Hebreeën 6:9-20
‘Ook al spreken wij zo, geliefden, wat u betreft zijn wij echter overtuigd van betere dingen, die met de redding samenhangen’ 9.
De apostel is overtuigd en hoopt dat deze Hebreeën niet helemaal zullen wegglijden. Hij heeft tot hen gesproken om hen te waarschuwen. Hij wil vooral de zwakken in het geloof stimuleren om door te gaan en vol te blijven houden, zodat zij de redding zullen ontvangen. Velen van hen hebben wel de intentie om goede vruchten voort te brengen. Zij willen wél volharden in het geloof en daar hangt hun redding van af. Hun goede werken of vruchten vormen het kleed van de gerechtigheid, waarmee hun innerlijke mens bedekt is (Op.19:8). In Jesaja 61:10,11 is sprake van het kleed van de redding en dat de rechtvaardigen gezien zullen worden door alle volken.
‘Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de heiligen gediend hebt en nog dient’ 10.
Veel Hebreeën hadden schatten in de hemel verzameld en in hun leven was het fundament gelegd. Maar er was nog weinig opbouw geweest. Alles bleef in de kinderschoenen staan. Ze waren altijd bereid de heiligen in de naam van Jezus te helpen en te ondersteunen, iets wat ook nu in veel gemeenten voorkomt. Denk eens aan het opnemen van kinderen om een ander gezin tijdelijk te ontlasten en het elkaar helpen in tijden van nood. Er zijn heel veel gelovigen die nog niet gevorderd zijn, maar die wel altijd bereid zijn geld en tijd te offeren om anderen bij te staan. De Heer ziet deze vriendelijkheid en barmhartigheid en vergeet het niet.
‘Maar wij verlangen ernaar dat ieder van u dezelfde inzet toont, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe, zodat u niet traag wordt, maar navolgers bent van hen die door geloof en geduld de beloften erven’ 11,12.
Maar het is Paulus’ grote verlangen dat zij, die ernaar gestreefd hebben om het fundament in hun leven rond te krijgen en die hun best doen om hun medebroers en zusters voort te helpen, zich ook haasten om de hoop op de heerlijkheid van het zoonschap te realiseren, totdat het einde, het doel, de volmaaktheid, bereikt is. Ze moeten wat dit betreft niet traag worden en zich niet alleen in uiterlijk dienstbetoon verliezen of bezighouden, maar het doel voor ogen blijven houden. Zij mogen het geloof in Gods bedoeling niet verliezen en zeggen: ‘Dit bereiken we toch nooit’ en niet ongeduldig of opstandig worden, maar geduld oefenen (2 Petr.3:4; Jac.5:7-11), want op deze manier hebben alle geloofshelden bereikt en ontvangen wat God hun beloofd had.
De belofte van God aan Abraham als anker voor de ziel
‘Want toen God Abraham de belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, omdat Hij bij niemand die hoger was, kon zweren’ 13.
Paulus schreef in het vorige vers dat de gelovigen in het Nieuwe Testament navolgers moeten zijn van de gelovigen van alle tijden, die de beloften die zij ontvangen hadden, vasthielden en wanneer deze niet direct vervuld werden, volhardden en geduld oefenden. Als voorbeeld van zo’n gelovige noemt hij Abraham, die rijke beloften van de Heer ontvangen had en deze niet losliet, zelfs niet toen de Satan hem inspireerde om zijn enige zoon te vermoorden, aan wie de belofte verbonden was (zie ‘Het offer van Abraham’). Zijn geloof in God en zijn vertrouwen in Hem was zo groot, dat hij zei dat de Heer in staat was, Izak uit de doden op te wekken, want hij twijfelde niet aan de waarmaking van de belofte. Abraham werd niet opstandig, kwam ook niet met twijfelvragen bij God, maar oefende geduld. God waardeerde dit geloof en vertrouwen zo zeer, dat Hij aan Abraham zijn belofte nog eens herhaalde en ditmaal door een eed (Gen.22:16,17).
‘Hij zei: Zeer zeker, rijk zal Ik u zegenen en overvloedig zal Ik u in aantal doen toenemen. En zo heeft hij de belofte ontvangen na daar geduldig op gewacht te hebben’ 14,15.
Deze belofte was dezelfde die Abraham al verschillende malen van de Heer ontvangen had (Gen.12:2, 13:16, 15:5, enz.). Na de laatste beproeving van zijn geloof en geduld, heeft God voor de laatste maal aan Abraham de belofte vastgelegd en wel door een eed. Hij zou hem zeker zegenen en hem zeker vermeerderen en zijn zaad tot een groot volk maken. Abraham zelf heeft op aarde de hele realisatie van deze belofte niet gezien, maar na zoveel eeuwen mogen wij constateren dat zij vervuld is en nog vervuld wordt. Het nageslacht of zaad is immers Christus en allen die zich bij Hem voegen, worden zaad van Abraham genoemd. Abraham heeft geduld moeten oefenen om het begin van de vervulling te zien. Hij zag nog de zonen van Izak. Jacob en Ezau waren 15 jaar toen Abraham stierf. De volkomen vervulling laat nog op zich wachten, want de belofte is ook nu nog van kracht. Maar deze belofte zal wèl vervuld zijn wanneer de gemeente haar volmaakte volwassenheid heeft bereikt:
- ‘De eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus’ (Ef.4:13).
