Romeinen 8:14-17
‘Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, zijn zonen van God’ 14 (King James Version).
Het voegwoord ‘immers’ heeft een link naar het vorige vers, dat zegt: ‘Als u naar het vlees leeft, zult u sterven. Als u echter door Gods Geest de (slechte) daden van het lichaam doodt, zult u leven’. Allen die door Gods Geest geleid of bestuurd worden, houden rekening met de gedachten van God. In het Koninkrijk van God is God de ‘vader’ van de gedachten en woorden die in de gelovigen gelegd worden. Al deze gedachten en woorden worden door hen in deze wereld geopenbaard. Daarom spreekt Paulus van ‘zonen’ van God.
Bij de eerste schepping werd Adam ook de ‘zoon van God’ genoemd, omdat hij in de natuurlijke wereld door God was voortgebracht. Bij de herschepping wordt de innerlijke en onzichtbare mens tevoorschijn gebracht om te gaan functioneren in het Koninkrijk van God. Omdat de mens zijn geloof op God richt en omdat zijn schuld vergeven is, wordt zijn geest hernieuwd. Dit is het begin van een nieuw leven in de onzienlijke wereld. Zijn gedachteleven wordt herboren en zo ontvangt deze vernieuwde mens die prachtige, eervolle naam ‘zoon van God’. De vernieuwing van denken loopt parallel met de rechtvaardigmaking door het geloof. De mens is zich bewust dat zijn schuld in de hemelse gewesten is weggenomen en hij dus vrijmoedig tot de Vader kan gaan.
Wij kunnen de nieuwe geboorte vergelijken met de natuurlijke geboorte. Voordat een kind geboren wordt, is het wel aanwezig, maar in de schoot van de moeder en in het verborgene. Het leeft en ontwikkelt zich daar nauw verbonden met en geheel afhankelijk van de moeder. Bij de geboorte komt het naar buiten en gaat een eigen, een nieuw bestaan leiden. Pas dan zeggen de ouders: ‘Wij hebben een zoon, of dochter!’ Zo komt bij het opnieuw geboren worden de geestelijke mens tevoorschijn in de hemelse gewesten. Eerst leefde hij een bestaan dat helemaal verweven was met de aarde en de zienlijke wereld, waar helaas satan als koning heerst en hem in zijn ontwikkeling en ontplooiing veel schade toebracht. Bij zijn nieuwe geboorte, of letterlijk ‘geboren worden van bovenaf’, gaat de gelovige zijn plaats innemen in de onzienlijke of geestelijke wereld en functioneren als geestelijk mens.
Na de natuurlijke geboorte wordt een kind losgemaakt van de placenta en wordt dus het contact met zijn vroegere leven totaal verbroken. Zo moet ook de mens die in de hemelse gewesten gaat leven, met het oude leven breken. De geestelijke navelstreng moet doorgesneden worden (Ez.16:4). Voortaan leeft hij dan niet meer als iemand die van de aarde aards is, aards denkt en leeft bij de zintuiglijk waarneembare dingen, maar vanuit het Koninkrijk van God, waar hij als zoon is geadopteerd. Met zo’n opnieuw geboren innerlijke mens kan God Zich verbinden door de doop met Gods Geest. Gods Geest wil de leiding op Zich nemen. Hij wil de innerlijke mens inspireren, dat is tot God zijn.
Uit God voortgebracht
Toen Mozes zijn broer Aäron naast zich kreeg om het woord te voeren, werd gezegd: ‘Hij zal voor u tot het volk spreken en zo zal hij u tot een mond zijn en u zult hem tot God zijn’ (Ex.4:16). Aäron werd dus geleid door de geest van Mozes en deze weer rechtstreeks door God. Aäron sprak de gedachten van Mozes uit en deze was zijn god of inspirator. Zo wordt de geestelijke mens geïnspireerd door Gods Geest, die het neemt uit Jezus, die het Woord van God genoemd wordt. Zo is in de geestelijke wereld de opnieuw geboren mens, die de gedachten van God openbaart, een zoon van God. De uitdrukking ‘zonen van God’ ziet dus niet op de natuurlijke afkomst, maar op de geestelijke. Wanneer de innerlijke mens in de hemelse gewesten begint te functioneren en daar zijn leven, kracht, wijsheid en zijn kennis vandaan haalt, is hij een zoon van God. Daar is hij dan een broer van ‘dé Zoon van God’.
