6. Het Bijbels fundament

Hebreeën 6:1-20

Laten wij daarom het eerste onderwijs met betrekking tot Christus laten rusten en doorgaan tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van de leer van de dopen, van de handoplegging, van de opstanding van de doden en van het eeuwig oordeel. En dat zullen wij ook doen, als God het toestaat 1-3.

Hoewel het lijkt of ze het eerste onderwijs nog niet helemaal verwerkt hebben, wil Paulus toch doorgaan. Voor hen die afvallen is dit elementaire onderwijs niet meer nodig. Het zal hen toch niet helpen (vers 4-6). Paulus ziet er geen heil meer in om langer bij het fundament te blijven stilstaan. Hij raadt zijn lezers aan nu het volmaakte te zoeken en zich te richten op de geestelijke volwassenheid. De tempel van God ontstaat niet plotseling, wordt niet kant en klaar bij het sterven geschonken, of bij de wederkomst van de Heer wanneer het vernederde lichaam veranderd wordt in een verheerlijkt, maar het gebouw verrijst door een constante groei. Ten behoeve van zijn joodse lezers geeft de apostel nu een summier overzicht van de eerste beginselen van het christendom, dus van het fundament, waarop de tempel van God wordt gebouwd. Zonder de volgende grondslagen is een stevige, geestelijke opbouw onmogelijk.

Bekering:

Er is een verandering van het hart nodig, een blikverandering met als gevolg een totale vernieuwing van de onzichtbare, innerlijke mens. Dit gold ook voor de godvruchtige jood. Op de Pinksterdag vermaande de apostel Petrus al zijn volksgenoten: ‘Bekeer u’. Zij moesten zich bekeren van dode werken, waarvan zij redding verwachtten; dit betekende dat zij de oudtestamentische gebruiken, wetten en inzettingen moesten loslaten. Deze hadden immers in het nieuwe verbond hun betekenis verloren. Zij moesten de werkelijkheid kiezen voor de schaduw. Bekering is de eerste daad van de mens, die de gehoorzaamheid aan de satanische machten opzegt en die zijn geest richt op Jezus Christus, de Redder, de Verlosser, de Hersteller en de Vernieuwer van het leven, zodat dit aan Gods doel gaat beantwoorden.

Geloof in God:

Een eigenschap van de menselijke geest is, dat deze door zijn geloof iets uit de onzichtbare wereld grijpen kan, want ‘het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet’ (Hebr.11:1). Het ware geloof aanvaardt het bestaan van God en zoekt Hem serieus (Hebr.11:6). Door het geloof in diens woord neemt de mens de gedachten van God over. Hij komt ermee in contact en wordt ermee doordrenkt. Op deze manier wordt zijn gedachteleven veranderd en vernieuwd. Het geloof in de schuldvergeving en in de reiniging door het bloed van Jezus bewerkt de wedergeboorte en door deze vernieuwing van denken komt de mens in het Koninkrijk van God. Het volgen van Jezus bestaat in het overnemen van zijn gedachten en het dienovereenkomstig handelen.

Een leer van dopen:

Het woord ‘dopen’ is hier geen werkwoord, maar het meervoud van het zelfstandige naamwoord ‘doop’. Wij noemen dan:

  1. De doop in water: Met deze doop beeldt de mens in de zienlijke wereld uit, wat met hem in de onzienlijke wereld gebeurd is. De waterdoop is dus zijn getuigenis. Zijn wedergeboorte was de overgang van de duisternis naar het licht, van de dood naar het leven. Dit proces wordt niet uitgebeeld door een babybesprenkeling, maar door het in het watergraf gaan en door het eruit opstaan. Wanneer de dopeling zich overgeeft om ondergedompeld te worden, geeft hij daarmee zijn oude mens in het watergraf prijs. Bij het opstaan uit het water belijdt hij, dat hij gebroken heeft met de machten van de duisternis, dat hij gerechtvaardigd is en dat hij een begin gemaakt heeft met een nieuw leven. Bij de waterdoop belijdt hij voor God en de mensen, voor heilige en gevallen engelen, dat hij voor Jezus gekozen heeft.
  2. De doop in Heilige Geest: Om bekleed te worden met ‘kracht uit de hoogte’ en als geestelijk mens te kunnen overwinnen, is het nodig om met Heilige Geest gedoopt te worden. Dan kunnen de geestelijke gaven zich in de mens ontwikkelen, waardoor hij de boze geesten kan weerstaan en de vrucht van de Heilige Geest voortbrengen. Zonder deze hemelse kracht is het niet mogelijk in de voetsporen van Jezus te wandelen. Alleen door deze doop wordt men geschikt gemaakt te werken aan het herstel van alle dingen op dezelfde manier als Jezus dit gedaan heeft. Deze zegt immers: ‘Als Ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Matth.12:28). De doop met Heilige Geest kan vergeleken worden met een huwelijk tussen Gods Geest en de menselijke geest. Het is het ontvangen van de ‘Leraar van de gerechtigheid’ die ons in de volle waarheid wil en kan onderwijzen.
  3. De doop in vuur: In Mattheüs 3:11 staat dat Jezus de doper is met Heilige Geest, maar ook met vuur. Toen Hij gedoopt was in water en in Heilige Geest, leidde de laatste Hem naar de woestijn, om verzocht te worden van de duivel (Matth.4:1). Zo laat de Heer ook toe dat zijn volgelingen aangevallen worden door de boze geesten, uitgebeeld door vuur. Zoals een ingenieur een brug zwaar laat belasten om het draagvermogen te testen, zo doet de Heer dit ook met allen die als overwinnaar uit de geestelijke strijd willen komen. Het is een verdrukking vanwege het woord dat men gelooft. Het vuur in zijn verterende werking is te vergelijken met de verdervende invloed van demonen. Wanneer de vijand aanvalt en ons probeert te beschadigen en te vernietigen, hebben wij echter de belofte dat de kracht in ons groter is en deze druk kan weerstaan. Goud is kostbaar goed, maar wanneer het in het vuur gelouterd is, wordt het zuiverder en reiner. Daarom wordt tot de gemeente gezegd: ‘Ik raad u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is’ (Openb.3:18). Men kan bij de Heer beproefd goud kopen, dat is geloof dat in de vuurgloed van de beproeving van onedele bij-mengsels is ontdaan, dat standhoudt in alle omstandigheden en tegenover de leugenmachten bij de waarheid volhardt.

Oplegging van de handen:

Deze is net als de doop in water, een uiterlijk teken van iets dat in de onzienlijke wereld gebeurt. Wanneer men in de zichtbare wereld iemand de handen oplegt, betekent dit dat men zich geestelijk één met hem maakt. Men identificeert zich met hem. Wanneer men iemand de handen oplegt in de naam van Jezus, claimt men zo’n persoon voor het Koninkrijk van God en draagt de vrede, de gerechtigheid en de blijdschap van dit rijk op hem over. Dit wil voor de geclaimde persoon dus zeggen dat bevrijding, herstel en vervulling met de Heilige Geest gegeven worden. Op deze manier kan een kind van God ook een zegen ontvangen bij de voorbereiding tot een geestelijk werk. Wanneer men – naar voorbeeld van Jezus zelf – aan kinderen de handen oplegt, betekent dit voor de kleinen een bescherming in de geestelijke wereld tegenover de wetteloze boze geesten die hen aanvallen en een overdracht van een bijzondere zegen. Jezus zei dat het voor zulke geheiligde kinderen gemakkelijk is om het Koninkrijk van God binnen te gaan (Matth.19:14).

De leer van de opstanding van de doden:

Dit is de belangrijkste pijler waarop het christendom rust. Zij betreft de totale mens naar lichaam, ziel en geest. Dit vernieuwingsproces begint bij de bekering en bij de wedergeboorte en eindigt bij het functioneren met een verheerlijkt, geestelijk lichaam, zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld. Deze opstanding begint dus bij het leggen van het fundament van het christelijke geloof en wordt voltooid bij de lichamelijke herrijzenis, de eerste opstanding. De opstanding van de doden is dus een proces waaraan een opnieuw geboren mens deel heeft en dat zich in zijn leven voltrekt (Openb.20:6).

