8. Niemand gerechtvaardigd door de wet

Galaten 3:1-12

‘O dwaze Galaten, wie heeft u betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen; u voor wie Jezus Christus eerder voor ogen is geschilderd alsof Hij onder u gekruisigd was?’ 1.

De Galaten waren volgens Paulus dom en onverstandig, want ze misten het juiste inzicht in de geestelijke wereld. Eerder zei Jezus tegen de Emmaüsgangers, die de profetieën over zijn lijden en sterven niet volledig hadden geloofd, dat zij onverstandig en traag van begrip waren. Op emotionele wijze wendt de apostel zich hier nu rechtstreeks tot de Galaten. Met het vragende voornaamwoord ‘wie’ accentueert hij zijn verbazing en verontwaardiging.

In 2 Corinthiërs 6:11 en in Filippenzen 4:15 richt de apostel zich ook tot gemeenteleden, maar zonder de uitroep ‘O’. Waarom hadden zij hun verstand niet gebruikt, toen de judaïserende dwaalleraars (en de aardse Israëlaanbidders), waren binnengedrongen? Het antwoord is, dat zij door hen volkomen betoverd of behekst waren. Zij waren door de religieuze show ’s van deze lieden ‘gefascineerd’, een woord dat in verband staat met het Griekse ‘baskaino’, dat hier wordt gebruikt. Zij waren onder invloed van sterke, occulte geesten gekomen. Van huis uit stonden deze Galliërs open voor magische riten en ceremoniën (Gal.4:8). Daarom spraken de Joodse gebruiken hen zo aan. Die brachten hen onder dezelfde betovering als vroeger de heidense plechtigheden dit deden. ‘Dwaas’ en ‘betoverd’ drukken uit hoe ver ook het tegenwoordige verjoodste christendom verwijderd is van de ware en enige verlossingsweg.

Paulus berispt de Galaten, omdat het hun ontbrak aan wijsheid en inzicht in de ‘betere’ dingen. Het intellect schiet tekort, wanneer men waarde hecht aan allerlei spijswetten, sabbatsvoorschriften en het verplichte waarnemen van dagen, maanden en jaren. Het gezonde verstand vindt al deze poespas lastig en nutteloos. Het heeft geen ethische waarde. Het verstand is hier niet dienstbaar aan God en zijn Zoon, want deze leerde dat zijn last licht en zijn juk zacht is. Wanneer de apostel in Romeinen 1:20 opmerkt dat Gods eeuwige kracht en goddelijkheid sinds de schepping van de wereld uit zijn werken met het verstand wordt doorzien, wijst deze uitspraak erop dat de geboden die onze Heer heeft nagelaten, nooit in strijd zijn met het nuchtere verstand. Het verstand is een middel voor de geest om de gedachten te ordenen. Hierbij krijgt de geest ondersteuning van het verstand. Dit is een geestelijk zintuig dat ongeordende, onlogische en leugenachtige gedachten afwijst. Wanneer het verstand door boze geesten betoverd en verduisterd is, staat het in dienst van de wetteloosheid. Het aanvaarden van de goddelijke waarheid kan dan zo’n verstand weer vrijmaken (als men dit ook zelf wil).

Er zijn stromingen binnen het naamchristendom die de mensen dwingen hun verstand in te leveren, maar Jezus zegt in verband met het schenden van de sabbat: ‘Oordeel met een rechtvaardig oordeel’, dat is: gebruik je verstand. Dan kom je ook vrij van een verkeerd uitoefenen van de wet. Petrus schreef lang na de gebeurtenissen in Antiochië: ‘Omgord dus de lendenen van uw verstand, wees nuchter!’ Breng je verstand in een parate toestand om tot actie over te gaan. Het verstand moet zich bezighouden met de logica van de dingen en met de Logos. De Logos is het Woord, dat in het begin bij God was (Joh.1:1). Zo constateert de logica dat wanneer God goed is, Hij niet tegelijkertijd het kwade kan voortbrengen, want ‘een goede boom kan geen slechte vruchten dragen’ en uit dezelfde bron komt geen zoet en bitter water opwellen.’ Men komt met het Oude Testament als onderbouw en het Nieuwe Testament als bovenbouw tot een gespleten voorstelling van God.

  • Wat te denken van een formuliergebed (dat sinds de zestiende eeuw in de hervormde kerk wordt uitgesproken na de preek), waarin gebeden wordt: ‘Voor allen die U straat met armoede, gevangenis, kanker, of aanvechting naar de geest’ (Zondag 10 H.C.)?
  • Het formulier vervolgt dan met de woorden: ‘Verlos hen dan eindelijk, zodat zij zich over uw goedheid verblijden en uw naam eeuwig prijzen en wil in al degenen, die krankzinnig zijn, herstellen de goede gaven van het verstand.

Een verstandige buitenstaander keert zich af van zoveel tegenstrijdigheden.

Bij zijn optreden had de apostel aan de Galaten duidelijk verteld op welke manier hun gerechtigheid tot stand was gekomen, namelijk door het plaatsvervangende lijden en sterven van Jezus Christus. Het woord ‘schilderen’ heeft hier niet de betekenis van het dramatiseren van het passiegebeuren. Het heeft betrekking op een officiële bekendmaking, zoals dit bij affiches en verordeningen het geval is. De apostel had de kruisiging bekend gemaakt als een alles overtreffende genade, die alle verdere religieuze inspanningen buitensluit. Bij het avondmaal sprak onze Heer ook geen emotionele woorden, maar Hij zei eenvoudig: ‘Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doe dit om aan Mij te denken.’ Ook de beker – na de maaltijd – zeggende: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt’ (Luc.2:19,20).

