over de heiden en deze hoogmoed ten opzichte van degene die niet de wet probeerde te houden, vormden hun volkszonde. De apostel waarschuwt dat men niet denken moet met deze veroordeling zelf vrijuit te kunnen gaan. De Jood deed ook afwijkende dingen, al lagen die wellicht anders dan bij de heidenen. Moord is bijvoorbeeld erg, maar bij God is haat hetzelfde. ‘Dezelfde dingen’ bedoelen zonden die in wezen hetzelfde zijn, al worden zij met een kerkelijk of orthodox tintje bedekt. Zo vonden de Joden moord iets afschuwelijks, maar zij doodden uit religieuze motieven wel de profeten. Hoewel zij in het bezit van een goede wet waren, deden zij dezelfde dingen als de heidenen zonder de wet.

En wij weten dat het oordeel van God in overeenstemming met de waarheid is over hen die zulke dingen doen. En u, o mens, die hen oordeelt die zulke dingen doen, en ze zelf ook doet, denkt u dat u aan het oordeel van God zult ontkomen? 2,3.

De mens, de later bij name genoemde Jood (vers 9 en 10), heeft geen uitzonderingspositie wanneer hij zondigt. Paulus spreekt de Jood ook als ‘mens’ aan en maakt geen onderscheid. God veroordeelt zonder aanzien van de persoon de zonden die in hoofdstuk 1:22-32 genoemd worden. Met de mens die oordeelt, wordt in de eerste plaats dus de Jood bedoeld. Deze steunde namelijk op Abraham en op de wet. Hij meende dat vanwege zijn afstamming en kennis van de wet, zijn zonden door God wel voorbij gezien zouden worden. Ook in de huidige kerken en kringen komt het voor, dat men zich wel allen zondaars weet, maar zich toch verheven acht boven de buitenkerkelijken. Johannes zei tot allen die via hun kerkbesef het oordeel van God wilden ontlopen: ‘Wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel?’ (Matth.3:7-9). Men meent zich dus aan het oordeel te kunnen onttrekken, omdat men zich tot het volk van God rekent, terwijl men toch de zonde blijft doen. Het oordeel van God is de absolute scheiding tussen goed en kwaad.

Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en geduld, zonder te weten dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt? 4.

Goedertierenheid is ‘tieren’ of leven van goedheid. Dit hoort bij het wezen van God. Gods verdraagzaamheid betekent het verdragen van de zonde zonder ingrijpen, zoals er staat dat God de voorwerpen van de toorn, die voor het verderf toebereid waren, met veel geduld verdragen heeft (9:22). God grijpt niet in en verandert zijn houding t.o.v. de mens niet. Wie onverdraagzaam is, wordt negatief tegenover de andere. God blijft echter altijd positief ten opzichte van de mens. Jezus verdroeg de tegenspraak van de zondaren. God is ook vol geduld, want Hij straft de zonde niet direct. Boetvaardigheid of bekering is de omzetting van hart en leven, de verandering van gedachten. God bewerkt door de overvloed van zijn liefderijke eigenschappen, dat wij veranderen. ‘Hij roept ons door zijn heerlijkheid en macht’ (2 Petr.1:3). Wie dit aangeboden geluk veracht, moet echter niet menen, dat God hem altijd zal verontschuldigen en hij steeds ongestraft zal blijven.

Maar in overeenstemming met uw hardheid en uw onbekeerlijke hart hoopt u voor uzelf toorn op tegen de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God, Die ieder vergelden zal naar zijn werken, namelijk hun die met volharding het goede doen en heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken: het eeuwige leven 5-7.

Het hart is de innerlijke mens, zijn ziel en zijn geest. Met het hart neemt men de beslissing om God te dienen. Een weerbarstig hart is weerspannig en koppig. Evenals bij ongehoorzaamheid is ook hier sprake van de zonde van toverij. In een weerbarstig hart werken demonen. Wie zich nooit schuldig voelt door de zonde, wil niet veranderen en is niet tot bekering te brengen. Door deze gezindheid van het hart vermeerdert men de schuld. De dag van de toorn is de gerichtsdag of de eindtijd. Bij het ophopen van de toorn verzamelt men zich ook schatten in de hemel, echter niet ten goede, maar voor het verderf. De toorn van God bewerkt het overleveren van de mens aan de demonen van de duisternis. Wanneer een mens toornig wordt, verheft zijn geest zich en deze wordt machtig. Bij dit verheffen kunnen de demonen van satan zich gemakkelijk met de mens verbinden en hem laten zondigen. ‘Wees toornig en zondig niet’.

