2. De rechtvaardige zal uit geloof leven

<<<<<

Romeinen 1:16-23

‘Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot behoud voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood en ook voor de Griek’ 16.

Paulus stond ook voor deze verschrikkelijke metropolis klaar. Hij had een boodschap, die in Rome veracht en in principe verworpen zou worden, maar ook daar zouden er mensen zijn, die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Alleen door de weg van het evangelie (‘van Christus’, zoals sommige handschriften erbij voegen) komt de mens door de kracht van God tot volledig herstel. Voor zo’n evangelie hoeft niemand zich te schamen. Het Griekse woord voor ‘behoud’ betekent letterlijk ‘redding’.

Het evangelie brengt redding, genezing, bevrijding, herstel en beoogt de volkomenheid. Dit is het grote thema van deze brief. De wil van God is immers: het goede, welgevallige en volkomene (Rom.12:2). Het evangelie wordt gedragen en gerealiseerd door de kracht van Gods Geest die in de mens werkt en hem tot eeuwig leven brengt. Het is voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, want aan dit volk werd het het eerst gebracht en in Jeruzalem was de zogenaamde moedergemeente, maar de redding is ook voor de heidenwereld. Tot deze beide categorieën in Rome richtte Paulus nu verder zijn brief.

‘Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven’ 17.

In deze brief is sprake van: een kracht van God, de liefde van God, de wijsheid en kennis van God en ook van gerechtigheid van God. Deze goddelijke eigenschappen worden in het evangelie onthuld of geopenbaard. Wat Gods gerechtigheid betreft, schrijft Paulus in hoofdstuk 3:26: ‘Om zijn rechtvaardigheid (of gerechtigheid) te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is’. Gods gerechtigheid wordt in het evangelie ontsluierd door de manier waarop Hij ‘de goddeloze rechtvaardigt’ (4:5), namelijk door diens aanvaarden van het offer van Jezus. Deze gerechtigheid wordt verworven uit of door het geloof aan de schuldvergeving. Wij ‘worden gerechtigheid van God’ (2 Cor.5:21), omdat wij geloven dat het bloed van het Lam de schuld van ons wegnam.

Geloof, een eigenschap van de menselijke geest

Wij moeten het woordje ‘geloof,’ in de Romeinenbrief net als in het hele Nieuwe Testament, in zijn eenvoudige, natuurlijke en menselijke betekenis nemen. Het is niet een gave die op een of andere geheimzinnige manier tot ons komt, maar het is een eigenschap van de menselijke geest, die in werking gesteld moet worden: ‘Uw geloof, dat zich op God richt’ (1 Thess.1:8). Andere vermogens van de menselijke geest zijn: de fantasie, de taal en de geestelijke kracht. Geloven is het aanpakken van en het vertrouwen op de woorden van God. De gerechtigheid is dus uit het geloof en de mens ontvangt deze gerechtigheid om ook verder in het geloof op de Heer te vertrouwen en de weg van God tot het einde toe te gaan. ‘Uit geloof tot geloof’ wil dus zeggen: de gerechtigheid is uit het geloof en heeft tot doel dat de mens ook verder gaat geloven en God zal vertrouwen voor een wandel op de weg van de gerechtigheid.

Paulus citeert een uitspraak uit Habakuk 2:4. Voor de apostel is deze aanhaling het woord van God. Wanneer de Chaldeeën het land overrompelen, ziet de profeet Habakuk in een visioen, dat dezen vanwege hun ongerechtigheid gestraft worden, maar dat de rechtvaardige in Juda door zijn geloof aan de beloften, redding zal vinden. De Griekse vertaling luidt: ‘De rechtvaardige zal door geloof in Mij blijven’. Habakuk wist dat het menselijk onmogelijke, van bevrijding en verlossing, alleen bereikt werd door het geloof. Is het ook zo niet met de zondaar? Kan deze ooit zeggen een rechtvaardige te zijn? Kan deze voor God bestaan zonder dat één beschuldiging hem treffen kan? Ook het evangelie spreekt van een oordeel, maar degene die gelooft in de boodschap dat de kracht van God tot behoud is, zal leven, dat wil zeggen dat hij zal functioneren naar de wetten van God. Door de kracht van God zal hij verlost van al zijn vijanden, dit eeuwig kunnen volhouden. Het geheim van het evangelie is, dat God de mens, die in de schuldvergeving gelooft, rechtvaardig verklaart en dat door de kracht van Zijn Geest deze mens ook als een rechtvaardige leeft.

