Romeinen 8:5-9
‘Immers, zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees, maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest’ 5.
Mensen ‘die naar het vlees zijn’ voldoen aan de verlangens van het vlees, ook wanneer deze door demonen verleid worden. Wanneer iemand honger heeft en wil eten, is dit geen zonde, maar een natuurlijke behoefte. Wanneer iemand echter blijft eten, ook wanneer hij verzadigd is, leeft hij onder invloed van wetteloze demonen, want zelfs zijn verstand protesteert tegen deze onmatigheid. De gezindheid van het vlees is het verlangen dat zich uitsluitend en onmatig op het zichtbare richt, waarvan gezegd wordt:
- ‘Want alles wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hoogmoedig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren’ (1 Joh.2:16,17).
Ook het vlees dat door ‘vrome geesten’ geleid wordt, richt zich op zichtbare dingen. Het gaat dan over vasten, overdaad, lange gebeden, celibaat, voorgeschreven kleding, Ufo kapsels en dergelijke. Oefeningen die het natuurlijke leven beneden de maat houden.
Hoe weet een christen of hij vleselijk gezind is? Door na te gaan wat hij bedenkt en waarop hij zijn gedachten richt. Toen Petrus, Jezus wilde tegen houden om te lijden en te sterven, zei de Heer: ‘U bent niet bedacht op de dingen van God, maar op die van de mensen’ (Matth.16:23). Petrus liet zich leiden door de omstandigheden, door menselijke gevoelens, maar niet door de Woorden van God en daarom werd hij de spreekbuis van satan. Hij bedacht niet de dingen die boven waren en die gericht waren op het plan God met de mens en met de schepping. Na zijn bekering kon hij echter schrijven, dat hij zijn best deed om zijn lezers telkens weer aan het eeuwig Koninkrijk van Jezus Christus te laten denken (2 Petr.1:11-15). ‘Die naar de Geest zijn’ worden door de Geest geleid. Zij zijn ‘hervormd door de vernieuwing van hun denken’ (12:2). Zij bedenken wat Gods Geest wil, houden zich bezig met de onzienlijke dingen van het Koninkrijk van God en zetten zich in om mee te werken aan de ontwikkeling van het plan van God.
‘Want het bedenken van het vlees is de dood, maar het bedenken van de Geest is leven en vrede. Immers, het denken van het vlees is vijandschap tegen God. Het onderwerpt zich namelijk niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet. En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet blij maken’ 6-8.
Wanneer het hart gericht is op de dingen van deze aarde en het denken zich daar voortdurend mee bezighoudt (terwijl het streven is om zoveel mogelijk van aardse dingen te genieten en aardse schatten te verzamelen), raakt de mens vanzelfsprekend buiten het plan en de gedachten van God. Zo komt hij onder invloed en leiding van satans demonen, die zijn diensten belonen met de dood, ‘want het loon van de zonde is de dood’ (6:23). De gezindheid en het bedenken, horen zelf bij de onzienlijke wereld en hier kan de satan dus contact krijgen. Hij richt de gedachten daardoor op de zienlijke wereld, waarvan hij de ‘overste’ is. Op deze manier brengt hij zijn eigen wetteloosheid in de mens en vervult hem met zondige verlangens. Dan wordt de zichtbare wereld het alles beheersende en het belangrijkste. Dan ziet de mens ook zijn problemen en de oorzaken ervan in de zichtbare wereld liggen.
De storm op het meer
De leerlingen bijvoorbeeld waren door Jezus onderwezen in de dingen van het Koninkrijk van de hemelen. Toen zij echter met hun schip in een geweldige storm terechtkwamen, lieten zij zich bang maken door de zichtbare dingen. Hun zekerheid en hun geloof in de kracht van het Koninkrijk van God waren zij kwijt. Toen de Heer de wind bestrafte, trokken de demonen zich terug en was de verzoeking voorbij, maar de leerlingen kwamen niet als overwinnaars uit deze strijd tevoorschijn. Jezus verweet hun gebrek aan geloof. Zij misten de ware kennis van God. Zij kenden Hem niet, die vanaf het begin is (1 Joh.2:14).
Wie het plan van God met de mens kent en zich door het geloof daarin voegt, wordt door de omstandigheden in de zichtbare wereld niet meer verleid, geschokt of geïntimideerd, zodat de satan vat op hem krijgt. De aardsgerichte levenshouding brengt de mens in gemeenschap met demonen, dus met de dood. Voortgaande op deze heilloze weg volgt de eeuwige scheiding met God, die het leven is.