Als God toornt, verheft Zich Zijn Geest en men spreekt dan wel over een heilige toorn. Deze is dus afgezonderd van iedere vorm van kwaad en blijft handelen naar Gods wetten. Wanneer Gods Geest Zich verheft, wordt het oordeel van God in gerechtigheid voltrokken. De openbaring van het oordeel van God betekent dat dit in de zichtbare wereld komt. Dan wordt – voor ieder waarneembaar – het goede van het kwade gescheiden. Gods oordeel is rechtvaardig, dit wil zeggen op vaste wetten gebaseerd en wordt onpartijdig uitgevoerd zonder aanzien van de persoon. God vergeldt ieder naar zijn werken (waar ook zijn woorden bij horen!) en bij Hem is geen onderscheid tussen Jood en heiden ‘De (opgestane) doden werden geoordeeld op grond van wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken’ (Openb.20:12). Werken worden in de zichtbare wereld verricht.

Wij lezen als volgt verder: ‘Die in het goeddoen volharden, ontvangen het eeuwige leven’. Het eeuwige leven is dus het loon. Bij het goeddoen functioneert de innerlijke mens naar de wil van God. Dit is noodzakelijk om onbeschadigd deel te hebben aan het eeuwige leven. Het doel van God met de mens is de volmaaktheid, zoals er staat: ‘zodat de mens van God volkomen is tot alle goede werken volkomen toegerust’ (2 Tim.3:16). De heerlijkheid van God is, dat Hij dit in de mens ook bereikt. Als wij de heerlijkheid van God zoeken, willen wij dus gelijkvormig zijn aan het beeld van de Zoon. Het zoeken van eer betekent hier niet: de eer van mensen, maar de eer die van God komt. De zonde van de Joden was, dat ‘ze waren gesteld op de eer van mensen, meer dan op de eer van God’ (Joh.12:43). Er is dus sprake van de eer die Gód geeft. Jezus zegt: ‘Als iemand Mij wil dienen, de Vader zal hém eren’ (Joh.12:26). Het zoeken van de onvergankelijke dingen is het ‘bedenken van de dingen die boven zijn’, het zoeken van het eeuwige leven.

Hen echter die twistziek en ongehoorzaam zijn aan de waarheid, maar gehoorzaam aan de ongerechtigheid, zal gramschap en toorn vergolden worden. Verdrukking en benauwdheid zullen komen over de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt, eerst over de Jood, en ook over de Griek, maar heerlijkheid en eer en vrede over ieder die het goede werkt, eerst over de Jood, en ook over de Griek. Want er is geen aanzien van de persoon bij God 8-11.

Voor de uitdrukking ‘die twistziek zijn’ vinden wij bij andere vertalers ‘in partijschap leven’. Dit ziet dus op mensen die in de natuurlijke wereld onderscheid willen maken tussen verschillende groepen en dan de partij waar zij zelf bij horen, een bevoorrechte positie toekennen. Paulus doelt hier dan op twee groepen: Joden en heidenen. De Joden wilden hun bevoorrechte positie als uitverkoren volk blijven handhaven, hoewel zij dezelfde zonden bedreven als de heidenen. De heidense christenen daarentegen beschouwden het Joodse volk als een verworpen natie, omdat het Jezus gekruisigd en daarmee een grove schuld op zich geladen had. Maar de scheiding die God maakt, is wat de natuurlijke wereld betreft, onpartijdig. Hij trekt één lijn in de geestelijke wereld tussen mensen die zich aan de waarheid houden en mensen die de leugen of de dwaling volgen, tussen mensen die in gerechtigheid leven en degenen die de ongerechtigheid gehoorzaam zijn. God maakt dus geen onderscheid tussen de nationaliteiten.

Ieder die in leugen en zonde leeft, wachten toorn en gramschap, want hij leeft onder de beïnvloeding en de macht van boze geesten. Zo’n mens zal dit ervaren als verdrukking en benauwdheid, want zijn leven wordt hierdoor bedreigd en ontwricht. Zo werkt het bij de Jood en zo werkt het bij de Griek. Paulus zegt: ‘Eerst bij de Jood en dan bij de Griek’, omdat de Jood het eerst kennis gekregen heeft van waarheid en gerechtigheid en dus ook het eerst de gelegenheid had het evangelie aan te nemen of te verwerpen. Maar ieder mens die aan de waarheid en de gerechtigheid gehoorzaam is en daardoor in staat het goede voort te brengen en goede werken te doen, zal als vrucht ervaren: heerlijkheid, eer en vrede. Ook hier geldt weer: eerst de Jood en dan de Griek of heiden. De eerste christenen waren immers uit de Joden!

