10. Het leven door de Geest

Romeinen 8:1-17

‘Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest’ 1.

Niemand kan de hoofdstukken 7 en 8 lezen, of hij wordt getroffen door de felle contrasten tussen deze twee. Bij hoofdstuk 8 komt men vanuit de schaduw in het volle licht; vanuit de machteloosheid van de mens onder de wet wordt men bekleed met kracht van Gods Geest. In hoofdstuk 7 missen wij, behalve aan het slot, de naam van Jezus Christus en van Gods Geest, terwijl geen hoofdstuk in de Bijbel zo de overwinning van de Heilige Geest belicht (met uitzondering misschien van de hoofdstukken in het Johannesevangelie, waar de Heer bij de paasmaaltijd zelf over deze Geest sprak) dan dit hoofdstuk 8. Hier vinden wij het antwoord op de vraag hoe wij voor God mogen leven.

Tegenover het verleden dat de apostel beschreven heeft, gebruikt hij nu het prachtige woordje ‘nu’. Het wijst op de overgang van dood naar leven, vanuit de veroordeling naar de vrijspraak. Het duidt op de uittocht uit het land van zonde en slavernij van de wet, naar dat van de vrijheid van de kinderen van God. De schaduw van het oude verbond wijkt hier voor het licht van de herschepping. In de voorgaande verzen werd erop gewezen dat het vlees slaaf van de zonde is. De mens is ‘in het vlees’, als hij geregeerd wordt door de natuurlijke dingen, door de omstandigheden, door wat zijn zintuigen waarnemen en door wat de mensen zeggen. Wie ‘in Christus Jezus zijn’ houden het Woord van God in geloof vast, zoals er staat: ‘Als u in Mij blijft en mijn woorden in u blijven’ (Joh.15:7). Dan is er sprake van een geestelijk mens.

Wie ‘in Christus Jezus zijn’, hebben de gerechtigheid uit genade door de schuldvergeving ontvangen. Er zijn wel beschuldigingen, maar deze worden afgewezen en het vonnis is: vrijspraak, de schuld is vereffend. God veroordeelt immers de goddeloze (4:5). Er kunnen wel beproevingen zijn, maar er is geen verdoemenis, zoals veel vertalingen luiden, omdat God degenen die ‘in Christus Jezus zijn’, die bij zijn lichaam of bij de gemeente horen, niet overlevert aan de machten van de duisternis. ‘In Christus Jezus’ zijnde, is men vrij van de wet en vrij van de zonde, want men is voor beide gestorven (6:9,10 en 7:4). Zij mogen dus geen macht meer uitoefenen. De wet mag ons niet meer opjutten tot inspanning en offers en de zondemachten mogen ons niet meer beïnvloeden of dwingen tot het kwade. Op grond hiervan kunnen wij een rechtvaardige strijd in de hemelse gewesten voeren.

Onder de wet zou men aan het einde van zijn leven de gerechtigheid kunnen bezitten, als men de wet nauwkeurig onderhouden had, maar ieder opnieuw geboren mens ontvangt de gerechtigheid bij het begin van het nieuwe leven. Er is dus geen veroordeling, omdat men rechtvaardig is ‘in Christus Jezus’ (zijnde), door het geloof. Na het opnieuw geboren worden wordt de mogelijkheid geopend een leven te leiden, waarin men vrij is en één.

Wat doet men nu met dit nieuwe leven? Opnieuw zondigen? Nee, want men is geen slaaf meer van het kwaad. Gaat men echter opnieuw vanuit de wet leven, dan komt men onherroepelijk weer in de slavernij van de zonde. Men ziet dit bij christenen die eerst vrij waren, maar terechtkwamen in groeperingen met allerlei voorschriften, die in de uiterlijke wereld in acht genomen moeten worden. Wie zich bezighouden met wettische voorschriften m.b.t. kleding, kapsel, het geven van tienden, zondagen, sabbatsrust, enzovoort, verliezen hun weerbaarheid tegenover de zondemachten. Veel christenen zijn met de Geest begonnen, maar eindigen in het vlees (Gal.3:3).

‘Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood’ 2.

Er is sprake van ‘de Geest van het leven’ of van de Levensgeest. De natuurlijke levensgeest bij planten, dieren en bij de mens zorgt voor het begin, het onderhoud, de groei, de ontwikkeling en het herstel van het natuurlijke leven. Met een variant op 1 Corinthiërs 15:39 zouden wij kunnen zeggen: ‘Alle levensgeest is niet dezelfde, maar die van mensen is anders dan van beesten en die is weer anders dan van vogels, vissen of planten’. In ieder levend organisme werkt de levensgeest naar zijn eigen bepaalde wetten. Terwijl de geest van plant en dier alleen maar met de zichtbare wereld verbonden is en dus bij het sterven naar de aarde terug keert, functioneert en beweegt zich de levensgeest van de mens bovendien in de onzichtbare wereld of in de hemelse gewesten, waar hij onvergankelijkheid bezit. Alleen van de mens werd gezegd: ‘God blies de levensadem in zijn neus; alzó werd de mens tot een levend wezen’ (Gen.2:7).

Gods Geest of ‘Geest van het leven’ van het lichaam van Christus, de gemeente, werkt in de nieuwe schepping. Hij functioneert bij het begin, het onderhoud, de groei, de ontwikkeling en het herstel van de mens in het lichaam van Christus (‘in Christus Jezus’ zijnde). Deze Geest komt de zwakke menselijke levensgeest in alles te hulp (vers 26). Hij stelt zich op tegenover de vijandige demonen die ons proberen te beschadigen, die ons willen laten zondigen of ziek willen maken. Daarom drijven wij door de kracht van Gods Heilige Geest in ons, deze machten uit. In deze Levensgeest zijn wij gedoopt, Hij woont in ons en door Hem hebben wij gemeenschap met God.

Er is sprake van een vrijmaking, omdat wij eerst gevangen en onderworpen waren aan de zondemachten en gedwongen waren naar hun wetten te leven. ‘De wet van de zonde en dood’ is de wetmatigheid van de wetteloze machten en van de ontbinding, waarvan Paulus spreekt in 7:23: ‘Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand’ dat Gods wet kent en wil houden. Noch onze eigen geest, noch ons verstand waren in staat zich te verzetten en zich vrij te maken van de boze geesten, die wetten oplegden die tegen de wet van God indruisten.

‘Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk (en niet als 1/3 god van een z.g. drie-eenheid) aan het zondige vlees en dat vanwege de zonde en de zonde veroordeeld in het vlees, zodat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest’ 3,4.

Paulus richt zich tot de Joodse christenen en tot de christenen uit de heidenen. Zij hadden onder de wet van de Sinaï geleefd. Zij wisten dat ze zelf niet sterk genoeg waren, maar ook de wet had hen niet kunnen bevrijden. Ook deze was te zwak geweest. De wet van het oude verbond was ‘heilig en rechtvaardig en goed’, maar zij was impotent om de gebonden en gevangen mens te bevrijden en te verlossen van zijn ketenen. Hiervoor kwam Jezus Christus, die ons de wet van de ‘Geest van het leven’ schonk.