Jezus was als ‘Mensenzoon’ een broer van het hele menselijke geslacht, maar als opgestane Heer is Hij alleen broer van hen die opnieuw geboren zijn en door Gods Geest geleid worden. In de herschepping is het geestelijke het eerst. Zo wordt vervuld wat in hoofdstuk 9:26 staat:
- ‘En het zal zijn dat op de plaats (in de hemelse gewesten), waar tegen hen gezegd was: U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij zonen van de levende God genoemd worden.’ Naar de openbaring van deze ‘zonen van God’ verlangt de hele zuchtende schepping (vers 19).
De ‘zonen van God’ leven niet naar de aard van het vlees, maar naar de geest. Zij houden niet in de eerste plaats rekening met de zintuiglijke wereld of worden niet door de omstandigheden geleid: door wat zij zien, horen, voelen of tasten. Zij reageren vanuit de onzienlijke wereld. Hun hele leven speelt zich boven af en zij zijn daarom geestelijke mensen.
God leidde Israël door de wet van de Sinaï. Hij nam het volk bij de hand, zoals men dit een weerspannig en lastig kind doet (Hebr.8:9). De zonen van God worden echter door Gods Geest geleid, zoals een kind door een leerkracht, of een reiziger door een gids, of een vrouw door haar man. Wanneer iemand geleid wordt door boze demonen, gebeurt dit onder dwang: de geest van de mens wordt onder druk gezet of uitgeschakeld. Hier is echter sprake van een vrijwillige overgave van de mens aan de zorgzame en liefdevolle leiding van Gods Geest. Zo groeien de zonen van God op tot volwassenheid en Gods Geest stimuleert en bewaart hen door hun Zijn kracht en Zijn gaven.
‘Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van het zoonschap ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!’ 15.
Paulus confronteert zijn lezers met hun verleden. De heidenen onder hen waren slaven van de zonde geweest en de Joden slaven van de wet en daarom ook van de zonde. Voor beide categorieën gold, dat zij ‘tijdens hun hele leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren’ (Hebr.2:15). De apostel spreekt nog over een ‘geest’ of een macht van slavernij in verband met de zonde en de wet. Als een heiden zich tot het Jodendom bekeerde, moest hij ‘opnieuw vrezen’, want hij werd opnieuw slaaf. Wie zich echter als een opnieuw geboren christen bekeert, wordt een ‘zoon’. Een zoon is vrij en hoeft niet bang te zijn voor zijn vader. Hij is geen slaaf van de zonde meer, maar ook geen slaaf van de wet. Er is een ‘geest van slavernij, maar ook is er de Geest van het zoonschap’. Wie geestelijk heeft leren denken, aanvaardt deze inzichten van de onzienlijke wereld als realiteiten uit het rijk van satan en uit het Koninkrijk van God.
De uitdrukking ‘Abba Vader’ vinden wij ook in Marcus 14:36 en Galaten 4:6. Uit deze drie teksten kunnen wij afleiden, dat de Aramese aanspraak ‘Abba’ in de christelijke kerk was overgegaan, zoals dit ook het geval was met het woord ‘maranatha’, dat ook in het spraakgebruik van de gemeenten buiten Palestina overgenomen was. Achter het veelgebruikte Aramese ‘Abba’ wordt nog het Griekse ‘Vader’ toegevoegd, wat niet als vertaling is bedoeld. Men gebruikte het woord ‘Abba’, omdat de Heer dit in zijn gebed ook deed.