‘Dit alleen wil ik van u weten: Hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet òf door het evangelie wat u gebracht is en waarin u gelooft?’ 2.

Paulus had in niet alleen gesproken over het kruis van Christus tot vergeving van zonden, maar als evangelieprediker was hij nog verder gegaan. Hij had ook over Jezus gesproken als Doper in Gods Geest. Zoals de Galaten hun gerechtigheid niet hadden ontvangen door zich te houden aan de wet maar door geloof, zo hadden zij Gods Geest ook niet door inspanning ontvangen, maar door het geloof in de belofte van de Vader en in Jezus als de Doper in Gods Geest.

Met de woorden: ‘dit alleen wil ik van u weten’, doet de apostel een krachtig beroep op de Galaten. Hij stelt hun een beslissende vraag met een doorslaggevend argument. Hij herinnert hen aan de machtige ervaring in de geestelijke wereld, die zij zeer bewust hadden meegemaakt. Hij bepaalt hen bij het ogenblik dat de Heer Jezus door Gods Geest in hen was komen wonen. Deze doop betekende voor hen niet het aanvaarden van het dogma dat iedere gelovige automatisch Gods Geest bezit, maar hij was na het opnieuw geboren worden de grote belevenis voor hen geworden. In alle gemeenten van Galatië waren de woorden van Petrus reëel geworden:

  • ‘Bekeer u en ieder van u laat zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden en u zult de gave van Gods Geest ontvangen’.

Zoals iedere christen zich het uur van zijn waterdoop herinneren kan, zo kan hij zich ook het ogenblik herinneren van zijn doop in Heilige Geest.

Paulus dwingt de Galaten in een geestelijke richting te denken. De sfeer die de doop in Heilige Geest vergezelt, sluit de gevoelens en de stemmingen die de werken van de wet vergezellen, volkomen uit. De wet geeft immers geen enkele belofte voor enig geestelijk leven. De eerste vraag, die Paulus te Efeze aan de leerlingen van Johannes de Doper stelde, was: ‘Hebt u de Heilige Geest ontvangen, toen u tot geloof kwam? Zonder deze doop kan de christen immers in de geestelijke wereld niet als burger functioneren. Paulus bepaalde de Galaten erbij, dat zij het teken van het nieuwe verbond, de doop in Gods Geest, in de innerlijke mens hadden ontvangen, zoals de waterdoop dit aan de uitwendige mens schenkt. De Galaten hadden de Heilige Geest dus niet ontvangen dankzij hun inspanningen maar vanwege hun geloof.

In het Grieks staat: door het horen van geloof. De vertaling Brouwer heeft: ‘op grond van wetswerken of geloofsprediking?’ Het woordje ‘geloof’ beschrijft de inhoud en het doel van de prediking. De boodschap van het Koninkrijk der hemelen gaat immers over de onzichtbare wereld van de geesten. Zij wordt alleen door geloof ons eigendom, want geloof is ‘het bewijs van de dingen, die men niet ziet’ (Hebr.11:1). Aan de Corinthiërs schreef Paulus: ‘Wij zien niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare.’ Daarom heeft de christen een geoefend geloofsoog nodig. Werken van de wet zoals: spijswetten onderhouden, sabbatten en zondagen vieren, de reinigingsvoorschriften nakomen en de besnijdenis ondergaan horen bij de zichtbare wereld en zijn daarom van geen enkel belang in de onzichtbare regionen van de hemelse gewesten.

‘Bent u zo dwaas? U die met de Geest begonnen bent, gaat u nu eindigen met het vlees?’ 3.

Om zijn mededelingen te versterken, gaat de apostel opnieuw op typisch Joodse wijze verder met een retorische vraag – waarop men geen antwoord verwacht: ‘Bent u zo dwaas?’ Als zij hun verstand hadden gebruikt, zouden zij hebben begrepen, dat er leven buiten de wet om is. Zij waren in de geest – wij gebruiken hier dit woord liever zonder hoofdletter – dat is op geestelijke wijze begonnen te leven onder de leiding van Gods Geest. Nu keerden zij zich echter tot Joodse rituelen, die inspanning van de natuurlijke mens of van het vlees vereisten.

In dit vers spreekt Paulus over het heiligende werk van Gods Geest in verbondenheid met de menselijke geest in het leven van de gelovigen. Zij waren immers hun christelijke leven begonnen in afhankelijkheid van Zijn Geest? Meenden zij nu werkelijk dat zij de geestelijke volwassenheid zouden bereiken door met krachten te werken, die de mens van nature bezit? Het woord ‘epiteleo’ dat hier met ‘eindigen’ is vertaald, betekent ‘iets naar de plaats brengen waar het compleet wordt.’ De Statenvertaling luidt: ‘Voleindigt gij nu met het vlees?’ De Galaten meenden dat zij de geestelijke volwassenheid zouden bereiken door een goed afgerond, uitgebalanceerd systeem van religieuze werken na te leven. In de hele Mozaïsche maatschappij en religie was er echter geen enkele voorziening getroffen om aan Gods Geest een rechtmatige plaats te verschaffen. Het oude en het nieuwe verbond zijn gebaseerd op geheel verschillende principes en daarom niet aan elkaar gelijk te stellen of met elkaar te verbinden.