De uitdrukking ‘wat voor de wet onmogelijk was’ betekent zeker niet, dat zij gedeeltelijk wel iets kon bereiken en dat het ontbrekende op een of andere manier aangevuld moet worden. De wet is in haar geheel totaal onmachtig, doordat zij niet in staat is de invloed van de boze geesten uit te schakelen. Paulus werpt voor zijn Joodse lezers de schuld niet op de wet, maar op de boze geesten in het zondigende vlees en op de mens, die hun gehoorzaam is. Het zondigende vlees werkt juist het tegengestelde uit van wat de wet gebiedt. De wet van het oude verbond kan het vlees niet meekrijgen, doordat de demonen de overhand erin hebben. De leden staan immers onder invloed van de boze geesten, die sterker zijn dan de wil, het verstand en de geest van de mens. Bij het uitvoeren van de wet worden de natuurlijke begeerten nog feller door de zondemachten geprikkeld (7:8).

Jezus had hetzelfde vlees als wij, dus een lichaam waarin bij alle mensen de zondemachten werkzaam zijn en leden die bij allen gebruikt en misbruikt worden door de onreine geesten. Jezus kwam wel in het menselijke vlees, maar niet in het ‘vlees van zonde’, maar in vlees ‘aan dat van de zonde gelijk’. Het is de duivel nooit gelukt om één enkele zondige begeerte bij Jezus op te wekken of Hem op een of andere manier te verleiden of te overweldigen. In zijn jeugd was Hij volmaakt geheiligd door zijn Vader die in de hemel is en, nadat Hij gedoopt was in Gods Geest, kon Hij getuigen: ‘De overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets’ (Joh.14:30), dit wil zeggen dat de machten van de duisternis van zijn lichaam geen gebruik konden maken.

‘Vanwege de zonde’ betekent: in verband met de zonde. Het Woord is vlees geworden om de werken van de duivel te verbreken (1 Joh.3:8), om het beschadigde te herstellen en op deze manier de schepping te vernieuwen. Om dit mogelijk te maken, heeft de Heer ons eerst uit de macht van de duivel losgekocht door onze schuld te betalen met zijn bloed, dat is zijn leven.

Nadat Jezus degene die gelooft zo tot zijn eigendom gemaakt heeft, zijn ook de machten die in het vlees opereerden, geoordeeld. Hij heeft ze gevonnist met de uitspraak, dat ze niet langer in ons die geloven, mochten werken. Wanneer ze dit toch nog doen, kunnen wij in de naam van Jezus deze wetteloze geesten, die zich om deze veroordeling niet druk maken, op wettige en rechtmatige wijze uitdrijven en weerstaan. Het oordeel is de scheiding. In de geest wordt een scheiding gemaakt tussen waarheid en leugen, in de ziel tussen gerechtigheid en ongerechtigheid, en ‘in gewrichten en merg’, tussen de gezond makende levensgeest en de ziektemachten: ‘Alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hém, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen’ (Hebr.4:13). Het is zijn wil dat wij aan de goede kant van de kloof zullen staan en ondersteund door de kracht van God, de boze geesten geheel zullen verdrijven uit ons leven en niet zullen toestaan dat zij ons opnieuw beïnvloeden of overweldigen. Jezus heeft de machten aangewezen, ze openlijk tentoongesteld, ze veroordeeld in het vlees en hen overwonnen. Hij wil dat wij in dit opzicht in zijn voetsporen wandelen.

De eis of rechtsvordering van de wet is het leven naar Gods wil, dat is in gerechtigheid. Omdat Jezus de schuld weggenomen heeft, is de mens door het geloof tot een rechtvaardige geworden. Maar de Heer heeft ons ook het Koninkrijk van de hemelen geopenbaard en de boze geesten als veroorzakers van zonde en ziekte tentoongesteld. Hij maakte dus een scheiding tussen de mens en de veroorzakers van het kwade. Hij schonk de gelovigen Gods Geest en deze werd één geest met hun geest. Gods Geest ondersteunt de zwakke menselijke geest bij de afweer van de boze geesten. Door de verloste mens kan de Heilige Geest samen met de menselijke geest, goede werken doen. Dit kost geen inspanning, maar de nieuwe schepping wil en kan niet anders: ‘Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen’ (Ef.2:10). Een gezond oog hoeft zich niet in te spannen om te zien, het oor kan niet nalaten te horen en de mens van God brengt vanzelf goede vruchten voort. Het is duidelijk dat veel naamchristenen aan deze tekst een andere uitleg moeten geven, want zij leren:

  • ‘dat de mens niet naar de wil van God kan leven, dat zijn beste werken met zonde bevlekt zijn en dat hij zondaar blijft tot de dood. Het is dus voor hem een onmogelijke zaak dat de eis van de wet in hem vervuld wordt. Zij lezen: ‘Zodat het recht van de wet vervuld zou worden in ons’ en bedoelen dan met dit recht, de gerechtigheid of rechtvaardigmaking door de toerekening van de gerechtigheid van Christus.’

Het gaat hier echter over de handelingen van een opnieuw geboren christen zelf. Hetzelfde woordje dat hier door ‘eis’ vertaald is, wordt in Openbaring 19:8 weergegeven door ‘rechtvaardige daden’. Paulus redeneert als volgt: er zijn boze geesten die de goedwillende mens onder de wet dwingen tegen zijn geest en ook tegen zijn wil en zijn verstand slechte daden te doen (7:20,26). Nu komt er een kracht in de ware christen, die zijn geest en ziel ondersteunt en hem het goede laat doen. Zo wordt het doel (uitgedrukt door het voegwoord ‘zodat’) bereikt dat God voor ogen had, toen Hij instemde met het plan van zijn Zoon die Zich overgaf om de zonde van de wereld weg te nemen, namelijk dat de gerechtvaardigde mens ook weer als een rechtvaardige zou kunnen leven.

‘Naar het vlees wandelen of leven’ is voldoen aan de zondige begeerten en driften van het vlees. Deze wetteloze verlangens worden door de onreine geesten opgewekt. Deze bevruchten dan de begeerten en daarna wordt de zonde gebaard, dat is in de zichtbare wereld gebracht (Jac.1:14,15). Door verleiding of dwang van de boze geesten worden de begeerten in de mens dus wetteloos. Wie naar het vlees wandelt, rekent alleen met de zichtbare dingen en laat zich beïnvloeden door de situatie waarin hij verkeert. Wie naar de geest wandelt, houdt ook rekening met de onzichtbare wereld. Zijn wandel is in de hemel en hij laat zich leiden door het Woord en de Geest van God, zoals de Heer zei: ‘Want Hij (Gods Geest) zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen’ (Joh.16:14).

Sommige vertalingen schrijven Geest met een hoofdletter en andere geest met een kleine letter. Het eerste bedoelt dan Gods Geest en het tweede de menselijke geest. Bij christenen die in Heilige Geest gedoopt zijn, functioneren deze beide geesten als één geest, maar omdat de Heilige Geest in deze gemeenschap de leiding heeft, prefereren wij Geest met een hoofdletter. Ook Ezechiël profeteerde al over dit herstel, toen hij Gods belofte overbracht: ‘Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat u naar mijn inzettingen wandelt en mijn wetten onderhoudt’ (Ez.36:26,27). Het hart is de innerlijke of onzienlijke mens in verband met zijn zielenleven.

