11. De hoop van opnieuw geboren christenen

Romeinen 8:18-30

Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden 18.

Zolang wij ons op aarde bevinden, is er sprake van lijden, beïnvloeding en verleidingen door boze geesten. Wij hebben te strijden en te worstelen in de hemelse gewesten en worden belasterd, aangeklaagd en aangevallen. De overste van de wereld werkt rechtstreeks òf door mensen of door omstandigheden heen. Dit lijden weegt echter niet op tegen de toekomende heerlijkheid: het negatieve valt totaal weg tegenover het positieve.

Paulus gebruikt het beeld van een weegschaal om beide met elkaar te vergelijken. De uitslag is, dat ‘de lichte last van de verdrukking van een ogenblik’ niet opweegt tegen ‘een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid’ (2 Cor.4:17). Wanneer de apostel alle voor- en nadelen goed met elkaar vergeleken heeft, komt hij tot de conclusie: ‘Ik ben er zeker van’, want het is de uitkomst van zeer serieuze en nauwkeurige overwegingen. Hij overlegt dat de littekens, die hij draagt vanwege Christus, niets te betekenen hebben als hij zich verdiept in de toekomstige openbaring van de zonen van God. Paulus was immers opgetrokken geweest tot in het paradijs van God, beeld van de gemeente. Daar zag hij ook de uiteindelijke heerlijkheid, waarop zijn prediking gericht was. Deze heerlijkheid, die ‘in ons’ (Engelse vertaling) zal geopenbaard worden en waarover hij in het vorige vers schreef, is het proces van de heerlijkmaking (heiligmaking en groei), dat bij de inwendige mens begint en bij de wederkomst van de Heer voltooid is. Het betekent dus: ‘Christus in u, de hoop van de heerlijkheid’ (Col.1:27 Engelse vertaling).

Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen van God 19.

Niet alleen wij, als kinderen van God, staan bloot aan de inwerking van de boze geesten, maar de hele schepping is aan hen onderworpen, maar die schepping mist het verweer dat Gods zonen bezitten. De zonen van God zijn niet alleen vrij van deze demonen en hebben de kracht om ze te weerstaan, maar zij zijn ook uitgegroeid en gekomen tot de mannelijke, volkomen volwassenheid. De hele schepping wacht op verlossing. Het woord dat hier voor ‘het geschapene’ gebruikt wordt, vinden wij ook in Marcus 16:15 en Colossenzen 1:23, waar het allereerst betrekking heeft op de mensheid. Wanneer wij letten op het voegwoord ‘want’ dat dit vers met het vorige verbindt, mogen wij zeggen dat een duidelijke openbaring van de grote heerlijkheid van Gods zonen daarin bestaat, dat zij de werken doen die Jezus deed, namelijk redden, genezen, verlossen en vrijmaken. Het herstel van de mensheid en verder van al het zichtbare geschapene gebeurt niet door kinderen, maar door zonen die openbaar worden. De zonen van God worden geopenbaard of ontsluierd en men zal zien wat in hen is en de wereld zal zich verwonderen (2 Thess.1:10).

We denken bij het woord ‘openbaring’ of apocalypsis aan een bloemknop die opengaat. De schepping heeft altijd nog moeten wachten, doordat er nog nooit geheel met Gods Geest vervulde christenen geweest zijn, die het beeld van Jezus gelijkvormig waren. Wanneer nu al een dorp of stad uit zonen van God bestond, zouden de machten die de schepping onderdrukken, daar terug moeten wijken. Het woord ‘zonen’ ziet dus op een groeiproces en op volwassenheid. In Handelingen 13:10 gebruikt Paulus het woord ‘zoon’ tegen Elymas, de tovenaar. De apostel was vervuld met Heilige Geest en onderscheidde de tegenwerkende macht, toen hij zei: ‘Zoon van de duivel, vol van allerlei list en streken, vijand van alle gerechtigheid’. Zo noemt de Heer in de gelijkenis van het onkruid in de akker, letterlijk het goede zaad, de zonen van het Koninkrijk en het onkruid, de zonen van satan (Matth.13:38).

