3. De roeping van Paulus als apostel

Galaten 1:10-24

‘Want ben ik nu bezig mensen te overtuigen of God? Of probeer ik mensen te behagen? Als ik dat nog altijd zou doen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn’ 10.

Hoogstwaarschijnlijk hebben de judaïsten over Paulus verteld, dat hij het de heidenen een beetje gemakkelijker maakte, om meer zielen voor zijn evangelie te winnen. Ook verweet men hem dat hij Timotheüs wel had besneden, wat in tegenspraak was met zijn eigen overtuiging. Paulus had dit echter alleen maar gedaan ‘vanwege de Joden’, dus om praktische redenen (Hand.16:3): ‘Want besneden zijn of niet besneden zijn, betekent niets’ (Gal.6:15). Timotheüs werd besneden vanwege van de niet-bekeerde Joden, die geen omgang wilden hebben met een onbesneden half-Jood, want Timotheüs had een Joodse moeder (Hand.16:1). Paulus had dit vanwege een goede verstandhouding gedaan. En om een breuk met de Christen-Joden te vermijden, is hij soms ook bereid om enkele concessies op ritueel gebied te doen. Deze toegeeflijkheid heeft echter niet geholpen, want zij deed de afkeer van de judaïsten tegen Paulus juist toenemen. Ook heeft men hem waarschijnlijk zijn uitspraak voor de voeten geworpen, zoals we die aantreffen in 1 Corinthiërs 9:20: ‘Ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet.’ Men beschouwde de apostel eigenlijk als een geestelijk opportunist, dus iemand die zich voegt naar de omstandigheden.

Paulus bedoelt nu: als ik het zo scherp in deze verzen stel – mijn evangelie of geen evangelie – is dit dan om mensen te winnen en ben ik dan een opportunist of mensenbehager? In dat geval zou hij best een compromis kunnen vinden, want hij was niet voor niets bij de rabbijnen in de leer geweest. Hij zou dan een diplomatiek antwoord kunnen geven zoals kerkvorsten dat graag doen. Als dienstknecht van God wil hij echter het woord van de waarheid regelrecht verkondigen, anders kan de Heer hem niet gebruiken om zijn doel te bereiken. De apostel probeert geen mensen te behagen, maar alleen Christus. Hij is diens slaaf (doulos). Het leven van Paulus zou veel gemakkelijker zijn als hij wat minder op zijn ponteneur (glorieus punt) zou staan. Zijn vervloeking komt immers zeer hard over bij zijn tegenstanders. Zijn ‘eer’ bestaat er echter in om slaaf van Christus te zijn. Daarom is de wettische wereld voor hem gekruisigd en hij voor die wettische wereld (Gal.6:14). Met het woordje ‘nu’ duidt hij aan dat er op dit kritische ogenblik een geweldige botsing in de christelijke schijnkerk plaatsvindt en dat hij in deze strijd tussen wet en genade geen duimbreed kan en zal wijken.

‘Maar ik maak u bekend, broers, dat het Evangelie dat door mij verkondigd is, niet naar de mens is. Want ik heb dat ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus’ 11,12.

De niet met name genoemde tegenstanders van Paulus hebben zijn gezag en trouw aan de waarheid van zijn prediking ondermijnd. Hij gaat nu vertellen hoe hij ertoe is gekomen om een verkondiger van het evangelie van de genade te worden. Het Griekse woord voor ‘broers’ is adelphoi, dat letterlijk ‘uit dezelfde schoot’ betekent, dus zowel mannen als vrouwen kan aanduiden. De apostel begint hen te zeggen dat wat hij brengt niet overeenkomt met het verlangen van de godsdienstige, natuurlijke mens. Het woord anthropos – ‘mens’ – wordt hier niet individueel gebruikt, maar wijst op de mensheid met al haar karaktertrekken. Deze natuurlijke mens vormt hier een tegenstelling met God die geest is. We vinden iets soortgelijks in de uitdrukking ‘vlees en bloed’ (Gal.1:16). De godsdienstige mens wil in de zichtbare wereld altijd wel een en ander doen om behouden te worden. Zijn religieuze stelsels bevredigen dan het ‘vrome’ vlees (Col.2:23). Paulus verzekert nu de Galaten dat zijn evangelie uniek is en dat het een bovennatuurlijke oorsprong heeft.

Alle wereld- en levensbeschouwingen buiten het evangelie van Paulus om komen niet van Jezus Christus, maar van de mens. De godsdienstige mens bedenkt en maakt ze. Hij heeft iets nodig om te kunnen standhouden bij zoveel onzekerheden in het leven. De Grieken waren bijvoorbeeld meesters in het uitdenken van een onzichtbaar plan. Zij bedachten goden die in wezen supermensen waren. Deze droegen dan de levenswetten die dichters, zoals Homerus, hun toedachten. Als een mens daar rekening mee hield, hoefde hij geen gevaar te vrezen en kon hij zich betrekkelijk veilig voelen. In alle stelsels is het basisprincipe te herkennen: wie goed doet, wordt gezegend en wie kwaad doet, wordt gestraft. Maar waar was het onderscheid tussen goed en kwaad?

