Romeinen 8:24-30
‘Want in de hoop zijn wij behouden. Hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, waarom zou hij dat nog hopen? Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding’ 24,25.
Wanneer wij de Heer aannemen, hebben wij de eerste stap gezet op de weg van het behoud. Het einddoel van onze redding is volkomenheid naar geest, ziel en lichaam. Wat wij nog niet hebben, hopen wij alsnog te ontvangen. Sommige vertalingen luiden: ‘Want tot deze hoop zijn wij behouden’, of ‘Wij worden gered voor onze hoop’. Het is dus een gered worden voor alles wat het evangelie ons belooft en waarnaar wij gelovig uitzien. God geeft de belofte van een totaal herstel; wij aanvaarden dit in het geloof en de hoop overbrugt wat wij hebben en wat wij nog zullen ontvangen. Wanneer iets tot werkelijkheid geworden is, valt de hoop weg. Wij hopen op wat wij niet zien en nog niet ervaren hebben (Hebr.11:1).
De verdrukkingen die wij ondergaan, proberen ons het gezicht op een heerlijke toekomst te ontnemen. Als wij dan toch de hoop niet loslaten, blijkt dat wij volharding bezitten. In hoofdstuk 5:3 staat: ‘Maar wij roemen ook in de verdrukking, omdat wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt’. Wij kunnen echter alleen roemen, als wij de hoop op een betere toekomst, op de realisatie van de beloften van God, niet loslaten. De pijler waarop dus de hoop rust, is de volharding. Als iemand in de verdrukking bezwijkt, verdwijnt zijn hoop: hij ziet het niet meer. Wanneer een gemeente volhardend blijft geloven in de belofte van God en blijft hopen op de realisatie ervan, blijft ze leven, want hoop doet leven. Laat zij de hoop los, dan wordt ze een geestelijke puinhoop, een dode kerk, want ‘Zijn huis zijn wij, als wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, tot het einde onwankelbaar vasthouden’ (Hebr.3:6). Door volharding tot het einde toe verwezenlijken wij de hoop (Hebr.6:11). Wij verlangen dus zeer naar de toekomst in de tijd dat wij met volharding de beproevingen verdragen.
‘En zo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het hoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen’ 26.
Zoals wij verlangen naar de volledige openbaring van het zoonschap, zo doet dit Gods Geest ook. ‘Hij komt onze zwakheid te hulp’ betekent: Hij neemt deel aan onze zwakheid of Hij tilt ons op in onze zwakheid. In onze zwakheid openbaart zich eerst ten volle zijn kracht (2 Cor.12:9). Ook de Geest zucht, want ook Hij woont in het aarden vat, in het sterfelijke lichaam. Ook Hij woont liever in een onsterfelijk opstandingslichaam dan in een vergankelijk vlees, dat zwak is en verleidbaar, dat aangevallen wordt en onder invloed staat van demonen. Het opstandingslichaam is reiner, zuiverder, beter te leiden en te gebruiken.
Wij weten niet precies wat wij bidden zullen om het doel van God te bereiken. Bidden is bezig zijn in de hemelse gewesten en onze geest heeft moeite zich daar te oriënteren. Wij richten hem van nature gemakkelijker op de aardse dingen, maar Gods Geest komt voor ons tussenbeide. Gods Geest kent het plan van God met de mens, maar ook de belemmeringen in de geestelijke wereld. Gods Geest zucht onhoorbaar met onze geest mee, omdat Deze hetzelfde verlangen heeft, namelijk de verlossing van de totale mens. Sommigen menen dat het hier over het spreken in talen gaat, maar dit hoeft niet. Wel kunnen wij de onhoorbare verzuchtingen van Gods Geest met onze geest overnemen en al talen sprekende in de natuurlijke wereld openbaar maken, hoorbaar maar niet verstaanbaar.
Gods Geest kan echter ook in ons zuchten zonder dat wij dit in woorden overnemen. Een mens zucht om ruimte te krijgen, omdat er druk op hem uitgeoefend wordt. Deze druk wil hij afwentelen en bovendien in dit verband de hoop een grotere plaats geven. De Geest ondersteunt onze geest om de druk van satans demonen te weerstaan. Het is het verlangen naar bevrijding en naar totale vernieuwing dat zich in onze innerlijke mens met het onhoorbaar zuchten van Gods Geest en van onze geest manifesteert.
‘En Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit’ 27.