De vraag is: hoe komt een kind van God tot volwassenheid? De belofte luidt: ‘Want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat u ertegen bestand bent’ (1 Cor.10:13). Tijdens de beproeving vermenigvuldigt zich de kracht van de Heilige Geest in het kind van God, zodat de mens sterker wordt en overwinnaar kan zijn. Daarom gaat aan de grote verdrukking in het einde van de dagen eerst de verzegeling van de dienstknechten van God vooraf (Openb.7:3). Op deze manier groeit Gods volk en is het tegen de verdrukking bestand. Hoe groter het lijden wordt, hoe groter de uitkomst en hoe zwaarder de verdrukking, hoe groter de overwinning en hoe meer de mens naar het beeld van Jezus toegroeit. Dit is de winst die hij al strijdende behaalt.

In de eindtijd staan de zonen van God, die vervuld zijn met Gods Heilige Geest, tegenover de zonen van het verderf, die vervuld zijn met de geest van de antichrist, het beest uit de zee, Apollyon. Deze zullen bij de slag van Armageddon de legers van de antichrist verslaan in de hemelse gewesten. Zij zullen in het duizendjarige vrederijk de schepping tot verlossing brengen en tenslotte op de nieuwe aarde alle rechtvaardigen die bleven hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en niet verzadigd werden, brengen tot de volheid, want ‘de bladeren (geestelijke gaven) van het levensgeboomte (zonen van God of de voltooide gemeente) zijn tot genezing van de volken’ (Openb.22:2). In hun schaduw is herstel voor de volken en op deze manier zal God worden alles in allen.

Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderworpen heeft, in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God 20,21.

Vruchteloosheid (NBG) is zinloosheid, wetteloosheid, misdadigheid, vergankelijkheid en leegheid. De schepping kan niet juist functioneren om de wil van hem, dat is Adam, die haar daaraan onderwierp. De eerste mens heeft als hoofd van de schepping de satan gehoorzaamd en wie men gehoorzaamt, diens knecht is men. Daarom wordt de duivel nu de overste van deze wereld genoemd. Adam onderwierp zich en gaf het koningschap uit handen. Er staat in Genesis 3:17 dat de aarde om de mens vervloekt is. De wil van God ten opzichte van de mens en zijn schepping is: het goede, welgevallige en volkomene (12:2). Toen Adam het kwade deed, was hij aan God ongehoorzaam, een bewijs dat God het kwade niet wilde. Daarom schrijven wij het voornaamwoord ‘hem’ in dit vers niet met een hoofdletter. Het geschapene is er, om door zijn existeren, God te verheerlijken, de mens te dienen en diens natuurlijk leven mogelijk te maken en te veraangenamen. Haat, wreedheid, ziekte en pijn horen niet bij de schepping, maar worden veroorzaakt door de wetteloze demonen.

De schepping is niet vrijwillig aan de vruchteloosheid onderworpen, want zij hoopt op verlossing. Zij aanvaardt het zondige, het lijden, de vergankelijkheid niet. Zij legt zich er niet bij neer. Dit doen alleen de mensen die door ‘vrome’ geesten geleid worden. De schepping aanvaardt de wetteloosheid niet als het normale, maar ziet uit naar bevrijding en herstel. Wie of wat door de zonen van God vrijgemaakt zal worden, zal echt vrij zijn. Dit vrijmaken of verlossen impliceert dat de schepping goed is, wanneer de boze geesten verdreven en de beschadigingen hersteld zijn. Zo zegt de psalmist en Jezus herhaalt dit, dat de Heer Zich uit de mond van kinderen en zuigelingen nog steeds lof bereidt. Hun innerlijk is dus nog goed, want wat uit hun mond komt, verheerlijkt God. Waar de zonen van God geopenbaard worden, zullen zij hun kinderen heiligen om ze afgezonderd te houden van het kwade, opdat satan in deze kleinen zijn slag niet kan slaan en het groene gras niet verbrandt (Openb.9:4).