Men heeft eeuwenlang geprobeerd het wetsgebonden Oude Testament als één geheel te zien met het wetsvrije Nieuwe Testament maar dit is op niets uitgelopen. Een nieuwtestamentisch volk dat leeft op oudtestamentische grondslag heeft een innerlijk verdeeld geloof en bereikt nooit het niveau van de gemeente, waarvan de leden geheel en al naar geest, ziel en lichaam ongerept en onberispelijk bewaard zijn gebleven.

  • De vraag is trouwens: welke kerk heeft deze hoge doelstelling en dit bereikbaar ideaal in haar geloofsbelijdenis opgenomen?

De geest is de drager van de wet van God en dus gewillig, maar het vlees is ‘zwak.’ In het vlees werken de boze geesten, die het tot instrument proberen te maken om zich in de zichtbare wereld te manifesteren. Paulus bedoelt met vlees het zondigende vlees met haar begeerten, dat zich niet onderwerpt aan de wet van God en daar trouwens ook niet toe in staat is. Het ‘vrome’ vlees wil toch iets presteren om God te dienen en beroemt zich op zijn werken die het wel kan verrichten, zoals de oudste zoon in de gelijkenis dat ook tegen zijn vader deed.

Paulus spreekt over een zelfgemaakte godsdienst met zijn nederigheid en kastijding van het lichaam. Hij zegt dat dit zonder enige waarde is, maar slechts dient tot bevrediging van het ‘godsdienstige vlees. Hoewel wij in onze gemeenten weinig te maken hebben met ceremonieën, liturgieën, indrukwekkende gebouwen, gewijde gewaden, voorgeschreven zwarte kleding, hoofdbedekking, enzovoort, kunnen de werken van het vlees zich – naast de openlijke zonden – in een dwangmatige manier van leven openbaren, bijvoorbeeld: men móét de Bijbelkring bezoeken, hardop bidden in een voorgeschreven tijdsduur, stille tijd houden, voorgeschreven gedeelten uit de Bijbel lezen, het lijstje met voorbeden afwerken. Men voelt zich schuldig als men in deze dingen nalatig is. Op deze terreinen kan het zwaartepunt in iemands leven verlegd worden van de geest naar het vlees. Dan worden gebed en vasten verdienstelijke werken. Genoemde zaken zijn van grote waarde, als ze vanuit de geest van de mens voortkomen. Dan staat de liefde tot God en de naaste primair. Zo transponeerde Paulus bijvoorbeeld de lichamelijke besnijdenis naar die van de geest. In Colossenzen 2:11 schreef hij: ‘In Hem bent u ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus (wege)’.

‘Hebt u tevergeefs zoveel geleden? Als het toch eens tevergeefs was!’ 4.

Nu stelt de apostel de indringende vraag: ‘Hebt u tevergeefs zoveel geleden?’ De vertalingen van deze zin uit het Grieks lopen sterk uiteen. De Statenvertaling heeft: ‘Hebt gij zoveel tevergeefs geleden?’ De Leidse vertaling: ‘Hebt gij zo grote ervaring vruchteloos gehad?’ Dit verwijst dan duidelijk naar de doop in Heilige Geest. The New English Bible luidt insgelijks: ‘Zijn al jullie grote ervaringen dan tevergeefs?’ Het probleem is of men van het Griekse woord ‘pascho’ een ongunstige ervaring maakt of een gunstige. Meestal drukt het een afschuwelijke ervaring uit, maar de context of samenhang wijst hier op een gunstige betekenis van het woord, namelijk op de heerlijke belevenissen die in verband staan met de doop in Gods Geest.

Het is ons trouwens niet bekend of de Galatische christenen vervolgingen hebben moeten doorstaan. We weten zo goed als niets van hun situatie. Dat de apostel Paulus zelf vervolgd werd, blijkt uit zijn opmerking: ‘Wat mij echter betreft, broers, als ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik dan nog vervolgd?’ (Gal.5:11). Dit lijden was echter bij de Galaten niet aan de orde. Ook de vervolgingen in Handelingen 14, waarnaar men soms verwijst, betroffen Paulus en Barnabas in plaatsen die buiten het eigenlijke Galatië gelegen waren. Bovendien is deze brief hoogstwaarschijnlijk vóór de eerste zendingsreis geschreven (zie: Inleiding).

De uitroep: ‘Als het toch eens tevergeefs was!’, luidt in de vertaling Brouwer: ‘Als het tenminste vergeefs is!’ De apostel blijft positief t.o.v. de misleide Galaten, die hij als zijn kinderen beschouwt (Gal4:19). Hij kan het niet geloven dat zijn werk bij hen voor niets zou zijn geweest, want dan zou hij deze brief niet geschreven hebben. Zijn grote liefde tot hen geloofde alle goede dingen en hoopte op een gunstige verandering. Voor ons komt daarom deze tekst als volgt over: als jullie op deze weg doorgaan, is het tevergeefs geweest dat jullie de zegeningen hebben geproefd, die de doop in Heilige Geest met zich mee brengt. Ik geloof dit echter niet en daarom schrijf ik nu op positieve wijze en vol geloof verder.

‘Hij dan Die u de Geest verleent en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?’ 5.