God kent de innerlijke mens, zijn hart en Hij hoort het onhoorbare zuchten. God ziet dus wat zich innerlijk in ons afspeelt en Hij kent het verlangen van de Geest als pleitbezorger. Het kind van God zucht immers naar het volwassen zoonschap, omdat dit de wil van God is en de Geest zucht mee, omdat het naar de wil van God is. De Geest pleit, omdat de mens zich in nood bevindt en de wil van God is hem te helpen en uit te redden. De Geest kent ‘het gemaakt bestek’ met de mens, want niemand weet wat in God is, dan de Geest van God. Hij doorzoekt alle dingen, zelfs de diepste gedachten van God. Op deze manier weten wij wat ons door God in genade gegeven is (1 Cor.2:10-12). De Geest bidt naar Gods wil, omdat Hij niet uit Zichzelf spreekt, dus Zelf iets verzint. Jezus zei: ‘Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne (Gods Woord, Zijn vleesgeworden Logos, Joh.1:1) nemen en het u vertellen’ (Joh.16:14). Hij vertelt ons zelfs ‘de toekomende dingen’, namelijk de openbaring van het zoonschap en het zitten met Jezus Christus op de troon van de Vader en het herstel van de hele zuchtende schepping. De apostel spreekt van heiligen, omdat deze afgezonderd zijn van de boze geesten. Zij groeien op als een bouwwerk, als een tempel van God, heilig in de Heer.
‘En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn plan geroepen zijn’ 28.
Wanneer Gods Geest tussenbeide komt, zal er altijd wat goeds tevoorschijn komen. ‘Alle dingen’ betekenen verdrietige of blijde omstandigheden. Wij herinneren eraan, dat de apostel waarschijnlijk schreef te midden van vervolgingen en dreigende gevangenneming. In vers 17 schrijft hij over ‘delen in zijn lijden’, in vers 18 over ‘het lijden van de tegenwoordige tijd en in vers 35 over ‘verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid of gevaar, of het zwaard’. God laat benauwdheid en druk niet voor niets toe bij zijn volk, ‘de lichte last van de verdrukking die we tijdelijk te dragen hebben weegt niet op tegen het eeuwig gewicht van de heerlijkheid die alles omvat’ (2 Cor.4:17). Zo kon in het tijdperk van de schaduwen Jozef tot zijn broers zeggen: ‘Jullie wilden mij wel kwaad doen, maar God heeft dat ten goede gekeerd, zoals nu het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (Gen.50:20).
Paulus schrijft: ‘Wij weten’, want hij is er zeker van dat alle verdrukkingen en beproevingen, maar ook de vertroostende en de blijde dingen, de reddingen en genezingen, samen het goede bij hem zullen uitwerken. Zijn balans eindigt altijd met een positief saldo. Alle dingen werken niet voor iedereen goed uit, maar alléén voor hen die God liefhebben en die daarom ook ernaar willen streven om zijn wil te openbaren. Het goede is het zoonschap. Verdrukking en benauwdheid komen aan onze opvoeding en ontwikkeling ten goede. Wie God liefhebben, richten zich naar het uiteindelijke doel. Het resultaat van de verdrukking is, dat men sterker wordt door de openbaring van de kracht van Gods Geest’ want ‘zij zijn in de oorlog sterk geworden’ (Hebr.11:34). Men krijgt ook meer inzicht in de hemelse gewesten, meer geloof om het onzienlijke te grijpen, meer wijsheid om het Koninkrijk van God te realiseren en meer geduld om te volharden. Het zoonschap is een begerenswaardige zaak. Het betekent dat men het beeld van de Zoon van God gelijkvormig kan worden.
Wanneer God dit plan met de mens openbaart, roept Hij hem door zijn heerlijkheid en macht. Hij dreigt en verwijt niet, maar lokt de mens tot Zich door de beloften van genade, herstel en heerlijkheid en door zijn macht om wat Hij beloofd heeft, ook aan hem waar te maken (2 Petr.1:3). Deze roeping komt tot ieder mens aan wie het evangelie gebracht wordt, zoals de apostel in hoofdstuk 10:18 zegt: ‘Over de hele aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden van de wereld hun woorden’. Op deze roeping moet de mens dus ingaan. Hij moet een antwoord geven en een keuze maken tussen de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hoogmoedig leven van de tegenwoordige wereld, of de heerlijkheid en rijkdom van het zoonschap van God.
God roept dus de mens en deze maakt zijn keus. Hij verbindt zijn verkiezing of keuze aan de goddelijke roeping, zoals er staat: Daarom, broers en zussen, doe uw best (uw eigen keuze) om steeds meer aan Gods roeping en uitverkiezing te beantwoorden (2 Petr.1:10). Het plan van God is zijn bedoeling, namelijk om de mens tot het zoonschap te brengen. Zijn voornemen is dus ‘zijn gemaakt bestek’. ‘Die volgens zijn voornemen geroepenen zijn’ duiden dus aan degenen die zijn roep beantwoord hebben en de weg van Jezus hebben gekozen. Jezus is de Uitverkorene en die zich bij Hem voegen, zijn ‘uitverkoren in Hem’, zodat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht (Ef.1:4).