De wens om iets voor het eigen behoud te kunnen doen, vinden we ook in Israël terug. God had aan het bandeloze woestijnvolk zijn wetten toegevoegd(!) om uitbreiding van het kwaad te beperken. De wet is immers niet bestemd voor de rechtvaardigen, maar voor mensen die zich niet storen aan wet of gezag. De Farizeeën en de schriftgeleerden hanteerden deze wetten zoals een wiskundige dit doet met zijn formules. Ze hadden zogezegd de wet in hun vingers en ze konden er mee manipuleren. Zij werden dragers van de wet, zoals de heidenen hun goden droegen. Ze hadden echter geen idee van de geestelijke mens bij wie de wetten van God door Zijn Heilige Geest in het hart zijn geschreven. Wie de Geest van God heeft, bezit het leven en doet dan niets wat het leven aantast of beschadigt. Er is dan sprake van de ‘wet van de vrijheid’ en ‘de koninklijke wet’ omdat ze functioneert in vrije en koninklijke mensen (Jac.2:8,12). Omdat die innerlijke wet niet werkte bij dit volk, gaf God de tien geboden en andere voorschriften die een schaduw waren van het ware leven (Col.2:17; Hebr.8:5, 10:1).

De natuurlijke mens zoekt naar de wetmatigheid op aarde, want alleen daar kan hij mee werken. De computer, de kernenergie, de elektronica zijn gebaseerd op vaste natuurwetten. Als resultaat daarvan kunnen de mensen o.a. op de maan komen. Zo wil de mens met Gods wetten werken. Dit deed ook de rijke jonge man, maar hij kende de wetten van het Koninkrijk der hemelen niet (Matth.19:16-22). De wetten van de Schepper functioneren immers in twee werelden. Om het gewenste doel te bereiken moet men rekening houden met beide dimensies. Om demonen uit te werpen gebruikten de zonen van Sceva de formules van Paulus: ‘Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt.’ Wij denken hierbij ook aan de bezweringsformules in de kerken of aan het slaan van een kruis om demonen te weren. De zonen van Sceva kwamen echter bedrogen uit en raakten op een dramatische manier ontgoocheld (Hand.19:13-16). Zij hadden immers geen leer met gezag in de hemelse gewesten.

Zo zijn er gelovigen die zich conform Jacobus 5 naar de voorgeschreven regel door de oudsten in de naam van Jezus laten zalven. Volgens deze wet zouden zij nu moeten genezen, maar ze worden teleurgesteld. Het werkt niet, omdat de wet van de Geest van het leven niet in hen werkt. Deze is het die mensen vrijmaakt van de wet van zonde, ziekte en dood. Jezus zei tot Nicodémus: ‘U bent van de aarde en daarom verstaat u Mij niet, want Ik ben van de hemel’ (Joh.3:12,13). De onzichtbare wereld onderwerpt zich niet aan aardse normen. Daarom kon Jezus vanuit zijn geloof en leer een natuurwet breken, toen Hij op het water liep. Hij verscheen na zijn opstanding in veel gedaanten. Ook wij zullen boven de fysieke wetten uitstijgen als eenmaal bij de terugkomst van de Heer ons sterfelijke lichaam door ons geestelijke lichaam wordt ‘verzwolgen’ of geabsorbeerd (1 Cor.15:44). Alleen zij die net als Jezus door de Geest van God worden geleid, zijn zonen van God en daarmee overwinnaars over aardse wetten (Rom.8:14,17).

Dit wetsvrije evangelie van het Koninkrijk der hemelen is niet populair in de schijnvrome wereld. Tot op de dag van vandaag stuit het op een enorm verzet bij de plichts- en wetsgetrouwe naamchristenen. Paulus had zijn evangelie ook niet van zulke mensen ontvangen, want dat is geen product van een menselijk brein. Dit evangelie is niet doorspekt met menselijke voorschriften en overleveringen. Ook de beroemde rabbijn Gamaliël aan wiens voeten de apostel eenmaal zat, had hem niet wegwijs kunnen maken in de hemelse gewesten. Paulus had alles rechtstreeks van boven ontvangen en daarom was hij geschikt om burger te zijn van een Koninkrijk in de hemel. Jezus zei tot zijn leerlingen dat alles wat in de psalmen over Hem geschreven was, moest worden vervuld. Maar waar haalden de dichters van de psalmen hun kennis vandaan? Wie had bijvoorbeeld David onderwezen? Zijn onbekende moeder of zijn vader Isaï? Zijn ontboezeming in Psalm 27:10 was echter:

  • ‘Al hebben mijn vader en moeder mij verlaten, toch neemt de Heer mij aan.’ Over zijn oudere broers kon hij dichten: ‘Voor mijn broers ben ik een vreemde, door elk onteerd en onbekend voor de zonen van mijn moeder. Ik vind onder hen geen beschutter noch beschermer; want de ijver van uw huis heeft mij verteerd (psalm 69).

Het was God die David inspireerde, zodat zijn psalmen boven het aardse uitstegen om in het Koninkrijk van God hun vervulling te vinden. Daarom kon hij zijn aardse troon identificeren met die van God. Ook zij, die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen aanvaarden, kunnen zeggen: ‘Ik ben een vreemde voor mijn broers.’ Het wetsvrije evangelie van Paulus was gebaseerd op een openbaring, die hij wellicht in de woestijn van Arabië had ontvangen (Gal.1:17). Hierdoor werd het evangelie ván Jezus Christus ook zijn evangelie. De tegenstanders wilden hem in de schoenen schuiven dat hij zijn opdracht van de grote apostelen had ontvangen en dat hij hun ongehoorzaam was geworden. Zij erkenden alleen de topleiding te Jeruzalem. Met het woordje ‘ego’ of ‘ik’, dat hier nadrukkelijk wordt gebruikt, vergelijkt hij zich met de twaalf apostelen. Hij had zijn evangelie niet van hogerhand in de natuurlijke wereld ontvangen.