Bij de laatste vraag, waarop opnieuw Paulus het antwoord ook al geeft, merkt de apostel op, dat de Galaten alleen vanwege hun geloof in Gods Geest waren gedoopt. Dit ontvangen ging gepaard met de charismatische gaven die zich in de gemeente openbaarden. Hieronder waren de werking van krachten met bovennatuurlijke verschijnselen. We denken aan het uitdrijven van boze geesten, aan geloofsgenezing, aan het spreken in talen en aan het profeteren. Dit waren de machtige uitbeeldingen van het christelijke leven van deze gelovigen in het heidense Galatië. Alles stond toen in het teken van de Geest, die krachtig in en door de gelovigen werkte. Zo bracht de Heer zelf ook het evangelie, samen met de daarbij horende tekens en wonderen, iets wat ook bij de apostelen gebeurde (Luc.11:20). Paulus heeft het hier niet over de gaven van wijsheid en kennis of over de gave van onderscheiding van geesten. Hadden zij deze ook maar zo veel gehad, dan zouden ze de geest, die achter het judaïsme schuil ging, zeker ontmaskerd hebben.

Terecht stelt Paulus verder de vraag: wat doen nu de wetten en voorschriften, die de judaïsten jullie in hun geloofsijver hebben opgelegd, onder jullie? De wet kan zelfs geen mens tot bekering brengen. Ze is onvruchtbaar, maar mijn prediking van het geloof in Christus heeft bewezen vruchtbaar te zijn. Hoe werkt de Geest van God onder ons en wat gaat Hij in onze gemeenten uitwerken? Het staat vast dat de helende krachten de mens een metamorfose laten ondergaan en nieuw leven schenken. Zij komen rechtstreeks van God en gebeuren nooit door menselijke inspanningen. Zij werken vandaag de dag nog steeds onder ons als gevolg van de prediking van het geloof in het woord van Christus.

‘Op dezelfde manier heeft ook Abraham God geloofd en het is hem tot gerechtigheid gerekend’ 6. 

Om het judaïsme te bestrijden had Paulus de Galaten er eerst aan herinnerd, dat zij vergeving van zonden en de doop in Gods Geest buiten de wet om hadden ontvangen. Zij waren uit genade behouden door het geloof. Na dit argument komt Paulus ook nog met een historisch bewijs. Hij noemt de naam van Abraham, op wie de Joden zo trots waren en op wie zij zich beroemden met de woorden: ‘Wij zijn Abrahams nageslacht’ (Joh.8:33). In de Joodse theologie was hij de hoog verhevene.

De uitdrukking ‘zonen van Abraham’ was een sjibbolet (een herkenningsteken, waarmee vriend en vijand van elkaar kunnen worden onderscheiden) bij de Joden. Zij leerden dat de natuurlijke afstammelingen van Abraham vanzelfsprekend ook kinderen van God waren. Alleen de besnedenen werden behouden (Hand.15:1). De besnijdenis was het bewijs dat hen van de heidenen scheidde. In Romeinen 4:9,10 toont de apostel echter duidelijk aan, dat het gelóóf Abraham tot gerechtigheid werd gerekend, voordat hij besneden was. De naam Abraham komt in de Paulinische brieven alleen voor in Galaten (negen maal), in Romeinen (negen maal) en in 2 Corinthiërs 11:21 en steeds in verband met zijn strijd tegen degenen die het judaïsme propageerden en die met hun leer in de gemeenten van de heidenchristenen infiltreerden. Paulus was ook geen volgeling van Abraham, maar van Hem die kon zeggen: meer dan Abraham ben Ik (Joh.8:51-59).

De levens van Abraham en Paulus kennen enkele parallellen. Beiden moesten alles achterlaten en op grond van hun geloof zich volkomen toevertrouwen aan de leiding van God. Beiden waren vervuld met de gedachte aan een onzichtbare wereld, in het bijzonder met die van de stad van God en van een hemels vaderland en burgerschap. Alleen door het geloof kan men deze geestelijke wereld binnengaan. De apostel kon zijn argumenten bewijzen met een belangrijke tekst uit het Oude Testament die gaat over het geloof van Abraham. In Genesis 15:6 staat: Abraham geloofde in de Heer en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid, of nog meer letterlijk met het citaat van Paulus overeenkomstig de Septuaginta: ‘Het is hem tot gerechtigheid gerekend.’

Met mensen die een hemelse visie hebben, kan God omgaan als met een vriend. Zo was dit ook het geval met Mozes, die de bedoelingen van God verstond, toen hij het hemelse plan van de Heer in de tabernakel en zijn dienst uitbeeldde. Vanwege hun geloof dat zich op het rijk van God oriënteerde, kon God met hen omgaan als rechtvaardigen. Met onrechtvaardigen heeft God geen gemeenschap. Ongeloof trekt een muur op tussen twee partijen. Het zaait wantrouwen. Wanneer mensen elkaar vertrouwen, ontstaat er een band. Daarom kon God ook de bondgenoot van Abraham worden.

Abraham bezat het geloof dat van God is, dat Deze Zelf heeft. Zo staat bijvoorbeeld in Marcus 11:22 letterlijk: ‘Heb het geloof van God’ (hoewel de meeste vertalingen ‘heb geloof in God’ hebben). Abraham was niet een man die de ontbrekende stukken van zijn levenspuzzel opvulde met geloof, maar hij bestond door geloof. Hij leefde in geloof en stierf in geloof, aan onroerend goed slechts een spelonk nalatende. Hoe in Israël de geloofstekst van Abraham geïnterpreteerd werd, blijkt uit wat er staat in ‘De wijsheid van Jezus Sirach’ 44:19. Deze apocriefe schrijver merkt daar op:

  • ‘Abraham is de grote vader van een menigte volken, zijn gelijke in roem is niet gevonden, hij hield de wet van de Allerhoogste en werd met Hem in een verbond opgenomen; hij bevestigde dit verbond in zijn lichaam (dus in de besnijdenis)’.