‘Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken, omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard’ 18-19.

De toorn van God is het overleveren van de mens aan de machten die hij dient. De toorn van God zijn dus de boze geesten. Hij verbergt zijn gezicht en daardoor krijgen demonen vrij spel. Ooit was vanwege de overtreding van het volk de plaag of de toorn van God op Jezus: ‘Om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld … om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest’ (Jes.53:5,8). De toorn openbaart zich van de hemel of uit de onzienlijke wereld over mensen die in goddeloosheid en ongerechtigheid leven. God had aan de Joden in wet en profeten duidelijk gemaakt dat Hij de zonde niet wil.

Maar ook aan de heidenen was het bekend, dat de goddeloosheid niet ongestraft kan blijven. In het evangelie wordt door allen die het aanvaarden, de gerechtigheid van God geopenbaard. In de goddeloosheid en in alles wat van Gods wetten afwijkt, openbaren zich de boze geesten als de toorn van God. In deze Goddeloze werken van het rijk van de duisternis, stelt God de mens als medeplichtige verantwoordelijk en schuldig. De goddelozen houden geen rekening met God en de wettelozen niet met zijn instellingen. In ongerechtigheid levend, verhinderen zij de waarheid te functioneren en beletten haar zich in hen te openbaren. De zonde verhindert dat de waarheid in een mensenleven naar boven komt en versmoort haar stem.  

Er zijn dingen van God die aan de mens niet bekend zijn. ‘De Almachtige, die wij niet begrijpen, is groot van kracht en recht’ (Job 37:23). Maar geheel zonder Godskennis is de mens echter niet. De mensen weten de waarheid wel, al is het dan gedeeltelijk. God heeft bepaalde kennis aan de mens meegegeven en ook een eigen geweten ingeschapen. Dit is de werkers van de ongerechtigheid niet onbekend, want de mens is het beeld van God. Het is in hen openbaar, omdat God in de mens zijn wezen gelegd heeft. De mens is naar zijn beeld geschapen. Dit is wel in tegenstelling met de hypothese, dat de mens van nature door en door verdorven zou zijn!

‘Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn’ 20.

De mensen zien Gods werken en hieruit kunnen zij weten, dat er een Schepper achter de dingen staat. God heeft niet alleen zijn wezen in hen doorgegeven, ook buiten henzelf kunnen zij God met hun verstand opmerken. De Schepper is goed, wijs, harmonisch, met een machtige intelligentie en een eeuwige of onmetelijke kracht. De mensen kunnen zien dat alle dingen hun vaste wetten hebben. Zij kunnen ook opmerken dat, wanneer een schepsel zich niet aan de wetten van God houdt, het ten ondergang gedoemd is. Zij kunnen weten dat wanneer zij zich niet aan Gods wetten houden, zoals bij drankfeesten en ontucht, zij strafbaar zijn voor God. Wanneer men dingen doet, die tegen het ingeschapen geweten en de wetten van God voor de mens ingaan, is men niet te verontschuldigen.

God, de Schepper van de mens

Volgens de apostel kan men Gods eeuwige kracht en goddelijkheid sinds de schepping uit zijn werken met het verstand zien. Vanaf het begin zijn er dus mensen geweest, wier verstand in staat was deze goddelijke eigenschappen te constateren. De mens is geen hoger ontwikkeld dier, integendeel; als hij de hand van de almachtige God niet meer ontdekken kan, is hij gedegenereerd en zijn natuurlijk verstand is dan verduisterd. De kennis die de mens van God heeft, bezit hij al vanaf het begin. Ook zijn Maker is geen product van de evolutie, geen fetisj of natuurkracht, die zich in het denken van mensen langzaam ontwikkelde tot een stamgod of nationale god en later weer tot de universele, enige en ware God. De eeuwige God is geen product van menselijk denken en fantasie, maar Hij is de Schepper, die de mens maakte naar zijn beeld en zijn gelijkenis.