God neemt door gebed, oplegging van handen, bevrijding en genezing de demonen, die het hart verharden, weg; hierdoor wordt het zielenleven hersteld en het stenen, verharde, ongehoorzame hart wordt er een van vlees, dat wil zeggen in zijn natuurlijke uitingen hersteld. Ook de geest wordt door het woord van de waarheid en de kracht van Gods Geest losgemaakt van de leugengeesten, die hem op de verkeerde weg proberen te brengen. De geest wordt in zijn oorspronkelijke staat en zijn verhouding tot God hersteld. De mens ontvangt geen nieuwe geest, maar deze wordt vernieuwd, zoals er staat: ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’ (Openb.21:5). In deze gereinigde en vernieuwde mens wil God zijn Geest geven, zodat de wet in hem vervuld zal worden.

‘Immers, zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees, maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest’ 5.

‘Die naar het vlees zijn’ voldoen aan de verlangens van het vlees, ook wanneer deze door boze machten verleid worden. Wanneer iemand honger heeft en wil eten, is dit geen zonde, maar een natuurlijke behoefte. Wanneer iemand echter blijft eten, ook wanneer hij verzadigd is, verkeert hij onder invloed van wetteloze machten, want zelfs zijn verstand protesteert tegen deze onmatigheid. De gezindheid van het vlees is het verlangen dat zich uitsluitend en onmatig op het zichtbare richt, waarvan gezegd wordt: ‘Want alles wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hoogmoedig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren’ (1 Joh.2:16,17). Ook het vlees dat door ‘vrome geesten’ geleid wordt, richt zich op de zichtbare dingen, maar dan niet op overdaad, maar op vasten, lange gebeden, celibaat, voorgeschreven kleding, kapsel en dergelijke, dingen die het natuurlijke leven benéden de maat houden. De gezindheid is: het zinnen op, dus wat de Statenvertaling heeft: ‘het bedenken van het vlezes’.

Hoe weet een christen of hij vleselijk gezind is? Door na te gaan wat hij bedenkt, waarop hij zijn gedachten richt. Toen de apostel Petrus Jezus wilde tegen houden om te lijden en te sterven, zei de Heer: ‘U bent niet bedacht op de dingen van God, maar op die van de mensen’ (Matth.16:23). Petrus liet zich leiden door de omstandigheden, door menselijke gevoelens, maar niet door het Woord van God en daarom werd hij de spreekbuis van satan. Hij bedacht niet de dingen die boven waren en die gericht waren op het plan God met de mens en met de schepping. Na zijn ‘bekering’ kon hij echter schrijven, dat hij zijn best deed om zijn lezers telkens weer aan het eeuwig Koninkrijk van Jezus Christus te laten denken (2 Petr.1:11-15). ‘Die naar de Geest zijn’ worden door de Geest geleid. Zij zijn ‘hervormd door de vernieuwing van hun denken’ (12:2). Zij bedenken wat de Geest wil, houden zich bezig met de onzienlijke dingen van het Koninkrijk van God en zetten zich in om deel te hebben en deel te nemen aan de ontwikkeling van het plan van God.

‘Want het bedenken van het vlees is de dood, maar het bedenken van de Geest is leven en vrede. Immers, het denken van het vlees is vijandschap tegen God. Het onderwerpt zich namelijk niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet. En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet blij maken’ 6-8.

Wanneer het hart gericht is op de dingen van deze aarde, het denken zich daar voortdurend mee bezighoudt, terwijl het streven is, zoveel mogelijk van aardse dingen te genieten en aardse schatten te verzamelen, raakt de mens vanzelfsprekend buiten het plan en de gedachten van God. Zo komt hij onder invloed en leiding van boze geesten, die zijn diensten belonen met de dood, ‘want het loon van de zonde is de dood’ (6:23). De gezindheid of het bedenken hoort zelf bij de onzienlijke wereld en hier kan de satan dus contact krijgen. Hij richt de gedachten door deze gemeenschap op de zienlijke wereld, waarvan hij de ‘overste’ is. Op deze manier brengt hij zijn eigen wetteloosheid in de mens en vervult hem met zondige verlangens. Dan wordt de zichtbare wereld het alles beheersende en het belangrijkste. Dan ziet de mens ook zijn problemen en de oorzaken ervan in de zichtbare wereld liggen.

De leerlingen bijvoorbeeld waren door Jezus onderwezen in de dingen van het Koninkrijk der hemelen. Toen zij echter met hun schip in een geweldige storm terechtkwamen, lieten zij zich bang maken door de zichtbare dingen. Hun zekerheid en hun geloof in de kracht van het Koninkrijk van God waren zij kwijt. Toen de Heer de wind bestrafte, trokken de demonen zich terug en was de verzoeking voorbij, maar de leerlingen kwamen niet als overwinnaars uit deze strijd tevoorschijn. Jezus verweet hun gebrek aan geloof. Zij misten de ware kennis van God. Zij kenden Hem niet, die vanaf het begin is (1 Joh.2:14). Wie het plan van God met de mens kent en zich door het geloof daarin voegt, wordt door de omstandigheden in de zichtbare wereld niet meer verleid, geschokt of geïntimideerd, zodat de satan vat op hem krijgt. De aardsgerichte levenshouding brengt de mens in gemeenschap met de boze geesten, dus met de dood. Voortgaande op deze heilloze weg volgt de eeuwige scheiding met God, die het leven is.

Als het hart zich richt om te luisteren naar wat de Geest zegt, om te bedenken de dingen die boven zijn en het streven erop gericht is het plan van God te realiseren, heeft de mens verbinding met God en de vrucht ervan is leven en vrede. Deze vrede kan door de omstandigheden niet geroofd worden. De Bijbel spreekt dan ook van een vrede die alle verstand te boven gaat. Men beziet dan de tijdelijke en voorbijgaande dingen in het licht van de hemelse en eeuwige.

‘De gezindheid van het vlees’ betekent met het gedachteleven afgestemd zijn op de zichtbare wereld, waar de duivel invloed uitoefent. Jezus zegt: ‘Niemand kan twee Heren dienen, want hij zal óf de ene haten en de andere liefhebben, óf zich aan de ene hechten en de andere minachten’ (Matth.6:24). Wanneer de gedachten van de mens aardsgericht zijn en onder beïnvloeding staan van de wetteloze geesten, wordt hij metterdaad een vijand van God. Wanneer iemand streeft naar ‘alles wat in de wereld is’, moet hij een knieval doen voor satan (Matth.4:9). Hij zal zich moeten onderwerpen aan de wetten van de duivel, de vijand van God. Tegelijkertijd zal hij de wetten van God dus moeten loslaten. Vandaar dat de apostel zegt: ‘Het denken van het vlees onderwerpt zich niet aan Gods wet’. ‘Het kan dat ook niet’, want wat zo’n aardsgezind mens zoekt en najaagt, is niet uit de Vader.