Hier is dus geen sprake van geloof, maar wel van de wet, die 430 jaar later werd gegeven (Gal.3:16).

‘Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn’ 7.

Uit de voorgaande uiteenzettingen konden de Galaten weten, wie de eigenlijke zonen van Abraham zijn. Dat zijn die christenen voor wie het geloof uitgangspunt en bron is van het leven en die hun hele bestaan bouwen op de verhoogde Heer. Hun denkwereld is doortrokken van de zekerheid van de dingen, die zij met hun natuurlijke ogen niet zien, maar door hun geloofsoog binnen hun bereik hebben (Hebr.11:1). De judaïserende christenen uit de Joden meenden echter, dat men de verlossing alleen kon ontvangen door via een synagogepoortje het rijk van God binnen te gaan. Zij leerden dat men bij de natuurlijke nazaten van Abraham moest worden ingelijfd. Dit laatste gebeurde dan door middel van de besnijdenis. Paulus leerde echter dat God van begin af aan een geestelijk volk had bedoeld, dat naar het hart was besneden:

  • ‘Want niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees gebeurd, maar hij is een Jood – een zoon van Abraham – die het in het verborgen is en de ware besnijdenis is die van het hart, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God’ (Rom.2:28,29).

Abraham hield zich niet met een aards vaderland bezig, maar met een hemels. Net als de rechtvaardige Abel dacht hij na over het reddingsplan van God (Hebr.11:4). In de geest zag hij verder dan Abel, want hij wist dat niet een offerdier, maar een mens als losprijs voor de zondeschuld moest worden prijsgegeven. Op grond van dit (nog onvolkomen inzicht) heeft Abraham door geloof zijn eigen zoon Izak willen offeren. Later begreep hij dat deze enige zoon niet Izak was, want de God Zelf zou in een offer voorzien (Gen.22:8,13,14). Hij zou zijn enige Zoon schenken, uit het geslacht van Abraham, die als Lam van God de zonde van de wereld geheel vrijwillig zou wegnemen (Joh.1:29). Abraham heeft deze dag van Gods Zoon, na het tevergeefs aangeboden offer van Izak, gezien en was blij (Joh.8:56).

De uitdrukking ‘zonen van Abraham’ komt bij Paulus alleen maar voor in zijn polemieken, dat is in de verdediging van zijn leer tegen het judaïsme. Ook nu wordt deze Paulinische discussie weer actueel, want wij hebben weer volop te maken met een vernieuwd judaïsme, dat zich bezighoudt met het natuurlijke zaad van Abraham. Wie het volk Israël als drager van allerlei reddingsbeloften ziet, grijpt weer naar het tastbare, het tijdelijke en het vergankelijke. Deze leer sluit voor de christenen de toegang tot het Koninkrijk der hemelen. God woont niet binnen de begrenzing van een natuurlijk volk, want ‘de hemel is zijn troon en de aarde een voetbank voor zijn voeten (Jes.66:1). Hij woont in een hemels volk en de gemeente van Jezus Christus is Zijn woonplaats in de geestelijke wereld. ‘Niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte gelden voor nageslacht (Rom.9:8).

‘En de Schrift, die voorzag dat God uit het geloof de heidenen zou rechtvaardigen, verkondigde vroeger aan Abraham het Evangelie: In u zullen al de volken gezegend worden. Daarom worden zij die uit het geloof zijn, gezegend samen met de gelovige Abraham’ 8,9.

Paulus zegt hier, net als Petrus dit doet, dat de profeten – dus ook Abraham – ‘de voor ons bestemde genade’ en de komende tijden van verkwikking al eeuwen van te voren hebben aangekondigd (1 Petr.1:10,11). Met de uitdrukking ‘de Schrift’ wordt een rechtstreekse inspiratie van Abraham bedoeld. God schonk hem zijn gedachten. De Schrift is dan de passage in Genesis 12:3, de tweede tekst die Paulus aanvoert. De Schrifttekst wordt dus met God vereenzelvigd, want Hij zag van tevoren wat er zou gaan gebeuren. Dezelfde stijlfiguur vinden we ook in Romeinen 9:17: ‘Want het Schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan.’ Deze beeldspraak heet metonymia of naamsverwisseling. Wij kunnen bijvoorbeeld zeggen: ‘Ik heb Vondel in de kast’ en verwisselen hiermee de werken van de dichter met zijn persoon. De naam van God wordt hier verwisseld met de Schrift(tekst). Verder is het duidelijk dat God tot Abraham sprak, lang voor het moment dat Mozes deze tekst opschreef.

Aan Abraham werd de goede boodschap gebracht. Voor de grondlegging van de wereld was Jezus al in het plan van God opgenomen als Lam van God. In dit opzicht kon Hij zeggen: ‘Voor Abraham was, ben Ik’ (Joh.8:58). Abraham werd van dit plan op de hoogte gesteld en hij verheugde zich erover (Joh.8:58). Bij de roeping van Abraham ging het om het behoud van de hele schepping. Daarom werd hij geïnspireerd met de grondgedachte van het eeuwige evangelie: de verzoening door het bloed en de rechtvaardiging door het geloof. De dichter van Psalm 67 drukte dit wereldomvattende reddingsplan uit met de woorden:

  • ‘Zodat men op aarde uw weg kent, onder alle volken uw redding. Dat de volken U loven, o God, dat de volken allemaal U loven’ (Ps.67:2,3).