In de kerkgeschiedenis zien we synodes en concilies die waakten over de rechtzinnigheid, met vele rampen tot gevolg. Autonome gemeenten werden en worden vaak onder zo’n constitutionele raad gebracht, die de ‘moederlijke’ taak zou hebben om zwakke gemeenten en labiele voorgangers in het juiste spoor te houden. Zo’n bestuur zou dan moeten uitgroeien tot een bewaker van de zuivere leer en met gezag moeten optreden. Zo werd dit een herhaling van wat vroeger in Israël gebeurde, toen het volk een koning wilde hebben. Bij die gelegenheid zei God tot de profeet Samuël: ‘Zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn’. Zij wilden zijn als alle andere volken (1 Sam.8:4-9). Naar onze situatie vertaald: zij willen zijn als alle andere kerken.

  • Onze Heer wandelt echter zelf tussen de kandelaren. Hij wil de gemeenten met hun oudsten en profeten afzonderlijk aanspreken.

Het verlangen naar een synode ligt op één lijn met de afgoderij van het gouden kalf. God moet zichtbaar zijn! De paus wordt beschouwd als vertegenwoordiger van Christus en men zegt dan: ‘Roma locuta est, causa finita est; dat is: Rome heeft gesproken, de zaak is beslist.

Paulus kreeg zijn inspiratie en zijn instructies direct uit de hemel. Nadat hij zich die had toegeëigend, werden ze als het ware zijn eigen inzichten en zijn eigen evangelie. Een terechte vraag is of men dan maar iedereen moet erkennen, die zegt dat hij of zij een openbaring van Jezus Christus heeft ontvangen. Johannes geeft hier antwoord op: ‘Onderzoek de geesten of zij uit God zijn’ en ‘u hebt een zalving van de Heilige en u weet dat allen.’ Een met Gods Heilige Geest vervulde christen heeft een innerlijk klankbord om de stem van zijn Heer te kunnen verstaan. ‘Mijn schapen kennen mijn stem en zij zullen een vreemde (geest) niet volgen’ (Joh.10:4,5,27).

Alleen de klank van deze stem is voor de gelovigen de maatstaf van goed en kwaad. Het gaat daarbij niet alleen om woorden, want Johannes schrijft over de antichristen: ‘Ze zijn van ons uitgegaan.’ Ze spreken dus dezelfde taal maar geven er wel een andere inhoud aan, want ze zijn misleiders. Ze spreken vooral over de ‘Liefde’. De apostel zegt echter: ‘Uw liefde zal oprecht zijn.’ De echtheid van Paulus’ apostolaat is voor ons geen punt van discussie. We mogen rustig alle profetieën die onder ons uitgesproken worden, toetsen aan zijn evangelie. De woorden van Paulus zijn ‘woord van God’ (Col.1:25). Van zijn woorden halen we niets af en we voegen er niets aan toe, maar we onderzoeken ze om tenslotte dezelfde geest te hebben als hij, want hij had de geest van de profetie, die het getuigenis is van Jezus (Op.19:10).

‘U hebt immers gehoord van mijn levenswandel, vroeger in het Jodendom, dat ik de gemeente van God uitermate fel vervolgde en die verwoestte; en dat ik in het Jodendom meer vorderingen maakte dan veel leeftijdgenoten onder mijn volk, omdat ik een nog groter ijveraar was voor de overleveringen van mijn voorvaders’ 13,14.

Men moet niet denken dat Paulus onbekend was met de dingen, waarmee de dwaalleraars bezig waren. De Galaten wisten immers wie hij vroeger was geweest. Dit hadden ze van hemzelf gehoord of misschien ook wel van de judaïstische apostelen, die Paulus voor een afvallige hielden, omdat hij het christendom losmaakte van zijn Joodse achtergrond. Paulus kon alle voorschriften, instellingen en geboden waarop zij zo trots waren, vanaf zijn kinderjaren wel dromen. Hij blonk uit boven zijn leeftijdgenoten. Dat wil zeggen dat hij in Jeruzalem als een pionier met grote ijver en activisme zich een weg had gebaand in de Joodse cultuur. Als briljant leerling van Gamaliël opende hij voor zijn medestudenten nieuwe wegen (Hand.22:3). Voortdurend was hij bezig geweest met de overleveringen van de voorvaders, met hun doctrines, rituelen, ascetisme, uitleg van de Schriften en manier van leven. Aan de christenen te Filippi met wie de apostel dezelfde problemen kreeg, schrijft hij later:

  • ‘Als een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer: besneden op de achtste dag, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid van de wet onberispelijk’ (Fil.3:4-6).