De gezindheid van het vlees richt de aandacht op het zichtbare en wil haar begeerte in de zintuiglijke wereld gerealiseerd zien. Het vlees mist de radar voor de geestelijke wereld. Het is ongevoelig voor de onzienlijke wereld en daardoor kan het God die geest is, ook niet liefhebben, dus zich aan de grote eis van de wet niet onderwerpen. Voor de geestelijke mens geldt: zoek eerst Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid, dit wil zeggen: het volbrengen van zijn geestelijke wetten en wat u nodig hebt in de zienlijke wereld, zal u bovendien geschonken worden (Matth.6:33).

Met het vlees bedoelt de Schrift allerminst het lichaam op zichzelf. Gods Geest wil immers in ons, dat is in ons lichaam, wonen. Ons lichaam wil Hij tot zijn Tempel. God haat het vlees niet, want Hij heeft zijn Woord (zijn Logos en niet God zelf), vlees laten worden. De uitdrukking ‘in het vlees zijn’ betekent hier niet, volgens het normale spraakgebruik (Hebr.5:7,8), in leven zijn, maar geeft een bepaalde manier van denken aan, alleen gericht op de genoegens van deze aarde. Deze beeldspraak geldt ook voor hen die het zoeken in allerlei religieuze vormen en ceremonieën, die het ‘vrome’ vlees bevredigen (Col.2:23). Wie met de gedachte speelt of zelfs als evangelie verkondigt, dat het volgen van Jezus gepaard gaat of beloond wordt met een overvloed van aards genot en aardse rijkdom, vergist zich wel heel erg, want hij is in het vlees en God zoekt aanbidders in geest en in waarheid (Joh.4:24). Paulus zegt immers ook: ‘Als wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen’ (1 Cor.15:19).

‘Die in het vlees zijn’ verzamelen hun schatten niet in de hemel. Zij kunnen dat ook niet, want de menselijke geest is niet sterk genoeg om de begeerten van de boze geesten, die aardsgericht zijn, te overwinnen. ‘In het vlees zijn’ betekent: de zondemachten dienen. De ‘overste van deze wereld’ wil ‘de leden’ van de mens in zijn dienst hebben om zijn wetteloze werken in de zichtbare wereld te openbaren. Zijn heerschappij blijkt uit iedere verstoring van de wetmatigheid en harmonie in de schepping. Men kan God alleen behagen door het geloof (Hebr.11:6). Met dit geloof beweegt zich de mens in de onzienlijke wereld, want het geloof is ‘het bewijs van de dingen die men niet ziet’ (Hebr.11:1).

‘In de Geest zijn’ (vers 9), betekent leven door het geloof. ‘In het vlees zijn’ berust op een bepaalde manier van denken dat gericht is op de zintuiglijk waarneembare wereld. Op deze manier leert men God die geest is, niet kennen, noch zijn wil, noch zijn plan verstaan. Zo is het ook onmogelijk Hem te behagen. Wanneer een mens vernieuwd is in zijn denken, wordt zijn verstand geopend (Luc.24:45) en kan hij ook de bovenzinnelijke of geestelijke wereld onderscheiden. Zo’n geestelijk mens leert Gods wil kennen en de diepste gedachten van God en zijn plan. Hij kan door de kracht van God zijn leven daarop afstemmen en zo God blij maken.

‘Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, als de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem’ 9.

Als de Geest van God in ons is, zijn wij ‘in de Geest’. Als het Woord van God in ons is, zijn wij in het Woord. Als Christus in ons is, zijn wij in Christus. Wij zijn in het vlees, als de zondige begeerten in ons zijn. Wij zijn ‘niet in het vlees’ als wij weigeren te luisteren naar de verwekkers van de verkeerde lusten. Als wij ‘in de Geest’ zijn, zullen wij luisteren en geleid worden door de Geest, die in ons woont. Opvallend is in de verzen 9-11 het gebruik van het voegwoord ‘als’: ‘Als de Geest van God in u woont’, ‘als iemand echter de Geest van Christus niet heeft’, ‘als Christus in u is’ en ‘als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont’.

Er waren onder de lezers van de apostel Joden voor wie het Koninkrijk der hemelen nog gesloten was. Er zijn ook nu naamchristenen die op het niveau leven van de leerlingen van Johannes de Doper. Op de vraag: ‘Hebt u de Heilige Geest ontvangen, toen u tot het geloof kwam?’ (Hand.19:2) moeten zij ontkennend de schouders ophalen. Zij kunnen niet van opnieuw geboren worden of bekering spreken. Hoewel zij als christenen te boek staan, leven zij innerlijk nog in het oude verbond. Hun denkwereld is oudtestamentisch, hoewel zij wel geloven in de schuldvergeving door het bloed van het Lam van God. Maar zij hebben niet het minste besef van het Koninkrijk der hemelen of de onzienlijke wereld.

  • De vraag kan dus gesteld worden: ‘Hebt u de Heilige Geest ontvangen? Bent u in Gods Geest gedoopt?’ Bij deze doop wordt de geest van de mens verbonden met de Geest van God. Deze woont dan in het ‘hart’ of in de innerlijke mens van de gelovige.

In het oude verbond was de Geest van God wel bij de gelovige, maar had geen blijvende woning in hem gemaakt. Daarom staat er: ‘Op de dag dat Ik hen bij de hand nam’ (Hebr.8:9). In het oude verbond woonde God te midden van zijn volk in de tempel en daar was de plaats van aanbidding. In het nieuwe verbond maakt God woning in zijn volk door zijn Geest. De gemeente is dan de tempel van God en haar leden aanbidden in geest en in waarheid. De menselijke geest hoort nu bij de Heilige Geest, zoals een vrouw aan de man: ‘Of weet u niet, dat wie zich aan een hoer hecht, één lichaam met haar is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot één vlees zijn. Maar die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:16,17). De tent van God is bij de mensen. God komt tot ons en in ons, zoals er staat: ‘Daarom zal een man (beeld van de Heilige Geest) zijn vader en zijn moeder verlaten (uitgaande van de Vader en van de Zoon) en zich aan zijn vrouw (de gemeente) hechten, en die twee zullen tot één vlees (één geest) zijn. Dit geheim is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente’ (Ef.5:31,32).

Tot zijn dertigste jaar was Jezus een man met een zuivere ongeschonden menselijke geest, als een kind dat geheiligd is in zijn vader. Daarna ontving Hij Gods Geest na zijn doop IN het water van de Jordaan. Door deze Heilige Geest was Hijzelf opgewassen tegen de verzoekingen van de duivel, werd Hij geschikt gemaakt voor zijn opdracht, behaalde Hij zijn overwinningen en dreef Hij de machten van de duisternis uit bij allen die door de duivel overweldigd waren. Tijdens zijn lijden aan het kruis week Gods Geest van Hem. De Vader had Hem verlaten, maar toen Hij stierf, werd zijn menselijke geest opnieuw met Gods Geest verbonden, want Hij legde zijn geest in handen van de Vader en de hand van God is het beeld van de Heilige Geest.