Hoe worden de heidenen gezegend met Abraham? Wanneer zij net als deze aartsvader leven door hun geloof, dat gericht is op de eeuwige gedachten van God. Niet elk geloof schenkt de mens de gerechtigheid, want er staat: ‘Abraham geloofde Gód en het is hem tot gerechtigheid gerekend’ (Gen.15:6). Toen God de gelovige Abraham zegende, werden alle mensen die dezelfde geloofsrichting hebben met hem gezegend. De taak van de natuurlijke kinderen van Abraham was om de zegen waaronder zij leefden, aan de heidenen door te geven. Alleen een rechtvaardig volk kon dit blijde evangelie bekend maken. Zij moesten zo rechtvaardig zijn, dat zij de heidenen jaloers zouden maken. Dezelfde taak heeft nu het geestelijke Israël, want dit moet als gemeente van Jezus Christus met haar onberispelijkheid, geestelijke volwassenheid en herstelkracht het natuurlijke Israël jaloers maken, zodat eenmaal ‘heel’ Israël, bestaande uit heidenen en Joden in haar behouden wordt (Rom.11:11,26).

Het leven van Abraham in het heidense Kanaän was een blikvanger. God wilde ermee uitdrukken: kijk naar mijn vriend Abraham. Ik zegen en bescherm hem en maak hem rijk. Ik geef hem de overwinning op zijn vijanden. Ik overlaad hem met mijn genade. Waarom nu juist Abraham? Omdat hij Mij vertrouwt en Mij gelooft. Dat is de inzet van zijn leven. Uit zijn zaad dat hem volgt op dit geloofsspoor, zal Ik de Hersteller en Vernieuwer van de hele schepping geboren laten worden. Met Abraham zouden alle volken van de aarde gezegend worden, als zij het geloofspatroon van deze vader van alle gelovigen overnamen. Of zij Joden, Barbaren, of Grieken waren, doet niet ter zake.

Petrus zei tegen de Joden: ‘U bent de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw voorvaders gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zei: En in uw nageslacht zullen alle stammen van de aarde gezegend worden’ (Hand.3:25). Het ging dus om alle volken, maar Israël mocht hiervan de eerste zijn. Na de opstanding van Jezus maakt het als eerste kennis met de volle verlossing. Daarom vervolgt Petrus in 3:26: ‘God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen. De behouden rest uit dit eerste volk zou het herstel en behoud dan doorgeven aan de heidenen, want de redding is uit de Joden!’

‘Want allen die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek. Er staat immers geschreven: Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’ 10.

Wat voor verlossing bracht nu die nieuwe boodschap van de judaïsten aan de Galaten? Schonk zij een bijzondere geestelijke zegen of een verbazingwekkende werking van Gods Geest, zoals dit het geval was met de prediking van Paulus? Wat voor genade en geestelijke vooruitgang brengt de aardse Israëlleer in onze dagen aan de ware christen? Wat heeft die antieke wereld van riten, gebruiken, ceremoniën, wetten en voorschriften ons te bieden? Wanneer wij de grote waarde van het wandelen in de hemel hebben leren kennen, verbinden wij ons niet met een volk dat zijn roem vindt in een natuurlijke afkomst. Als wij erfgenamen van Abraham willen zijn door het van de wet te verwachten, is het geloof zonder inhoud en de belofte dat wij erfgenamen van de wereld zullen zijn, zonder gevolg (Rom.4:13,14).

In onze tekst gaat het niet over het met Abraham gezegend worden vanwege het eeuwige verbond, maar om iets dat hiermee in een felle tegenstelling staat, namelijk over de vloek die de wet op de mens legt. De onverbiddelijke wet bezit geen enkele belofte voor de zondaar. Het principe waarvan zij uitgaat, is de veroordeling tot de dood. Onze Heer heeft dit ervaren, toen men het uitriep: ‘Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven’ (Joh.19:7). Had Israël geen wet gehad, dan zou de Heer van de heerlijkheid niet zijn gekruisigd!

Allen die door inspanning en door het onderhouden van geboden en inzettingen de rechtvaardigheid willen ontvangen, zijn niet in staat om in hun leven de aanvallen van de boze geesten te weerstaan. Dit kan alleen door de kracht van de Heilige Geest die uit God is en die door het geloof in ons werkt. Als iemand de wet niet volbrengt, laadt hij schuld op zich en is hij prijsgegeven aan het rijk van de duisternis, dus vervloekt. De schuld maakt immers scheiding tussen God en de mens. Wij houden ons daarom niet alleen dood voor de zonde, maar ook voor de wet. Wij zijn immers ‘van de wet ontslagen, dood voor haar’ (Rom.7:6).

Paulus ondersteunt zijn stelling dat allen die het van de wet verwachten, onder de vloek liggen, met een tekst uit Deuteronomium 27:26. Daar staat: ‘Vervloekt is hij, die de woorden van deze wet niet metterdaad volbrengt’. Paulus citeert hier weer de Septuaginta, waar echter sprake is van ‘al de woorden’. Het gaat daar dus niet alleen over de tien geboden, maar over het hele systeem van maatschappelijke en ceremoniële voorschriften. De Bijbelse stelling is dus: allen die geloven – uit Joden en heidenen – worden met de gelovige Abraham gezegend, maar ‘allen die leven uit wetswerken’ (vert. Brouwer) – uit Joden en heidenen – liggen onder de vloek.