Een eeuwig oordeel:

Dit betekent een eeuwige scheiding tussen goed en kwaad. Ook dit is een proces, waardoor de mens tot volkomenheid gebracht wordt. Er is geen verzoening mogelijk tussen licht en duisternis, tussen wat God toebehoort en wat van de duivel is. Jezus Christus brengt in zijn volk ‘het oordeel tot overwinning’ (Matth.12:20). Daarom begon Hij met de overste van deze wereld buiten te werpen en te verdrijven (Joh.12:31). Dit betekent dus dat de mens door de kracht van de Heilige Geest gescheiden en verlost wordt van satan. Wanneer door deze verwijdering ziekte-, zonde- en leugenmachten verdwijnen, wordt het Koninkrijk van God openbaar. De scheiding of het oordeel begint bij het huis van God, de gemeente (1 Petr.4:17). Wanneer deze zuivering voltooid is, is de gemeente gereed voor de wederkomst van de Heer. Dan zullen zij die nog op de aarde leven, in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden en ook gescheiden worden van de ongelovigen die op aarde achterblijven. Zij zullen dan verenigd worden met allen die in Christus ontslapen zijn. Bij het laatste oordeel worden de doden die uit het dodenrijk opstaan, geoordeeld naar hun werken. Wie het goede gedaan hebben, ontvangen de opstanding ten leven en wie het kwade gedaan hebben, worden veroordeeld (Openb.20:11-15 en Joh.5:29).

In een gemeente waar het fundament gelegd is, zal het niet nodig zijn de mensen telkens tot bekering te roepen, hen te spreken over dood en opstanding, omdat dit al gemeengoed onder de leden geworden is. Soms is het nodig in dit opzicht de inzichten te verfrissen, opdat ieder lid in staat zal zijn kennissen, vrienden of nieuwe leden, heldere voorstellingen te geven van wat nu eigenlijk geloofd en aanvaard moet worden om de redding te kunnen ontvangen.

Zie verder ‘Het Fundament’

Waarschuwing tegen afvalligheid

Want het is onmogelijk om hen die eens verlicht zijn geweest, die de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoot zijn geworden van de Heilige Geest en die het goede Woord van God geproefd hebben en de krachten van de komende wereld en die daarna afvallig worden, weer opnieuw tot bekering te brengen, omdat zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken 4-6.

De mensen aan wie deze brief geschreven is, hebben volgens het begin van hoofdstuk 5 al lange tijd deel gehad aan het evangelie, het goede woord van God. Ze hebben dit aangenomen, maar ze zijn niet gegroeid. Nu dreigt in zo’n toestand het gevaar voor afval. Het is als bij een plant, waarvan enkele groene blaadjes boven de grond komen, maar die zich niet verder ontwikkelt. Wanneer zo’n plantje lang zo blijft staan, gaat het dood. Er is dan geen leven meer in te krijgen. Verlicht zijn geweest, betekent dat men tot bekering gekomen is, vergeving van zonden ontvangen heeft en gedoopt is met Heilige Geest en bevrijd en verlost is van de machten van de duisternis. Bekering, vergeving, doop in de Geest en verlossing vormen de hemelse gaven of het hemelse geschenk. Aan zulke personen heeft het goede woord van God rijke beloften geschonken en het wijst de richting waarin zulke christenen verder mogen leven. Door hun bevrijding en genezing, hebben ze kennis gemaakt met de krachten van de toekomende eeuw, of met die van het duizendjarige rijk, waarin de zonen van God zelf volmaakt zijnde, de schepping met deze krachten bevrijden en verlossen.

De christen in wiens leven het fundament gelegd is, heeft de kracht van de Heilige Geest ervaren en heeft er ook dikwijls mee gewerkt tot redding van anderen. Zulke personen weten dus hoe het Koninkrijk van God in de mens functioneert, welke verwachting en hoop zij mogen hebben en vasthouden. Maar wanneer zij nu alles loslaten en afvallen (Op.8:8-11 en Hebr.3:12), is er geen evangelie meer over dat hun verkondigd kan worden. Het heeft geen zin om hun opnieuw het woord van God voor te houden om hen weer tot bekering te brengen. Zij weten immers alles heel goed. Zij verwerpen Jezus en zijn offer, zoals het volk Israël, dat ook de woorden van God gehoord en de tekens en wonderen gezien had, Jezus niet aanvaardde en nog steeds niet aanvaart. Zulke afvalligen zeggen ook: ‘Weg met Hem’. Door hun levenswandel maken zij Jezus tot een bespotting, net als Israël Hem eenmaal verachtte en een smadelijke kruisdood deed sterven. Zij moeten zélf berouw krijgen en zich bekeren. Zij weten de weg om als de verloren zoon weer naar huis te gaan. Er is hier duidelijk sprake van afval van de heiligen. Het is niet zo dat wanneer iemand eenmaal gered is, hij automatisch altijd behouden blijft. Er is volharding nodig om te bewaren wat men heeft en om te krijgen wat verder nog beloofd is. Men moet blijven in de woorden van God.

