13. Geloofsgetuigen – 1

Hebreeën 11:1-16

‘Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet. Hierdoor immers hebben de ouden een goed getuigenis gekregen’ 1,2.  

Er wordt hier gesproken over een bepaalde vorm van geloof, namelijk het geloof dat Gods woord aanvaardt, want alle geloof is nog geen zekerheid van wat men hoopt. De Bijbel geeft beloften en wanneer men deze accepteert, krijgt men hoop. Omdat Gods woord vast is en Hij geen spijt heeft van de beloften die Hij gedaan heeft, is men ook zeker dat de dingen die men gelooft en hoopt, gerealiseerd worden. Het geloof is een middel om iets in de onzienlijke wereld te aanvaarden en dit zich als kennis of hoop toe te eigenen.

Door het geloof weten wij dat God bestaat, dat er engelen en gevallen engelen, de demonen, zijn. Dat er een strijd is tussen licht en duisternis en dat de mens in deze worsteling een rol speelt. Door het geloof maakt men zich de inhoud van de belofte eigen. Ook de ouden, de gelovige voorvaders, letterlijk de oudsten of presbyters, die geloof hadden, kregen enige kennis van de onzienlijke dingen, omdat God met hen spreken kon. Door het geloof hielden zij de belofte vast, die God hun geschonken had en de Heer honoreerde dit door de belofte te vervullen en hun naam met eer in zijn woord te vermelden als mensen die enige kennis ontvingen van de gedachten en plannen van God in de onzienlijke wereld. Vlees en bloed hadden hun dit niet geopenbaard, maar hun geloof richtte zich op God en deze gaf hun ‘getuigenis’, dat zij door woord en daad doorgaven in deze wereld.

Getuigen kan men alleen van iets wat men ervaren heeft. Wij doen dit bijvoorbeeld van bekering, redding, bevrijding of genezing. In de waterdoop getuigen wij van onze opstanding tot een nieuw leven. Deze ouden ontvingen ‘een’ getuigenis. Zij wisten immers maar een enkel ding uit de onzienlijke wereld en zij hielden dit in het geloof vast en God maakte dit in hun leven tot werkelijkheid. Zij bezaten slechts enkele gedachten uit het plan van God en die enkele waarheden werden in hun leven gerealiseerd.

Nog steeds is de Hebreeënschrijver bezig om het Oude Testament met het betere en rijkere Nieuwe te vergelijken. Hij sluit nu ook de tijd vóór de wet bij dit mindere verbond in. Door de prediking van Jezus en van de apostelen ontvingen wij meer inzicht in Gods plan. De volle waarheid en bijna alle geheimen werden geopenbaard (zie Daniël 12:9 en Openbaring 10:1-4 als uitzondering). Daarom kunnen wij ook een groter geloof ontplooien, hebben wij een betere hoop en een heerlijker én vollediger realisatie.

‘Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord van God tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare’ 3.

Van het ontstaan van de dingen weten wij niets anders dan wat het woord van God, dat Hijzelf aan de mensen bekend gemaakt heeft, hiervan zegt. In plaats van ‘wereld’ staat in het Grieks ‘aeonen’ of tijdperken. De schepping vond plaats in verschillende fasen. Wij leven nu in de eerste periode van de herschepping of van de nieuwe geboorte van alle dingen. Alles is voortgekomen uit de onzienlijke van God die geest is. De regel is: alles wat zichtbaar is, wordt veroorzaakt door het niet waarneembare. Wij kennen deze waarheid, omdat wij weten dat al het goede en volmaakte van God komt en al het kwade, zoals ziekte, zonde, gebondenheid en leugen door demonen wordt veroorzaakt. Door het geloof wisten de ouden zoals Mozes, dat de wereld door de onzienlijke God geschapen was. Zij wisten niet hoe God verder zou handelen met de schepping die onder de vloek gekomen was. Zij kenden ook niet het doel dat God ondanks alles met de mens heeft.

Paulus schrijft hier aan de christenen uit de joden. Zij kenden natuurlijk de opvattingen van Farizeeën en Sadduceeën. De eerste (orthodoxe) groep miste ieder inzicht in de geestelijke wereld en bepaalde zich tot een uiterlijke godsdienst. De tweede ‘moderne’ groep geloofde zelfs niet in het bestaan van een geestelijke wereld, noch in het voortbestaan van de mens na de dood.

‘Door het geloof heeft Abel aan God een beter offer gebracht dan Kaïn. Daardoor kreeg hij een getuigenis dat hij rechtvaardig was; dit heeft God met het oog op zijn gaven getuigd. En door dit geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is’ 4.

