Galaten 6:1-18
‘Broers, zelfs als iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt u, die geestelijk bent, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, kijkend naar uzelf; u mocht ook eens in verzoeking komen’ 1.
Wanneer iemand in de gemeente op een zonde betrapt wordt, moet men hem niet anders behandelen dan wanneer hij uit zichzelf zijn misstap belijdt. De overspelige vrouw (man!) uit Johannes 8:1-11 was op heterdaad betrapt. Merk de houding van Jezus op, Die er alleen op uit was om de vrouw te helpen en niet te veroordelen. Dus men moet niet alleen barmhartig zijn, als iemand zijn zonden komt belijden, maar ook geestelijk zijn tegenover iemand, wiens zonden buiten zijn wil aan het licht komen.
De overspelige man
Het voegwoord ‘als’ wijst erop, dat het geen normale zaak is om op een overtreding betrapt te worden. Als iemand in de gemeente zich onverwachts misdraagt en ‘werken van het vlees’ laat zien, weet dan dat het hier gaat om strijd en overwinning op demonen van satan. Wees daarom zachtmoedig, dat wil zeggen: laat je niet leiden door demonen van kritiek, hoogmoed, geïrriteerdheid, maar stel je onder de leiding van Gods Geest. Het is immers mogelijk dat de demonen ook jouw verlangens bevruchten en dat je verleid wordt. ‘Daarom, wie meent te staan, ziet toe, dat hij niet valt’.
‘Verdraag elkaars moeilijkheden; zó zult u de wet van Christus vervullen’ 2.
Iets verdragen wil zeggen dat de innerlijke mens in zijn gevoelens, gedachten en overwegingen niet wordt aangetast als men ergens mee in aanraking komt. Wanneer men merkt, dat een ander aangevallen wordt of dat hij gezondigd heeft, laat dit dan de positieve innerlijke houding ten opzichte van deze persoon niet veranderen. Laat de liefde van God voor zo’n persoon in je blijven. Van nature zou men zo iemand links laten liggen, maar dit is niet volgens de wet van de liefde van Christus. Jezus wil dat wij de broer of zuster, die gezondigd heeft of die van de waarheid is afgedwaald, tot inkeer brengen en van zijn dwaalweg terugbrengen en hem zo weer gehoorzaam aan Jezus Christus laat zijn. ‘Weet dan, dat, wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden en tal van zonden (door het bloed van Christus) bedekken’ (Jac.5:20).
‘Want als iemand zich verbeeldt, dat hij iets is – en het niet is – dan vergist hij zich zeer. Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander. Want ieder zal zijn eigen last dragen’ 3-5.
Wie zich verheft boven zijn broer of zuster die zondigde, bewijst daarmee dat de liefde van God niet in hem functioneert, zodat hij in wezen niets is. Niemand moet zijn werk vergelijken met dat van een ander, want die is niet onze maatstaf. Hij moet zijn werk toetsen aan de eis of de roeping van God en aan het werk van Jezus, want Hij is ons voorbeeld. Komt het met het werk van Jezus overeen, dan is er reden tot lof en roem. Gaat men echter zijn werk met dat van een ander vergelijken (in het bijzonder met iemand die gezondigd heeft) dan heeft men al snel reden om trots op zichzelf te zijn. Dit is onjuist.
Ieder die gezondigd heeft, zal dit zelf voor God moeten verantwoorden. Hij zal zijn eigen last of ‘pakket’ moeten dragen. Men moet echter wel de overtreder leren verdragen. En wees ook barmhartig t.o.v. sommigen die twijfelen (heen en weer geslingerd worden), redt hen door hen uit het vuur (van de boze geesten die op hen aanvallen) te rukken. Wees tegenover broers en zusters barmhartig maar voorzichtig en blijf daarbij wel op een afstand staan, hou je afzijdig, zodat je geen gemeenschap met zijn zonde hebt .
‘En laat hij die onderwezen wordt in het Woord in alle goede dingen delen met hem die onderwijs geeft’ 6.
Paulus roept op om de leraars en voorgangers te steunen in het levensonderhoud. Voor wie zich belast ‘met het brengen van het evangelie en het geven van onderwijs’ geldt: ‘U zult een dorsende os niet muilbanden’ en ‘de arbeider is zijn loon waard’. Deze tekst heeft weinig of geen verband met de voorgaande en volgende verzen. Het gebeurt aan het einde van Paulus’ brieven wel vaker, dat er losstaande opmerkingen tussengevoegd worden.