De apostel Petrus schrijft hierover: ‘Hij die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest’ (1 Petr.3:18). In onze tekst wordt de Geest van God aangeduid door ‘de Geest van Christus’, want hiermee wordt niet bedoeld de menselijke geest van Jezus, die alleen in Hem woont als hoofd van de gemeente, als oudste Broer of als de Mensenzoon. ‘De Geest van Christus’ is de Levensgeest van het Lichaam van het Heer, de gemeente. In wie deze Geest woont, hoort in de onzienlijke wereld bij ‘de vrouw van het Lam’. Van deze Geest schreef Paulus: ‘Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen en allen zijn wij met één Geest gedrenkt’ (1 Cor.12:13). Ook voor de Corinthiërs gold natuurlijk de voorwaarde: ‘Als de Geest van God in u woont’. ‘Of bent u niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is?’ (2 Cor.13:5).

De Corinthiërs waren wel gedoopt met Gods Geest, maar hadden nog weinig inzicht hoe deze Geest Zich in hun levens wilde openbaren. Velen waren onzeker, omdat zij de uitingen van het Geest misten, want de apostel schreef, dat hij niet wilde dat zij onkundig hierover zouden zijn en hij wilde, dat allen in talen zouden spreken (1 Cor.12:1 en 14:5). Voor de kerkganger die zich niet bewust is, dat Gods Geest in hem woont, geldt: maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen, die daar leeft, zich beweegt, daar wandelt en strijdt, is groter dan hij, Johannes de doper (Matth.11:11).

De tegenstelling in onze tekst is niet: gelovig of ongelovig, serieus of minder ernstig, maar vleselijk of geestelijk, zich alleen bewegende in de zichtbare wereld of ook in de onzichtbare wereld. Men heeft de Heilige Geest nodig om als nieuwe schepping te kunnen functioneren en om te wandelen in de hemelse gewesten. Wie terugvalt in de zichtbare wereld en contact opneemt met de overste van deze wereld en met diens trawanten, bedroeft de Geest die in hem woont. Dit herinnert ons aan de waarschuwing gericht tot de gemeente in Efeze, waarvan de leden de Heilige Geest ontvangen hadden: ‘Herinner u dan van welke hoogte (in de onzienlijke wereld) u gevallen bent en bekeer u’ (Openb.2:5). Tot de Galaten werd gezegd: ‘U bent begonnen met de Geest, eindigt u nu met het vlees?’ (Gal.3:3). Dezen keerden immers terug tot inzettingen en geboden van mensen, die alle op het uiterlijke ingesteld zijn.

Tegen de Corinthiërs zei de apostel: ‘Want als er onder u nijd en ruzie is, bent u dan niet vleselijk en leeft u niet als onveranderde mensen?’ (1 Cor.3:3). De vleselijke Corinthiërs bedachten niet meer de dingen die boven waren, maar die op de aarde waren en hun strijd was daarom naar de lagere regionen verlegd. Zoals de Heilige Geest bij een gelovige komt inwonen, zo kan Hij hem ook weer verlaten, van hem heengaan of Zich terugtrekken. In dit hoofdstuk van de Romeinenbrief gaat het echter om de ‘zonen van God’ (vers 14), die door de Heilige Geest geleid worden en naar wier openbaring de zuchtende schepping reikhalzend uitziet.

‘Als Christus echter in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. En als de Geest van Hem Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zal Hij Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont’ 10,11.

Paulus gaat hier van de zekerheid uit, dat Christus in de gelovigen woont door zijn Geest. Het is immers een abnormale toestand voor een christen, als hij niet met Heilige Geest gedoopt is. Maar dan stuit de apostel op de moeilijkheid: hoe is het dan met het lichaam van de gelovige? Heeft dit dan ook eeuwig leven? De praktijk leert dat het lichaam nog sterfelijk is. Hoewel de gelovige met de boze geesten gebroken heeft, blijft toch waar: ‘Zoals het de mensen beschikt is, eenmaal te sterven’ (Hebr.9:27).

Eenmaal heeft satan, de leugenaar vanaf het begin, de macht van de mens over de aarde overgenomen. De zondemachten deden hun intree en in hun gevolg waren de ziektemachten, die het lichaam naar de dood voeren. Door de vernieuwing van de menselijke geest worden met hulp van de Heilige Geest allereerst de zondemachten overwonnen: ‘Ieder, die de naam van het Heer noemt, breekt met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19). Hierdoor wordt de ziel gereinigd en gaat zij in gerechtigheid functioneren. Het herstel begint van binnenuit, dit wil zeggen in de onzienlijke wereld wordt de geest vernieuwd en dan de ziel genezen. Tenslotte zal ook het lichaam de kracht en de herstellende werking van de Geest ervaren. Deze werkt natuurlijk samen met de menselijke geest en is leven vanwege de gerechtigheid, die Hij bewerkt.

Men zou hier dus voor het Griekse woord ‘pneuma’, Geest met een hoofdletter kunnen schrijven, zoals dit in de hele passage gebeurt. Deze interpretatie zou meer overeenstemmen met de context en met de grootheid en heerlijkheid van dit Bijbelgedeelte, maar de goddelijke Geest en de menselijke geest zijn hier zo nauw verbonden, dat een duidelijke scheiding niet meer mogelijk is. Het lichaam hoort bij de zienlijke wereld en is daardoor tastbaar en vergankelijk. Alles waarin een levensgeest is, heeft echter een kracht in zich, waardoor het ondanks zijn vergankelijkheid, zich ontplooien en ontwikkelen kan. Een steen kan alleen maar vergaan, maar niet groeien of zijn afbraakproces stuiten. Hiervoor is leven nodig.

De levensgeest is ook de kracht die het afweermechanisme tegen schadelijke en ontbindende invloeden in werking stelt. Ziektemachten tasten niet het lichaam, maar de levensgeest aan, zodat deze zijn functie van herstel en groei niet goed meer kan vervullen. De afbrekende en vernietigende invloeden krijgen hierdoor vrij spel en het lichaam wordt ziek, veroudert en sterft. Door de zonde heersen boze geesten als koning wordt een scheiding gemaakt tussen God die leven is en de ziel. Ook de levensgeest heeft de beïnvloeding hiervan ondergaan en wordt onderdrukt. De functies van het lichaam zijn hierdoor meer of minder beschadigd, wat een stervensproces tot gevolg heeft. ‘Het lichaam is dood vanwege de zonde’ betekent dus, dat het lichaam niet goed meer functioneren kan en uiteindelijk hiermee ophoudt. Wanneer Gods Geest verbonden met de menselijke geest de ziel tot nieuw leven heeft gewekt en haar geheeld, zal de Heilige Geest ook zijn invloed laten gelden op de levensgeest, die het lichaam onderhoudt. Ook dit zal van zijn vijanden verlost, herleven en met nieuwe kracht functioneren. Daarom staat er: ‘Hij zal ons sterfelijke lichaam weer levend maken’.