Abel had gemeenschap met God door het geloof. Daardoor kreeg hij enige kennis van het herstelplan. Wanneer hij een schaap offerde, was dit niet alleen om iets van zijn bezit aan God te geven, maar door het geloof wist hij dat er zonder bloedstorting geen vergeving was. Dit offeren met kennis van zaken was voor God een grote vreugde en Hij hield Abels geloof voor gerechtigheid en getuigde van hem dat hij een rechtvaardige was. Deze zekerheid of dit getuigenis ontving Abel weer door het geloof. Dit bewerkte toen in hem de zekerheid van de gerechtigheid, de vrede en de blijdschap. Kaïn bracht wel van zijn bezit iets om te offeren, maar had geen kennis van het plan van God. Hij was niet door geloof met God verbonden, zodat God hem iets kon meedelen. Daarom werd hij boos en vol afgunst. Hij kende geen gerechtigheid door het geloof. Abel wist enkele dingen uit de onzienlijke wereld. Hij zag daar het verband tussen de onzienlijke zondeschuld en de manier, waarop deze schuld weggenomen moest worden. Van zijn offer, in het geloof gebracht, gaat na duizenden jaren nog een getuigenis uit. Hij kon dus van zijn gerechtigheid getuigen vanwege zijn offer.

‘Door het geloof werd Henoch weggenomen, zodat hij de dood niet zou zien. En hij werd niet gevonden, omdat God hem weggenomen had. Vóór zijn wegneming kreeg hij namelijk het getuigenis dat hij God blij maakte’ 5.

Ook Henoch had gemeenschap met God. Hij wandelde voor zijn aangezicht als een rechtvaardige, dus als iemand die zich hield aan Gods wetten. Toen hij de goddeloze werken opmerkte en de harde taal hoorde die de van God vervreemde mensen en de geweldenaars openbaarden, zag hij het oordeel door het geloof (Judas 14 en Gen.6:4,11). Omdat hij God blij maakte, gaf de Heer hem bij zijn overpeinzingen hierover inzicht in de verdere ontwikkelingen en openbaarde Hij hem verborgenheden, namelijk dat God een scheiding zou gaan maken tussen de goeden en de kwaden. Hij profeteerde dat eenmaal ‘alle’ goddelozen gestraft zouden worden. God kende in het leven van Henoch aan de duivel geen recht toe, hem met het loon van de zonde, dus met de dood, uit te betalen.

Henoch stierf niet, evenmin als Elia. Hij ging dus ook niet naar het dodenrijk, maar werd rechtstreeks overgeplaatst in het paradijs van God. Toch was Henoch niet gedoopt met Gods Geest. Hij kreeg dus geen plaats in de ‘tempel’, maar wel in het nieuwe Jeruzalem. Geen wonder dat Abraham later ook over deze dingen dacht en naar de stad van God zocht en daarin hoopte binnen te gaan. Henoch ontving bij wijze van getuigenis wat Jezus zijn leerlingen beloofde, namelijk dat ieder die in Hem geloofde (die dus rechtvaardig en God blij maakt), ‘de dood niet zou zien’, noch proeven.

‘Zonder geloof is het echter onmogelijk God vreugde te geven. Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoeken’ 6.

Henoch moet geloof gehad hebben, want anders had hij de gedachten van God niet kunnen verstaan, deze vasthouden en ernaar leven. Alleen wat naar zijn wetten functioneert, is voor God een grote vreugde. Alleen een rechtvaardige die dit door het geloof is, kan zo leven. De allereerste stap om op de weg van de redding te komen, is: het geloof te richten op God, met de geest te aanvaarden dat God bestaat en dat Hij niemand die tot Hem komt, zal verwerpen. Wanneer iemand serieus naar God zoekt, zal deze Zich aan hem openbaren en zal hij Hem ook vinden.

‘Door het geloof heeft Noach, toen hij een aanwijzing van God ontvangen had van de dingen die nog niet te zien waren, uit ontzag voor God de ark gebouwd, tot redding van zijn gezin. Daardoor heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden van de rechtvaardigheid die overeenkomstig het geloof is’ 7.

Ook in de voortijd zocht God naar mensen die geest bezaten. Het overgrote deel van de mensen was vlees, d.w.z. zij bemoeiden zich alleen met de dingen van deze aarde (Gen.6:3 en Matth.24:38). Daarbij werden ze nog geleid door zondemachten, zodat zelfs hun natuurlijke leven verdorven werd. Noach leefde echter rechtvaardig en zijn geest richtte zich op God. Deze zoekt zulke aanbidders, die met Hem gemeenschap hebben. Daarom staat er: ‘Noach vond genade in de ogen van de Heer’ (Gen.6:8). God sprak met hem en vertrouwde hem zijn plannen toe. Dit contact gebeurde door de Geest van God.