Juist zijn correcte wetsonderhouding was de oorzaak geweest dat hij de gemeente had vervolgd. De ‘vrome’ geesten hadden hem tot een ‘godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar’ gemaakt, want zij gebruiken altijd geweld. Hier zegt de apostel: ‘Ik heb vroeger als Jood geleefd. Ik heb de gemeente van God fel vervolgd. Ik heb vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtroffen in mijn ongebreidelde ijver voor de overleveringen van mijn voorouders.’ Hij was nog meer dan de ingeslopen judaïsten een religieuze ‘Zeloot’ of ijveraar geweest. Dit fanatisme vinden we niet alleen terug bij orthodoxe Joden, maar ook bij islamieten, bij schijnchristenen en judaïsten in kerken en groepen van onze tijd. Het is nu nog steeds de grond voor de ‘heilige oorlog’ in het Midden-Oosten. Het was de achtergrond van de strijdkreet ‘God wil het’ van de kruisvaarders. Jezus kende de onverdraagzaamheid van de dweepzieke mensen, die niets en niemand ontzien vanwege ‘de eer van God.’ In zijn laatste rede zei Hij nog:

  • ‘Het uur komt, dat ieder, die u doodt, zal menen God een heilige dienst te bewijzen. En dit zullen zij doen, omdat ze noch de Vader, noch Mij kennen’ (Joh.16:2,3).

Paulus kende de tegenstelling tussen de wet en de leer van Christus. Daarom is het jodendom niet te verenigen met het christendom, want het staat er oppositioneel tegenover. Wanneer men in onze tijd weer verbindingen probeert tot stand te brengen, is dit alleen maar mogelijk omdat het christendom al eeuwen lang de hemelse gewesten voor de aarde heeft verwisseld. Zo kunnen joden en naamchristenen nu wel samen het ‘Onze Vader’ bidden, want beiden hebben geen weet van de realiteit van het ‘Koninkrijk der hemelen’ en de verlossing van ‘de boze’ is door de moderne psychologische inzichten tot een verouderd begrip geworden.

Het woord ‘Jodendom’ is de vertaling van Ioudaismos, dat is ‘judaïsme.’ Dit woord komt in het Nieuwe Testament slechts tweemaal voor en wel in onze beide verzen. Het wordt niet zozeer voor de Joodse godsdienst gebruikt als wel voor de Joodse praktijk en levenswijze, zoals die waren ontwikkeld en vermeerderd in de traditie van de Farizeeën en schriftgeleerden. Met deze term werd door de heidenwereld de tegenstelling met het Hellenisme uitgedrukt. Op dezelfde manier werden de volgelingen van Jezus door de heidenen ‘christenen’ genoemd. Dit woord komt slechts driemaal in het Nieuwe Testament voor en steeds in verband met buitenstaanders (Hand11:26; 26:28; 1 Petr.4:16).

De woorden Jodendom en christendom drukken iets van de minachting uit, die heidenen ten opzichte van Joden en christenen koesterden. Voor het woord ‘wandel’ heeft de Engelse King James vertaling conversation, dat niet alleen op de levenswijze betrekking heeft, maar ook dezelfde inhoud heeft als ons woord conversatie. Net als Paulus voor zijn bekering zijn conversatie had in het ‘judaïsme, zo hebben vandaag de dag veel op Israël gerichte christenen hun conversatie ook in het Jodendom in plaats van in de hemel. Het christendom en jodendom zijn dus onverenigbare religies. Vanwege zijn judaïsme had Paulus de gemeente van God geprobeerd te ‘verdelgen’ (Can.Vert.) of te ‘verwoesten’ (St.Vert.). Dit woord was ook door de christenen in Damascus gebruikt en in het geheugen van Paulus gegrift (Hand.9:21).

Het gebruik van de uitdrukking ‘gemeente van God’ is veelbetekenend. De lokale huisgemeenten van de Galaten zijn in de gedachte van de apostel al een deel van de universele wereldkerk. De ‘gemeente van God’ is nu het ene ‘Israël van God’ geworden (Gal.6:16).

‘Maar toen God, Die mij vanaf de buik van mijn moeder heeft afgezonderd en geroepen door Zijn genade, besloot Zijn Zoon in mij te openbaren’ 15,16a.

Door de toevoeging van het woord ‘vanaf’ in verschillende Nederlandse vertalingen, krijgt deze zin de betekenis, dat Paulus door God al van vóór zijn geboorte bestemd was tot het apostelschap en pas later op de weg naar Damascus hiertoe geroepen werd. Veel uitleggers verbinden dan deze afzondering met een predestinatieleer, die van de veronderstelling uitgaat, dat Paulus van eeuwigheid een uitverkorene tot behoud zou zijn geweest. Dit in tegenstelling tot hen, die in negatieve zin zijn uitverkoren tot zijn eeuwige verwerping. De verandering, die in hem vastgelegd zou zijn, was een z.g. voortzetting van een goddelijk voornemen, waardoor hij verkoren was om christen en apostel te worden, al vóór hij ter wereld kwam en goed of kwaad gedaan had’ (Matthew Henry).

We moeten echter opmerken dat God van eeuwigheid een plan voor elk mens heeft ‘in overeenstemming met het genoegen, dat Hij Zich in Hem (Christus) had voorgenomen’ (Ef.1:9). Wanneer Paulus daarom in Efeziërs 1:5 schrijft, dat God ons bestemd of voorbestemd heeft – in de Latijnse bijbel staat: gepredestineerd – is dit geen blind noodlot of zuiver geluk, want de aanneming tot zonen vindt plaats ná de schuldvergeving en ná het opnieuw geboren worden. Zij is de bestemming van hen die al in Christus zijn. Er staat in die tekst dat ‘Hij ons tevoren ertoe bestemd heeft als zonen van Hem te worden aangenomen door (middel van) Jezus Christus. Johannes 1:12 heeft: ‘Maar allen, die Hem aangenomen hebben – of: ‘ontvingen’ (Can.Vert.) – hun heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te wórden, hun, die in zijn Naam geloven’.