Om zijn bewering kracht bij te zetten, beroept Paulus zich op het werk, dat Gods Geest aan Jezus gedaan heeft. De Vader heeft zijn Zoon uit de doden opgewekt en deze is door de kracht van Zijn Geest opgestaan uit de doden. Dit verschil in betekenis tussen opwekken en opstaan kunnen we illustreren met een voorbeeld: er is een signaal nodig om een slaper te wekken, maar deze moet zelf de kracht bezitten om op te staan. Er staat dus dat de Vader, Jezus opgewekt heeft en dat diens goddelijke Geest Hem de kracht gaf op te staan. Een Geest die zulke regenererende kracht heeft, is ook in staat de beschadigingen van ons lichaam te herstellen. Op deze manier kunnen onze leden bij uitstek wapens worden van de gerechtigheid. Om tot dit totale herstel van geest, ziel en lichaam te komen, zijn geloof en geduld nodig. Wij moeten deze hoop op herstel vast blijven houden en: ‘die volharding moet volkomen doorwerken, zodat u volkomen en onberispelijk bent en in niets te kort schiet’ (Jac.1:4). Wanneer Paulus over algehele heiliging spreekt, noemt hij niet alleen geest en ziel, maar ook het lichaam, dat ‘in allen delen onberispelijk bewaard’ zal blijken te zijn (1 Thess.5:23).

Geen wonder dat hij deze algehele volmaaktheid verbindt met de komst van de Heer. Wanneer de gelovige deze volwassenheid bereikt heeft, is hij ook klaar om in een ondeelbaar ogenblik veranderd te worden, zodat zijn vergankelijk, sterfelijk en vernederd lichaam, onvergankelijkheid, onsterfelijkheid en heerlijkheid aandoet.

  • Dit herstel van de mens is een proces. In het Koninkrijk van God gaat niets automatisch en slechts zelden met een schokeffect.

Van de innerlijke mens staat, dat deze van dag tot dag vernieuwd wordt en van het lichaam van een zieke, dat het na handoplegging en gebed gezond zal wórden (Jac.5:15). Daarom zullen wij op zieken de handen leggen en zij zullen genezen wórden (Marc.16:18). De Heilige Geest, waardoor dit hele herstel mogelijk is, wordt in vers 10 genoemd ‘Christus in u’ en in vers 11 ‘De Geest van God’. Bij het herstel neemt de Geest met zijn kracht en gaven de leiding in ons leven op Zich. Het is immers de bedoeling van God dat wij zijn medewerkers zullen zijn en ons lichaam heeft ook deel aan deze zegen. Het is een tempel van de Geest en geen blok aan het been van de geestelijke mens, geen gevangenis waarin de ziel opgesloten is of een pop waaruit de vlinder zich moet losmaken. Ons lichaam is het huis van God even goed als het onze en het is zijn belang evenals van ons, dat het gezond is. Daarom mag de zieke op grond van dit vers ook voor zijn genezing pleiten. Veel uitleggers menen dat hier sprake is van de opstanding van de doden. Er staat echter niet, dat de Geest ons gestorven lichaam levend maakt. Ondanks dit herstel blijft het lichaam sterfelijk tot het ogenblik dat de laatste vijand, de dood, ook overwonnen wordt.

‘Welnu, broers, wij zijn aan het vlees niet verplicht om naar het vlees te leven. Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven. Als u echter door de Geest de daden van het lichaam doodt, zult u leven’ 12,13.

Wij mogen niet naar het vlees leven om aardsgericht bezig te zijn. Als iemand naar het vlees leeft, als een christen zo terugglijdt of verslapt dat hij weer gaat luisteren naar de vijand, die boze begeerten in hem opwekt, vervreemdt hij van God en deze scheiding wordt zijn ondergang of dood. Er is sprake van ‘daden van het lichaam’, wanneer satan het lichaam gebruikt om zijn intenties in de zienlijke wereld te openbaren. Hoe kan men deze werken doden? Door de wet van de Levensgeest en niet door het onderhouden van de wet van de Sinaï. De wet van Gods Geest, die in het lichaam van Christus, de gemeente, functioneert, voert tot verlossing, bevrijding en tot volheid of volmaaktheid. ‘Doden’ wil zeggen: een halt toeroepen. Dit gebeurt, als men door Gods Geest de begeerten, die de duivel opwekt, weerstaat. Dan is het lichaam voor de Heer en de Heer voor het lichaam. Dan verheerlijkt men God met het lichaam (1 Cor.6:13,20).

De oplossing van het zondeprobleem ligt niet in vernedering, zelfverloochening, kastijding van het lichaam, het zich onthouden van voedsel of in het volgen van beperkende voorschriften, maar alleen in het geloof dat Hij, die in ons is, meerder is dan die in de wereld is. Wie op de Heer zijn vertrouwen stelt, gelooft in de kracht en in de wijsheid van de Geest van God die in hem tegenwoordig is. De Geest wekt in ons gedachten over en de begeerte naar het goede, welgevallige en volkomene. Hij vult ons met de gedachten van God, die ten leven leiden.

‘Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, zijn zonen van God’ (14 King James Version).

Wie zijn het die leven of functioneren naar de wetten van God? Wie boeken de overwinningen op de boze begeerten van het vlees? Het voegwoord ‘immers’ legt het verband met het antwoord in dit vers. Het zijn allen die door Gods  Geest geleid of bestuurd worden. In hen komen de gedachten van God op. In het Koninkrijk van God is God de ‘vader’ van de gedachten en woorden, die in de gelovigen gelegd worden en door hen in deze wereld worden geopenbaard. Daarom is er sprake van ‘zonen’ van God. Bij de eerste schepping werd Adam ook de ‘zoon van God’ genoemd, omdat hij in de natuurlijke wereld door God was voortgebracht. Bij de herschepping wordt de innerlijke en onzichtbare mens tevoorschijn gebracht om te gaan functioneren in het Koninkrijk van God. Omdat de mens zijn geloof op God gaat richten en zijn schuld vergeven is, wordt zijn geest hernieuwd. Dit is het begin van een nieuw leven in de onzienlijke wereld. Zijn gedachteleven wordt herboren en zo ontvangt deze vernieuwde mens die kostelijke en glorierijke naam ‘zoon van God’.

De vernieuwing van denken loopt parallel met de rechtvaardigmaking door het geloof. De mens is zich bewust dat zijn schuld in de hemelse gewesten is weggenomen en hij dus vrijmoedig tot de Vader kan gaan. Wij kunnen de nieuwe geboorte vergelijken met de natuurlijke geboorte. Voordat een kind geboren wordt, is het wel aanwezig, maar in de schoot van de moeder en in het verborgene. Het leeft en ontwikkelt zich daar nauw verbonden met en geheel afhankelijk van de moeder. Bij de geboorte treedt het naar buiten en gaat een geheel nieuw bestaan leiden. Pas dan zegt het ouderpaar: ‘Wij hebben een zoon, of dochter!’