Zo’n ‘aanwijzing van God’ vinden we ook in Lucas 2:26 bij de oude Simeon en in Hebreeën 8:5 bij Mozes. Bij Simeon wordt vermeld dat hem door Gods Geest een Godsspraak ingegeven werd dat hij de dood niet zou zien, voor hij de Christus van God gezien had. Deze gedachte kwam dus in zijn geest op en hij wist dat ze van God was en hij geloofde er daarom in. Mozes kreeg op deze manier een opdracht de tabernakel te bouwen. Op dezelfde manier werd aan Noach meegedeeld, hoe het oordeel over de aarde komen zou en kreeg deze rechtvaardige nauwkeurig opdracht hoe hij de ark moest bouwen om zijn gezin te redden.

Noach geloofde de woorden van God en handelde ernaar, want hij had eerbied voor het woord van God. God rekende hem ook dit geloof tot gerechtigheid. Zijn hele leven was één prediking van gehoorzaamheid en van gerechtigheid en zijn tijdgenoten hebben honderden jaren dit kunnen zien, maar juist de laatste 120 jaar, toen Noach bezig was de ark klaar te maken. Ondanks smaad en bespotting bleef hij in het geloof volharden en werkte hij door. Zijn tijdgenoten hebben naar zijn prediking niet geluisterd en zijn daarom onder het oordeel gekomen en veroordeeld. Noach heeft geloofd wat God zei en heeft er ook naar gehandeld en daarom heeft hij de gerechtigheid geërfd. Hij heeft de gerechtigheid dus niet verdiend, maar zij werd hem als een erfenis toegekend. Noach heeft ervaren dat de gehoorzamen buiten de veroordeling vallen, want dit is in zijn leven gerealiseerd en het is het getuigenis dat nu nog tot ons spreekt. Zij die in Christus zijn, zullen de dood niet zien. Zelfs wanneer in de eindtijd de zee van vuur of demonie over de aarde gaat, zal de gemeente niet omkomen.

‘Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om te gaan naar de plaats die hij als erfdeel ontvangen zou. En hij is weggegaan zonder te weten waar hij komen zou. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. Want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de Bouwer en Ontwerper is’ 8-10.

Ook Abraham was een man die de stem van God verstaan kon, die dus geloofde in God en zijn geest op Hem richtte. Toen God tot hem zei: ‘Ga naar het land dat Ik u wijzen zal’, heeft hij deze opdracht verstaan en is gehoorzaam geweest. Uit zijn vertrek uit Haran bleek zijn geloof. Door zijn vertrouwen op de leiding van God kwam hij in Kanaän, maar bezat daar geen enkel eigendom, behalve later een graf voor zijn vrouw. Hij bouwde dan ook geen stad, maar als een vreemdeling en zwerver woonde hij in tenten. Hoewel zijn geloof vasthield aan de belofte, dat het land voor hem en zijn nageslacht was, spande hij zich niet in om dit land zich toe te eigenen. Zijn geestelijk oog bleef op God gericht en Hij openbaarde toen, dat er nog een ander en beter land bestond, het Koninkrijk der hemelen, waar God hem een plaats bereid had. In het geloof zag Abraham daar naar uit. Hij wist dat de hemelstad blijvend was en door God Zelf in de onzienlijke wereld werd gesticht. Zij was een stad met fundamenten die goed samengevoegd waren en sterk gebouwd.

Het geloof dat Abraham liet zien en waarover in deze verzen gesproken wordt, greep hoger dan de aardse belofte in vers 8 genoemd, want door een voortdurende omgang met God begreep hij dat het aardse land dat zijn erfenis was, een beeld vormde van de hemelse erfenis, de stad van God, die de gelovigen zouden bezitten. Zoals Abel de schuldvergeving door het bloed zag en Henoch het oordeel en Noach de redding uit het oordeel, zo zag Abraham de eeuwige of geestelijke erfenis. Daardoor is hij de vader of de grondlegger van het nieuwtestamentische geloof.

‘Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden en een kind te baren, ondanks haar hoge leeftijd, omdat zij Hem trouw heeft geacht Die het beloofd had. Daarom zijn er zelfs uit één man en dat uit iemand wiens kracht al gestorven was, zovelen geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand op het strand van de zee, dat niet te tellen is’ 11,12.