God verkiest niemand tot zoon, apostel, of tot prediker buiten Jezus Christus om. Een predestinatieleer die van het standpunt uitgaat, dat ‘God van eeuwigheid een mens bestemt tot zaligheid of tot verderf’, houdt geen rekening met Christus. Men zou dan ook buiten Christus om behouden kunnen worden. Buiten eigen wil, verlangen en keuze om, zou men in Christus door het opnieuw geboren worden kunnen worden en ingevoegd in het volk van God. Gods genade wordt echter alleen openbaar in hen, die in Christus zijn en die bij Hem horen. Anders gezegd: God accepteert ons in zijn Geliefde door ons met deze één te maken, zodat alle leden van het lichaam één zijn met het hoofd.

Paulus was een kind van Joodse ouders die God met een oprecht geweten dienden (2 Tim.1:3). In tegenstelling tot veel andere Joden in de verstrooiing hoorde hij bij een echte Hebreeuwse familie. In zijn jonge jaren ging hij als ‘Bijbelstudent’ naar Jeruzalem. Daar werd hij opgevoed en opgeleid aan de voeten van Gamaliël met nauwgezette inachtneming van de wet van zijn voorouders. Hij werd daar een ijveraar voor God (Hand.22:3). Zoals Luther vanuit een oprecht hart een strenge kloosterorde koos, zo nam Saulus van Tarsus het zware juk op van de Farizeeën met hun geboden, voorschriften en inzettingen. In beide levensbeschrijvingen horen wij hen, bij het terugkijken op hun leven, verzuchten: ‘Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik (Rom.7:19). De Heer gebruikte de strenge levenswijze van Luther om later de werkelijkheid in de rooms-katholieke kerk te kunnen ontmaskeren.

De wettische opvatting van Saulus maakte hem geschikt om later des te duidelijker aan te tonen, dat het judaïsme onverenigbaar is met het christendom. Het onderwijs van Gamaliël verschafte hem de kennis, die hij na zijn bekering gebruikte om de symboliek en de schaduwen van het oude verbond te verstaan. Vanwege zijn behoud heeft hij – toen hem de ogen werden geopend – zijn Joodse opvoeding schade en drek moeten achten. Het jodendom werd hem tot een vijandige wereld. Telkens valt de apostel terug op zijn speciale roeping, die hij uit genade heeft ontvangen. Naar aanleiding van deze bijzondere verkiezing was hij afgezonderd van de Joden die de wet strikt naleefden, maar ook van de andere predikers, die het gevaar van het indringen van het judaïsme in het christendom niet onderkenden.

De opvoeding die Paulus thuis had ontvangen en die later te Jeruzalem bij de rabbijnen werd aangescherpt, noemt hij hier ‘de schoot of de buik van zijn moeder.’ De moederschoot van het biologische leven waarin een kind veilig geborgen is, wordt hier als vergelijking gebruikt voor de bescherming van het religieuze leven onder het Jodendom. Zo gebruikt Nicodémus dit beeld tegenover Jezus. Deze knappe Joodse theoloog stelde niet de dwaze vraag hoe een kind in de schoot van zijn moeder zou kunnen terugkeren, maar hij stelde het probleem aan de orde, hoe iemand, die verweven is met het judaïsme, als hij oud is, toch nog tot een nieuw levensbegin zou kunnen komen in het Koninkrijk van God, waar volkomen vrijheid heerst (Joh.3:4). Die geestelijke hernieuwde geboorte is dan de vernieuwing van denken, die veroorzaakt wordt ‘door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr.1:23). Voor Paulus was de Joodse scholing met haar wet – de Thora en de overleveringen van de voorouders – de geestelijke cocon waaruit hij tevoorschijn was gekomen, en die hij nu als een verder nutteloze zaak achter zich liet.

Wij volgen nu niet de gewone Nederlandse vertalingen, die het bijwoord ‘vanaf’ toevoegen, maar de King James version, die de Griekse tekst nauwkeuriger en zonder toevoegingen weergeeft:

‘Maar toen God, die mij van mijn moeders schoot separeerde en mij riep door zijn genade, besloot Zijn Zoon in mij te openbaren.’

Het accent valt hier dus geheel op de breuk van Paulus met het jodendom. Toen hij opnieuw geboren werd, werd de apostel hiervan gesepareerd, dus gescheiden of afgezonderd. Tijdens zijn opvoeding was hij nog niet afgezonderd, maar na zijn radicale omkeer werd hij totaal van het judaïsme gescheiden. In het begin had bijvoorbeeld Petrus nog niet met het judaïsme gebroken. Dit bleek uit zijn houding te Antiochië (Gal.2:11-14). Door de genade van God kreeg Saulus van Tarsus een andere moeder. Van de eerste opvoedster werd hij gescheiden door een ingreep uit de hemel. Op weg naar Damascus kreeg hij ‘een genadige God, zoals ook Luther dit later van zichzelf schreef, toen hij (ten dele) verlost werd van het wetticisme van de rooms katholieke kerk. Na hun vrijmaking beleden beiden, dat de rechtvaardige alleen uit geloof zal leven (Gal.3:11):

  • ‘Want u hebt niet een geest van slavernij ontvangen om opnieuw te vrezen, maar u hebt de Geest van het zoonschap ontvangen, door welke wij roepen: Abba, Vader’ (Rom.8:15).