Zo treedt bij het opnieuw geboren worden de geestelijke mens tevoorschijn in de hemelse gewesten. Eerst leefde hij een bestaan dat geheel verweven was met de aarde en de zienlijke wereld, waar helaas satan als koning heerst en hem in zijn ontwikkeling en ontplooiing veel schade toebracht. Bij zijn nieuwe geboorte, of letterlijk geboren worden van bovenaf, gaat de gelovige zijn plaats innemen in de onzienlijke of geestelijke wereld en functioneren als geestelijk mens. Na de natuurlijke geboorte wordt een kind losgemaakt van de placenta en wordt dus het contact met zijn vroegere leven totaal verbroken. Zo moet ook de mens die in de hemelse gewesten gaat leven, met het oude leven breken. De geestelijke navelstreng moet doorgesneden worden (Ez.16:4). Voortaan leeft hij dan niet meer als iemand die van de aarde aards is, aards denkt en leeft bij de zintuiglijk waarneembare dingen, maar vanuit het Koninkrijk van God, waar hij als zoon is geadopteerd. Met zo’n opnieuw geboren innerlijke mens kan God Zich verbinden door de doop met Heilige Geest. Deze Geest wil de leiding op Zich nemen. Hij wil de innerlijke mens inspireren, dat is tot God zijn.

Toen Mozes zijn broer Aäron naast zich kreeg om het woord te voeren, werd gezegd: ‘Hij zal voor u tot het volk spreken en zo zal hij u tot een mond zijn en u zult hem tot God zijn’ (Ex. 4:16). Aäron werd dus geleid door de geest van Mozes en deze weer rechtstreeks door God. Aäron sprak de gedachten van Mozes uit en deze was zijn god of inspirator. Zo wordt de geestelijke mens geïnspireerd door Gods Geest, die het op zijn beurt neemt uit Jezus, die het Woord van God genoemd wordt. Zo is in de geestelijke wereld de opnieuw geboren mens, die de gedachten van God openbaart, een zoon van God. De uitdrukking ‘zonen van God’ ziet dus niet op de natuurlijke afkomst, maar op de geestelijke. Wanneer de innerlijke mens in de hemelse gewesten begint te functioneren en daar zijn leven, zijn kracht, zijn wijsheid en zijn kennis vandaan haalt, is hij een zoon van God. Daar is hij dan een broer van ‘dè Zoon van God’.

Jezus was als ‘Mensenzoon’ een broer van het hele menselijke geslacht, maar als opgestane Heer is Hij alleen broer van hen die opnieuw geboren zijn en door de Geest geleid worden. In de herschepping is het geestelijke het eerst. Vervuld wordt, wat in hoofdstuk 9:26 staat: ‘En het zal zijn dat op de plaats (in de hemelse gewesten), waar tegen hen gezegd was: U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij zonen van de levende God genoemd worden.’ Naar de openbaring van deze ‘zonen van God’ verlangt de hele zuchtende schepping (vers 19). De ‘zonen van God’ leven niet naar de aard van het vlees, maar naar de geest. Zij houden niet in de eerste plaats rekening met de zintuiglijke wereld of worden niet door de omstandigheden geleid: door wat zij zien, horen, voelen of tasten. Zij reageren vanuit de onzienlijke wereld. Hun hele leven speelt zich boven af en zij zijn daarom geestelijke mensen.

God leidde Israël door de wet van de Sinaï. Hij nam het volk bij de hand, zoals men dit een weerspannig en lastig kind doet (Hebr.8:9). De zonen van God worden echter door de Geest geleid, zoals een kind door een leerkracht, of een reiziger door een gids, of een vrouw door haar man. Wanneer iemand geleid wordt door boze geesten, gebeurt dit onder dwang; dan wordt de geest van de mens onder druk gezet of uitgeschakeld. Hier is echter sprake van een trekken met banden van de liefde en een vrijwillige overgave van de mens aan de zorgzame en liefdevolle leiding van de Geest. Zo groeien de zonen van God op tot volwassenheid en de Geest stimuleert en bewaart hen door hun zijn kracht en zijn gaven mee te delen en te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel.

‘Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van het zoonschap ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!’ 15.

Paulus confronteert zijn lezers met hun verleden. De heidenen onder hen waren slaven van de zonde geweest en de Joden slaven van de wet en daarom ook van de zonde. Voor beide categorieën gold, dat zij ‘tijdens hun hele leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren’ (Hebr.2:15). De apostel spreekt nog over een ‘geest’ of een macht van slavernij in verband met de zonde en de wet. Wie van de heidenen zich tot het Jodendom bekeerde, moest ‘opnieuw vrezen’, want hij werd opnieuw slaaf. Wie zich tot het christendom bekeerde, werd een ‘zoon’ en een zoon is vrij en hoeft niet bang te zijn voor zijn vader. Hij is geen slaaf van de zonde meer, maar ook geen slaaf van de wet. Er is een ‘geest van slavernij, maar ook is er de Geest van het zoonschap’. Wie geestelijk heeft leren denken, aanvaardt deze inzichten van de onzienlijke wereld als realiteiten uit het rijk van satan en uit het Koninkrijk van God.

De uitdrukking ‘Abba Vader’ vinden wij ook in Marcus 14:36 en Galaten 4:6. Uit deze drie teksten kunnen wij afleiden, dat de Aramese aanspraak ‘Abba’ in de christelijke kerk was overgegaan, zoals dit ook het geval was met het woord ‘maranatha’, dat ook in het spraakgebruik van de gemeenten buiten Palestina overgenomen was. Achter het veelgebruikte Aramese ‘Abba’ wordt nog het Griekse ‘Vader’ toegevoegd, wat niet als vertaling is bedoeld. Men gebruikte het woord ‘Abba’, omdat de Heer dit in zijn gebed ook deed.

Op veel plaatsen in de Bijbel verstaat men onder de ‘Naam’ God zelf. Zijn Naam is de openbaring van zijn Wezen. De psalmist zegt, dat wij op zijn Naam mogen vertrouwen, of: ‘Hoe heerlijk is uw Naam op de hele aarde’. Deze Naam is dan heilig en geducht en men mag die Naam aanroepen. Namen waarmee God ook genoemd wil worden, zijn dan: de Almachtige, de Eeuwige, de Allerhoogste, de Heilige van Israël, en niet te vergeten Jahwe met al zijn bijvoegingen als Jehova Nissi, Jehova Zebaoth, Jehova Tzidkenoe, enzovoort. Ook in het laatste Bijbelboek vallen ons uitdrukkingen op als: Almachtige, Koning van de volken, God van de hemel, enzovoort.

In het Hogepriesterlijk gebed zegt de Heer: ‘Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt’ (Joh.17:6). In dit gebed spreekt Hij God aan als Vader. Hier zien wij het grote verschil tussen het oude en het nieuwe verbond. Waar het woord ‘Vader’ in het Oude Testament voorkomt, wordt dit niet gebruikt als uitdrukking van een speciale relatie tussen God en zijn volk; het persoonlijk verband ontbreekt. Men nam het Jezus zelfs zeer kwalijk dat Hij God zijn eigen Vader noemde. Wie de concordantie raadpleegt, merkt direct dit enorme verschil tussen oud en nieuw verbond op. Wanneer de apostel hier en in Galaten 4:6 schrijft, dat de Geest in ons roept: ‘Abba, Vader’, zouden wij dit kunnen zien als de ‘roepnaam’ van God voor zijn kinderen. De nauwe band tussen God en de gelovigen wordt al in de Bergrede uitgedrukt met de woorden: ‘Uw Vader die in de hemel is’. Op talrijke plaatsen en in het bijzonder in het evangelie van Johannes gebruikt Jezus de Vadernaam. En wie in Christus is en in zijn woorden blijft, mag deze Naam als uitdrukking van intieme verbondenheid overnemen.