Zullen verdrukking en benauwdheid dan niet over de kinderen van God komen? Zeer zeker, want de Heer zei dat zij in de wereld verdrukking, lijden en vervolging zouden ondergaan. Maar het verschil is, dat degenen die de waarheid aangenomen hebben en dus verlost, bevrijd en gedoopt zijn met Gods Geest, niet beschadigd hoeven te worden, maar naar de inwendige mens zelfs tegen de verdrukking in naar het beeld van Jezus toegroeien, in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. De heerlijkheid is de volkomen gave en ontplooide mens van God! De eer is die God geeft (zie vers 7) en de vrede is de vrede van God die alle verstand te boven gaat, omdat zijn oorsprong zich in de onzienlijke wereld bevindt. Het is een vrucht van de gemeenschap met Gods Heilige Geest. Allen ondergaan dus hetzelfde oordeel, hetzij ten dode, hetzij ten leven. God ziet daarbij niet de uitwendige mens aan, of deze arm is of rijk, geleerd of ongeleerd, of voortgekomen uit een godsdienstig of ongodsdienstig milieu. De Heer ziet het hart aan, dat is de innerlijke mens.

De wet baat de Joden niet

Want zij die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, en zij die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. Niet de hoorders van de wet zijn immers rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden 12,13.

God straft zonder aanzien van de persoon, onverschillig of men heiden of Jood is, onbekend met de wet of onder de wet. Paulus richt zich eerst tot de Joden en betuigt dat alle zonde gestraft wordt. Zonder wet kan men contact met de boze geesten hebben, maar ook met en vaak zelfs door de wet (Rom.7:9-11). Er staat dus niet dat men buiten de wet zondigen moet vanwege zijn verdorven natuur. Dat leert de Bijbel niet. Met de wet wordt het oude verbond bedoeld, in inzettingen en verordeningen bestaande. ‘Verloren gaan’ betekent, dat men een prooi van de boze geesten wordt. ‘Oordelen’ is scheiding maken tussen goed en kwaad. Men wordt geoordeeld naar het licht of de kennis die men bezat, zoals in 2 Petrus 2:21 vermeld wordt: ‘Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen kennis verkregen te hebben van de wet van de gerechtigheid, dan met die kennis zich af te keren van het heilige gebod’. Dit geldt voor heiden en Jood. De Jood moet niet trots zeggen: ‘Wij hebben de wet’, maar hij moet deze volbrengen. Het doel van de wet is de gerechtigheid van de mens. Wie haar geheel hield en bij zondigen de vereiste offers bracht en boete deed, was een rechtvaardige naar de wet.

Zacharias en Elisabeth waren beiden rechtvaardig voor God (Luc.1:6). Van dit echtpaar wordt betuigd, dat zij naar alle geboden en eisen van de Heer onberispelijk leefden. Ook de rijke jongeman had ‘alles in acht genomen’ en Jezus kreeg hem lief (Marc.10:20,21). Ook Paulus was naar de gerechtigheid van de wet eenmaal onberispelijk (Filip.3:6). Dit houdt echter niet in, dat men dan ook de rechtvaardigheid bezit, die door het geloof in Christus is, die uit God is op grond van het geloof (Fil.3:9). Deze laatste rechtvaardigheid bestrijkt niet alleen het uitwendige leven, maar betreft ook de innerlijke mens.

Want wanneer heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet zegt, zijn zij, hoewel zij de wet niet hebben, zichzelf tot wet. Zij tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun hart. Daar getuigt ook hun geweten van en hun gedachten onderling beschuldigen of ook verontschuldigen elkaar, 14,15.

Heidenen of volken kunnen van nature doen wat God gebiedt, omdat ‘wat van God gekend kan worden in hen openbaar is’ (1:19). De mens is dus van nature niet verdorven. Van nature betekent dus: van de eigenlijke, menselijke natuur, die nog niet beïnvloed of overweldigd is door de boze geesten. Het beginsel van de wet is het doen van de wil van God. Dit principe is dus ook nog bij de heidenen aanwezig. God heeft de mens geschapen functionerend naar vaste wetten. Het is zijn wil dat de mens naar deze wetten leeft. Zonder uitwendige voorschriften zijn de heidenen daarom zichzelf tot wet. Zij hebben dus de wet in hun binnenste, in hun hart geschreven. Dit principe wordt in het nieuwe verbond weer hersteld, zoals gezegd wordt: ‘Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen en Ik zal die in hun harten schrijven’ (Hebr.8:10).

Het is altijd de wens van de duivel geweest de wet van God uit het hart van de mens weg te nemen en hem wetteloos te maken. De satan doet de natuur van de mens geweld aan, zodat deze niet meer leeft naar de ingeschapen wet en haar soms totaal kwijtraakt. Het was Gods zorg voor het uitverkoren volk dat Hij de natuurwetten weer in herinnering bracht door middel van de geboden en voorschriften van de Sinaï. Ook onder de vrome Joden waren mensen die van nature deden wat de wet gebood. De wet kwam dan overeen met de begeerten van hun hart. Er zijn heidenen die door hun leven en werken tonen, dat zij nog enige kennis hebben van de wetten van God voor de mens. Zij tolereren geen moord of diefstal en hebben eerbied voor hun ouders en voor het bezit van de ander. Onder hen worden oprechte en waarheidsgetrouwe mensen gevonden, die in het maatschappelijk verkeer zeer betrouwbaar zijn. Zij komen op voor het eigen volk, zij zijn de overheid bedoeld volgens Romeinen 13. Door dit alles geven zij blijk dat de wet van God in hun innerlijke mens nog functioneert en zij nog onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad. Zij worden hierbij ondersteund door hun geweten.

