6. Het Bijbels fundament

<<<<<

Hebreeën 6:1-8

‘Laten wij daarom het eerste onderwijs met betrekking tot Christus rusten en doorgaan tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken, over het geloof in God en de leer over verschillende dopen (NIRV vert, Griekse vert, Interlineair). De handoplegging en de opstanding van de doden en over het laatste oordeel’. En dat zullen wij ook doen, als God het toestaat’ Hebr.6:1-3.

Hoewel het lijkt of ze het eerste onderwijs nog niet helemaal verwerkt hebben, wil Paulus toch doorgaan. Voor hen die afvallen is dit elementaire onderwijs niet meer nodig. Het zal hen toch niet helpen (vers 4-6). Paulus ziet er geen heil meer in om langer bij het fundament te blijven stilstaan. Hij raadt zijn lezers aan nu het volmaakte te zoeken en zich te richten op de geestelijke volwassenheid. De tempel van God ontstaat niet plotseling. Zij wordt niet kant en klaar bij het sterven gegeven of bij de terugkomst van de Heer wanneer het vernederde lichaam veranderd wordt in een verheerlijkt lichaam. Het gebouw wordt groter door een constante groei. Voor zijn joodse lezers geeft de apostel nu een summier overzicht van de eerste beginselen van het christendom, dus van het fundament, waarop de tempel van God wordt gebouwd. Zonder de volgende grondslagen is een stevige, geestelijke opbouw onmogelijk.

Bekering:

Er is een verandering van het hart nodig met als gevolg een totale vernieuwing van de onzichtbare, innerlijke mens. Dit gold ook voor de vrome jood. Op de Pinksterdag vermaande de apostel Petrus al zijn volksgenoten: ‘Bekeer u’. Zij moesten zich bekeren van dode werken, waarvan zij redding verwachtten; dit betekende dat zij de oudtestamentische gebruiken, wetten en inzettingen moesten loslaten. Deze hadden immers in het nieuwe verbond hun betekenis verloren. Zij moesten de werkelijkheid kiezen voor de schaduw. Bekering is de eerste daad van de mens, die de gehoorzaamheid aan de satanische machten opzegt en die zijn geest richt op Jezus Christus, de Redder, de Verlosser, de Hersteller en de Vernieuwer van het leven, zodat dit aan Gods doel gaat beantwoorden.

Geloof in God:

Een eigenschap van de menselijke geest is, dat deze door zijn geloof iets uit de onzichtbare wereld grijpen kan, want ‘het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet’. Het ware geloof aanvaardt het bestaan van God en zoekt Hem serieus (Hebr.11:1,6). Door het geloof in Zijn woord neemt de mens de gedachten van God over. Hij komt ermee in contact en wordt ermee doordrenkt. Op deze manier wordt zijn gedachteleven veranderd en vernieuwd. Het geloof in de schuldvergeving en in de reiniging door het bloed van Jezus bewerkt de nieuwe geboorte en door deze vernieuwing van denken komt de mens in het Koninkrijk van God. Het volgen van Jezus bestaat in het overnemen van zijn gedachten en het dienovereenkomstig handelen.

Een leer van dopen:

Het woord ‘dopen’ is hier geen werkwoord, maar het meervoud van het zelfstandige naamwoord ‘doop’. Wij noemen dan:

1. De doop in water

Met deze doop beeldt de mens in de zienlijke wereld uit, wat met hem in de onzienlijke wereld gebeurd is. De waterdoop is dus zijn getuigenis. Zijn nieuwe geboorte was de overgang van de duisternis naar het licht, van de dood naar het leven. Dit proces wordt niet uitgebeeld door een babybesprenkeling, maar door in het watergraf te gaan en daar uit op te staan. Wanneer de dopeling zich overgeeft om ondergedompeld te worden, geeft hij daarmee zijn oude mens in het water te begraven. Bij het opstaan uit het water belijdt hij, dat hij gebroken heeft met de machten van de duisternis, dat hij gerechtvaardigd is en dat hij een begin gemaakt heeft met een nieuw leven. Bij de waterdoop belijdt hij voor God en de mensen, voor heilige en gevallen engelen, dat hij voor Jezus gekozen heeft.

2. De doop met Gods Geest

Om bekleed te worden met ‘kracht uit de hoogte’ en als geestelijk mens te kunnen overwinnen, is het nodig om met Gods Geest gedoopt te worden. Dan kunnen de geestelijke gaven zich in de mens ontwikkelen, waardoor hij Satans demonen kan weerstaan en de vruchten van Gods Geest voortbrengen. Zonder deze hemelse kracht is het niet mogelijk in de voetsporen van Jezus te wandelen. Alleen door deze doop wordt men geschikt gemaakt om te werken aan het herstel van alle dingen op dezelfde manier als Jezus dit gedaan heeft. Deze zegt immers: ‘Als Ik door de Geest van God, demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Matth.12:28). De doop met Gods Geest kan vergeleken worden met een huwelijk tussen Gods Geest en de menselijke geest. Het is het ontvangen van de ‘Leraar van de gerechtigheid’ die ons in de volle waarheid wil en kan onderwijzen.