Als het hart zich richt om te luisteren naar wat Gods Geest zegt, om de dingen te bedenken die boven zijn en het streven erop gericht is het plan van God te realiseren, heeft de mens verbinding met God en de vrucht ervan is leven en vrede. Deze vrede kan door de omstandigheden niet geroofd worden. De Bijbel spreekt dan ook van een vrede die alle verstand te boven gaat. Men beziet dan de tijdelijke en voorbijgaande dingen in het licht van de hemelse en eeuwige.
De gezindheid van het vlees
‘De gezindheid van het vlees’ betekent met het gedachteleven afgestemd zijn op de zichtbare wereld, waar de duivel invloed uitoefent. Jezus zegt:
- ‘Niemand kan twee Heren dienen, want hij zal óf de ene haten en de andere liefhebben, óf zich aan de ene hechten en de andere minachten’ (Matth.6:24).
Wanneer de gedachten van de mens aardsgericht zijn en onder beïnvloeding staan van de wetteloze geesten, wordt hij metterdaad een vijand van God. Wanneer iemand streeft naar ‘alles wat in de wereld is’, moet hij altijd een knieval doen voor satan (Matth.4:9). Hij zal zich moeten onderwerpen aan de wetten van de duivel, de vijand van God. Tegelijkertijd zal hij de wetten van God dus moeten loslaten. Vandaar dat de apostel zegt:
- ‘Het denken van het vlees onderwerpt zich niet aan Gods wet’. ‘Het kan dat ook niet’, want wat zo’n aardsgezind mens zoekt, is niet uit de Vader.’
De gezindheid van het vlees richt de aandacht op het zichtbare en wil haar begeerte in de zintuiglijke wereld gerealiseerd zien. Het vlees mist de radar voor de geestelijke wereld. Het is ongevoelig voor de onzienlijke wereld en daardoor kan het God die geest is, ook niet liefhebben, dus zich aan de grote eis van de wet niet onderwerpen. Voor de geestelijke mens geldt: zoek eerst Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid, dit wil zeggen: het houden aan zijn geestelijke wetten en wat u nodig hebt in de zienlijke wereld, zal u bovendien geschonken worden (Matth.6:33).
Met het vlees bedoelt de Bijbel niet het lichaam op zichzelf. Gods Geest wil immers in ons, dat is in ons lichaam, wonen. Ons lichaam wil Hij tot zijn Tempel. God haat het vlees niet, want Hij heeft zijn Woord (zijn Logos en niet God zelf), vlees laten worden. De uitdrukking ‘in het vlees zijn’ betekent hier niet, volgens het normale spraakgebruik (Hebr.5:7,8), in leven zijn, maar geeft een bepaalde manier van denken aan, alleen gericht op de genoegens van deze aarde. Deze beeldspraak geldt ook voor hen die het zoeken in allerlei religieuze vormen en ceremonieën, die het ‘vrome’ vlees bevredigen (Col.2:23). Wie met de gedachte speelt of zelfs áls evangelie brengt, dat het volgen van Jezus gepaard gaat of beloond wordt met een overvloed van aards genot en aardse rijkdom, vergist zich wel heel erg. Hij is dan in het vlees en God zoekt juist aanbidders in geest en in waarheid (Joh.4:24). Paulus zegt immers ook:
- ‘Als wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen’ (1 Cor.15:19).
‘Die in het vlees zijn’ verzamelen hun schatten niét in de hemel. Zij kunnen dat ook niet, want de menselijke geest is niet sterk genoeg om de begeerten van satans demonen, die aardsgericht zijn, te overwinnen. ‘In het vlees zijn’ betekent: satans demonen dienen! De ‘overste van deze wereld’ wil de hele mens in zijn dienst hebben om zijn wetteloze werken in de zichtbare wereld te openbaren. Zijn heerschappij blijkt uit iedere verstoring van de wetmatigheid en harmonie in de schepping. Men kan God alleen behagen door het geloof. Met dit geloof beweegt zich de mens in de onzienlijke wereld, want het geloof is ‘het bewijs van de dingen die men niet ziet’ (Hebr.11:1).