‘Geweten’ betekent eigenlijk medeweten of ‘samen weten’. In de mens zijn er dus twee die samen getuigen, samen gedachten uitwisselen die elkaar onderling aanklagen of vrijpleiten. Nu rijst de vraag: wie zijn deze twee? Van Gods Heilige Geest die Zich met onze geest verbindt, wordt gezegd dat Hij met onze geest getuigt. Ook wordt van Hem gezegd dat Hij overtuigt van zonde en gerechtigheid en dat Hij een oordeel velt door in het innerlijke leven een schifting teweeg te brengen. Het is daarom niet vreemd dat in de natuurlijke mens zijn geest hetzelfde doet. Deze geest is dan de ene partner; hij beïnvloedt de ziel met haar verstand, gevoel, wil, activiteit en begeerte. Krijgt de ziel van buitenaf een zondige impuls of wordt de zondige begeerte opgewekt, dan zullen eerst verkeerde gedachten opkomen. Maar voordat deze gedachten overgezet worden in een zondige daad, zal ook de geest een woordje meespreken. Geest en ziel zullen samen overleggen en het gevolg zal zijn: doen of niet doen, spreken of niet spreken. Bij mensen zonder geest, of met een beschadigde geest, of met een gebonden geest, zullen deze overleggingen ontbreken. De Bijbel spreekt in dit verband over mensen: ‘wier geweten als met een brandijzer (de machten van de duisternis) is toegeschroeid’ (1 Tim.4:2 St. Vert.). In Maleachi 21:15 wordt van de overspeler gezegd: ‘Niet één doet zo, die voldoende geest bezit’.

De menselijke geest handhaaft de ingeschapen zedelijke wet in het leven, terwijl de ziel de drager is van de natuurlijke wetten. Het is duidelijk dat de mens niet door en door verdorven kan zijn, als zijn geweten hem nog aanklaagt of verontschuldigt. De mens is geen duivel, want zijn geest beschuldigt hem niet, als hij het goede doet, maar wanneer hij zich misgaat. Een hond mist de kennis van ethische wetten of moraal, maar bezit als levende ziel wel gevoel, verstand, wil, activiteit en begeerten. Hij weet daarmee zijn natuurlijke leven te handhaven. Hoewel dus geestloze mensen en dieren geen gewetensconflicten kennen, kunnen zij wel zielenstrijd hebben, wanneer het gevoel, het verstand, de wil en de begeerten onderling botsen. Het oude verbondsvolk ontving van de Heer een wet, die van buitenaf de geest moest ondersteunen en ‘ten leven leiden’ (7:10). Dit hulpmiddel was echter niet toereikend; de mens faalde. Wie met Gods Geest gedoopt is, ontvangt een krachtige hulp voor eigen geest, want Gods Geest komt zijn zwakheid te hulp! Deze Geest werkt van binnenuit.

Zo zal het gaan op de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, volgens mijn Evangelie 16.

Lees de zin als volgt: ‘Immers, zij tonen, dat het werk van de wet in hun harten geschreven is, … op de dag wanneer de verborgen dingen in de mensen oordeelt’. Ook de volken worden geoordeeld en wel ‘ieder naar zijn werken’ (Openb.20:13). Deze werken zijn het gevolg van gedachten of innerlijke overleggingen, ‘want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen’ (Matth.15:19). ‘De verborgen dingen van de mensen’ wijst erop dat de inwendige mens geoordeeld wordt. Daarom staat erbij ‘volgens mijn evangelie’ en niet naar de wetten van het oude verbond, die alleen rekening hielden met de uitwendige gedragingen van de mens. Ook voegt de apostel toe ‘door Christus Jezus’, dat is door het Woord van God. Daarvan lezen wij in Hebreeën 4:12 dat het zo diep doordringt, dat het vaneen scheidt het goede en het kwade in ziel en in geest, maar ook in gewrichten en in merg, dat is de scheiding tussen het wetmatige en het wetteloze in de diepst verborgen gedeelten van het lichaam. Ook schift het overleggingen en gedachten van het hart. In deze innerlijke mens of ‘mens des harten’ zijn ook de schatten in de onzienlijke wereld verzameld, schatten tot het eeuwige leven of schatten van de toorn.

Wanneer God door Christus ‘op die dag’, dat is in het eindgericht, de heidenen die de wet van God niet hebben gehad en dus ook niet voor hun gerechtigheid hebben kunnen werken, oordeelt, zal uit hun werken blijken hoeveel van de ingeschapen wet van God nog in hun leven heeft gefunctioneerd. De maat die dan ook voor dit oordeel aangelegd wordt, is de maat van de volwassenheid van de volheid van Christus (Ef.4:13). Jezus is het model of de maat en ieder mens wordt geoordeeld naar wat Christus op aarde deed of geweest is. Hij is de maat, namelijk de volkomen mens.