- ‘Een gemeente zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en smetteloos’ (Ef.5:27).
- ‘De gemeente die God toebehoort, volmaakt en tot alle goede werken volkomen toegerust’ (1 Tim.3:17).
‘Mensen zweren immers bij iemand die hoger is dan zijzelf en de eed, die hun tot bevestiging dient, is het eind van alle tegenspraak’ 16.
Waarom deed God de laatste keer zijn belofte gepaard gaan met een eed? Hij deed dit om iedere twijfel of onzekerheid volkomen weg te nemen. Wat God spreekt is altijd waarheid, maar zijn beloften zijn conditioneel; er is dus een voorwaarde aan verbonden. Hij spreekt steeds met het voegwoord ‘als’. De condities zijn geloof en gehoorzaamheid. Abraham had hieraan voldaan en daardoor werden de beloften, aan de aartsvader toegezegd, volledig van kracht. God komt nooit terug op de eed die Hij aan Abraham deed. ‘Het verbond met Abraham zijn vriend, bevestigt Hij van (opnieuw geboren) kind tot (opnieuw geboren) kind’.
Waarom legt een mens een eed af? Hij bevestigt hiermee de waarheid van zijn woorden of de vastheid van zijn beloften, door een hogere autoriteit als getuige aan te roepen, aan wie men het oordeel en de straf overlaat.
‘Omdat Hij aan de erfgenamen van de belofte overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raadsbesluit wilde bewijzen, heeft God die bekrachtigd met een eed,’ 17.
Toen God zijn eed gezworen had, viel er niets meer aan de belofte te veranderen. Deze eed was het bewijs dat aan de voorwaarden voldaan was. Abraham en zijn zaad waren nu in het plan van God voor eeuwig ingevoegd. Deze onveranderlijke raad van God is zijn plan, om de mens volmaakt te doen zijn en hem in zijn gemeenschap over al de werken van zijn handen voort te zetten. Om dit doel te bereiken wordt het zaad van Abraham voor altijd ingeschakeld.
‘zodat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden’ 18.
God kon niet zweren bij iets dat hoger was; daarom zwoer Hij bij Zichzelf, maar ook deze eed diende tot bekrachtiging en was het einde van iedere tegenspraak, twijfel of mogelijkheid van verandering. De twee onveranderlijke dingen zijn dus God Zelf die de waarheid is en de eed die Hij zwoer en die de waarheid bevestigde. God spreekt en zweert vanwege de mens. Men legt immers altijd een eed af vanwege een ander. Zijn eed gaf niet alleen zekerheid aan Abraham, maar hij is ook een zekerheid voor degenen die de toevlucht genomen hebben tot het zaad van Abraham, dat is Christus, voor hen die zich dus gevoegd hebben bij Jezus. De zegen was alleen voor Abraham en zijn zonen, dus ook voor hen die in Christus zijn.
Abraham en zijn nageslacht konden de hoop vasthouden op de vervulling van de belofte en daarop pleiten, maar het gééstelijke zaad van Abraham (het geestelijk Israël) mag er óók van verzekerd zijn dat de beloften, die zij ontvangen hebben, realiteit zullen worden. Zij mogen de hoop van de heerlijkheid tot het einde toe onwankelbaar vasthouden.
Wij merken nog op dat God in Christus een nieuw verbond gemaakt heeft, dat op betere en duidelijker beloften berust. De eed aan Abraham gezworen, geldt ook voor Christus en voor allen die ‘in Hem zijn’. De beloften zijn onveranderlijk en kunnen niet op een ander volk overgaan, dus ook niet op een volk wat vandaag Christus niet wil erkennen.
‘Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel, dat vast en onwankelbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom, achter het voorhangsel. Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan, namelijk Jezus, Die naar de ordening van Melchizédek Hogepriester geworden is tot in eeuwigheid’ 19,20.
De hoop van de heerlijkheid is de belofte dat wij gereinigd en geheiligd zullen opgroeien tot het zoonschap en het beeld van Jezus gelijkvormig worden. Deze hoop vindt haar grond in het lijden en sterven van Christus, die met zijn eigen bloed is ingegaan in het hemelse heiligdom, binnen het voorhangsel. Daar heeft de Heer onze schuld verzoend en daarmee ons een grond gegeven voor het anker van de hoop. Hij is de eerste mens die als overwinnaar verheerlijkt is ingegaan in het Koninkrijk van God.
Het binnenste heiligdom is beeld van het Koninkrijk van God. Het was in het oude verbond verborgen en afgesloten. Wij hebben het einddoel nog niet bereikt, maar wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond. Hij is eerst ingegaan om als hogepriester verzoening te doen voor de zonde van de wereld, om daarna opnieuw binnen te gaan als voorloper van hen, die priesters en koningen zijn. Hij zit daar aan de rechterhand van God en heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Onze hoop is dat wij zijn heerlijkheid zullen delen. In het volgende vers begint de schrijver uit te leggen op welke manier Hij koning en priester is naar de ordening van Melchizédek.