Verderop identificeert de apostel zijn tweede moeder, van wie hij de nieuwe instructies kreeg, met het hemelse Jeruzalem. Hij schrijft hier dus niet op Semitische wijze over een ‘geroepen zijn vanaf de moederschoot,’ zoals wij dit bijvoorbeeld lezen bij Simson en Johannes de Doper. Tegen Jeremia zegt de Heer: ‘Voordat Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en voordat u voortkwam uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volken heb Ik u gesteld’ (Jer.1:5). Van Jezus, die de Dienstknecht van de Heer was, wordt geprofeteerd: ‘De Heer heeft Mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot van mijn moeder aan heeft Hij mijn naam vermeld’ (Jes.49:1).

Het maakt een enorm verschil uit of God een oudtestamentische richter of profeet vóór zijn geboorte afzonderde en riep – want dan gaat het om enkelingen – of dat Hij ons als gelovigen afzondert uit de geestelijke wereld waarin wij werden gevormd en ons overzet in een nieuwe denkwereld. Op symbolische wijze spreekt de apostel over het aardse Jeruzalem als moeder want – zegt hij – dit verkeert met haar ‘kinderen’ in de slavernij van het wetticisme (Gal.4:25). Deze moeder heeft echter bij de christenen plaats moeten maken voor het nieuwe Jeruzalem waar vrijheid heerst en ‘dat is onze moeder’:

  • ‘Want het Koninkrijk van God bestaat niet in eten en drinken’ – de spijswetten van het judaïsme – ‘maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door Gods Heilige Geest (Rom.14:17).

Bij de geboorte van Jezus verkondigden de engelen, dat er op aarde vrede zou zijn bij mensen van Zijn vreugde. Deze vreugde werd voor Paulus reëel, toen Gods Zoon in hem werd geopenbaard. In hoofdstuk 2:20 schrijft hij: ‘Christus leeft in mij.’ God openbaarde zijn Zoon niet alleen ‘aan’ Paulus, maar bovenal ‘in’ hem, want hij werd gedoopt in Heilige Geest. Toen kon hij met blijdschap zeggen: ‘De Heer nu is de Geest; en waar de Geest van de Heer is, is vrijheid (2 Cor:3:17). God kon Zich in Jezus openbaren aan de wereld, want Jezus was de afdruk van de Vader. In het leven van Paulus én in zijn verkondiging was deze eenheid met Jezus het wezen van het christelijke leven. Allen bij wie de Heer op deze manier aanwezig is, kunnen op dezelfde manier gebruikt worden om de Zoon aan de wereld te openbaren.

‘zodat ik Hem door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, raadpleegde ik niet mijn vlees en bloed en ging ik ook niet naar Jeruzalem, naar hen die al vóór mij apostel waren; maar ik vertrok naar Arabië en keerde weer terug naar Damascus’ 16a, 17.

God had in Saulus zijn Zoon geopenbaard. Dit was uiteraard niet van de ene op de andere dag gebeurd. Bij zijn plotselinge bekering zag hij in dat hij op de verkeerde weg zat. De Heer had hem als het ware toegeroepen: ‘Saulus, waar ben je, in je ijver om God te dienen, eigenlijk mee bezig? De weg die jij gaat, leidt naar de vernietiging. Ik zal je een nieuwe weg wijzen. Dan zul je merken, dat de profeten in wie jij gelooft, door de Geest van de Zoon – die jij nu vervolgt – werden geleid. Deze Geest gaf vooraf getuigenis van al het lijden, dat over Christus zou komen en van al de heerlijkheid daarna. Aan hen werd geopenbaard dat zij over een komende verlossingstijd spraken en dit ga Ik ook aan jou duidelijk maken (1 Petr. 1:10-12). Het wordt nu jouw opdracht om juist onder de volken het evangelie van het Koninkrijk der hemelen te verkondigen. Aan hen, die volgens jouw opvattingen onrein zijn en uitgesloten van het burgerrecht van Israël en die vreemd zijn aan de verbonden van de belofte en zonder hoop en zonder God in de wereld zijn. Zij die eens veraf waren, zullen dan dichtbij komen door het bloed van Christus’ (Ef.2:12,13).

Paulus bezat een geweldige Schriftkennis van het Oude Testament, maar hij miste de sleutel tot deze schatkamer, namelijk de leer van Jezus over de onzichtbare wereld. Dit evangelie van het Koninkrijk zou hem losmaken van Joodse wetten, tradities en overleveringen van mensen. Hij zou een totale vernieuwing van denken ondergaan. Daarom raadpleegde hij niet zijn ouders of bloedverwanten, geen schrift- of wetgeleerden en zelfs niet de apostelen, die afkomstig waren uit het Galilea van de heidenen en die zijn problematiek als fanatiek wetsonderhouder onvoldoende zouden kunnen begrijpen. Het woord ‘raadplegen’ wordt bij heidense schrijvers vaak gebruikt bij het consulteren van waarzeggers. De uitdrukking ‘vlees en bloed’ heeft in de Schrift de gevoelswaarde van de mens in zijn zwakheid, onwetendheid en vergankelijkheid.

Paulus zocht de eenzaamheid van Arabië op om zich te verdiepen in het Koninkrijk der hemelen. Hij stelde toen vast dat er in Christus Jezus geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Scyth, slaaf en vrije en ook niet tussen man en vrouw (Col.3:11). Na zijn bekering reisde Paulus dus niet terug naar Jeruzalem om zich onder de leiding van de apostelen te stellen, maar hij ging door naar Damascus. Er staat letterlijk: ‘Ik ging niet op naar Jeruzalem’. Deze stad lag in het hoogland van Judea op ongeveer 720 meter boven de zeespiegel. De religieuze positie van Jeruzalem met zijn tempel en zijn ‘moederschap’ en ook zijn geografische ligging gaven aanleiding tot de uitdrukkingen ‘opgaan en afdalen’, wanneer men de reis naar de stad maakte en daarna weer naar huis terugkeerde.