Tarwe en onkruid
‘Dwaal niet: God laat niet met Zich spotten, want wat de mens zaait, zal hij ook oogsten. Wie in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie op de geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven oogsten’ 7,8.
Men mag zich niet onderwerpen aan demonen, die tot zonde (ver)leiden, maar ook niet aan de wet, die ook op het vlees een beroep doet (als u dit doet, zult u leven) en de genade uitsluit. Men moet niet denken, dat men naar eigen inzicht kan handelen en dat God Zich daarbij neerlegt. Wanneer iemand toch zondigt en het toch van de wet verwacht, zullen de gevolgen niet uitblijven. Het is in beide gevallen zaaien voor een oogst en deze levert verderf op. Dat betekent afbraak en ondergang. ‘Het loon van de zonde is de dood’! Maar er staat ook: ‘de wet bleek voor mij de dood te betekenen’. Wie uit het geloof leeft en zich richt op de geestelijke wereld, zal door de kracht en de gaven van Gods Geest zo’n kostbaar leven zien groeien, dat het eeuwig stand houdt. We lezen dus: ‘Wie op de geest (zonder hoofdletter) zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.’
‘Laten wij niet moe worden om goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen’ 9.
Nu roept de apostel nog op om vol te houden. Hij waarschuwt voor verslapping zoals de Hebreeënschrijver opmerkt: ‘Maar wij hebben niets te maken met nalatigheid, die naar het verderf leidt, maar met geloof dat de ziel behoudt’ en ‘U hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te krijgen wat beloofd is’. Er komt een periode dat God de beloning geeft aan allen, die rotsvast in zijn beloften geloven.
‘Laten wij dus – omdat wij de gelegenheid hebben – doen wat goed is voor allen, maar vooral aan de huisgenoten van het geloof’ 10.
Paulus wijst erop dat wij nog tijd hebben het goede te doen. De nacht komt dat geen mens meer werken kan (Joh.9:4). Er kunnen tijden aanbreken, dat men zodanig onder verzoeking en verdrukking lijdt, of dat de omstandigheden, zoals bij vervolging, zwaar drukken, dat men voor een ander niets meer kan doen. Wij moeten het goede zoeken voor alle mensen, dat wil zeggen, alles in het werk stellen wat tot hun redding en opbouw kan dienen. In het bijzonder geldt deze opdracht voor de ‘huisgenoten van het geloof, onze medechristenen, de leden van het huisgezin van God (Ef.2:19).
Roem in Christus alleen – Zegengebed
‘Zie met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf!’ 11.
Paulus maakte bij het schrijven van zijn brieven waarschijnlijk vaak gebruik van een amanuensis (schrijver), zoals Tertius (Rom.16:22). In 2 Thessalonicenzen 3:17 wordt vermeld, dat Paulus zijn gedicteerde brieven beëindigde met een enkel woord en met een groet, die hij zelf schreef. Hieruit bleek de echtheid van zijn brief.
Hoogstwaarschijnlijk hebben wij in de volgende verzen ook met een eigenhandige afsluiting te maken. Paulus doet dit met grote letters. Het is mogelijk dat zijn ogen niet zo best meer waren. Maar het zou ook kunnen zijn dat zijn handen, verruwd door het vele handwerk in verband met het tenten maken, de lettertekens niet meer met de pen – gemaakt van een rietstengel – zo fijn konden schrijven als de gewoonte was. Hoe het ook zij, Paulus geeft in deze eigenhandig geschreven epiloog nog één keer in grote, opvallende letters, een samenvatting van waar het hem in deze brief om te doen is. Hij hoopt dat zijn lezers en hun luisteraars nog één keer de oren zullen spitsen voor zijn afsluitende boodschap.
‘Allen die zich uiterlijk goed willen voordoen, proberen u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden vanwege het kruis van Christus (Jezus)’ 12.