Want de aarde die de regen indrinkt, die er dikwijls op valt en die nuttig gewas voortbrengt voor hen door wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God 7.

In dit beeld is de mens de grond. Hij neemt de regen in zich op, dat is het beeld van Gods Heilige Geest, door wie het in zijn hart gezaaide woord tot ontwikkeling komt. In vers 4 was immers sprake van mensen die deel gekregen hebben aan de Heilige Geest en aan het goede woord van God. Door woord en geest ontwikkelt zich een ‘gewas’ dat vrucht voort gaat brengen. God wil dat dit een gewas van de gerechtigheid is (2 Cor.9:10). Zoals de vrucht van de akker nuttig is voor de landbouwer en zijn knechten, zo verwachten Christus en zijn medewerkers een vrucht van de akker, die kostbaar is voor God; bestaande uit ‘louter goedheid, gerechtigheid en waarheid’ (Ef.5:9, zie ook Gal.5:22). Waar deze vrucht zich begint te ontwikkelen, kan de zegen van God verwacht worden.

Maar de aarde die dorens en distels voortbrengt, is verwerpelijk en de vervloeking nabij, waarvan het einde tot verbranding leidt 8.

Maar als zo’n akker die bewerkt wordt en die besproeid is, uiteindelijk geen goede vrucht voortbrengt, maar doornen en distels die wetteloos en nutteloos zijn, voldoet de opbrengst niet aan de verwachting, dit wil zeggen deze werken worden prijsgegeven aan de machten van de duisternis en tenslotte verbrand. Zulke christenen verzamelen zich geen schatten in de hemel, waar mot noch roest ze kunnen aantasten. Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 3:13,14: ‘Hoe ieders werk is, zal het vuur uitmaken. Als het werk dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden’. Zo’n mens zal dus het doel van God niet bereiken. Blijft hij dan nog op het fundament staan, dan zal hij zelf gered worden, maar als door vuur heen.

Hoop die opbloeit

Ook al spreken wij zo, geliefden, wat u betreft zijn wij echter overtuigd van betere dingen, die met de redding samenhangen 9.

De apostel is overtuigd en hoopt dat deze Hebreeën niet helemaal zullen wegglijden. Hij heeft tot hen gesproken om hen te waarschuwen. Hij wil vooral de zwakken in het geloof stimuleren om door te gaan en vol te blijven houden, zodat zij de redding zullen ontvangen. Velen van hen hebben wel de gezindheid om goede vrucht voort te brengen. Zij willen wél volharden in het geloof en daar hangt hun redding van af. Hun goede werken of vruchten vormen het kleed van de gerechtigheid, waarmee hun innerlijke mens bedekt is (Openb.19:8). In Jesaja 61:10 en 11 is sprake van het kleed van de redding en dat de rechtvaardigen gezien zullen worden door alle volken.

Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de heiligen gediend hebt en nog dient 10.

Veel Hebreeën hadden schatten in de hemel verzameld en in hun leven was het fundament gelegd. Maar er was nog weinig opbouw geweest. Alles bleef in de kinderschoenen staan. Ze waren altijd bereid de heiligen in de naam van Jezus diensten te bewijzen, iets wat ook nu in veel gemeenten voorkomt. Denk eens aan het opnemen van kinderen om een ander gezin tijdelijk te ontlasten en het elkaar helpen in tijden van nood. Er zijn heel veel gelovigen die nog niet gevorderd zijn, maar die wel altijd bereid zijn geld en tijd te offeren om anderen bij te staan. De Heer ziet deze vriendelijkheid en barmhartigheid en vergeet het niet.