Na een kort verblijf bij de leerlingen in Damascus wachtte Saulus eerst nog een zware taak. In de synagogen verwachtte men immers dat hij daar zijn ‘geloofsbrieven’, die hij van de hogepriester ontvangen had, zou overhandigen. Bij zijn verschijning in de Joodse leerhuizen begon hij echter openlijk te verkondigen ‘dat Jezus de Zoon van God is’. Deze belijdenis moet wel als een bliksemslag zijn ingeslagen. Zij was onverenigbaar met het Joodse denken. Hoe was het mogelijk dat iemand, die als grootinquisiteur was aangekomen om de christenen te vervolgen, zo radicaal was veranderd?

Vanuit Damascus ging de apostel daarna ongeveer twee jaar naar Arabië. Deze reis wordt door Lucas in Handelingen 9 overgeslagen. Zij valt waarschijnlijk tussen de verzen 22 en 23. De naam ‘Arabië’ komt in het Nieuwe Testament verder alleen nog voor in Galaten 4:25. Het duidt daar het Sinaïtische schiereiland aan. Sommige uitleggers menen daarom, dat Paulus, die op de drempel van het nieuwe verbond stond, graag een blik wilde werpen op de geboorteplaats van het oude. Waarschijnlijk wordt met Arabië het land westelijk van Mesopotamië (Irak) en zuidelijk en oostelijk van Syrië en Palestina tot aan de landengte van Suez bedoeld. In de tijd van de Romeinse heerschappij ontstonden daar zelfstandige rijken, zoals dat van de Nabateeën, ten zuiden van Damascus. Bij Flavius Josephus wordt dit gebied zonder meer Arabië genoemd. De hoofdstad van de Nabateeën was Petra (rots) in het land van Edom (Idumea). Men ziet daar nu nog steeds een grote rijkdom aan tempels, altaren en graven, die veel toeristen trekken.

Wat zal Saulus in Arabië hebben gedaan? Zo nodig kon hij in zijn onderhoud voorzien door het vervaardigen van tenten voor rondzwervende bedoeïenen. Verder wijdde hij zich aan de opbouw van een volledig nieuwe gedachtewereld m.b.t. het evangelie ván Christus. Daarmee zou hij later als prediker rondreizen (Hand.20:25). De leraar van de wet werd daar een dienaar van het evangelie. Op die plek werd het hem duidelijk dat God niet Israël had verworpen, maar Israël had Jezus verworpen. In de omgeving waar hij tot bekering kwam, kon de apostel ongetwijfeld niet zwijgen.

In dat Overjordaanse gebied laaide de vijandschap van de Joden waarschijnlijk hoog op. Daarom week hij uit naar Damascus om daar, onder het burgerlijke bestuur dat rechtstreeks onder Romeins gezag stond, bescherming te genieten op grond van zijn Romeinse burgerschap. De ethnarch, stadhouder of bestuursambtenaar van de koning van de Nabateeën, Aretas, een soort sjeik, liet met zijn ruiters de stad en de poorten bewaken. De vrienden van Paulus lieten hem echter ‘s nachts vanuit een huis op de vestingmuur, in een mand zakken, waarna de apostel langs sluipwegen ontsnapte (Hand.9:23). Tegenover de schijnapostelen, de opscheppers in Corinthe, beroemt Paulus zich later op ironische wijze op ‘zijn zwakheid’ tijdens deze vlucht. Hij was zo ‘dapper’, dat hij op deze slimme manier wist te ontkomen (2 Cor.11:30-33).

‘Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Céfas te bezoeken en ik bleef vijftien dagen bij hem; en ik zag geen ander van de apostelen dan Jacobus, de broer van de Heer’ 18,19.

Na een driejarig verblijf in Arabië dat met zijn vlucht uit Damascus eindigde, gaat Paulus naar Jeruzalem om Petrus te ‘bezoeken.’ Dit woord (historeo) betekent dat hij naar deze stad wilde komen om met Petrus kennis te maken en mogelijk door hem een nieuwe geestelijke werkkring te vinden. De naam Céfas is de Griekse spelling van een Aramees woord dat ‘een rotssteen’ betekent. Petrus is de Nederlandse vertaling van het Griekse woord petros dat ook een losse steen of kei aanduidt. Dit woord verschilt van het woord petra, dat meer wijst op een rotsmassa, die een solide ondergrond vormt. Zo bouwt een verstandig man zijn huis op de ‘rots’, een vertaling van petra. Jezus zei tot zijn leerling: ‘Ik zeg u, dat u Petros (keisteen) bent en op deze petra (rotsformatie) zal Ik mijn gemeente bouwen’ (Matth.16-18).

Paulus ging dus naar Jeruzalem, dat ‘de schoot van zijn moeder’ was geweest, maar waarvan hij na zijn bekering volledig vervreemd was. Daar had hij enkele jaren terug nog een rol gespeeld, toen het sanhedrin in haar fanatieke geloofshaat de eerste martelaar van het christendom stenigde (Hand.7:58-8:1). Wat een grote genade had de Heer Jezus hem bewezen, dat zijn blindheid was genezen, toen er iets van zijn ogen afviel wat leek op schillen, velletjes of schubben (Hand.9:18). Dezelfde uitdrukking vinden we in het apocriefe boek Tobit of Tobias, als Tobias zijn blinde vader Tobit gal van een vis op de ogen smeert: ‘Als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken uit zijn ogen.’