De satanische uitverkiezingsleer
Deze specifieke tekst wordt door kerkgangers vaak misbruikt. Zij zeggen dat deze tekst het bewijs is van de Uitverkiezingsleer: God heeft een plan en Hij weet al van tevoren wie Hij aanneemt en wie Hij voor eeuwig verwerpt. Deze pertinente leugen wordt dan ook nog eens groter gemaakt door de stelling: God doet alle dingen (inclusief bijvoorbeeld het laten sterven van mensen) meewerken voor het goede doel: alles om de mens meer in God te laten geloven. Maar dan wel in een god die zelf zowel het goede als het kwade veroorzaakt.
‘Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, zodat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder veel broers. En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt’ 29,30.
Op het voegwoord ‘want’ volgt de motivering van de uitspraak in het vorige vers. Door lijden en verdrukking heen worden de gelovigen gevoerd naar de heerlijkheid van het zoonschap, de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon van God. Zij zullen immers in alle omstandigheden ‘het beeld van de hemelse’ mens dragen (1 Cor.15:49). Er is een gelijkvormigheid aan Zijn lijden (Fil.3:10), maar ook aan zijn heerlijkheid. Zij worden naar zijn beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid door de Geest van de Heer, die in hen woont en waardoor zij geleid worden (2 Cor.3:18).
De 10 maagden
In de gelijkenis van de tien maagden zegt de heer tot de dwaze maagden: ‘Ik ken u niet’. De betekenis van het woord ‘kennen’ is hier wel duidelijk. Hun wijze van doen kwam niet overeen met zijn oorspronkelijk plan. De heer kende alleen de wijze maagden en dit kennen wordt uitgedrukt met de woorden: ‘Zij gingen met hem de bruiloftszaal binnen’ (Matth.25:10-12). Tot de ontrouwe dienstknechten die in zijn naam profeteerden, tekens en wonderen gedaan hadden, wordt door de Heer gezegd: ‘Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u werkers van de wetteloosheid’ (Matth.7:23). Zij pasten niet in zijn plan en voldeden niet aan zijn oorspronkelijke gedachten over de mens.
Wanneer in ons vers gesproken wordt over hen die Hij tevoren gekend heeft, wordt een groep mensen bedoeld, die beantwoordt aan de norm die God gesteld had en die functioneert naar zijn wetten. Alleen met dezen wil en kan God gemeenschap hebben. Hij kent ze, omdat zij het zegel van God bezitten, namelijk Zijn Geest en omdat Hij het beeld van zijn Zoon in hen herkent. In 2 Timotheüs 2:19 wordt gezegd: ‘Toch blijft het vaste fundament van God staan, met dit zegel: De Heer kent wie van Hem zijn en: Ieder die de Naam van Christus noemt, moet zich ver houden van de ongerechtigheid.’ Dit fundament van God zijn zij die ‘in Christus’ zijn en dezen zijn het die Hij tevoren heeft gekend. Onder hen bekleedt Jezus Christus de eerste plaats. God kent Hem en allen die bij Hem horen. Met hen heeft God gemeenschap door Gods Geest en er is niets dat hen van zijn liefde scheidt, want zij hebben gebroken met de ongerechtigheid.
In de oude vertaling lezen wij: ‘Adam bekende zijn huisvrouw’, dit wil zeggen dat hij gemeenschap met haar had. Zo heeft God geestelijke gemeenschap met allen die ‘in Christus’ zijn, die zijn woorden blijvend in zich hebben. Het gaat in ons vers niet over een aantal personen dat individueel door God gekend zou zijn, zogenaamd: “Om redenen in Zichzelf, terwijl dan anderen om dezelfde geheimzinnige, redeloze voorbeschikking van eeuwigheid verloren zouden zijn…”
Maar om een duidelijke realisering van het plan van God met de mens door middel van de gemeente, waarvan Jezus Christus het hoofd is, zoals er staat: ‘In overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen’ (Ef.1:9). Jezus is de oudste Broer of de Eerstgeborene onder veel broers. Ook in hen krijgen de eeuwige gedachten van God, waarvan God dus de Vader is, gestalte. In dit geestelijke huisgezin doen zij de wil van de Vader, dus ‘het goede, welgevallige en volkomene’ (12:2). Het is de wil van God dat ‘alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen’ (1 Tim.2:4).