Tenslotte zullen Jood, heiden en christen met dezelfde maat gemeten worden. Degenen die de wet bezitten, hebben dus geen enkel privilege in de dag van het oordeel. Jood en heiden zijn naar het beeld van God geschapen en beiden hebben een geest die God hun gegeven heeft. Het hebben van de wet was voor de Jood wel een voordeel, als hij deze hield, maar verandert in een nadeel, wanneer hij haar niet gehoorzaamde.

De Joden en de wet van Mozes

Zie, u wordt Jood genoemd. U steunt op de wet en roemt in God, en kent Zijn wil en onderscheidt wat wezenlijk is, omdat u uit de wet bent onderwezen. En u bent van uzelf overtuigd dat u een gids voor de blinden bent, een licht voor hen die in duisternis zijn, een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van jonge kinderen, omdat u in de wet de belichaming van de kennis en van de waarheid hebt 17-20.

Paulus richt zich tot de Joden die zich om twee redenen superieur achtten. In de eerste plaats omdat zij de wet ontvangen hadden en in de tweede plaats, omdat zij de besnijdenis bezaten in verband met hun afstamming van vader Abraham, de drager van de beloften (zie ook vers 25). Hij personifieert het Jodendom en daarvan in het bijzonder het farizeïsme (oorspronkelijk waarschijnlijk de afgescheidenen of afgezonderden onder het volk) in een denkbeeldige persoon, die zich Jood laat noemen. Dit ‘wordt genoemd’ heeft dan een speciaal accent, de Jood stelde daar een eer in. In Openbaring 2:9 wordt echter gesproken over ‘hen die zeggen dat zij Joden zijn, maar het niet zijn’, want deze erenaam ‘die God looft en eert’ heeft geen waarde bij God als de vlag de lading niet dekt. Men kan zich wel Jood noemen, omdat men uit het natuurlijke geslacht van Abraham, Izak en Jacob is, maar daarom is men nog geen Jood voor God, ‘want niet hij is een Jood die het uiterlijk is’ (vers 28). De Joden konden zich wel verheffen op het bezit van de wet, die zij alleen ontvangen hadden, maar wat zou het hun baten, wanneer zij de wet ook niet hielden. Men kon zich wel op God beroemen, omdat Deze dit volk had uitverkoren om zijn Naam te bewaren en zijn wil bekend te maken, maar men laadde zich daarmee een zware verantwoordelijkheid op de schouders. Had de profeet Jeremia al niet gewaarschuwd voor zulke arrogantie met de woorden: ‘Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de Heer, de tempel van de Heer, de tempel van de Heer is dit!’ (Jer.7:4)?

Aan het Joodse volk dat, net als de heidenen, de ingeschapen kennis van Gods wil merendeels kwijtgeraakt was, had God door de wet opnieuw zijn wil bekend gemaakt. Hij deed dit niet zodat de Jood zich hierop zou laten voorstaan, maar om hem opnieuw de mogelijkheid te geven Gods wil te doen. God had de priesters en de levieten geboden het volk te onderrichten in de wet, zodat het kon weten waarop het aankwam. Alweer niet om zich erop te beroemen, maar om naar de wet te handelen. Juist zij die zich bezig hielden met het bestuderen van de wet en het onderricht geven, waren overtuigd dat zij leiders van blinden waren, maar de Heer noemde de Schriftgeleerden en Farizeeërs van zijn tijd blinde leiders. Zij misten immers de kennis over de geestelijke betekenis van de wet (7:14). Zij waren er ook van overtuigd dat zij een licht waren voor hen die in de duisternis van de onwetendheid verkeerden: Maar Jezus verweet hun dat zij de sleutel van de kennis hadden weggenomen (Luc.11:52). Zij beschouwden zichzelf als opvoeders van onverstandigen, maar Jezus noemde hen zelf onverstandigen, omdat zij slechts de ‘buitenzijde van de beker en de schotel reinigden’ (Luc.11:39,40). Zij achtten zich leraars van onwetenden, maar Jezus zei tot hen: ‘U kent de Schriften niet, noch de kracht van God’ (Matth.22:29).

De Joden hadden de wet ontvangen en bestudeerd en zij wisten dat zij daardoor kennis van Gods wil en van de waarheid kregen, maar wat deden zij met deze wetenschap? Men kan rechtzinnig zijn in de leer en een beroemde uitlegger van de Schriften, men kan de bron van de waarheid bezitten en kennis van de weg van God hebben, maar kennen alleen en uitwendig naar de wet leven zijn niet voldoende voor God, want Hij ziet de innerlijke mens aan. Als men krampachtig voor het zicht van iedereen de wet probeert te houden, steunt men op de wet; maar alleen door innerlijke geloofsgemeenschap met God, de Maker van de wet, komt men tot goede werken. Pas voor de gemeente van het nieuwe verbond die gedoopt is in Gods Geest, komt de oplossing van het probleem, omdat de wet dan niet meer van buitenaf tot de mens komt, maar van binnen geschreven is in het hart en gelegd is in het verstand. Deze gelovigen ontvangen helder inzicht en fijngevoeligheid ‘om te onderscheiden, waarop het aankomt’ (Fil.1:10). De Heilige Geest in hen wil hen onderrichten en de weg wijzen tot de volle waarheid.

