Hebreeën 11:32-40
‘En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd ontbreekt mij om te vertellen over Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en Samuel en de profeten. Zij hebben door het geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid in praktijk gebracht, beloften ontvangen, muilen van leeuwen gesloten. Zij hebben de kracht van het vuur geblust, zij zijn aan de scherpte van het zwaard ontkomen, zij hebben in zwakheid kracht ontvangen, zij zijn machtig geworden in de oorlog, legers van vreemden hebben zij op de vlucht gejaagd’ 32-34.
Paulus zou zo wel door kunnen gaan om uit te zoeken wat richters, profeten en koningen in het geloof gedaan hadden en hoe God in hun leven mee getuigde door tekens en wonderen. Hij noemt een zestal mannen bij name, telkens twee aan twee, niet altijd in chronologische volgorde, maar steeds met de belangrijkste figuur voorop. Allen hebben zij de stem van de Heer gehoord, een opdracht ontvangen en in geloof gehandeld. Zij vertrouwden zeker dat Hij die de opdracht gaf, ook voor een goede uitkomst zou zorgen.
Barak en Debora
Barak geloofde in zijn roeping die van Godswege door de profetes Debora tot hem kwam (Richt.4:6). Hij versloeg Sisera, de krijgsoversten van Jabin, de koning van Kanaän.
David
David was de man naar Gods hart en hij geloofde in Hem vanaf zijn prille jeugd. Niet alleen uit de grote daden die hij gedaan heeft, of uit de overwinningen door hem behaald, maar vooral uit de Psalmen blijkt zijn gemeenschap met God, zijn vertrouwen op Zijn beloften en zijn kennis van Gods wil en wet. Zijn geestelijk inzicht was zo groot, dat dit ook nu nog velen vertroost en bemoedigt, vooral degenen die in beproeving en in druk zijn. Maar ook zijn lofpsalmen zijn voorbeelden van geestelijke rijkdom.
Samuël
Samuël was een geloofsheld, die al in zijn jeugd de stem van God duidelijk verstond. Deze kon hem gebruiken om zijn volk door donkere tijden heen te leiden. Door het geloof voerde hij Israël naar de overwinning, want God greep rechtstreeks in op zijn gebed, zodat de Filistijnen verslagen werden (1 Sam.7:10).
Wij zagen dat de helden van het geloof koninkrijken overwonnen, die Gods volk dreigden te overweldigen. Zij probeerden door hun geloof het volk in het rechte spoor te brengen en te houden. Dit deden de rechters, maar ook David (zie 2 Sam.8:15) en andere gelovige koningen, zoals Josafat en Hizkia (2 Kron.19:4 en 29:2,36). Deze mannen zagen allen dat de belofte die God hun gegeven had, ook in vervulling ging.
- Abraham kreeg zijn zoon.
- Mozes voerde het volk naar Kanaän.
- Jozef werd de heerser over zijn broers.
- Rachab kwam niet om.
- David werd, ondanks alle vervolgingen, koning.
- De leeuwen konden Daniël niet verscheuren of verslinden (Dan.6:23), omdat hij onschuldig was, op God vertrouwde en door engelen bewaakt werd.
- De drie jonge mannen in de oven werden voor de vernietigende kracht van het vuur ook door een engel beschermd, omdat zij gehandeld hadden in geloof en vertrouwen op God (Dan.3:17).
- David ontkwam door het geloof aan het zwaard van Goliath en ook aan het zwaard en de speer van Saul. David ontving kracht om tegen Goliath te strijden.
- Sara ontving kracht om een zoon te baren in haar ouderdom.
- De vermoeiden ontvingen kracht, zoals Elia in de woestijn onder de braamstruik (1 Kon.19:5 en Jes.40:29).
- Bij het veroveren van Kanaän gebruikte de Heer de strijd om Israël sterk te maken. Jozua zegt in zijn afscheidsrede: ‘Niemand heeft voor u kunnen standhouden tot op deze dag’ (Joz.23:9).
