21. Aanvaard als kinderen van God

<<<<<

Galaten 4:5-7

‘om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, zodat wij de aanvaarding als kinderen zouden ontvangen’ 5. 

In Galaten 3:26 merkten wij op, dat de term ‘zoon van God’ op een schepping wijst, die rechtstreeks door God wordt voortgebracht. Hoe ging dit nu in zijn werk? De Bijbel zegt: ‘Alle dingen zijn door Hetzelve (het WoordVergelijk Joh.1:1 – Gods Logos) gemaakt en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is’ (Joh.1:3 Stat. Vert.). Door het Woord zijn de engelen uit geest gemaakt en door het Woord werd Adam gemaakt uit de elementen van de aarde en Gods adem blies in hem de levensgeest (Gen.2:7). Eva werd uit Adam genomen als ‘been van zijn gebeente en vlees van zijn vlees.’ Hier schrijft de apostel dat de Zoon van God uit een vrouw werd geboren, of zoals de King James Version luidt: ‘made of a woman’, gemaakt uit een vrouw. Het zaad van de vrouw is Jezus Christus. De vrouw heeft het geweldige voorrecht gehad om Jezus als mens voort te brengen. De man had daar geen enkel aandeel in. ‘Zij wordt gered door het Kind te baren’ is de meest letterlijke vertaling van 1 Timotheüs 2:15 in The Centenary Translation.

Het alles scheppende Woord, de uiting van het volledige plan van God, werd mens (Joh.1:14). ‘Het Woord werd vlees gemaakt’ heeft de King James Version. Het Woord dat als eeuwige gedachte in God was en dat als uitgesproken Woord bij God was, kreeg als mens deel aan vlees en bloed (Hebr.2:14). Toen Jezus na zijn opstanding aan zijn leerlingen verscheen, openbaarde Hij Zich nog steeds als mens, ‘want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet, dat Ik heb’ (Luc.24:39). Dit vleesgeworden Woord (Gods Logos) ontving bij zijn besnijdenis, teken van inlijving bij het volk onder de wet, de naam Jezus. Het Woord, dat identiek of gelijk in wezen aan de Vader is, kreeg gestalte in Jezus, de ‘De Mensenzoon. ‘Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken’ en ‘alle dingen zijn door Hem (Gods Logos) en tot Hem geschapen (Col.1:19,16). Daarom zal het Woord eens, nadat het heeft overwonnen, tot de Vader terugkeren, ‘zodat God alles zal zijn in allen (1 Cor.15:45). Jezus werd geboren ‘in een vlees aan dat van de zonde gelijk’ en niet ‘als een zondig vlees’, zoals de Noorse Broeders leren. ‘Hij was het begin van de (nieuwe) schepping van God’ (Op.3:14). Hij was de nieuwe Adam, die ons naar het nieuwe paradijs voert (Op.2:7). Toen God deze laatste Adam schiep, maakte Hij Hem ‘naar de gelijkenis van God.’

Jezus – het zaad van Abraham die zelf geen wet bezat(!) – kwam onder de wet van Mozes, maar ook ‘onder (de) wet’ – het bepalende lidwoord ‘de’ ontbreekt in de Griekse tekst. Hij was ook onderworpen aan allerlei voorschriften, regels en bepalingen van wet- en Schriftgeleerden, die als een zwaar juk drukte op het gewone volk, ‘dat de wet niet kende.’ Hij werd op de achtste dag besneden en later naar de tempel gebracht om Hem voor God te stellen. Overeenkomstig de wet werden toen een paar tortelduiven of twee jonge duiven door zijn ouders geofferd. Hij liet Zich dopen door Johannes, omdat Hij solidair was met het Joodse volk. Ook leerde Hij in de synagogen en ging Hij op naar de tempel. Hij betaalde tempelbelasting en vierde de feestdagen. Hij leefde onder dezelfde wereldgeesten als het Joodse volk. Aan het einde van zijn aardse leven moest Hij Zich voor het sanhedrin verantwoorden. De hogepriester vonniste namens deze instantie Hem officieel met de woorden: ‘Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven’.

Jezus heeft op dezelfde manier deel gekregen aan bloed en vlees, ‘zodat Hij door zijn dood … allen zou bevrijden, die tijdens hun hele leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren’. Hij stierf om allen – Jood of heiden – die onder godsdienstige wetten, geboden en regels gebukt gingen, vrij te kopen. De duivel hield de mens in slavernij door op hun overtredingen tegen de wet te wijzen. Hij is de ‘aanklager van onze broers’. Hij houdt de dossiers van de dood bij, zoals er staat: ‘En er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het levensboek’. In het Grieks ontbreekt ook hier het bepalende lidwoord (de) voor wet. Als Zaad van Abraham bracht Jezus hen allen weer terug in de situatie van Abraham, de vader van de gelovigen, namelijk in de positie van een leven zonder geschreven wet.