U dan die een ander onderwijst, onderwijst u uzelf niet? U die preekt dat men niet stelen mag, steelt u zelf? U die zegt dat men geen overspel mag plegen, pleegt u zelf overspel? U die de afgoden verfoeit, pleegt u zelf tempelroof? 21,22.

Ook voor de wet- en schriftgeleerden geldt de uitspraak van Jacobus: ‘U moet niet allemaal leermeesters willen zijn, mijn broeders. U weet immers dat wij dan een strenger oordeel zullen ontvangen’ (Jacobus 3:1). Het is zeer goed om onwetenden te onderwijzen en blinden te leiden, maar men moet tegelijkertijd ook een voorbeeld geven van goede werken in eigen leven. Het is niet genoeg goed te belijden, maar men moet ook goed doen, want God zal ieder vergelden naar zijn werken. Wie zichzelf niet onderwijst, dit wil zeggen zelf niet ter harte neemt wat hij aan een ander leert, breekt met zijn wandel af wat hij door zijn woord wil bouwen, want zijn leven is in tegenspraak met zijn leer.

De apostel noemt drie voorbeelden van zonden, waardoor de inwendige mens schuldig voor God komt te staan. Men kan als orthodoxe Jood leren dat men niet stelen mag, maar tegelijkertijd door geldzucht geleid ‘de huizen van de weduwen opeten’ (Matth.23:14). Ook het christendom kent in haar geschiedenis de tegenstelling tussen de schatrijke kerken met haar kostbare gebouwen en de schrijnende armoede van haar leden. Wij denken ook aan de gewetenloze druk die in sommige kringen uitgeoefend wordt om geld te geven om het werk van de organisatie of van ‘de man van God’ in stand te houden. Men oefent zelfs druk uit door de zegen van de Heer in genezing, bevrijding of in voorspoed, te verbinden met geld.

Het tweede voorbeeld spreekt over overspel. Misschien pleegt iemand geen overspel, maar loopt hij rond met verlangens naar de vrouw van zijn naaste. Door deze scherpe vraag te stellen, wijst de apostel op het verschil tussen theorie en praktijk. Waarom gingen de leiders, die de vrouw op overspel gegrepen, bij Jezus brachten, één voor één weg, toen de Heer zei: ‘Wie van u zonder zonde is, werpt de eerste steen naar haar’? Hoeveel rechtzinnige Joden pleegden bovendien nog geestelijk overspel door zich in te laten met allerlei occulte zaken. De gebedsriemen en de kwasten waren hier onder andere voorbeelden van.

Tempelroof is ontwijding van de tempel. Men gebruikt dan wat bij de tempel hoort voor zichzelf. In Maleachi 3:10-12 werd de oudtestamentische kerk verweten, dat zij God beroofde door Hem de tienden te onthouden. In het Nieuwe Testament lezen wij daar niet meer van. In Marcus 7:11 hekelt Jezus immers de tegenstelling in de door de Farizeeërs gesanctioneerde praktijk, dat de kinderen zich van de onderhoudsplicht jegens hun ouders afmaakten door wat zij konden geven tot korban te verklaren en dit zo buiten het bereik van hun ouders te stellen. Dit alles onder het vrome mom dat men God eerder moet geven dan de mensen. Wat korban verklaard was, werd namelijk aan God gewijd en daarmee aan elke andere bestemming onttrokken. Wij geloven daarom niet dat Paulus het ‘de man die zich Jood laat noemen’ verweet, dat deze zijn tempel tekort deed. Het gaat hier over de Jood die de afgodendienst verfoeit; de heidense godsdienst was voor hem een gruwel. Tot deze zegt de apostel: ‘U verfoeit de afgoden en begaat tempelroof’ zoals sommige vertalingen luiden.

Op de een of andere manier trokken de Joden, hoewel zij de afgoden verfoeiden, er toch profijt van. Van Paulus en zijn vrienden werd echter in Efeze getuigd: ‘Want u hebt deze mannen opgebracht, zonder dat zij tempelrovers zijn’ (Hand.19:37). Wij denken echter ook nog aan iets anders. In Deuteronomium 7:25,26 werd bevolen: ‘De beelden van hun goden moet u met vuur verbranden. Het zilver en goud dat erop zit, mag u niet begeren of voor uzelf nemen, anders wordt u daardoor verstrikt, want het is voor de Heer, uw God, een gruwel. U mag zoiets gruwelijks niet in huis halen, anders wordt u evenzo tot iemand waarop de ban rust; volledig verafschuwen moet u het, ja, er een diepe afschuw van hebben, want het is iets waarop de ban rust.’