Bij Paulus vielen ook in de geestelijke wereld ‘de schellen van de ogen’, een uitdrukking die aan de Statenvertaling is ontleend en waarin men het vergelijkende voegwoord ‘als’ (schellen) heeft weggelaten. De judaïstische bedekking van zijn hart was ‘in Christus’ verdwenen. Paulus was vernieuwd in zijn denken. Het verbond met Abraham was voor hem niet meer een uiterlijke zaak van lichamelijke afstamming en van besnijdenis, maar een geestelijke relatie. Deze Hebreeër uit de Hebreeën zou aan de gelovigen uit andere volken schrijven: ‘Als u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen’ (Gal.3:29). Natuurlijk zag de nieuwe apostel dit alles in het begin nog niet zo scherp. Later – na zijn aanhouding in Jeruzalem – zou hij dit in zijn ‘gevangenis’-brieven duidelijk uiteenzetten:

  • ‘Wij (allen) zijn de besnijdenis, die door de Geest van God Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op (Joods) vlees vertrouwen (Fil.3:3).

In Jeruzalem probeerde Paulus zich bij de leerlingen te voegen, maar men meed hem, omdat ze niet konden geloven dat hij een leerling was geworden (Hand.9:26). Men was bang dat hij bezig was zich op een slimme manier te infiltreren om Petrus te pakken te krijgen en ook hem te doden. Alleen Barnabas, de Leviet, de volle neef van Marcus – een man met grote mensenkennis – zag wat er met Paulus aan de hand was. Hij werd de tussenpersoon om hem met de ‘ondergedoken’ Petrus in contact te brengen (Hand.9:27). De inhoud van de gesprekken die Paulus tijdens zijn ruim twee weken durend verblijf te Jeruzalem met Petrus had, is niet bekend. Ongetwijfeld heeft deze apostel hem wel het een en ander m.b.t. het leven van Jezus verteld. Ook kon Petrus vanuit zijn eigen ervaring goed begrijpen hoe satan een goed bedoelend mens kan inspireren met fatale leugens. De Heer had immers tegen hem gezegd:

  • ‘Ga weg, achter Mij, satan; Jij bent voor Mij een aanstoot, want jij bent niet bedacht op de dingen van God, maar op die van mensen’ (Matth.16:23). Op het moment dat Hij de verloochening van Petrus zag, waarschuwde Jezus zijn leerlingen voor een nog fellere aanval van de duivel: ‘Zie, de satan wilde u ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken’. Voor Petrus en Paulus gold ook het vervolg: ‘En u, als u eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan uw broers’ (Luc.22:31,32).

Tijdens zijn korte verblijf ontmoette Paulus ook nog Jacobus, de broer van de Heer, dus een zoon van Jozef en Maria. Deze had in de eerste gemeente een groot gezag en werd tot de apostelen in ruimere zin gerekend. Hij was de ‘praeses’ van de grote vergadering te Jeruzalem (Hand.15:13). Ook Jacobus was net als Paulus een man, die in het begin niet bij de leerlingenkring van Jezus hoorde. Hij geloofde ook niet in zijn broer (Joh.7:5). Toen Hij aan het kruis hing, moest Jezus aan Johannes vragen om zijn moeder te verzorgen (Joh.19:26,27).

Jacobus kwam tot bekering nadat Jezus hem na zijn opstanding was verschenen. Zowel Paulus als Jacobus hadden dus de opgestane en verheerlijkte Heer gezien. Ongetwijfeld zullen deze bekeringsverhalen ook wel uitgewisseld zijn, want Paulus vertelt over de verschijning van Jezus aan Jacobus in 1 Corinthiërs 15:7. Bij de verkiezing van een nieuwe apostel in de plaats van Judas, was Jacobus wel aanwezig, maar hij kwam er niet voor in aanmerking, omdat hij zich niet vanaf de doop van Johannes bij de kring van de apostelen had aangesloten (Hand.1:21,22).

In Jeruzalem probeerde Paulus nog het evangelie te verkondigen aan de Grieks sprekende Joden, bij wie hijzelf ook hoorde, maar dat liep op niets uit. Toen zij de afvallige farizeeër zagen, werd hun woede zo groot, dat zij hem wilden vermoorden, zoals zij eerder Stefanus voor het sanhedrin hadden gesleept (Hand.9:29). De engel van satan was toen ook weer druk bezig.

In deze moeilijke omstandigheden had Paulus nog een ontmoeting met Christus, toen hij in de tempel in extase raakte (Hand.22:17-19). De verstoten apostel klaagde bij de Heer zijn nood en sprak over zijn teleurstelling. De verhoogde Meester wees hem er toen op, dat hij Jeruzalem moest verlaten om op de akker van de wereld te gaan werken. In Jeruzalem blijven zou slechts tijdverlies voor hem betekenen: ‘Haast u en vertrek spoedig uit Jeruzalem, want zij zullen van u geen getuigenis over Mij aannemen’. Ook hier blijkt weer dat Paulus zijn roeping direct van de Heer ontving: ‘Ga heen, want Ik zal u uitzenden, ver weg, naar de heidenen.’