De kostbare parel

De uitdrukking ‘vrijkopen’ is verbonden met het betalen van de gevraagde prijs van slaven, die op de markt te koop werden aangeboden. Met zijn bloed – in de onzichtbare wereld dus zijn leven – kocht Jezus ons vrij. Hierdoor onttrok Hij ons aan de claim, die de satan op ons had. Hij kocht ons voor God met zijn bloed. De Zoon van God was Mensenzoon geworden, om zonen van mensen tot zonen van God te maken. Hij zou veel zonen tot heerlijkheid brengen. Hij zou hun de hemelse erfenis nalaten. Als Zoon kreeg Jezus de erfenis van zijn Vader voordat Hij stierf. Met Hem kon de Vader Zich vereenzelvigen en Hem alle macht geven in de hemel en op de aarde. Jezus zei immers: ‘Ik en de Vader zijn één,’ dus van hetzelfde niveau. Jezus wist dat de Vader Hem tijdens zijn leven op aarde alles al in handen had gegeven. Daarom zei de vijand zoals wordt verwoord door de onrechtvaardige pachters: ‘Dit is de erfgenaam; kom, laten wij Hem doden en de erfenis zal voor ons zijn.’ Voor het bezit van dit ene kostbare leven, dat hij dacht vast te kunnen houden in de dood, wilde satan zijn recht op alle mensenzielen wel afstaan. De erfgenaam met de erfenis zou dan van hem zijn. De duivel onderschatte echter de kracht van de nieuwe schepping van God.

Nadat Jezus was gestorven en opgestaan, verbleef Hij in het Koninkrijk van God, waarin geen Jood of Griek meer is, waar ook geen wettische systemen meer bestaan die door de arme wereldgeesten zijn bedacht. In Hem ontvangen wij het recht, dat is de plaats om als volwassen zonen aangemerkt te worden: ‘God heeft ons ook opgewekt en ons ook een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van zijn genade te tonen’. Het aanvaarden van het zoonschap en het ontvangen van de hemelse erfenis volgt dus op het innemen van onze plaats in de onzichtbare wereld. Dit doen wij als wij de dingen bedenken die boven zijn, waar Christus is, ‘want in Hem woont al de volheid van de godheid lichamelijk; en u hebt de volheid van de godheid verkregen in Hem’.

‘Nu, omdat u zonen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus’ 6,7.

In het vorige vers schreven wij, dat wij, om zonen van God te worden, onze plaats in de hemelse gewesten moeten innemen. Dit gebeurt door het opnieuw geboren worden, een uitdrukking die ook ‘van bovenaf geboren’ kan betekenen. In 1 Petrus 1:22,23 schrijft de apostel ook aan de gelovige Galaten: ‘Heb dan elkaar van harte en voortdurend lief, als opnieuw geboren en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’. De met Gods Geest vervulde christen wordt bij zijn nieuwe geboorte vernieuwd in zijn denken. Het woord van God doet in hem wat God wil en volbrengt datgene waartoe Hij het heeft gezonden.

Dit woord spreekt van vergeving, van verlossing en van groei. Het wordt levend genoemd omdat het gedachten bevat van de eeuwig levende God, die door zijn woord ook nieuw leven wekt, dus nieuwe inzichten, nieuwe kracht, nieuwe verlangens en nieuwe doelstellingen. Het is onvergankelijk, omdat het zich richt op het geestelijke leven van de innerlijke mens en het is blijvend, omdat degene die het gesproken heeft, niet van gedachten verandert en ook tot in eeuwigheid dezelfde blijft (Hebr.13:8). ‘Wij zien niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig’ (2 Cor.4:18). Het eeuwige evangelie van het Koninkrijk van de hemelen brengt vernieuwing van denken en handelen en dit noemt de Bijbel opnieuw geboren worden.

Wanneer de nieuwe mens wordt gedoopt met Gods Geest heeft dit een parallel met de schepping van Adam. Deze werd door het Woord van God gemaakt uit de elementen van de aarde, waarna God in hem de levensadem blies, waardoor hij op aarde begon te functioneren met vermogens die hem boven de levensgeest van de dieren uit tilden. Door zijn nieuwe geboorte oriënteert de christen zich op de hemel waar Christus is. Om daar te kunnen functioneren heeft hij de inwoning van Gods Geest nodig: ‘Omdat gij zonen zijt, heeft God de Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden’, luidt de Leidse vertaling. De Vader geeft Zijn Geest aan iedere opnieuw geborene wanneer deze er om vraagt. Jezus zei: ‘Hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel Zijn Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?’ (Lucas 11:13). Dit gebed moet dan wel gepaard gaan met geloof. De geest van de christen wordt dan verbonden met de Geest van God en hij krijgt hierdoor deel aan de goddelijke natuur (2 Petr.1:4). God heft dan de voogdij van de wet op en geeft een andere opvoeder.