Maar wij verlangen ernaar dat ieder van u dezelfde inzet toont, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe, opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van hen die door geloof en geduld de beloften erven’11,12.

Maar het is Paulus’ grote verlangen dat zij, die ernaar gestreefd hebben om het fundament in hun leven rond te krijgen en die ijveren om hun medebroers en zusters voort te helpen, zich ook haasten om de hoop op de heerlijkheid van het zoonschap te realiseren, totdat het einde, het doel, de volmaaktheid, bereikt is. Ze moeten wat dit betreft niet traag worden en zich niet alleen in uiterlijk dienstbetoon verliezen of bezighouden, maar het doel voor ogen blijven houden. Zij mogen het geloof in Gods bedoeling niet verliezen en zeggen: ‘Dit bereiken we toch nooit’ en niet ongeduldig of opstandig worden, maar geduld oefenen (2 Petr.3:4; Jac.5:7-11), want op deze wijze hebben alle geloofshelden bereikt en ontvangen wat God hun beloofd had.

De belofte van God aan Abraham als anker voor de ziel

Want toen God Abraham de belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, omdat Hij bij niemand die hoger was, kon zweren 13.

Paulus schreef in het vorige vers dat de gelovigen in het Nieuwe Testament navolgers moeten zijn van de gelovigen van alle tijden, die de beloften die zij ontvangen hadden, vasthielden en wanneer deze niet direct vervuld werden, volhardden en geduld oefenden. Als voorbeeld van zo’n gelovige noemt hij Abraham, die rijke beloften van de Heer ontvangen had en deze niet losliet, zelfs niet toen satan hem inspireerde om zijn enige zoon te vermoorden, aan wie de belofte verbonden was (zie verder ‘Het offer van Abraham’). Zijn geloof in God en zijn vertrouwen in Hem was zo groot, dat hij overlegde dat de Heer bij machte was, Izak uit de doden op te wekken, want hij twijfelde niet aan de waarmaking van de belofte. Abraham werd niet opstandig, kwam ook niet met twijfelvragen bij God, maar oefende geduld. God waardeerde dit geloof en vertrouwen zo zeer, dat Hij aan Abraham zijn belofte nog eens herhaalde en ditmaal onder ede (Gen.22:16,17).

Hij zei: Voorzeker, rijk zal Ik u zegenen en overvloedig zal Ik u in aantal doen toenemen. En zo heeft hij de belofte verkregen na daar geduldig op gewacht te hebben 14,15.

Deze belofte was dezelfde die Abraham al verschillende malen van de Heer ontvangen had (Gen.12:2, 13:16, 15:5, enz.). Na de laatste beproeving van zijn geloof en geduld, heeft God voor de laatste maal aan Abraham de belofte vastgelegd en wel door een eed. Hij zou hem zeker zegenen en hem zeker vermeerderen en zijn zaad tot een groot volk maken. Abraham zelf heeft op aarde de hele realisatie van deze belofte niet gezien, maar na zoveel eeuwen mogen wij constateren dat zij vervuld is en nog vervuld wordt. Het nageslacht of zaad is immers Christus en allen die zich bij Hem voegen, worden zaad van Abraham genoemd. Abraham heeft geduld moeten oefenen om het begin van de vervulling te zien. Hij zag nog de zonen van Izak. Jacob en Ezau waren 15 jaar toen Abraham stierf. De volkomen vervulling laat nog op zich wachten, want de belofte is ook nu nog van kracht. Maar deze belofte zal wel vervuld zijn wanneer de gemeente haar volmaakte volwassenheid heeft bereikt:

  • ‘De eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus’ (Ef.4:13).
  • ‘Een gemeente zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en smetteloos’ (Ef.5:27).
  • ‘De gemeente die God toebehoort, volmaakt en tot alle goede werken volkomen toegerust’ (1 Tim.3:17).

Mensen zweren immers bij iemand die hoger is dan zijzelf en de eed, die hun tot bevestiging dient, is het eind van alle tegenspraak’16.