God verbiedt hier het in bezit hebben van afgodsbeelden en het handelen ermee. God spreekt hier niet over kostbaar antiek en over gewaardeerde kunstwerken. Wie in zijn huis afgodsbeelden heeft, misschien zelfs als trofee van zijn zendingsijver, heeft ‘een gruwel voor de Heer’ in bezit. Hij begaat hiermee ook tempelroof t.o.v. de heidense godsdiensten. Men verrijkt zich immers met wat van de demonen is. Ook hiervoor gelden de woorden van Paulus: ‘En ik wil niet, dat u in gemeenschap komt met de boze geesten’ (1 Cor.10:20).

U die in de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet? Want de Naam van God wordt, zoals geschreven is, door uw toedoen gelasterd onder de heidenen 23,24.

Het overtreden van de wet is het bewust zondigen. Wie zich beroemt op zijn wetskennis, op zijn zuivere leer, op zijn belijdenisgeschriften, onteert door een slechte levenswandel de naam van God bij hen die God niet kennen en dienen. De profeet Nathan zei tegen David in verband met diens overspel, dat hij door zijn daad de vijanden van de Heer zeer had doen lasteren (2 Sam.12:14). Paulus schreef voor mensen die in de wet onderwezen waren en vermeldt de plaats, die hij citeert, verder niet. In Jesaja 52:5 verwijt God zijn volk: ‘Voortdurend, de hele dag, wordt mijn Naam gelasterd’. In Ezechiël 36:20 wordt gezegd: ‘En bij alle volken waar zij kwamen, ontheiligden zij mijn heilige Naam, doordat men van hen zei: Dezen zijn het volk van de Heer, maar toch moesten zij weg uit zijn land’ en in vers 23: ‘Ik zal mijn grote Naam die onder de volken ontheiligd is, die u te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen’. Wanneer het beste corrupt wordt, is dit het ergste. Zo getuigt de geschiedenis ervan, dat door de degeneratie van het naamchristendom ook de naam van God door joden en heidenen gelasterd werd. En hoe staat het met de ‘gristelijke’ werkgever, de ‘gristelijke’ werknemer, de ‘gristelijke partij’, de ‘gristelijke’ school of de ‘gristelijke’ kerk?

De Joden en de besnijdenis

Want de besnijdenis heeft wel nut als u de wet houdt, maar als u een overtreder van de wet bent, is uw besneden zijn tot onbesneden zijn geworden 25.

De Joodse lezer zou kunnen vragen: ‘Als dan de zaak met Jood of heiden zo staat dat bij God geen onderscheid is, waarom is dan eigenlijk de besnijdenis ingesteld?’ Met de besnijdenis valt of staat het hele natuurlijke volk Israël. Het antwoord van de apostel klinkt heel voorzichtig: ‘De besnijdenis betekent iets’. De Joodse christen kon haar ook moeilijk ongedaan maken; maar zij was en bleef slechts een schaduw van de hemelse werkelijkheid. Zoals hier op aarde een volk is, dat door de besnijdenis afgezonderd is en onderscheiden van alle andere volken, zo is er in de hemelse gewesten een volk dat door de besnijdenis van het hart afgezonderd en onderscheiden is, een volk, eigendom van God. Paulus is allereerst en bovenal een burger van het Koninkrijk der hemelen en daar heeft alleen de besnijdenis van het hart betekenis. Daar geldt het: ‘Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is’ (Gal.6:15). Natuurlijk mag men Jood zijn en als zodanig zich laten besnijden, zoals men in het natuurlijke leven ook Nederlander, Chinees of Amerikaan blijft. Maar de ware betekenis van de besnijdenis is geestelijk. God had Israël uitverkoren zodat het de weg van de Heer zou bewaren en zijn wil doen (Gen.18:19). Wanneer Israël dit naliet, had zijn verkiezing en dus ook zijn besnijdenis verder geen betekenis. Dan stond de Israëliet gelijk met de heiden. De ware besnijdenis van het hart bestaat in het wegdoen van de zonde.

Als dan een onbesnedene de verordeningen van de wet in acht neemt, zal zijn onbesneden zijn dan niet tot besnijdenis gerekend worden? En zal hij die overeenkomstig de natuur onbesneden is, maar die de wet volbrengt, u dan niet oordelen, die mét de letter van de wet en de besnijdenis een overtreder van de wet bent? 26,27.