3. De doop met vuur

In Mattheüs 3:11 staat dat Jezus de doper is met Gods Geest, maar ook met vuur. Toen Hij gedoopt was in water en met Gods Geest, leidde de laatste Hem naar de woestijn, om verzocht te worden van de duivel (Matth.4:1). Zo laat de Heer ook toe dat zijn volgelingen aangevallen worden door de Satans demonen, uitgebeeld door vuur. Zoals een ingenieur een brug zwaar laat belasten om het draagvermogen te testen, zo doet de Heer dit ook met allen die als overwinnaar uit de geestelijke strijd willen komen. Het is een verdrukking vanwege het Woord dat men gelooft. Het vuur in zijn verterende werking is te vergelijken met de verdervende invloed van demonen.

Wanneer de vijand aanvalt en ons probeert te beschadigen en te vernietigen, hebben wij echter de belofte dat de kracht in ons groter is en deze druk kan weerstaan. Goud is kostbaar goed, maar wanneer het in het vuur gelouterd is, wordt het zuiverder en reiner. Daarom wordt tot de gemeente gezegd: ‘Ik raad u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is’ (Openb.3:18). Men kan bij de Heer beproefd goud kopen, dat is geloof dat in de vuurgloed van de beproeving van onedele bijmengsels is ontdaan, dat standhoudt in alle omstandigheden en tegenover de leugenmachten bij de waarheid volhardt.

Oplegging van de handen:

Deze is net als de doop in water, een uiterlijk teken van iets dat in de onzienlijke wereld gebeurt. Wanneer men in de zichtbare wereld iemand de handen oplegt, betekent dit dat men zich geestelijk één met hem maakt. Men identificeert zich met hem. Wanneer men iemand de handen oplegt in de naam van Jezus, claimt men zo’n persoon voor het Koninkrijk van God en draagt de vrede, de gerechtigheid en de blijdschap van dit rijk op hem over. Dit wil voor de geclaimde persoon dus zeggen dat bevrijding, herstel en vervulling met Gods Geest gegeven worden. Op deze manier kan een kind van God ook een zegen ontvangen bij de voorbereiding tot een geestelijk werk. Wanneer men – naar voorbeeld van Jezus zelf – aan kinderen de handen oplegt, betekent dit voor de kleinen een bescherming in de geestelijke wereld tegenover de wetteloze boze geesten die hen aanvallen en een overdracht van een bijzondere zegen. Jezus zei dat het voor zulke geheiligde kinderen gemakkelijk is om het Koninkrijk van God binnen te gaan (Matth.19:14).

De leer van de opstanding van de doden:

Dit is de belangrijkste pijler waarop het christendom rust. Zij betreft de totale mens naar lichaam, ziel en geest. Dit vernieuwingsproces begint bij de bekering en bij het opnieuw geboren worden en eindigt bij het functioneren met een verheerlijkt, geestelijk lichaam, zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld. Deze opstanding begint dus bij het leggen van het fundament van het christelijke geloof en wordt voltooid bij de lichamelijke herrijzenis, de eerste opstanding. De opstanding van de doden is dus een proces waaraan een opnieuw geboren mens deel heeft en dat zich in zijn leven openbaart (Openb.20:6).

Een eeuwig oordeel:

Dit betekent een eeuwige scheiding tussen goed en kwaad. Ook dit is een proces, waardoor de mens tot volkomenheid gebracht wordt. Er is geen verzoening mogelijk tussen licht en duisternis, tussen wat God toebehoort en wat van de Satan is. Jezus Christus brengt in zijn volk ‘het oordeel tot overwinning’ (Matth.12:20). Daarom begon Hij met de overste van deze wereld buiten te werpen en te verdrijven (Joh.12:31). Dit betekent dus dat de mens door de kracht van Gods Geest gescheiden en verlost wordt van de Satan. Wanneer door deze verwijdering ziekte-, zonde- en leugenmachten verdwijnen, wordt het Koninkrijk van God openbaar. De scheiding of het oordeel begint bij het huis van God, de gemeente (1 Petr.4:17).

Wanneer deze zuivering voltooid is, is de gemeente klaar voor de terugkomst van de Heer. Dan zullen zij die nog op de aarde leven, in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden en ook gescheiden worden van de ongelovigen die op aarde achterblijven. Zij zullen dan verenigd worden met allen die in Christus ontslapen zijn. Bij het laatste oordeel worden de doden die uit het dodenrijk opstaan, geoordeeld naar hun werken. Wie het goede gedaan hebben, ontvangen de opstanding ten leven en wie het kwade gedaan hebben, worden veroordeeld (Openb.20:11-15 en Joh.5:29).

In een gemeente waar het fundament gelegd is, zal het niet nodig zijn de mensen telkens tot bekering op te roepen, hen te spreken over dood en opstanding, omdat dit al bekend bij de leden is. Soms is het nodig in dit opzicht de inzichten te verfrissen, zodat ieder lid in staat zal zijn kennissen, vrienden of nieuwe leden, heldere voorstellingen te geven van wat nu eigenlijk geloofd en aanvaard moet worden om de redding te kunnen ontvangen.