- Door het geloof deed Josafat het vijandelijke leger van Moabieten en Ammonieten terugdeinzen, toen hij, door een profetisch woord geleid, zijn leger liet voorafgaan door mannen die God loofden en prezen (2 Kron.20:21).
Ieder kan met de kennis van de Bijbelse geschiedenis, net als de Hebreeënschrijver, andere voorbeelden noemen van geloof, die tot uitkomsten en overwinningen voerden, waarvan zij getuigen konden. Zij zijn ons tot een voorbeeld bij de strijd in de hemelse gewesten.
‘Vrouwen hebben hun doden teruggekregen door opstanding uit de dood. Maar anderen zijn gefolterd en namen de aangeboden verlossing niet aan, omdat zij een betere opstanding kregen. En weer anderen hebben spot en geselslagen verdragen, ja zelfs boeien en gevangenis’ 35,36.
Omdat zij in de kracht van God geloofden, die door de profeten werkte, bracht de weduwe van Sarfath haar dode zoon bij Elia en de Sunamitische de hare bij Eliza. Deze vrouwen ontvingen hun kinderen als herrezen uit de dood terug. Wanneer hier alleen sprake is van vrouwen en niet van mannen, gaan onze gedachten nu verder naar vrouwen bij het begin van het nieuwe tijdperk, zoals de weduwe te Naïn, die haar zoon en Maria en Martha die hun broer terugkregen. Tenslotte naar de weduwen te Joppe die met hun geliefde Dorcas door middel van de opstanding weer herenigd werden. Zo komt de schrijver langzamerhand op het begintijdperk van het nieuwe verbond.
Bij de volgende voorbeelden van geloof willen wij ons niet verdiepen, zoals zovelen hierbij doen, in wat de vaderlandse geschiedenis van de Joden in de boeken van de Makkabeeën vermeldt. Wanneer er staat dat sommigen zich lieten folteren, omdat zij hun geloof niet wilden verloochenen, omdat zij op een betere opstanding hoopten, denken wij liever aan hen van wie in hoofdstuk 13:3 meegedeeld wordt, dat zij mishandeld werden en wel om de naam van Jezus. Ook Paulus zelf had geprobeerd om velen ‘door toepassing van straffen tot lastering te dwingen’. Hij vervolgde hen toen nog in ‘tomeloze woede’ (Hand.26:10,11 en 22:4,5).
Dit waren dus mannen en vrouwen die geloof hadden in een geestelijke opstanding, die bij de nieuwe geboorte begint en die eindigt, wanneer de eerste opstanding gebeurd is, het tijdstip dat Jezus naar de aarde terug keert en zij met een verheerlijkt lichaam met Hem gaan regeren. In het tijdelijke leven lieten zij zich door niets opjagen om hun geloof te verloochenen in ‘een betere opstanding’. Zij geloofden dus in de uitspraak: ‘Gelukkig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste (betere) opstanding’ (Openb.20:6). Er is sprake van ‘deel hebben, omdat deze opstanding in de christen al begonnen is, maar nog niet voltooid is (zie 2 Tim.2:18). Paulus zegt:
- ‘Wanneer wij alleen in dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen’ (1 Cor.15:19).
- ‘Want groot is de haat tegen de rechtvaardigen’.
Speciaal van de apostelen wordt opgemerkt dat zij ‘het uitvaagsel van de wereld geworden zijn, als de voetveeg van allen’ (1 Cor.4:13, zie ook Rom.8:36 en 1 Petr.5:10). Maar door het geloof wisten zij – en weten wij – dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan hen en ons geopenbaard zal worden (Rom.8:18). Ook staat er:
- ‘Want zoals het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo valt ons door Christus ook overvloedige vertroosting ten deel’ (2 Cor.1:5).
Voorbeelden van spot en geselslagen kon de apostel ruimschoots uit eigen leven geven (2 Cor.11:24-29). De apostelen kenden ook boeien en gevangenissen, bijvoorbeeld Petrus in Handelingen 12.