Waarom deed God de laatste maal zijn belofte gepaard gaan met een eed? Hij deed dit om iedere twijfel of onzekerheid volkomen weg te nemen. Wat God spreekt is altijd waarheid, maar zijn beloften zijn conditioneel; er is dus een voorwaarde aan verbonden. Hij spreekt steeds met het voegwoord ‘als’. De condities zijn geloof en gehoorzaamheid. Abraham had hieraan voldaan en daardoor werden de beloften, aan de aartsvader toegezegd, volledig van kracht. God komt nooit terug op de eed die Hij aan Abraham deed. ‘Het verbond met Abraham zijn vrind, bevestigt Hij van (opnieuw geboren) kind tot (opnieuw geboren) kind’. Waarom legt een mens een eed af? Hij bevestigt hiermee de waarheid van zijn woorden of de vastheid van zijn beloften, door een hogere autoriteit als getuige aan te roepen, aan wie men het oordeel en de straf overlaat.

Omdat Hij aan de erfgenamen van de belofte overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raadsbesluit wilde bewijzen, heeft God die bekrachtigd met een eed, 17.

Toen God zijn eed gezworen had, viel er niets meer aan de belofte te veranderen. Deze eed was het bewijs dat aan de voorwaarden voldaan was. Abraham en zijn zaad waren nu in het plan van God voor eeuwig ingevoegd. Deze onveranderlijke raad van God is zijn plan, om de mens volmaakt te doen zijn en hem in zijn gemeenschap overal de werken van zijn handen voort te zetten. Om dit doel te bereiken wordt het zaad van Abraham voor altijd ingeschakeld.

zodat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden 18.

God kon niet zweren bij iets dat hoger was; daarom zwoer Hij bij Zichzelf, maar ook deze eed diende tot bekrachtiging en was het einde van iedere tegenspraak, twijfel of mogelijkheid van verandering. De twee onveranderlijke dingen zijn dus God Zelf die de waarheid is en de eed die Hij zwoer en die de waarheid bevestigde. God spreekt en zweert vanwege de mens. Men legt immers altijd een eed af vanwege een ander. Zijn eed gaf niet alleen zekerheid aan Abraham, maar hij is ook een vastigheid voor degenen die de toevlucht genomen hebben tot het zaad van Abraham, dat is Christus, voor hen die zich dus gevoegd hebben bij Jezus. De zegen was alleen voor Abraham en zijn zonen, dus ook voor hen die in Christus zijn. Abraham en zijn nageslacht konden de hoop vasthouden op de vervulling van de belofte en daarop pleiten, maar het geestelijke zaad van Abraham mag ook verzekerd zijn dat de beloften, die zij ontvangen hebben, realiteit zullen worden. Zij mogen de hoop van de heerlijkheid tot het einde toe onverwrikt vasthouden. Wij merken nog op dat God in Christus een nieuw verbond gemaakt heeft, dat op betere en duidelijker beloften berust. De eed aan Abraham gezworen, geldt ook voor Christus en voor allen die ‘in Hem zijn’. De beloften zijn onveranderlijk en kunnen niet op een ander volk overgaan, dus ook niet op een volk wat vandaag de Christus niet wil erkennen.

Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom, achter het voorhangsel. Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan, namelijk Jezus, Die naar de ordening van Melchizédek Hogepriester geworden is tot in eeuwigheid 19,20.

De hoop van de heerlijkheid is de belofte dat wij gereinigd en geheiligd zullen opgroeien tot het zoonschap en het beeld van Jezus gelijkvormig worden. Deze hoop vindt haar grond in het lijden en sterven van Christus, die met zijn eigen bloed is ingegaan in het hemelse heiligdom, binnen het voorhangsel. Daar heeft de Heer onze schuld verzoend en daarmee ons een grond gegeven voor het anker van de hoop. Hij is de eerste mens die als overwinnaar verheerlijkt is ingegaan in het Koninkrijk van God. Het binnenste heiligdom is beeld van het Koninkrijk van God. Het was in het oude verbond verborgen en afgesloten. Wij hebben het einddoel nog niet bereikt, maar wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond. Hij is eerst ingegaan om als hogepriester verzoening te doen voor de zonde van de wereld, om daarna opnieuw binnen te gaan als voorloper van hen, die priesters en koningen zijn. Hij zit daar aan de rechterhand van God en heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Onze hoop is dat wij zijn heerlijkheid zullen delen. In het volgende vers begint de schrijver uit te leggen op welke manier Hij koning en priester is naar de ordening van Melchizédek.