De schepping is dienstbaar aan de vergankelijkheid, dit wil zeggen: al het zichtbare is tijdelijk en verderfelijk. Het woord ‘vergankelijkheid’ kan hier echter ook betekenen: verbastering, corruptie, vernietiging of ondergang. In plaats van de lof en de heerlijkheid van God ten volle te openbaren, is de schepping vaak dienstbaar aan verdervende demonen. In het vrederijk heeft alleen de met Christus regerende gemeente onvergankelijkheid aangedaan. Wij geloven niet dat in die tijd de dieren en planten onvergankelijk zullen worden, hoewel dan de vloek weggenomen is. Onvergankelijkheid is weggelegd voor de geestelijke mens, die uit de doden is opgestaan. Deze plant zich dan ook niet meer voort (Matth.22:30).

In het vrederijk blijft de boom bloeien, vrucht dragen en dus ook sterven. Anders zou de aarde door planten overwoekerd worden. Ook wordt in Jesaja 11:6 en 7 gezegd dat de leeuw stro zal eten. Er is daar sprake van ‘de jonge leeuw’ en van ‘het kalf’. Als er jonge dieren geboren worden, zullen de oudere moeten sterven. De dieren worden gegeten, want wij lezen over ‘mestvee’. Ook de zondaar zal sterven (Jes.65:20). De schepping zal echter aan haar doel beantwoorden. De leeuw eet dan naar zijn aard: stro! In het vrederijk wordt de schepping ontdaan van de machten die haar aan zich onderwierpen. Er is vrijheid om te kunnen functioneren naar de wil van God.

De heerlijkheid van de kinderen van God is dat zij vrij zijn en zich onbelemmerd kunnen ontplooien naar Gods wil en wet. De tijd zal komen, dat de zachtmoedigen de aarde erven. De zachtmoedigen zijn de mee gaande mensen, die zich geheel laten leiden door de Geest van God. Zij zijn de vredestichters, waarvan de Heer sprak: ‘Want zij zullen zonen van God genoemd worden’ (Matth.5:9). Zij zullen de vijandschap wegnemen uit de hele schepping en haar ware vrijheid brengen. Dan wordt vervuld: ‘Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op heel mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis van het Heer, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken’ (Jes.11:9). Hoe het op aarde zal zijn in de eeuwigheid, wanneer het nieuwe Jeruzalem op haar zal zijn neergedaald, is ons niet geopenbaard en wij kunnen het ons ook niet voorstellen. Alles is dan geestelijk. Al de rechtvaardigen zijn dan hersteld en God woont in hen.

Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe 22.

Door observatie van het natuurlijke leven weten wij dat al het geschapene aangetast en beschadigd is. Het kreunt en zucht onder de heerschappij van de genadeloze, onbarmhartige overste van deze wereld, die door zijn duivelse legers de natuur ontwricht en zijn wetteloosheid in haar penetreert. De schepping is overmeesterd, maar Gods Woord belooft dat de zonen van God, evenals eenmaal de Zoon van God dit deed, zullen rondgaan, weldoende en genezende allen die door de duivel overmeesterd zijn, want God is met hen (Hand.10:38). Dit klagen en kermen is een illustratie van de geboorteweeën, die voorafgaan aan een herboren, herstelde, nieuwe schepping. Het woord ‘barensnood’ duidt aan, dat de schepping bevrijd en verlost wil worden, dat zij iets wil voortbrengen dat goed is. Aan haar strijden tegen smart, ziekte, pijn en dood, weten wij dat deze niet bij haar natuur horen. Deze druk is haar als een slavenjuk van buitenaf opgelegd. Smart en pijn zijn van de duivel en komen nooit van God. Dat de schepping in al haar delen zucht, betekent in haar geheel, samen. Het lijden strekt zich dus over de hele schepping uit, zowel inwendig als uitwendig, naar ziel, geest en lichaam.

En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam 23.