Paulus stelt in deze beide teksten twee mensen tegenover elkaar: de onbesneden christen uit de heidenen, in wie de eis van de wet vervuld wordt (8:4) en de besneden Jood, die Gods wet niet gehoorzaamt. De eerste wandelt naar de Geest zonder wet als Abraham door het geloof en niet naar het vlees. De geestelijke betekenis van de besnijdenis, het afleggen van het lichaam van de zonde, is in hem werkelijkheid geworden en hij hoort bij het uitverkoren volk in de hemelse gewesten, dat besneden is naar het hart. Met zijn natuurlijke onbesnedenheid wordt niet meer gerekend, omdat hij bij het Israël van God hoort. De andere persoon is de besneden Jood, die wel het natuurlijke teken aan het lichaam draagt, maar in de geestelijke wereld niet met de zonde gebroken heeft. Hij is daarom een onbesnedene van hart. Noch de letter van de wet, waaraan hij zich niet houdt en die hij ook niet houden kan, noch de besnijdenis hebben voor hem in de geestelijke wereld enige betekenis. In de onzienlijke wereld hoort hij niet bij het Israël van God, maar bij de wereld en Paulus schrijft aan de heiligen: ‘Weet u niet, dat de heiligen de wereld (dus ook het ongeestelijke, natuurlijke Israël) zullen oordelen?’ (1 Cor.6:2). Ieder mens wordt geoordeeld naar het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dit is het evangelie van Jezus Christus en de apostel noemt het in vers 16 ‘mijn evangelie’. Het overtreden van de wet komt voort uit de overheersing van de innerlijke mens door de demonen van satan. Het bezit van de letter, dat is de wet, met de ritus van de besnijdenis die de wet bezegelde, schenkt geen enkele claim en heeft geen enkel voordeel om de zegen van Abraham, namelijk de gerechtigheid, te verwerven.

Want niet híj is Jood die het in het openbaar is en niet dát is besnijdenis die in het openbaar in het vlees plaatsvindt, maar híj is Jood die het in het verborgene is, en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God 28,29.

Paulus komt tot de kern van het evangelie van Jezus Christus, dat van de onzienlijke wereld of van het Koninkrijk der hemelen. De uitdrukking in vers 27 ‘de van nature onbesnedene’ suggereert dat het om iets anders gaat dan het zichtbare. Dit heeft afgedaan en keert nooit meer terug. Het zichtbare van het oude verbond was slechts de schaduw van de hemelse werkelijkheid. De definitie van de werkelijke Jood die bij het ware volk van God hoort, luidt: ‘dit is een persoon die besneden is naar het hart, in de innerlijke mens, in de onzienlijke wereld’. De ware besnijdenis is zintuiglijk niet waarneembaar en hoort bij de geestelijke wereld. Zij is geen werk van mensenhanden, maar zij is het afleggen van het lichaam van het vlees en de breuk met iedere vorm van kwaad (Col.2:11). De oudtestamentische besnijdenis was een uitwendig, maar verborgen teken. Men kon van iemands gezicht niet aflezen of hij bij het volk van God in het oude verbond hoorde. Dit verborgen teken stond in verband met het doorgeven van het natuurlijke leven.

De besnijdenis van het hart is echter een onderdeel van het proces van de wedergeboorte dat in de geestelijke wereld plaatsvindt. Naar nieuwtestamentisch gebruik wordt deze onzienlijke wereld door Paulus het ‘verborgene’ genoemd, zoals ook Jezus sprak over de verborgenheden of de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen. In deze verborgenheid krijgt de onrechtvaardige mens die Jezus Christus aangenomen heeft en door zijn bloed van zondeschuld gereinigd is, naar zijn geest contact met God. Een nieuwe, een geestelijke mens wordt geboren, die volkomen naar de innerlijke mens met het oude leven naar het vlees breekt en die door het Woord van God geleid wordt. ‘Wie de naam van de Heer noemt, breekt met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19). De besnijdenis van het hart is deze breuk tussen de oude en de nieuwe (vernieuwde) mens, die door zijn geest bestuurd wordt. Door de doop in Heilige Geest wordt zijn menselijke geest verenigd en gesterkt door de Heilige Geest om volkomen in nieuwheid van het leven te wandelen. Daarom is de ware besnijdenis niet die van Mozes (Joh.7:22), maar die van Christus (Col.2:11).

De besnijdenis van de innerlijke mens is het teken dat men bij het geestelijke Israël hoort. De lof berust dan niet op afstamming, niet op een voorgeslacht of op vader Abraham, maar op God die een mens door zijn woord heeft doen wedergeboren worden. Het rituele, zichtbare zegel van de besnijdenis hoort bij het oude verbond en dat is ‘voor verouderd verklaard’ (Hebr.8:13). Het was slechts een schaduw van het geestelijke, onzichtbare zegel van de besnijdenis van het menselijke hart. Voor God is er geen uiterlijke Jood en geen uiterlijk uitverkoren volk meer. Het ‘Israël naar het vlees’ (1 Cor.10:18) heeft daarom als natie geen enkele betekenis meer: ‘want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is’ (Gal.6:15)!