‘In de Geest zijn’ (vers 9), betekent: leven door het geloof. ‘In het vlees zijn’ berust op een bepaalde manier van denken dat gericht is op de zintuiglijk waarneembare wereld. Op deze manier leert men God die geest is, niet kennen, noch zijn wil, noch zijn plan verstaan. Zo is het ook onmogelijk Hem te behagen. Wanneer een mens vernieuwd is in zijn denken, wordt zijn verstand geopend (Luc.24:45) en kan hij ook de bovenzinnelijke of geestelijke wereld onderscheiden. Zo’n geestelijk mens leert Gods wil kennen en de diepste gedachten van God en zijn plan. Hij kan door de kracht van God zijn leven daarop afstemmen en zo God blij maken.
‘Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, als de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem’ 9.
Als de Geest van God in ons is, zijn wij ‘in de Geest’. Als het Woord van God in ons is, zijn wij in het Woord. Als Christus in ons is, zijn wij in Christus. Wij zijn in het vlees, als de zondige begeerten in ons zijn. Wij zijn ‘niet in het vlees’ als wij weigeren te luisteren naar de verwekkers van de verkeerde lusten. Als wij ‘in de Geest’ zijn, zullen wij luisteren en geleid worden door Gods Geest, die in ons woont. Opvallend is in de verzen 9-11 het gebruik van het voegwoord ‘als’:
- ‘Als de Geest van God in u woont’,
- ‘als iemand echter de Geest van Christus niet heeft’,
- ‘als Christus in u is’ en
- ‘als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont’.
Er waren onder de lezers van de apostel ook Joden voor wie het Koninkrijk van de hemelen nog gesloten was. Er zijn ook vandaag nog massa’s naamchristenen (zonder het Bijbels gelegde Fundament in eigen leven!) die op het niveau leven van de leerlingen van Johannes de Doper. Op de vraag: ‘Hebt u Gods Geest ontvangen, toen u tot het geloof kwam?’, moeten zij ontkennend de schouders ophalen (Hand.19:2). Zij kunnen niet van opnieuw geboren worden of bekering spreken. Hoewel zij als christenen te boek staan, leven zij innerlijk nog in het oude verbond. Hun denkwereld is oudtestamentisch, hoewel zij wel geloven in de schuldvergeving door het bloed van het Lam van God. Maar zij hebben niet het minste besef van het Koninkrijk van de hemelen of de onzienlijke wereld. De rampen die zij daardoor nog steeds veroorzaken in eigen leven, zijn al 18 eeuwen niet te overzien (Op.6:5,6a). De vraag kan dus gesteld worden: ‘Heeft u Gods Geest ontvangen en bent u met Gods Geest gedoopt?’ Bij deze doop wordt de geest van de mens verbonden met de Geest van God. Deze woont dan in het ‘hart’ of in de innerlijke mens van de gelovige.
In het oude verbond was de Geest van God wel bij de gelovige, maar woonde niet blijvende in hem. Daarom staat er: ‘Op de dag dat Ik hen bij de hand nam’ (Hebr.8:9). In het oude verbond woonde God te midden van zijn volk in de tempel en daar was de plaats van aanbidding. In het nieuwe verbond maakt God woning in zijn volk door zijn Geest. De gemeente is dan de tempel van God en haar leden aanbidden in geest en in waarheid. De menselijke geest hoort nu bij Gods Geest, zoals een vrouw aan de man:
- ‘Of weet u niet, dat wie zich aan een hoer hecht, één lichaam met haar is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot één vlees zijn. Maar die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:16,17).
De tent van God is bij de mensen. God komt tót ons en ín ons, zoals er staat:
- ‘Daarom zal een man (beeld van Gods Geest) zijn vader en zijn moeder verlaten (uitgaande van de Vader en van de Zoon) en zich aan zijn vrouw (de gemeente) hechten en die twee zullen tot één vlees (één geest) zijn. Dit geheim is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente’ (Ef.5:31,32).
Tot zijn dertigste jaar was Jezus een man met een zuivere ongeschonden menselijke geest, als een kind dat geheiligd is in zijn vader. Daarna ontving Hij Gods Geest na zijn doop IN het water van de Jordaan. Door deze Geest was Hijzelf opgewassen tegen de verzoekingen van de duivel, werd Hij geschikt gemaakt voor zijn opdracht, behaalde Hij zijn overwinningen en dreef Hij de demonen van de duisternis uit bij allen die door de duivel overweldigd waren. Tijdens zijn lijden aan het kruis week Gods Geest van Hem. De Vader had Hem verlaten, maar toen Hij stierf, werd zijn menselijke geest opnieuw met Gods Geest verbonden, want Hij legde zijn geest in handen van de Vader en de hand van God is het beeld van Gods Geest.