In de strijd tegen de overheersende demonen heeft de menselijke geest onvoldoende verweer en de verdere schepping is absoluut niet in staat zich te verzetten. Naar het plan van God hebben wij als gelovigen echter Gods Geest ontvangen om door zijn kracht te overwinnen. ‘Als eerste gave’ betekent als eersteling, als eerste vrucht. Wij als gemeente van Jezus Christus, gedoopt met Heilige Geest, openbaren dus als eerste de genade, de wetmatigheid, de vrede, de gerechtigheid en de blijdschap van het Koninkrijk van God te midden van de overweldigde schepping. Daarom schrijft Jacobus: ‘Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord van de waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepsels’ (Jac.1:18). Maar ondanks dit heerlijke begin in onze innerlijke mens zuchten wij ook, omdat wij de voltooiing van onze verlossing, de volle vrucht van de Heilige Geest, nog niet hebben voortgebracht. Wij zijn dàn pas een geheel nieuwe schepping, wanneer onze hele geest, ziel en lichaam volmaakt en onaantastbaar blijken te zijn. Het sluitstuk van de wedergeboorte is dus het gaan functioneren van ons geestelijk lichaam in de zienlijke wereld bij de wederkomst van de Heer. Naar de inwendige mens streven wij al nu naar de volmaaktheid en de onaantastbaarheid, opdat wij met de Heer zouden kunnen zeggen: ‘De satan komt en vindt in ons niets’ (Joh.14:30), maar wij hebben een sterfelijk lichaam dat aan de vergankelijkheid onderworpen is en leven er naartoe om een onvergankelijk lichaam te ontvangen. Dan pas zijn wij geheel losgemaakt van de beïnvloeding van de overste van deze wereld en van het rijk van de duisternis. Dit is het waarop wij hopen.

Wij zien dus uit naar de hele erfenis, waarvan wij nu door de Heilige Geest een onderpand hebben, zodat wij als eersteling kunnen fungeren. Als kinderen van God zuchten wij, omdat wij voortdurend in onze dienst van God door de boze geesten aangevallen worden. De slang blijft immers onze hiel aantasten om het voortgaan te belemmeren. In 2 Corinthiërs 11:23-29 beschrijft Paulus een aantal van zijn verdrukkingen. Is het een wonder dat hij zijn hoop uitspreekt met de woorden: ‘Wij zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken’ (2 Cor.5:2)? Het woord dat door ‘zoonschap’ wordt vertaald, betekent letterlijk ‘adoptie’. Dit houdt in, dat een slaaf vrijgelaten wordt en als eigen zoon aanvaard, zoals er staat: ‘U bent dus niet meer slaaf, maar zoon’ (Gal.4:7). Naar de inwendige mens zijn allen die door de Geest van God geleid worden, al zonen van God. Zij waren eenmaal slaven, want zij deden niet wat zij wensten, maar nu zijn zij vrijgekocht, opdat zij het recht van adoptie tot zonen zouden krijgen (Gal.4:5). Er is dus sprake van een groei- en ontwikkelingsproces, waarvan geldt: ‘Nu zijn wij kinderen van God en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij (of: het) geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen wezen’ (1 Joh.3:2). Wanneer dit zoonschap geopenbaard zal worden voor mensen, engelen en de hele schepping, zullen wij lijken op de verheerlijkte Zoon van God.

Want in de hoop zijn wij behouden. Hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, waarom zou hij dat nog hopen? Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding 24,25.

Wanneer wij de Heer aannemen, hebben wij de eerste stap gezet op de weg van het behoud. Het einddoel van onze redding is volkomenheid naar geest, ziel en lichaam. Wat wij nog niet hebben, hopen wij alsnog te ontvangen. Sommige vertalingen luiden: ‘Want tot deze hoop zijn wij behouden’, of ‘Wij worden gered voor onze hoop’. Het is dus een gered worden voor alles wat het evangelie ons belooft en waarnaar wij gelovig uitzien. God geeft de belofte van een totaal herstel; wij aanvaarden dit in het geloof en de hoop overbrugt wat wij hebben en wat wij nog zullen ontvangen. Wanneer iets tot werkelijkheid geworden is, valt de hoop weg. Wij hopen op wat wij niet zien en nog niet ervaren hebben (Hebr.11:1).