Er zijn kerkgangers die uiterlijk willen opvallen. Deze moeten in de zichtbare wereld iets laten zien van hun vroomheid. In Galatië wilde men dat de heidenen zich zouden laten besnijden. Zo wil men ook tegenwoordig laten zien dat men God dient door de zondagse kerkgang (liefst 2 keer per zondag), bepaalde kleding, een ernstige gezichtsuitdrukking, het brengen van (financiële) offers voor gebouwen, door activiteiten in evangelisatie en zending, nachtbidstonden, vasten, enzovoort. Het kruis van Christus spreekt echter van schuldvergeving en genade, alleen op grond van het geloof. Daar komen geen uiterlijke tekens en werken aan te pas, die men in deze wereld kan laten zien. Deze uitspraak van de apostel ging lijnrecht in tegen de oudtestamentische wet en de joodse traditie, die berusten op: ‘Doe dat en u zult leven’.
Christenvervolging door de Joden
Paulus spreekt over vervolging, omdat hier de kloof ligt tussen hen die gehoorzaam zijn in de zichtbare wereld en zij die gehoorzamen in de onzichtbare wereld door te geloven wat God zegt. Vervolging wordt uitgevoerd door mensen in de zichtbare wereld, terwijl verdrukking door de demonen van satan veroorzaakt wordt. Het onder druk zetten komt vanuit de geestelijke wereld.
Stefanus en Jacobus vermoord door de Joden
Paulus legt hier nogmaals de motivatie van zijn judaïserende tegenstanders bloot. Door gelovigen uit de heidenen te dwingen tot de besnijdenis, hoopten ze een goede indruk te maken op hun Joodse landgenoten, waardoor ze aan vervolging zouden kunnen ontsnappen. De kans op vervolging was voor de eerste christenen immers groot, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het martelaarschap van Stefanus en Jacobus. Paulus ging zelfs zo ver dat hij schreef:
- ‘Allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden’.
- Jezus zegt daarover in de Bergrede: ‘Gelukkig de vervolgden om de gerechtigheid, want van hun is het Koninkrijk van de hemelen’.
Dwaalleraars willen niet lijden vanwege het kruis van Christus. Dat wijst erop dat men niet deelneemt aan het Koninkrijk van God. De zonen van God die hun wandel in de hemel hebben zijn ‘niet bang voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden’. De Geestvervulde gelovige kan daar zelfs blij om zijn. Hij kan daardoor getuigenis afleggen van zijn geloof. Het Griekse woord martyr betekent zowel ‘getuige’ als ‘martelaar’. Paulus heeft, in tegenstelling tot zijn opponenten, veel vervolging en andere vormen van lijden ondergaan vanwege de boodschap van het kruis. Hij droeg de littekens van Jezus in zijn lichaam.
‘Want zij, die zich laten besnijden, houden zelf niet eens de wet, maar zij willen, dat u zich laat besnijden, zodat zij zich daarop kunnen beroemen’ 13.
Paulus verweet de Joden vaak dat zij zelf (net als hij vroeger) niet in staat waren de wet te houden. Zij deden immers, net als hij, wat zij niet wilden. Zij konden de wet niet houden vanwege hun dienstbaarheid aan de zondemachten, maar zij konden zich wel laten besnijden en zich daarop beroemen. Ook tegenwoordig blijft men in veel kerken onder de voorlezing van de wet ‘zondaar tot de dood’, waarbij zij trots zijn op het lidmaatschap van de ‘ware’ of ‘zuivere’ kerk, op zijn doop, trouwe kerkgang, kerkelijk medeleven en kerkelijk besef.

Kenmerkend voor de voorvechters van het wetticisme is dat men zich inspant om dit ook aan anderen op te leggen. Over de Farizeeën merkt Jezus op dat ze zee en land afreisden om één proseliet te maken. Hij zei tegen hen: ‘als hij het geworden is, maakt u hem een kind van de hel, dubbel zo erg als u zelf’. Ook de judaïserende leraren waren ver in het Galatische landschap doorgedrongen om zieltjes te winnen. Het maken van bekeerlingen vervulde hen met trots en zoals Paulus in het vorige vers al duidelijk maakte, konden ze bij hun terugkeer pronken met het aantal besnijdenissen waar ze verantwoordelijk voor waren, dus letterlijk met het ‘vlees’ van de Galaten.
‘Maar ik zal mij zeker niet beroemen op iets anders dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, door Wie de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld’ 14.