Op veel plaatsen in de Bijbel verstaat men onder de ‘Naam’, God zelf. Zijn Naam is de openbaring van zijn Wezen. De psalmist zegt, dat wij op zijn Naam mogen vertrouwen, of: ‘Hoe heerlijk is uw Naam op de hele aarde’. Deze Naam is dan heilig en geducht en men mag die Naam aanroepen. Namen waarmee God ook genoemd wil worden, zijn dan: de Almachtige, de Eeuwige, de Allerhoogste, de Heilige van Israël en niet te vergeten Jahwe met al zijn bijvoegingen als Jehova Nissi, Jehova Zebaoth, Jehova Tzidkenoe, enzovoort. Ook in het laatste Bijbelboek vallen ons uitdrukkingen op als: Almachtige, Koning van de volken, God van de hemel, enzovoort.
In het Hogepriesterlijk gebed zegt de Heer: ‘Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt’ (Joh.17:6). In dit gebed spreekt Hij God aan als Vader. Hier zien wij het grote verschil tussen het oude en het nieuwe verbond. Waar het woord ‘Vader’ in het Oude Testament voorkomt, wordt dit niet gebruikt als uitdrukking van een speciale relatie tussen God en zijn volk; het persoonlijk verband ontbreekt. Men nam het Jezus zelfs zeer kwalijk dat Hij God zijn eigen Vader noemde. Wie de concordantie raadpleegt, merkt direct dit enorme verschil tussen oud en nieuw verbond op. Wanneer de apostel hier en in Galaten 4:6 schrijft, dat de Geest in ons roept: ‘Abba, Vader’, zouden wij dit kunnen zien als de ‘roepnaam’ van God voor zijn kinderen. De nauwe band tussen God en de gelovigen wordt al in de Bergrede uitgedrukt met de woorden: ‘Uw Vader die in de hemel is’. Op talrijke plaatsen en in het bijzonder in het evangelie van Johannes gebruikt Jezus de Vadernaam. En wie in Christus is en in zijn woorden blijft, mag deze Naam als uitdrukking van intieme verbondenheid overnemen.
‘Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn’ 16.
Wie met Gods Geest gedoopt is, bezit twee geesten die samen in de innerlijke mens leven en de natuurlijke mens maken tot een tempel van God in de geest. De menselijke geest heeft in de goddelijke Geest een huwelijkspartner. De eigen geest wordt niet opgelost in Jezus zoals een lied zegt, ook niet verbroken of vernietigd, maar wel herboren of vernieuwd. Zoals in een huwelijk men zich op een positieve manier moet leren aanpassen aan elkaar, zo moeten ook mensen zich leren aanpassen aan de gedachten van Gods Geest, onder wiens leiding zij vernieuwd zullen worden van dag tot dag.
Het is heerlijk om door Jezus als zijn ‘broer’ of als zijn ‘vriend’ te worden aangemerkt, maar ver boven deze verhoudingen uit, gaat het woord ‘levenspartner’. Als zijn ‘gemeente en vrouw’ zijn wij ‘deelgenoten van de hemelse roeping’ en is onze plaats met Hem op de troon van de Vader (Openb.3:21). Het beeld ‘vrouw van het Lam’ heeft een diepere betekenis dan het beeld van ‘kinderen van God’. Wij zagen dat Gods Geest onze geest inspireert met de gedachten van God, die groot is, goed, vol ontferming en goedheid. In dit vers is er sprake van het ‘getuigen’ van de Geest met onze geest, dat wij kinderen van deze Vader zijn. Het gaat hier dus niet om het feit, hoe wij kinderen van God geworden zijn en hoe wij dat weten. Dit is immers een zaak van geloof. Wij hebben het Woord van God aangenomen en wie dit gedaan hebben, ontvangen macht om kinderen van God te worden, hun, die in zijn Naam (als Vader) geloven (Joh.1:12).
Wanneer gevraagd wordt: ‘Hoe kun je zeker weten of je wel een kind van God bent?’ is het antwoord: ‘Aanvaard wat Hij gezegd heeft, geloof in de beloften van God’. In onze tekst gaat het over ‘getuigen’, dit wil zeggen spreken over wat men gehoord en gezien heeft, dus van iets dat een feit geworden is. Gods Geest kan met de menselijke geest dus slechts getuigen van het feit dat hij kind van God geworden is. Het leven van een kind van God is in de hemel of onzienlijke wereld en wel aan de lichtzijde, het Koninkrijk van God. Zijn getuigenis gaat uit in de zienlijke wereld door de woorden die het spreekt, door zijn wezen dat geheel veranderd is, door zijn leven in gerechtigheid, ‘vrede en blijdschap en door zijn werken, waarin hij zich als medewerker van God laat zien. Heel deze vernieuwing en verandering zullen staan in het teken van de kracht van God en van de geestelijke gaven. Uit alles zal blijken dat dit ‘kind’ van God geleerd is, dat het door het bloed van Jezus werd gereinigd, dat het van de demonen is verlost en bezig is naar de volmaaktheid toe te groeien.