Het geloof van Sara bestond hierin, dat zij vertrouwen had dat, ondanks in de zienlijke wereld geen verwachting meer was, God toch aan haar zijn belofte vervullen zou en zijn kracht in haar betonen. Let op de geloofsbeproeving, zowel van Abraham als van Sara. Hun was immers beloofd dat hun nageslacht een groot volk zou zijn, maar alle omstandigheden in de zichtbare wereld waren tegen. Zij hoopten hoop tegen hoop en hadden volharding en geduld om de beloften te erven. Hier is dan nog geen sprake van de vervulling van de gehele belofte tijdens hun leven op aarde, maar van een aanvankelijke eerste vervulling in Izak. Deze realisatie van de belofte was het getuigenis dat Abraham en Sara ontvingen. De Heer heeft hun volhardend geloof en geduld gezien en dat ook gehonoreerd. Vandaar het redengevend bijwoord: daarom.

De Hebreeënschrijver kon na zoveel eeuwen vaststellen, dat er werkelijk uit Abraham en Sara een groot volk voortgekomen was, ontelbaar als de sterren van de hemel en als het zand op het strand van de zee. Deze natuurlijke vervulling is nog niet te vergelijken bij het geestelijke zaad of het ware zaad van Abraham, wat deze aartsvader in wezen zocht. Een zo groot, natuurlijk nageslacht zou hij immers tijdens zijn leven op aarde nooit zien, dus richtte hij het oog op een geestelijke wereld die eeuwig is en waaraan hijzelf ook deel had. ‘God is immers geen God van de doden, maar van de levenden’, zei God. De belofte uit Genesis 17:6 dat koningen uit hem zouden voortkomen, kreeg zijn mooiste werkelijkheid in het koninklijk priestergeslacht van het nieuwe verbond.

‘Deze allen zijn in het geloof gestorven. Zij hebben de vervulling van de beloften niet ontvangen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en gasten op de aarde waren. Want wie zulke dingen zeggen, laten duidelijk blijken dat zij een vaderland zoeken. En als zij aan het vaderland gedacht hadden van waaruit zij weggegaan waren, zouden zij gelegenheid gehad hebben om terug te keren. Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is naar een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen om hun God genoemd te worden. Want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt’ 13-16.

Op aarde was er voor de aartsvaders slechts een gedeeltelijke vervulling van de rijke beloften. Toch zijn ze in het geloof blijven staan dat de Heer zijn beloften aan hen volledig zou vervullen. Zelfs bij hun sterven hebben zij dit vertrouwen in de Heer niet losgelaten en daardoor hebben zij de innerlijke zekerheid gekregen door de stem van God, dat zij nog een ander vaderland konden verwachten. Zij wisten dat God niet tot hen sprak over een vaderland dat zij verlaten hadden, want dan zouden zij naar Haran weer teruggekeerd zijn, maar zij hadden begrepen dat het een toekomstig vaderland was. Daar zagen zij met verlangen naar uit. Wanneer Jacob sterven gaat, zegt hij daarom: ‘Op uw zaligheid wacht ik, Heer’. Hij zag uit naar het betere en hogere.

Zo hebben de aartsvaders dus enige kennis gehad van een voortbestaan na dit leven op aarde, hoewel zij niet wisten hoe dit alles verliep, zoals wij dit wel mogen weten door de prediking over het Koninkrijk der hemelen. Dit zoeken doet God plezier. Jezus zei: ‘Zoek eerst het Koninkrijk van God’. God zoekt zulke aanbidders, die Hem aanbidden in geest, dit wil zeggen in de onzienlijke wereld. Voor dezen heeft Hij immers een plaats en een taak in de hemelse gewesten. God schaamt Zich niet voor hen, maar Hij wil contact met hen blijven houden, want Hij is hun God, dit wil zeggen degene die hen inspireert, zijn gedachten in hen overbrengt en het voorwerp is van hun verering.

Wij merken op dat de belijdenis van de aartsvaders was: hier op aarde zijn wij slechts vreemdelingen en gasten. Toch hielden zij vast aan de beloften van God. Hieruit blijkt dat het bezit van het aardse Kanaän slechts een schaduw of beeld was. Wie in onze tijd alleen uitziet naar een verwerkelijking van Gods beloften aan Abraham en zijn nageslacht voor deze aarde, deelt niet in het geloof van de aartsvaders. Wanneer zij alleen voor dit leven op Gods beloften hoopten, kwamen zij er zelf wel heel karig af, want alles wat Abraham in het land Kanaän als vast eigendom kon nalaten, was een graf.