De verdrukkingen die wij ondergaan, proberen ons het gezicht op een heerlijke toekomst te ontnemen. Als wij dan toch de hoop niet loslaten, blijkt dat wij volharding bezitten. In hoofdstuk 5:3 staat: ‘Maar wij roemen ook in de verdrukking, omdat wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt’. Wij kunnen echter alleen roemen, als wij de hoop op een betere toekomst, op de realisatie van de beloften van God, niet loslaten. De pijler waarop dus de hoop rust, is de volharding. Als iemand in de verdrukking bezwijkt, verdwijnt zijn hoop: hij ziet het niet meer. Wanneer een gemeente volhardend blijft geloven in de belofte van God en blijft hopen op de realisatie ervan, blijft ze leven, want hoop doet leven. Laat zij de hoop los, dan valt zij af en wordt een geestelijke puinhoop, een dode kerk, want ‘Zijn huis zijn wij, als wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, tot het einde onverwrikt vasthouden’ (Hebr.3:6). Door volharding tot het einde toe verwezenlijken wij de hoop (Hebr.6:11). Wij verlangen dus zeer naar de toekomst in de tijd dat wij met volharding de beproevingen verdragen.

Ook komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het hoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen 26.

Zoals wij verlangen naar de volledige openbaring van het zoonschap, zo doet dit de Heilige Geest ook. ‘Hij komt onze zwakheid te hulp’ betekent: Hij neemt deel aan onze zwakheid of Hij tilt ons op in onze zwakheid. In onze zwakheid openbaart zich eerst ten volle zijn kracht (2 Cor.12:9). Ook de Geest zucht, want ook Hij woont in het aarden vat, in het sterfelijke lichaam. Ook Hij woont liever in een onsterfelijk opstandingslichaam dan in een vergankelijk vlees, dat zwak is en verleidbaar, dat aangevallen wordt en onder beïnvloeding staat van demonen. Het opstandingslichaam is reiner, zuiverder, beter te leiden en te gebruiken.

Wij weten niet precies wat wij bidden zullen om het doel van God te bereiken. Bidden is bezig zijn in de hemelse gewesten en onze geest heeft moeite zich daar te oriënteren. Wij richten hem van nature gemakkelijker op de aardse dingen, maar Gods Geest komt voor ons tussenbeide. Hij kent het plan van God met de mens, maar ook de belemmeringen in de geestelijke wereld. De Geest zucht onhoorbaar met onze geest mee, omdat Hij hetzelfde verlangen heeft, namelijk de verlossing van de totale mens. Sommigen menen dat het hier over het spreken in talen gaat, maar dit hoeft niet. Wel kunnen wij de onhoorbare verzuchtingen van de Heilige Geest met onze geest overnemen en al talen sprekende in de natuurlijke wereld openbaar maken, hoorbaar maar niet verstaanbaar.

Gods Heilige Geest kan echter ook in ons zuchten zonder dat wij dit in woorden overnemen. Een mens zucht om ruimte te verkrijgen, omdat er druk op hem uitgeoefend wordt. Deze druk wil hij afwentelen en bovendien in dit verband de hoop een grotere plaats geven. De Geest ondersteunt onze geest om de druk van de boze geesten te weerstaan. Het is het verlangen naar bevrijding en naar totale vernieuwing dat zich in onze inwendige mens met het onhoorbaar zuchten van de Heilige Geest en van onze geest manifesteert.

En Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit 27.

God kent de inwendige mens, zijn hart en Hij hoort het onhoorbare zuchten. God ziet dus wat zich innerlijk in ons afspeelt en Hij kent het verlangen van de Geest als pleitbezorger. Het kind van God zucht immers naar het volwassen zoonschap, omdat dit de wil van God is en de Geest zucht mee, omdat het naar de wil van God is. De Geest pleit, omdat de mens zich in nood bevindt en de wil van God is hem te helpen en uit te redden. De Geest kent ‘het gemaakt bestek’ met de mens, want niemand weet wat in God is, dan de Geest van God. Hij doorzoekt alle dingen, zelfs de diepste gedachten van God. Op deze manier weten wij wat ons door God in genade geschonken is (1 Cor.2:10-12). De Geest bidt naar Gods wil, omdat Hij niet uit Zichzelf spreekt, dus Zelf iets verzint. Jezus zei: ‘Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne (Gods Woord, Zijn vleesgeworden Logos) nemen en het u verkondigen’ (Joh.16:14). Hij verkondigt ons zelfs ‘de toekomende dingen’, namelijk de openbaring van het zoonschap en het zitten met Jezus Christus op de troon van de Vader en het herstel van de hele zuchtende schepping. De apostel spreekt van heiligen, omdat deze afgezonderd zijn van de boze geesten. Zij groeien op als een bouwwerk, als een tempel van God, heilig in de Heer.