Paulus heeft alle uiterlijk vertoon overboord gegooid en voor ‘schade’ en ‘drek’ geacht. Hij deed dit, zodat hij de gerechtigheid uit het geloof zou mogen bezitten op grond van het lijden van Christus. Hij wilde niets anders brengen dan Jezus Christus en Die gekruisigd. Paulus wist dat hij rechtvaardig was, niet op grond van de werken van de wet of van uiterlijke tekens, maar op grond van het plaatsvervangend lijden en sterven van Jezus Christus, waardoor er een scheiding was gekomen tussen de vrome wereld en de apostel. Die twee waren voortaan dood voor elkaar (voor elkaar gekruisigd).
Sommigen zeggen, dat Paulus alleen roemde in het kruis van Christus, alsof er niet meer genade dan deze zou zijn. Maar dit bedoelt de apostel niet. Het lijden van Christus aan het kruis legde het fundament, het opende de deur, waardoor wij mogen binnengaan en onze voeten zetten op de weg van het leven. Het kruis is het beeld van de vloek. Wij moeten ons ervoor hoeden aan het kruis een occulte gedachte te verbinden, want Christus had ‘bij wijze van spreken’ ook op een andere manier kunnen sterven. Maar deze dood was het beeld van de vloek, dat de Vader Hem overgaf aan de demonen.
In 2 Corinthiërs 12:1 beroemt de apostel zich op gezichten en openbaringen van de Heer, die hij ontving door de werking van Gods Geest in hem. Wij blijven niet staan bij het kruis, de schuldvergeving, maar streven naar de volle rijkdom van de genade, de troon die God geeft aan allen die in de strijd in de hemelse gewesten overwinnen. Voor Paulus is de wereld – waar hij voor gekruisigd is – niét de heidense wereld, maar het Jodendom waar hij uit voortkwam.
‘Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is’ 15.
Voor gerechtvaardigde mensen door Christus is het niet belangrijk of men besneden is of niet. In Hem is immers geen Jood of Griek, geen man of vrouw (Gal.3:28). In Christus zijn wij opnieuw geboren en een nieuwe schepping geworden. Dat is het belangrijkste. Deze nieuwe schepping, die haar burgerschap in de hemel heeft, leeft vanuit deze (hemelse) gewesten, geleid door Gods Geest. Jezus wordt in deze nieuwe schepping de eerstgeborene genoemd.
‘En allen, die zich naar die regel zullen richten – vrede en barmhartigheid komen over hen en ook over het Israël van God’ 16.
De regel die Paulus de Galaten voorhield was: geen uiterlijk teken, maar rechtvaardiging door het geloof. Dan ontvang je de vrede van God, die alle verstand te boven gaat en de barmhartigheid, waardoor wij in genade kunnen leven. Dezelfde zegeningen zijn ook voor de besnedenen, die het nationale teken van de Joden dragen, maar ook geloven dat zij alleen gerechtvaardigd zijn door het gelóóf in Jezus Christus. ‘Dat is het geslacht van wie naar Hem vragen; die uw aangezicht zoeken: dat is Jakob’ (Psalm 24:6). Jezus heeft de ‘tussenmuur die scheiding maakte’ verbroken en die twee tot één gemaakt door ‘de twee tot één nieuwe mens te scheppen en de twee, tot één lichaam verbonden, weer met God te verzoenen door het kruis’.
‘Overigens laat niemand mij lastig vallen, want ik draag de littekens van Jezus in mijn lichaam’ 17.
Verder spreekt de apostel, dat men het hem in zijn opdracht niet moeilijk moet maken, alsof hij geen goede dienstknecht van Jezus Christus zou zijn. ‘Ik heb immers in mijn lichaam ook een teken, namelijk de littekens (stigmata) van het lijden, dat ik om Christus’ wil heb ondergaan en die men zou kunnen beschouwen als de littekens, veroorzaakt door het brandmerken bij een slaaf’. Paulus was dus volkomen toegewijd aan zijn meester.
‘De genade van onze Heer Jezus Christus zij met uw geest, broers! Amen’ 18.
De genade is gebaseerd op het lijden van Christus aan het kruis. Zij is door Jezus Christus gekomen. Deze genade openbaart zich in de eerste plaats niet in zichtbare tekens, maar in een vernieuwing van de geest in de mensen. Paulus besluit nu met een amen, een bekrachtiging van alles wat werd geschreven.
************