De Geest is de Parakleet, dat is de Trooster, de Helper, de Pleitbezorger. Gods Geest wordt net als Jezus Zelf ‘uitgezonden’ en Hij doet in ons hart al het werk zoals Jezus dit deed bij zijn leerlingen. Jezus zei: ‘Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn. ‘Andere’ (altos) betekent van dezelfde soort als Hij is en niet met Hem ‘verschillend’ (heteros). Deze Geest schrijft de wetten van het Koninkrijk van God in onze harten en in ons verstand. Hij is ook de kracht van God met wie wij de boze kunnen weerstaan, zodat wij werkelijk vrij worden. Voor ons, die op aarde zijn, geldt: ‘Nú is de Heer die Geest; en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid’.

Onze tekst zegt tot de ware christen: je bent een zoon van God, dus een mondige erfgenaam. Gods Geest heeft Zich verbonden met je innerlijke mens, je bent geen slaaf meer van de wet en geen slaaf meer van de zonde. Als zoon heb je recht op de hele erfenis, die door God aan Abraham werd beloofd. De Geest is het onderpand van onze erfenis. Hij is de trouwring, die God schenkt vanwege een eeuwigdurend, gelukkig huwelijk. Het goddelijke zoonschap verwijst naar een persoonlijke rijkdom, naar een meer dan overwinnaar zijn. Wie dit alles aanvaardt in geloof, weet dat hij een uitverkoren christen is, want onmondigheid verdwijnt en volwassenheid komt daarvoor in de plaats. Een zoon is iemand die zijn plaats heeft ingenomen in de hemelse gewesten. Hij is niet meer onmondig en wordt niet meer door allerlei wind van leer heen en weer geslingerd. Hij is in zijn houding niet ‘vleselijk’, maar verheft zich boven de onenigheid en denkt en handelt vanuit zijn hemelse positie.

Gods Geest in ons roept: ‘Abba, Vader.’ Het Griekse woord pater, vader, heeft dezelfde betekenis als het Aramese woord abba. Het Aramees was de taal, die de Joden in Palestina in de eerste eeuw spraken. Paulus vertaalt daarom dit woord voor zijn Griekse lezers. Abba is een woord dat Jezus waarschijnlijk vaak in zijn moedertaal heeft gebruikt. Volgens taalwetenschappers kan Abba ook weergegeven worden door ‘mijn Vader’, waardoor de algemene term ‘onze Vader’ meer persoonlijk overkomt en een sterkere gevoelswaarde krijgt. De zonen van God mogen ook nu in hun gebeden met dit woord hun intieme en heerlijke relatie met de Vader uitdrukken. Let er daarom ook op dat Paulus hier in het enkelvoud spreekt: ‘Als u een zoon bent, dan bent u erfgenaam door toedoen van God, uit louter genade.’

Hier legt de apostel ons een unieke belijdenis op de lippen. Wij hoeven niet langer te zeggen: ik ben een grote zondaar voor God en ook gedoemd om tot de dood zo te blijven. Hiermee onderstrepen wij immers dat de duivel onze vader is en dat wij zijn begeerte uitvoeren (Joh.8:44). Als wij deze negatieve slogan geloven, bevestigen we daarmee onze ongerechtigheid. En als wij dit voortdurend belijden met onze mond, leidt dit spreken uiteindelijk tot ons eigen verderf. In de worsteling tegen Satans demonen zullen wij ons echter moeten verheffen vanwege ons leven. Wij ontzeggen de demonen – die door God zijn verworpen – het recht om als engelen de heerlijke naam van ‘zonen van God’ te dragen. In het geloof eisen wij deze eretitel voor onszelf op. Met het hart geloven wij dan tot gerechtigheid en met de mond belijden wij tot behoud (Rom.10:10). Wie gelooft dat hij een rechtvaardige is, zal ook als zodanig herkenbaar worden. Wie gelooft dat hij een zoon van God is, zal ook als zodanig geopenbaard worden. Zo’n rechtvaardige zoon lééft dan ook werkelijk uit dit geloof en sleept zich niet langer voort in een weifelend en onzeker bestaan.

Armageddon

Het epitheton-ornans (versierende uitdrukking) ‘goddelijke zonen en erfgenamen’ schenkt ons de autoriteit en de kracht om – tijdens de voortdurende strijd – satan spoedig onder onze voeten te verpletteren door toedoen van de God van de vrede (Rom.16:20). In de oorlog van Armageddon schreeuwen de tegenstanders onder leiding van de antichrist, het beest uit de aarde: ‘laat ons de erfgenamen doden, zodat de erfenis aan ons toekomt.’ In deze beslissende slag zal echter blijken, dat Christus eenmaal is gestorven om ‘veel zonen tot heerlijkheid te brengen.’

‘Want werkelijk, God neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad van Abraham aan!’ (Hebr.2:16).

>>>>>