En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn 28.

Wanneer de Heilige Geest tussenbeide treedt, zal er altijd wat goeds tevoorschijn komen. ‘Alle dingen’ betekenen droeve of blijde omstandigheden. Wij herinneren eraan, dat de apostel waarschijnlijk schreef te midden van vervolgingen en dreigende gevangenneming. In vers 17 schrijft hij over ‘delen in zijn lijden’, in vers 18 over ‘het lijden van de tegenwoordige tijd, en in vers 35 over ‘verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid of gevaar, of het zwaard’. God laat benauwdheid en druk niet voor niets toe bij zijn volk, ‘want de lichte last van de verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid’ (2 Cor.4:17). Zo kon in het tijdperk van de schaduwen Jozef tot zijn broers zeggen: ‘U hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen, zoals nu het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (Gen.50:20).

Paulus schrijft: ‘Wij weten’, want hij is er zeker van dat alle verdrukkingen en beproevingen, maar ook de vertroostende en de blijde dingen, de uitreddingen en genezingen, samen het goede bij hem zullen uitwerken. Zijn balans eindigt altijd met een positief saldo. Alle dingen werken niet voor iedereen ten goede uit, maar alléén voor hen die God liefhebben en die zich daarom ook ernaar willen streven om zijn wil te openbaren. Het goede is het zoonschap. Verdrukking en benauwdheid komen aan onze opvoeding en ontwikkeling ten goede. Wie God liefhebben, richten zich naar het uiteindelijke doel. Het resultaat van de verdrukking is, dat men sterker wordt door de openbaring van de kracht van de Geest’ want ‘zij zijn in de oorlog sterk geworden’ (Hebr.11:34). Men krijgt ook meer inzicht in de hemelse gewesten, meer geloof om het onzienlijke te grijpen, meer wijsheid om het Koninkrijk van God te realiseren en meer geduld om te volharden. Het zoonschap is een begerenswaardige zaak. Het betekent dat men het beeld van de Zoon van God gelijkvormig kan worden.

Wanneer God dit plan met de mens openbaart, roept Hij hem door zijn heerlijkheid en macht. Hij dreigt en verwijt niet, maar lokt de mens tot Zich door de beloften van genade, herstel en heerlijkheid en door zijn macht om wat Hij beloofd heeft, ook aan hem waar te maken (2 Petr.1:3). Deze roeping komt tot ieder mens aan wie het evangelie gepredikt wordt, zoals de apostel in hoofdstuk 10:18 zegt: ‘Over de hele aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden van de wereld hun woorden’. Op deze roeping moet de mens dus ingaan. Hij moet een antwoord geven en een keuze maken tussen de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hoogmoedig leven van de tegenwoordige wereld, of de heerlijkheid en rijkdom van het zoonschap van God. God roept dus de mens en deze maakt zijn keus. Hij verbindt zijn verkiezing of keuze aan de goddelijke roeping, zoals er staat: Daarom, broers en zusters, doe uw best (uw eigen keuze) om steeds meer aan Gods roeping en uitverkiezing te beantwoorden (2 Petr.1:10). Het voornemen van God is zijn oogmerk, zijn bedoeling, namelijk om de mens tot het zoonschap te brengen. Zijn voornemen is dus ‘zijn gemaakt bestek’. ‘Die volgens zijn voornemen geroepenen zijn’ duiden dus aan degenen die zijn roep beantwoord hebben en de weg van Jezus hebben gekozen. Jezus is de Uitverkorene, en die zich bij Hem voegen, zijn ‘uitverkoren in Hem’, opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht (Ef.1:4).

Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, zodat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder veel broers. En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt 29,30.