‘En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; wanneer wij tenminste met Hem lijden, zodat wij ook met Hem verheerlijkt worden’ 17.
De apostel wijst erop dat de kinderen van God erfgenamen zijn. De erfenis bestaat uit geestelijke rijkdommen, want er is sprake van een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is’ (1 Petr.1:4). Deze erfenis wordt geleidelijk in bezit genomen, zoals Israël het land Kanaän gaandeweg veroverde. Als onderpand van deze erfenis ontvangen de kinderen van God zijn Geest ‘tot verlossing van het volk’ (Ef.1:14). Door Gods Geest, die Zich met zijn gaven in hen begint te ontplooien, worden zij verlost uit de hand van al hun vijanden, de demonen van satan. Door deze Geest worden zij hersteld en krijgen zij ook deel aan de goddelijke natuur (2 Petr.1:4). Zij worden dan koningen en priesters in de onzienlijke wereld en gelijkvormig aan het beeld van Jezus Christus.
Zij zijn erfgenamen van het Koninkrijk van God, dat vrede, gerechtigheid en blijdschap inhoudt. Zij zijn mede-erfgenamen van Christus, omdat Hij door Gods Geest in hen woont en zij dus bij hetzelfde gezin horen en daarom ook met Hem erven: de goddelijke wijsheid, de goddelijke kracht, het koningschap, de liefde en alles wat uit God is. Ook erven zij met Hem de heerschappij over al de werken van Gods handen. Jezus is de erfgenaam van alle dingen (Hebr.1:2) en zijn mede-erfgenamen zullen op zijn troon zitten, zoals Hij op de troon van zijn Vader zit. Als mede-erfgenamen zullen zij uit kracht van hun vereniging met Hem ‘alles erven’ (Openb.21:7).
In Deuteronomium 32:8 staat dat God de grenzen van de volken gesteld had naar het getal van de kinderen van Israël. Hij groepeerde de volken om het uitverkoren volk. Zo heeft God in het betere verbond de redding en verlossing van de wereld geconcentreerd in het geestelijke Israël met zijn koning, Jezus Christus. Als wij delen in het lijden van Jezus en met Hem gestorven zijn, delen wij ook in zijn opstanding en in de heerlijkheid die ermee gepaard gaat. Deze identificatie met Christus beschreef de apostel al uitvoerig in hoofdstuk 6:1-14. Wie zo nauw met Christus verbonden is, zal ook ervaren dat de demonen van de duisternis, die Jezus aanvielen, het ook op hem gemunt hebben, zoals er staat: ‘Want zoals het lijden van Christus overvloedig over ons komt’ (2 Cor.1:5).
De nooit bekeerde kerkganger kent alleen het lijden dat de mensen hem aandoen en het noodlot door ziekte en ongeval. Misschien schrijft hij dit laatste ook wel aan de hemelse Vader toe! Hij herkent geen lijden dat rechtstreeks uit de hemelse gewesten tot hem komt, maar degene die in de hemelse gewesten bekend is, weet dat de duivel én rechtstreeks én door mensen heen, zijn wetteloze en redeloze aanvallen doet. Ook in Filippenzen 3:10,11 verbindt de apostel ‘de gemeenschap aan Zijn lijden’ met het deel krijgen aan Zijn verheerlijking bij de opstanding van de doden. Dan zal hij als bekroning van zijn innerlijke opstanding en verheerlijking, ook een onverderfelijk opstandingslichaam ontvangen. De regel voor de gelovigen is:
‘Als wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen’ (2 Tim.2:12).