Het bloed van de martelaren
‘Zij zijn gestenigd, in stukken gezaagd, in verzoeking gebracht, met het zwaard ter dood gebracht. Zij hebben rondgelopen in schapenvachten en geitenvellen. Zij leden gebrek, werden verdrukt en mishandeld. De wereld was hen niet waard. Zij dwaalden rond in afgelegen plaatsen en verbleven op bergen, in grotten en in holen in de aarde’ 37,38.
Stefanus werd gestenigd. Petrus en Johannes werden op de proef gesteld, toen hun door de raad verboden werd om van Jezus te getuigen (Hand.4:17,18). Van de doodstraf door middel van het ‘door midden zagen’ hebben wij geen voorbeeld in de Schrift. Men moet dan putten uit overleveringen, waarvan de betrouwbaarheid niet vaststaat. De apostel Jacobus werd door het zwaard van Herodes gedood (Hand.12:2). Na de dood van Stefanus ontstond een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem:
- ‘En allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen’. ‘Paulus – toen nog Saulus genaamd – verwoestte de gemeente en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mee en hij leverde hen over in de gevangenis’ (Hand.8:1-3).
Het rondzwerven in schapenvachten en geitenvellen onder grote ontbering was het logische gevolg van de verstrooiing. Wanneer de christenen voor verdrukking en vervolging op de vlucht moesten, kwamen zij altijd in armoedige omstandigheden terecht en wanneer men hen greep, werden zij mishandeld.
De schrijver zegt in hoofdstuk 10:34 dat zij de roof van hun bezit blijmoedig verdroegen. De mensen keurden deze christenen geen plaats op aarde waardig en daarom verdreven zij ze naar de woestijnen, naar de spelonken en naar de holen. Maar in werkelijkheid was het zo, dat deze wereld te slecht voor hen was, want zij waren burgers van een hemels Koninkrijk en zij waren huisgenoten van God.
‘En zij allen hebben, hoewel zij door het geloof een goed getuigenis van God gekregen hebben, de vervulling van de belofte niet verkregen, omdat God met het oog op ons iets beters voorzien had, zodat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen’ 39,40.
Zij ontvingen een getuigenis, zoals Abel, Noach of Abraham. Zij wisten dus iets van de hemelse werkelijkheid. Deze hielden zij vast, maar zij wisten niet genoeg van het plan van God en hadden nog niet voldoende ervaringen van de kracht van Gods Geest om tot de volmaaktheid te komen. Dit was weggelegd voor een latere generatie. Zo mogen de kinderen van God nu in de Naam van Jezus Christus, bekeerlingen dopen met Gods Geest. Iets wat in de oude tijdperk niet kon, omdat de Christus nog niet gekomen en verheerlijkt was.
Paulus, die zelf veel inzicht had gekregen, hoopte bij het volk te horen dat het einddoel bereiken zou. Zo getuigde hij ook:
- ‘Niet, dat ik het al zou gekregen hebben of al volmaakt zou zijn, maar ik streef ernaar dat ik het ook grijpen mag, omdat ik door Christus Jezus gegrepen ben’ (Fil.3:12).
In 1 Thessalonicenzen 4:16,17 merken wij bij het lezen op dat hij ook hoopt te horen bij degenen die levend zouden overblijven bij de komst van de Heer. Hij wilde dan ook in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden. Hij wist dat het ‘betere’ dat God met de mens voorheeft, het zoonschap, de volmaaktheid, het zitten op de troon is. Hij wist ook dat deze volheid eerst bereikt moet worden in de zonen van God die tot alle goede werken volmaakt toegerust zijn, voordat ook de anderen tot volmaaktheid kunnen worden gebracht.
De gemeente van de eindtijd vormt de zuilen die de tempel van God voltooien (Openb.3:12). Vanuit deze tempel (en niet een aardse tempel te Jeruzalem), wordt dan de schepping hersteld en tot volmaaktheid gebracht.