Op het voegwoord ‘want’ volgt de motivering van de uitspraak in het vorige vers. Door lijden en verdrukking heen worden de gelovigen gevoerd naar de heerlijkheid van het zoonschap, de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon van God. Zij zullen immers in alle omstandigheden ‘het beeld van de hemelse’ mens dragen (1 Cor.15:49). Er is een gelijkvormigheid aan Zijn lijden (Filip.3:10), maar ook aan zijn heerlijkheid. Zij worden naar zijn beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid door de Geest van de Heer, die in hen woont en waardoor zij geleid worden (2 Cor.3:18). Er zijn gebouwen die door beroemde architecten ontworpen werden, maar die latere bouwmeesters veranderden. De oorspronkelijke ontwerper zal echter alleen het gebouw accepteren of kennen, dat naar zijn inzichten werd voltooid.

In de gelijkenis van de tien maagden zegt de heer tot de dwaze: ‘Ik ken u niet’. De betekenis van het woord ‘kennen’ is hier wel duidelijk. Hun wijze van doen kwam niet overeen met zijn voornemen, zijn gemaakt bestek, zijn oorspronkelijk plan. De heer kende alleen de wijze maagden en dit kennen wordt uitgedrukt met de woorden: ‘Zij gingen met hem de bruiloftszaal binnen’ (Matth.25:10-12). Tot de ontrouwe dienstknechten die in zijn naam profeteerden, tekens en wonderen verricht hadden, wordt door de Heer gezegd: ‘Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u werkers van de wetteloosheid’ (Matth.7:23). Ook zij pasten niet in zijn plan en voldeden niet aan zijn oorspronkelijke gedachten over de mens.

Wanneer in ons vers gesproken wordt over hen die Hij tevoren gekend heeft, wordt een groep mensen bedoeld, die beantwoordt aan de norm die God gesteld had en die functioneert naar zijn wetten. Alleen met dezen wil en kan God gemeenschap hebben. Hij kent ze, omdat zij het zegel van God bezitten, namelijk de Heilige Geest en omdat Hij het beeld van zijn Zoon in hen herkent. In 2 Timotheüs 2:19 wordt gezegd: ‘Toch blijft het vaste fundament van God staan, met dit zegel: De Heer kent wie van Hem zijn en: Ieder die de Naam van Christus noemt, moet zich ver houden van de ongerechtigheid.’ Dit fundament van God zijn zij die ‘in Christus’ zijn en dezen zijn het die Hij tevoren heeft gekend. Onder hen bekleedt Jezus Christus de eerste plaats. God kent Hem en allen die bij Hem horen. Met hen heeft God gemeenschap door Zijn Heilige Geest en er is niets dat hen van zijn liefde scheidt, want zij hebben gebroken met de ongerechtigheid.

In de oude vertaling lezen wij: ‘Adam bekende zijn huisvrouw’, dit wil zeggen dat hij gemeenschap met haar had. Zo heeft God geestelijke gemeenschap met allen die ‘in Christus’ zijn, die zijn woorden blijvend in zich hebben. Het gaat in ons vers niet over een aantal personen dat individueel door God gekend zou zijn, zogenaamd: ‘Om redenen in Zichzelf, terwijl dan anderen om dezelfde geheimzinnige, redeloze voorbeschikking van eeuwigheid verloren zouden zijn…’ Maar om een duidelijke realisering van het voornemen van God met de mens door middel van de gemeente, waarvan Jezus Christus het hoofd is, zoals er staat: ‘In overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen’ (Ef.1:9). Jezus is de oudste Broer of de Eerstgeborene onder veel broers. Ook in hen krijgen de eeuwige gedachten van God, waarvan God dus de Vader is, gestalte. In dit geestelijke huisgezin doen zij de wil van de Vader, dus ‘het goede, welgevallige en volkomene’ (12:2). Het is de wil van God dat ‘alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen’ (1 Tim.2:4).