Waarom nu deze merkwaardige uitspraak, terwijl Mozes in het volgende hoofdstuk ogenblikkelijk laat volgen, dat ‘wie de wet nauwgezet gehoorzaamt, gezegend wordt?’ Het antwoord is, dat zij, die de werken van de wet willen doen om te leven, aan het verkeerde einde beginnen. Men kan pas de wet onderhouden, als men leven heeft in zichzelf. En dat leven ontvangt men alleen door geloof buiten de wet om. Veronderstel dat iemand zich voorbereidt voor een diploma tekenen of muziek en hij hiervoor het natuurlijke talent mist. Dan moet hij zich ontzettend inspannen en het blijft onzeker of dit wel helpt. Een andere student die beschikt over aangeboren talent, behaalt echter spelenderwijs zijn diploma. De apostel schrijft: ‘De wet is geestelijk’ (Rom.7:14). Alleen de geestelijke mens die zich in het Koninkrijk van God beweegt, volbrengt de wet zonder enige inspanning. Hij is immers geschapen om goede werken te doen. De wet is ingeschreven in zijn hart, dus in de onzichtbare wereld.

Wij worden burgers van het Koninkrijk van God in de hemel door geloof. De ongeestelijke mens is echter niet in staat om de wet van God te vervullen, omdat hij niet naar God wil luisteren. De natuurlijke mens staat immers vijandig tegenover God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God; trouwens, het kan dat ook niet (Rom.8:7).

De judaïsten dachten ook dat hun kennis van de wet hun als zonen van Abraham een aparte zegen schonk. Hun discussies over de wet waren daarom belangrijker voor hen dan het realiseren ervan. Tegen de vertegenwoordigers van dit systeem zei de Heer: ‘U onderzoekt de Schriften, want u meent daarin eeuwig leven te hebben en deze zijn het, die van Mij getuigen en toch wilt u niet tot Mij komen om leven te hebben’ (Joh.5:39,40). De zonde van Israël was, dat het de gerechtigheid die God geeft niet aanvaardde en een eigen gerechtigheid probeerde te laten gelden.

Paulus handelt als een kundig bouwmeester, die eerst het oude fundament tot de laatste steen sloopt, voordat hij het nieuwe bouwwerk kan optrekken. Dit bouwwerk wordt ‘de mens van God, tot alle goede werken volkomen toegerust’ (2 Tim.3:16,17). Zo’n persoon wordt niet door de wet veroordeeld. Paulus schreef uit eigen ervaring. Had hij niet eenmaal vertwijfeld uitgeroepen, toen al zijn inspanningen tevergeefs bleken te zijn: ‘Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen?’ Alle mensen die proberen de wet te houden liggen onder de vloek. Jacobus schrijft: ‘Want wie de hele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle geboden’.

De wet kan men beschouwen als een land. Als men op één punt de grens oversteekt, om het te verlaten, staat men buiten het hele land. Eén zwakke plek in de dijken van Zeeland was genoeg om in 1953 een catastrofale ramp te veroorzaken. Tegen de Joden zegt Petrus in Handelingen 15:10, dat de wet een juk is ‘dat noch onze voorvaders noch wij hebben kunnen dragen’. Daarom is het tijdperk van de wet een ‘tegemoetkoming aan de dood’.

‘En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk: immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven’ 11. 

Ook in het Oude Testament staat dat de rechtvaardige uit zijn geloof leeft. Het onderhouden van de wet moest met geloof gepaard gaan. Men moest immers vertrouwen dat de offers inderdaad wezen op de schuldvergeving. Het is duidelijk dat de wet dit geloof niet eist, want zij houdt zich alleen aan de daad: ‘De mens die ze doet, zal daardoor leven’. Zelfs door gehoorzaamheid aan de wet was het niet mogelijk voor de zonde te betalen, want alleen bloed kan de schuld vereffenen. Uitgestort bloed betekende de dood en de dood is het loon van de zonde. Zonder geloof waarmee men de schuldaflossing en de rechtvaardiging aanvaardt, heeft de inspanning door werken geen enkel effect bij God. Door het geloof beweegt de mens zich in de hemelse gewesten waar God is. Door het geloof gaat God voor hem reëel bestaan en nadert hij tot Hem, kan hij naar Zijn wil leven en gemeenschap met Hem hebben.

Het geloof is niet een gave die op mysterieuze wijze tot ons komt, maar het is een eigenschap van onze menselijke geest, die in werking moet worden gesteld. Ons geloof moet zich op God richten. Dit doen wij, als wij op zijn woorden vertrouwen. Dan nemen wij zijn gedachten en zijn geloof erin over. Jezus sprak hierover tot zijn leerlingen toen Hij in Marcus 11:22 letterlijk zei: ‘Heb geloof van God.’ God is geest en Hij heeft dus geloof. Hij gelooft dat zijn Zoon het hele reddingsplan zal uitvoeren. Vanwege dit geloof schonk Hij Hem zonder enige reserve alle macht in hemel en op aarde. Bij God bestaat geen enkele twijfel of de mens zijn volmaaktheid bereiken zal. Hij heeft hem zeer goed geschapen en daarom bereikt hij het einddoel van het geloof: De verheerlijking van de mens. Met hulp van Gods Geest is de mens nog altijd geschikt om dit hoge niveau te bereiken.