‘Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn’ 16.

Wie met Gods Geest gedoopt is, bezit twee geesten die samen in de innerlijke mens leven en de natuurlijke mens maken tot een tempel van God in de geest. De menselijke geest heeft in de goddelijke Geest een huwelijkspartner. De eigen geest wordt niet opgelost in Jezus, zoals een lied zegt, niet verbroken of vernietigd, maar wel herboren of vernieuwd. Zoals een vrouw in haar huwelijk zich op een positieve manier moet leren aanpassen aan haar man en onder zijn invloed verandert, zo moet ook de mens zich leren aanpassen aan de gedachten van de Heilige Geest, onder wiens leiding hij vernieuwd zal worden van dag tot dag.

Het is heerlijk om door Jezus als zijn ‘broer’ of als zijn ‘vriend’ te worden aangemerkt, maar ver boven deze verhoudingen uit, gaat het woord ‘levenspartner’. Als zijn ‘gemeente en vrouw’ zijn wij ‘deelgenoten van de hemelse roeping’ en is onze plaats met Hem op de troon van de Vader (Openb.3:21). Het beeld ‘vrouw van het Lam’ heeft een diepere betekenis dan het beeld van ‘kinderen van God’. Wij zagen dat de Geest onze geest inspireert met de gedachten van God, die groot is, goed, vol ontferming en goedheid. In dit vers is er sprake van het ‘getuigen’ van de Geest met onze geest, dat wij kinderen van deze Vader zijn. Het gaat hier dus niet om het feit, hoe wij kinderen van God geworden zijn en hoe wij dat weten. Dit is immers een zaak van geloof. Wij hebben het Woord van God aangenomen en wie dit gedaan hebben, ontvangen macht om kinderen van God te worden, hun, die in zijn Naam (als Vader) geloven (Joh.1:12).

Wanneer gevraagd wordt: ‘Hoe kun je zeker weten of je wel een kind van God bent?’ is het antwoord: ‘Aanvaard wat Hij gezegd heeft, geloof in de beloften van God’. In onze tekst gaat het over ‘getuigen’, dit wil zeggen spreken over wat men gehoord en gezien heeft, dus van iets dat een feit geworden is. De Heilige Geest met de menselijke geest kan dus slechts getuigen van het feit dat hij kind van God geworden is. Het leven van een kind van God is in de hemel of onzienlijke wereld en wel aan de lichtzijde, het Koninkrijk van God. Zijn getuigenis gaat uit in de zienlijke wereld door de woorden die het spreekt, door zijn wezen dat geheel veranderd is, door zijn wandel in gerechtigheid, ‘vrede en blijdschap en door zijn werken, waarin het zich als medewerker van God betoont. Heel deze vernieuwing en verandering zullen staan in het teken van de kracht van God en van de geestelijke gaven. Uit alles zal blijken dat dit ‘kind’ van God geleerd is, dat het door het bloed van Jezus werd gereinigd, dat het van de machten is verlost, en geheeld, bezig is naar de volmaaktheid toe te groeien.

‘En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; wanneer wij tenminste met Hem lijden, zodat wij ook met Hem verheerlijkt worden’ 17.

De apostel wijst erop dat de kinderen van God erfgenamen zijn. De erfenis bestaat uit geestelijke rijkdommen, want er is sprake van een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is’ (1 Petr.1:4). Deze erfenis wordt geleidelijk in bezit genomen, zoals Israël het land Kanaän gaandeweg veroverde. Als onderpand van deze erfenis ontvangen de kinderen van God zijn Geest ‘tot verlossing van het volk’ (Ef.1:14). Door deze Geest, die Zich met zijn gaven in hen begint te ontplooien, worden zij verlost uit de hand van al hun vijanden, de boze geesten. Door deze Geest worden zij hersteld en krijgen zij ook deel aan de goddelijke natuur (2 Petr.1:4). Zij worden dan koningen en priesters in de onzienlijke wereld en gelijkvormig aan het beeld van Jezus Christus.

Zij zijn erfgenamen van het Koninkrijk van God, dat vrede, gerechtigheid en blijdschap inhoudt. Zij zijn mede-erfgenamen van Christus, omdat Hij door zijn Geest in hen woont en zij dus bij hetzelfde gezin horen en daarom ook met Hem erven: de goddelijke wijsheid, de goddelijke kracht, het koningschap, de liefde en alles wat uit God is. Ook erven zij met Hem de heerschappij over al de werken van Gods handen. Jezus is de erfgenaam van alle dingen (Hebr.1:2) en zijn mede-erfgenamen zullen op zijn troon zitten, zoals Hij op de troon van zijn Vader zit. Als mede-erfgenamen zullen zij uit kracht van hun vereniging met Hem ‘alles erven’ (Openb.21:7).

In Deuteronomium 32:8 staat dat God de grenzen van de volken gesteld had naar het getal van de kinderen van Israël. Hij groepeerde de volken om het uitverkoren volk. Zo heeft God in het betere verbond de redding en verlossing van de wereld geconcentreerd in het geestelijke Israël met zijn koning, Jezus Christus. Als wij delen in het lijden van Jezus en met Hem gestorven zijn, delen wij ook in zijn opstanding en in de heerlijkheid die ermee gepaard gaat. Deze identificatie met Christus beschreef de apostel al uitvoerig in hoofdstuk 6:1-14. Wie zo nauw met Christus verbonden is, zal ook ervaren dat de machten van de duisternis, die Jezus aanvielen, het ook op hem gemunt hebben, zoals er staat: ‘Want zoals het lijden van Christus overvloedig over ons komt’ (2 Cor.1:5).

De natuurlijke christen kent alleen het lijden dat de mensen hem aandoen en het noodlot door ziekte en ongeval. Misschien schrijft hij dit laatste ook wel aan de hemelse Vader toe. Hij herkent geen lijden dat rechtstreeks uit de hemelse gewesten tot hem komt, maar degene die in de hemelse gewesten bekend is, weet dat de duivel én rechtstreeks én door mensen heen, zijn wetteloze en redeloze aanvallen doet. Ook in Filippenzen 3:10,11 verbindt de apostel ‘de gemeenschap aan Zijn lijden’ met het deel krijgen aan Zijn verheerlijking bij de opstanding van de doden. Dan zal hij als bekroning van zijn innerlijke opstanding en verheerlijking, ook een onverderfelijk opstandingslichaam ontvangen. De regel voor de gelovigen is: ‘Als wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen’ (2 Tim.2:12).