(Zie verder ‘Het Fundament’)

Waarschuwing tegen afvalligheid

‘Want het is onmogelijk om hen die eens verlicht zijn geweest, die de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoot zijn geworden van Gods Geest en die het goede Woord van God geproefd hebben en de krachten van de komende wereld en die daarna ontrouw worden, weer opnieuw tot bekering te brengen, omdat zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken’ 4-6.

De mensen aan wie deze brief geschreven is zijn – volgens het begin van hoofdstuk 5 – al geruime tijd bekend met het evangelie, het goede Woord van God. Ze hebben dit aangenomen, maar ze zijn niet gegroeid. Nu dreigt in zo’n toestand het gevaar voor afval. Het is als bij een plant, waarvan enkele groene blaadjes boven de grond komen, maar die zich niet verder ontwikkelt. Wanneer zo’n plantje lang zo blijft staan, gaat het dood. Er is dan geen leven meer in te krijgen.

Verlicht zijn geweest, betekent dat men tot bekering gekomen is, vergeving van zonden ontvangen heeft en gedoopt is met Gods Geest en bevrijd en verlost is van de machten van de duisternis. Bekering, vergeving, doop in de Geest en verlossing vormen de hemelse gaven of het hemelse geschenk. Aan zulke personen heeft het goede woord van God rijke beloften gegeven en het wijst de richting waarin zulke christenen verder mogen leven. Door hun bevrijding en genezing, hebben ze kennis gemaakt met de krachten van de toekomende eeuw, of met die van het duizendjarige rijk, waarin de zonen van God zelf volmaakt zijnde, de schepping met deze krachten bevrijden en verlossen. De christen in wiens leven het fundament gelegd is, heeft de kracht van Gods Geest ervaren en heeft er ook dikwijls mee gewerkt tot redding van anderen. Zulke personen weten dus hoe het Koninkrijk van God in de mens functioneert, welke verwachting en hoop zij mogen hebben en vasthouden.

Maar wanneer zij nu alles loslaten en afvallen (Op.8:8-11 en Hebr.3:12), is er geen evangelie meer over dat hun gebracht kan worden. Het heeft geen zin om hun opnieuw het woord van God voor te houden om hen weer tot bekering te brengen. Zij weten immers alles heel goed. Zij verwerpen Jezus en zijn offer, zoals het volk Israël, dat ook de woorden van God gehoord en de tekens en wonderen gezien had, Jezus niet aanvaardde en nog steeds niet aanvaardt. Zulke afvalligen zeggen ook: ‘Weg met Hem’. Door hun levenswandel maken zij Jezus tot een bespotting, net als Israël Hem eenmaal verachtte en een smadelijke kruisdood deed sterven. Zij moeten zélf berouw krijgen en zich bekeren!

Er is hier duidelijk sprake van afval en ontrouw van de heiligen. Het is niet zo dat wanneer iemand eenmaal gered is, hij automatisch altijd behouden blijft. Er is volharding nodig om te bewaren wat men heeft en om te krijgen wat verder nog beloofd is. Men moet blijven in de woorden van God.

‘Want de aarde die de regen indrinkt, die er dikwijls op valt en die nuttig gewas voortbrengt voor hen door wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God’ 7.

In dit beeld is de mens de grond. Hij neemt de regen in zich op, dat is het beeld van Gods Geest, door wie het in zijn hart gezaaide woord tot ontwikkeling komt. In vers 4 was immers sprake van mensen die deel gekregen hebben aan de Geest en aan het goede woord van God. Door woord en geest ontwikkelt zich een gewas dat vrucht voort gaat brengen. God wil dat dit een gewas van de gerechtigheid is (2 Cor.9:10). Zoals de vrucht van de akker nuttig is voor de landbouwer en zijn knechten, zo verwachten Christus en zijn medewerkers een vrucht van de akker, die kostbaar is voor God, bestaande uit ‘louter goedheid, gerechtigheid en waarheid’ (Ef.5:9, zie ook Gal.5:22). Waar deze vrucht zich begint te ontwikkelen, kan de zegen van God verwacht worden.

‘Maar de aarde die dorens en distels voortbrengt, is verwerpelijk en de vervloeking nabij, waarvan het einde tot verbranding leidt’ 8.

Maar als zo’n akker die bewerkt wordt en die besproeid is, uiteindelijk geen goede vrucht voortbrengt, maar doorns en distels die wetteloos en nutteloos zijn, voldoet de opbrengst niet aan de verwachting, dit wil zeggen deze werken worden prijsgegeven aan de machten van de duisternis en tenslotte verbrand. Zulke christenen verzamelen zich geen schatten in de hemel, waar mot noch roest ze kunnen aantasten. Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 3:13,14:‘Hoe ieders werk is, zal het vuur uitmaken. Als het werk dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden’. Zo’n mens zal dus het doel van God niet bereiken. Blijft hij dan nog op het fundament staan, dan zal hij zelf gered worden, maar als door vuur heen.

>>>>>