Er staat dat God één is, dus onveranderlijk. De boze geesten geloven ook in dit volmaakte één zijn van God en zij sidderen, omdat zij weten dat zij voor een verloren zaak vechten. Het geloof van God is ook het geloof van Jezus Christus, zoals men in Galaten 3:22 en in Openbaring 14:12 in plaats van ‘geloof in Jezus’ ook ‘geloof van Jezus’ kan lezen. Jezus is de Voleinder of Volmaker van het geloof van God. Onze Heer gelooft dat Hij zijn gemeente ‘stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en onberispelijk’ voor Zich zal plaatsen. Hij gelooft dat de zuchtende schepping volkomen bevrijd zal worden door de zonen van God, die worden geopenbaard. Hij gelooft dit en wij nemen zijn geloof over, zodat gezegd kan worden: ‘Dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof: ‘Want hij die door geloof gerechtvaardigd is, zal leven’ (vert. W Grossouw).

Paulus neemt hier ‘geloof’ in de absolute betekenis, zonder ‘mijn of zijn’, want het gaat hier over een eeuwige en blijvende kracht, die de hele schepping vernieuwt en in stand houdt. Het had voor de apostel geen enkele zin om de Galaten erop te wijzen dat de Joden zelf nog overtreders van de wet waren, vanwege hun onmacht de boze geesten op de juiste wijze te bestrijden en te overwinnen. Daarom citeert hij Habakuk 2:4 waar staat: ‘Maar de rechtvaardige zal door zijn (eigen) geloof leven. De Septuaginta luidt echter: ‘De rechtvaardige zal door mijn (Gods) geloof leven.’ Wij zien hier de bevestiging dat het geloof van God en van Jezus en van ons dezelfde inhoud hebben.

In een visioen ziet Habakuk de Chaldeeën aan komen stormen. Hij schreeuwt tot God: ‘Geweld en U verlost niet?’ Hij ziet dat onstuimige en grimmige volk, ‘dat de hele aarde doorkruist.’ Afschrikwekkend en ontzagwekkend is het. Het verzamelt gevangenen als zand. Het drijft de spot met koningen en het lacht om elke vesting. In dit beeld van onze strijd tegen de boze geesten in de hemelse gewesten, zegt de profeet ook tegen het volk van het nieuwe verbond: ‘De rechtvaardige zal uit geloof leven. God heeft gesproken en legt het geweld van onze vijanden het zwijgen op. God zal tot zijn heilige tempel komen en de aarde zal vol worden van de heerlijkheid van de Heer, zoals het water de bodem van de zee bedekt.’ Zo stijgt de prediking van het geloof ver uit boven de wet, die het geestelijke leven van de Galaten dreigde te verminken.

‘Maar voor de wet is het niet: uit geloof, maar: De mens die deze dingen doet, zal daardoor leven’ 12.

Er zijn zogenaamde christenen die in de zichtbare wereld iets willen laten zien van hun godsdienstigheid. De judaïsten probeerden de Galaten te dwingen zich te laten besnijden. Het was hun al gelukt deze voormalige heidenen allerlei Joodse feesten te laten vieren. Zo zijn er ook kerkmensen in onze tijd die hun dienst aan God in deze wereld nadrukkelijk willen tonen door een bepaald gedrag, hun kerkgang, kleding en hoofdbedekking, door ernst en door activiteiten. Hun leven is vol van geboden en verboden. Het kruis van Christus spreekt echter alleen van rechtvaardiging op grond van het geloof waarmee men zich de schuldvergeving toe-eigent. Het ware christendom is wars van allerlei traditionele toestanden en voorgeschreven handelingen.

De mededeling: ‘De wet is niet uit het geloof’, zoals onder meer de Statenvertaling heeft, wijst erop dat de twee principes van wet en geloof als middel om de gerechtigheid te ontvangen elkaar uitsluiten. Zij staan diametraal tegenover elkaar. In Romeinen 10:5,6 citeert Paulus dezelfde tekst uit Leviticus 18:5 en merkt daarover op: ‘Mozes schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet doet, zal daardoor leven. Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt een geheel andere taal.’

De uitspraak van de apostel gaat lijnrecht in tegen de oudtestamentische opvatting van de wet en de joodse traditie. De wet zegt: doe dit en je zult leven, terwijl het evangelie spreekt: geloof en je zult leven. Om te kunnen leven moet men gezond zijn. Dan pas kan een mens zijn activiteiten ontplooien en groeien. Johannes schreef in zijn derde brief: ‘Ik bid, dat het u wèl gaat en u gezond bent, zoals het uw ziel wèl gaat.’ Leven betekent naar geest, ziel en lichaam goed functioneren. De menselijke geest is hierbij de drager van de wetten van God. Hij schrijft ze in hart en verstand. Hij werkt als het geheugen van een computer. Boze geesten beschadigen echter dit fijne instrument, zodat het zelfs dood kan gaan, dus niet meer werkt. De betreffende chip die geprogrammeerd is om de goddelijke wet uit te voeren, wordt dan uitgewist. ‘Dood door uw overtredingen en zonden’.

Nu is de wet niet gegeven aan geestelijk gezonde mensen maar aan beschadigde, niet aan rechtvaardigen maar aan ‘wettelozen en tuchtelozen.’ De wet doet als iemand die tegen een verlamde zegt: je moet lopen om je doelstelling te bereiken. Op z’n best zal zo’n invalide het doel al kruipend en schuifelend proberen te bereiken dus met grote inspanning. De nutteloze mens heeft daarom allereerst een dokter of reparateur nodig, die de computer van zijn geest weer tot leven brengt. Dan heeft hij de wet die hem van buiten af dirigeren wil, niet meer nodig. Dan geldt voor Jood en heiden de belofte: ‘Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen en Ik zal die in hun harten schrijven.’ Paulus ontkent de waarheid uit Leviticus niet, maar zij geldt alleen voor zondeloze mensen, die geen geschreven wet nodig hebben.