Voor God gekocht
God wil de zuchtende schepping redden. Om dit plan uit te kunnen voeren, werd zijn Zoon op aarde geboren (Hand.13:33). Deze gaf Zich tot een losprijs van allen (1 Tim.2:6). In Jezus werd de liefde van God tot de mensheid openbaar. Jezus betaalde de zondeschuld van de hele wereld, dus voor alle mensen van alle tijden. Wie in deze schuldvergeving gelooft en haar aanvaardt, is gerechtvaardigd. Hij gaat niet verloren, maar ontvangt eeuwig leven (Joh.3:16). Met deze rechtvaardigen kan God gemeenschap hebben. Allen die de Zoon van God als het vleesgeworden Woord van God aannemen (en niet 1/e deel van een verzonnen godheid) hebben de macht gekregen kinderen en dus ook zonen van God te worden. Met hen gaat God verder om zijn reddingsplan uit te voeren. Dit is een logische gedachtegang. Neem eerst de woorden van God aan, dan verandert het denken en wordt men vernieuwd. In hoofdstuk 12:2 zegt de apostel, dat men ‘gemetamorfoseerd’, dus herschapen wordt, door de vernieuwing van het denken. Wanneer kinderen van God gedoopt worden met Gods Geest en door deze Geest geleid worden, zijn zij zonen van God en horen zij bij ‘de vrouw van het Lam’. Dan zijn zij ‘in Christus’.
De vrouw en de draak
De uitdrukking ‘zonen’ includeert een groeiproces. In Openbaring 12:5 wordt vermeld, dat de vrouw (de gemeente van Jezus Christus van alle tijden) een mannelijke, dus volwassen zoon baart. Deze zoon was wel aanwezig, ontwikkelde zich, maar wordt in het einde van de tijden geopenbaard. Dan bedenken deze zonen alleen de dingen die boven zijn, in de hemelse gewesten en niet meer de dingen die op de aarde zijn (Col.3:2). Zij houden dus alleen nog maar rekening met de geestelijke werkelijkheden. Deze categorie gelovigen, dit lichaam van Christus, is door God bestemd of uitverkoren ‘tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon’. Zij zullen de schepping herstellen door hetzelfde werk te doen als de Zoon van God, ja, zij zullen zelfs grotere werken doen (Joh.14:12). Jezus is dan de eerstgeborene onder veel broers, zoals Hij ook ‘de erfgenaam is van alle dingen’ (Hebr.1:2) en zijn broers ‘mede-erfgenamen’ zijn.
God heeft allen, die door het geloof in het lichaam van Christus zijn, van tevoren als zijn zonen gekend. Hij zag als het ware al het parlement, waardoor Hij de hele schepping in de zienlijke en in de onzienlijke wereld gaat regeren en tot haar ware bestemming brengen zou. Zo staat er ook: ‘Hij is wel van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar in de laatste tijden geopenbaard vanwege u. Door Hem gelooft u in God (dus in zijn plan), Die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof en hoop op God gericht zijn’ (1 Petr.1:20,21). Zo zijn ook de zonen van God als ‘vrouw van het Lam’ gekend en worden zij ook in het einde van de tijd geopenbaard vanwege de hele zuchtende schepping.
In Efeziërs 1:10,11 wordt gezegd dat op dit ogenblik Christus het hoofd is van wat in de hemel en op de aarde God toebehoort. ‘Maar’, zegt de apostel ‘dit is slechts een voorbereiding van de volheid van de tijd’. Als deze volheid aangebroken is, heeft niet alleen Hij, maar hebben ook wij het erfdeel ontvangen, ‘waartoe wij tevoren bestemd waren volgens het plan van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil’. Wie één zijn met de Zoon van God, wie in Hem zijn, heeft God tot iets bestemd of verordineerd.
Het is als bij de tempel in het oude verbond. Daar was alleen de redding en de vergeving van de zonden te ontvangen. Men moest naar de tempel toegaan en dan werden Gods beloften vervuld. God heeft geroepen en de zonen van God zijn gekomen. Zij zijn gerechtvaardigd en toegerust en zij hebben de opdracht ontvangen het evangelie van vergeving van de zonden, van genezing en heerlijkheid, te brengen. In het begin van zijn brief drukt Paulus zijn opdracht zo uit: ‘Om gehoorzaamheid van het geloof te bewerken voor zijn Naam onder al de heidenen, waar u ook bij hoort, geroepenen van Jezus Christus’ (1:5,6). Zij waren geroepenen door het evangelie van de heerlijkheid en uitverkorenen in Christus en gelovigen, omdat zij de beloften van God aanvaardden (Openb.17:14).
God heeft ze verheerlijkt, omdat zij bestemd zijn gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon. Jezus zei: ‘En de heerlijkheid, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven’ (Joh.17:22). Daarom zullen zij met Hem zitten op de troon van God om te regeren over al de werken van zijn handen!