God wil de zuchtende schepping redden. Om dit plan uit te kunnen voeren, werd zijn Zoon op aarde geboren (Hand.13:33). Deze gaf Zich tot een losprijs van allen (1 Tim.2:6). In Jezus werd de liefde van God tot de mensheid openbaar. Jezus betaalde de zondeschuld van de hele wereld, dus voor alle mensen van alle tijden. Wie in deze schuldvergeving gelooft en haar aanvaardt, is gerechtvaardigd. Hij gaat niet verloren, maar ontvangt eeuwig leven (Joh.3:16). Met deze rechtvaardigen kan God gemeenschap hebben. Allen die de Zoon van God als het Woord van God aannemen, hebben de macht gekregen kinderen en dus ook zonen van God te worden. Met hen gaat God verder om zijn reddingsplan te verwezenlijken. Dit is een logische gedachtegang. Neem eerst de woorden van God aan, dan verandert het denken en wordt men vernieuwd. In hoofdstuk 12:2 zegt de apostel, dat men ‘gemetamorfoseerd’, dus herschapen wordt, door de vernieuwing van het denken. Wanneer kinderen van God gedoopt worden in Gods Geest en door deze Geest geleid worden, zijn zij zonen van God en horen zij bij ‘de vrouw van het Lam’ (vers 9). Dan zijn zij ‘in Christus’.

De uitdrukking ‘zonen’ includeert een groeiproces. In Openbaring 12:5 wordt vermeld, dat de vrouw (de gemeente van Jezus Christus van alle tijden) een mannelijke, dus volwassen zoon baart. Deze zoon was wel aanwezig, ontwikkelde zich, maar wordt in het einde van de tijden geopenbaard. Dan bedenken deze zonen alleen de dingen die boven zijn, in de hemelse gewesten en niet meer de dingen die op de aarde zijn (Col.3:2). Zij houden dus alleen nog maar rekening met de geestelijke werkelijkheden. Deze categorie gelovigen, dit lichaam van Christus, is door God bestemd of uitverkoren ‘tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon’. Zij zullen de schepping herstellen door hetzelfde werk te doen als de Zoon van God, ja, zij zullen zelfs grotere werken doen (Joh.14:12). Jezus is dan de eerstgeborene onder veel broers, zoals Hij ook ‘de erfgenaam is van alle dingen’ (Hebr.1:2) en zijn broers ‘mede-erfgenamen’ zijn (vers 17).

God heeft deze allen, die door het geloof in het lichaam van Christus zijn, van tevoren als zijn zonen gekend. Hij zag als het ware al het parlement, waardoor Hij de hele schepping in de zienlijke en in de onzienlijke wereld regeren en tot haar ware bestemming brengen zou. Zo staat er ook: ‘Hij is wel van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar in de laatste tijden geopenbaard vanwege u. Door Hem gelooft u in God (dus in zijn plan), Die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof en hoop op God gericht zijn’ (1 Petr.1:20,21).

Zo zijn ook de zonen van God als ‘vrouw van het Lam’ gekend en worden zij ook in het einde van de tijd geopenbaard vanwege de hele zuchtende schepping. In Efeziërs 1:10,11 wordt meegedeeld, dat op dit ogenblik Christus het hoofd is van wat in de hemel en op de aarde God toebehoort. ‘Maar’, zegt de apostel ‘dit is slechts een voorbereiding van de volheid van de tijd’. Als deze volheid aangebroken is, heeft niet alleen Hij, maar hebben ook wij het erfdeel ontvangen, ‘waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil’. Wie één zijn met de Zoon van God, wie in Hem zijn, heeft God tot iets bestemd of verordineerd.

Het is als bij de tempel in het oude verbond. Daar was alleen de redding en de vergeving van de zonden te ontvangen. Men moest naar de tempel toegaan en dan werden Gods beloften vervuld. God heeft geroepen en de zonen van God zijn gekomen. Zij zijn gerechtvaardigd en toegerust en zij hebben de opdracht ontvangen het evangelie van vergeving van de zonden, van genezing en heerlijkheid, te verkondigen. In het begin van zijn brief drukt Paulus zijn opdracht zo uit: ‘Om gehoorzaamheid van het geloof te bewerken voor zijn Naam onder al de heidenen, tot welke ook u behoort, geroepenen van Jezus Christus’ (1:5,6). Zij waren geroepenen door het evangelie van de heerlijkheid en uitverkorenen in Christus en gelovigen, omdat zij de beloften God aangrepen (Openb.17:14). God heeft ze verheerlijkt, omdat zij bestemd zijn gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon. Jezus sprak: ‘En de heerlijkheid, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven’ (Joh.17:22). Daarom zullen zij met Hem zitten op de troon van God om te regeren over al de werken van zijn handen!