‘Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zij zijn volkomen dwaas in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd’ 21.

De mensen zijn naar Gods beeld en gelijkenis geschapen en kennen van nature God. Wij bedoelen dan niet die geestelijke band en harmonie waarvan Jezus zei in Johannes 17:3: ‘Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die U gezonden hebt’. Maar de mensen hebben enig begrip van het goddelijke wezen, omdat heel de schepping een getuigenis is van God, die haar tot leven riep. Zij kennen Hem door middel van hun geest en wanneer zij niet door de demonen overmeesterd zijn of deze bewust dienen, kennen zij daarom verschil tussen goed en kwaad, tussen licht en duisternis. Hoewel zij God dus kenden, hebben zij zich van Hem afgewend. De heidenen deden dingen die tegen de natuurwetten indruisten en de Joden schonden de wet van de Sinaï. Zij erkenden dus God niet en gaven Hem niet de eer die Hem toekomt. Zij hebben Hem niet als God verheerlijkt, dat is als degene die geëerd en gediend moet worden.

Dè mens van de wetteloosheid

‘Als God’ betekent met het aan de kant zetten van al het andere wat door hen vereerd werd. Hun overleggingen worden geïnspireerd en geïnfiltreerd door het rijk van de duisternis. Daarom komen hun gedachten op niets goeds uit, maar leveren alleen wetteloze woorden en daden op. Dit laatste zal een dieptepunt bereiken in ‘de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet’ (2 Thess.2:3,4). De apostel constateert dat het duister geworden is in hun onverstandig hart. Duisternis is beeld van het rijk van de Satan. De mensen worden gebonden en bezeten door zijn demonen, de gevallen engelen. Daarom kunnen zij God niet meer danken en loven, maar wel vloeken en zijn naam lasteren. Hun onverstandig hart, dus hun innerlijke mens, wordt niet langer door het natuurlijke verstand geleid, maar door boze geesten, die dit verstand verduisterd en redeloos maken.

‘Terwijl zij zich uitgaven voor wijzen, zijn zij dwaas geworden en hebben zij de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door een beeld dat lijkt op een vergankelijk mens, op vogels en op viervoetige en kruipende dieren’ 22,23.

Het natuurlijke verstand bezit natuurlijke kennis en wijsheid, want God heeft het goed geschapen. Doordat de mensen echter door demonen overheerst worden (of bewust zijn gaan dienen!) zijn ze dwaas geworden. Zij menen echter wijs te zijn, doordat leugengeesten het kwade goed noemen en het goede kwaad, duisternis voorstellen als licht en licht als duisternis, bitter doen doorgaan voor zoet en zoet voor bitter. Daarom sprak de profeet Jesaja over deze onverstandigen het oordeel van God uit: ‘Wee hun, die in eigen ogen wijs zijn en in eigen oordeel verstandig’ (Jes.5:20,21). Door deze verwording hebben zij geen inzicht meer in het karakter en in het wezen van de levende God en vervallen zij in een monsterachtige en afschuwelijke afgoderij.

Zij worden afgodendienaars en op die manier aanbidders van demonen. In plaats van God de eer te geven, brengen zij hulde aan beelden waarachter de demonen zich verschuilen. ‘Hun offeren is een offeren aan boze geesten en niet aan God’ (1 Cor.10:20). Zij maken beelden van mensen, zoals die van Astarte en Baäl, van vogels als de ibis, van viervoetige dieren als de apis, de stier die in Egypte aangebeden wordt.

Zelfs van kruipende dieren als slangen, zoals het attribuut van Asclépius, als symbool van medicijnen.

>>>>>