Filippenzen 4:10-23
‘De Heer heeft mij erg blij gemaakt omdat uw denken aan mij eindelijk weer opgebloeid is; u hebt ook wel steeds aan mij gedacht, maar u hebt de gelegenheid niet gehad om het te tonen’ 10.
Aan het einde van zijn brief en voordat Epafroditus deze meeneemt naar Filippi, spreekt Paulus zijn waardering uit voor wat de Filippenzen hem hebben gegeven. Hij bedankt hen voor hun medeleven en voor de belangstelling die ze daarmee tonen voor zijn lot. Het geeft hem van binnen, waar de Heer leeft, een blij gevoel. Hij weet wel dat ze continu met hem meeleven, maar het is hartverwarmend dat ze nu ook de gelegenheid krijgen om dat te tonen.
Uit alles blijkt dat Paulus blij is met de gave, maar vooral met de mensen die erachter staan. Zij hebben ongetwijfeld ook voor hem gebeden, voor zijn persoon en voor zijn werk. Dit heeft hem getroost. Zij spreken zich niet afkeurend over hem uit in zijn verdrukking, maar ze steunen hem in geestelijk en natuurlijk opzicht. Wij denken bijvoorbeeld aan de gevangenbewaarder van Filippi en de purperverkoopster Lydia (Hand.16:14-15; 19-34), die zich ongetwijfeld nog herinneren hoe Paulus toen in Filippi onschuldig in de gevangenis terecht was gekomen. Wij kunnen ons hun medeleven voorstellen en begrijpen, dat deze mensen hem niet veroordelen. In gedachten en in gebed zijn ze steeds bij hem.
‘Niet dat ik dit zeg, alsof ik gebrek zou lijden; want ik heb geleerd met mijn omstandigheden genoegen te nemen’ 11.
Het is Paulus er niet om te doen zoveel mogelijk ondersteuning te krijgen, maar hij is blij met dit teken van medeleven en met de vrijwillige gaven. Wat het natuurlijke leven betreft, heeft de apostel geleerd altijd tevreden te zijn. Hij heeft beleefd wat hij in 1 Tim.6:6 schrijft: ‘Nu brengt inderdaad de godsvrucht grote winst, als zij gepaard gaat met tevredenheid.’ De winst van een leven met God zit altijd van binnen. Aan de buitenkant moet de christen genoegen nemen met de omstandigheden, waar hij mee te maken heeft, net zoals Paulus dat deed. Hij mag er echter van overtuigd zijn dat God zorgt. Hij hoeft niet te verlangen naar rijkdom‚ want daarmee staat hij bloot aan verleidingen (1 Tim.6:9). Hij moet aan de andere kant ook geen armoede willen, zoals monniken doen die geloften van armoede afleggen, om daarmee God zogenaamd een plezier te doen. De Spreukendichter zei over armoede: ‘Zodat ik, berooid en arm, niet steel en mij aan de naam van mijn God vergrijp’ (Spreuken 30:9).
De gevangenissen van Paulus
‘Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek’ 12.
Wat het leven in de natuurlijke wereld betreft, kan Paulus met iedereen meeleven. Hij is ingewijd in de verleidingen van de rijken, wanneer zij verzadigd zijn en in de beproevingen van de armen, wanneer zij honger lijden. Ook de Heer Jezus werd in alle opzichten verzocht (Hebr.4:15) en werd daarbij in alle opzichten gelijk aan zijn broers (Hebr.2:17). Voor een dienstknecht van de Heer is het belangrijk, dat hij ook in de natuurlijke omstandigheden van alle soorten moeilijkheden op de hoogte is. De apostel is zodoende bekend met honger en gebrek, maar ook met overvloed.
‘Ik kan alle dingen aan door Hem, die mij kracht geeft. Toch hebt u er goed aan gedaan, te delen in mijn verdrukking’ 13,14.
Met ‘alle dingen’ bedoelt de apostel, lettend op het vorige vers, dat hij om kan gaan met honger en gebrek, net als met overvloed. De apostel heeft geleerd om in alle omstandigheden op de Heer te vertrouwen en te ervaren dat de Heer kracht geeft. Zo kan hij zowel de verzoekingen van de rijkdom als de beproevingen van de armoede weerstaan. Verrijkt met deze ervaringen, kan hij vervolgens zijn broers en zussen verder helpen. De apostel heeft het probleem van rijkdom, armoede en het geven van giften eerst vanuit zijn eigen ervaring benaderd. Nu bekijkt hij het van de kant van de Filippenzen. Wat hen betreft, deden zij er goed aan om een medewerker van de Heer te ondersteunen. Hierdoor zijn ze direct betrokken geraakt bij zijn verdrukking, zowel in geestelijk als in natuurlijk opzicht. Indirect hebben ze hiermee ook deel aan het lijden van Christus (vgl.2 Cor.1:5; 1 Petr.4:13).
De zendingsreizen van Paulus
‘U weet het zelf ook wel, Filippenzen; in het begin toen ik het evangelie bracht, toen ik uit Macedonië vertrok, heeft geen enkele gemeente met mij in rekening van uitgave en ontvangst gestaan dan u alleen. Want ook te Thessalonica hebt u mij verschillende keren ondersteuning gezonden’ 15,16.
Op zijn tweede zendingsreis begon Paulus met het brengen van het evangelie in Macedonië (hand.16:9). Een van de eerste plaatsen die hij bezocht was Filippi (Hand.16). De gemeente daar heeft hem goed geholpen:
Paulus en Silas bevrijd uit het blok
Paulus en Silas werden gastvrij onthaald door Lydia en later door de gevangenbewaarder, waar ze naar toe gingen vanuit de gevangenis, voordat ze verder trokken. De Filippenzen bleven de apostel op zijn verdere reis volgen en stuurden hem zelfs in Thessalonica, dat 150 km verderop lag – in de enkele weken dat hij daar was – tot tweemaal toe ondersteuning (Hand.17:1-9). Hij had het daar erg moeilijk en kon deze hulp goed gebruiken. Paulus heeft het hier over een ‘rekening van uitgaven en inkomsten’. Dat is een handelsterm die verwijst naar de debet- en creditkant in een kasboek. Paulus heeft de Filippenzen geestelijke redding gebracht en zij ondersteunen hem financieel. Zij staan dus bij elkaar in het krijt en vereffenen dat op deze manier.
‘Niet, dat het mij om de gave te doen zou zijn, maar het is mij te doen om de opbrengst, die als een tegoed op uw rekening aangroeit. Nu is alles voldaan en ik ben rijkelijk voorzien; alles is aangezuiverd, nu ik van Epafroditus het door u gezondene ontvangen heb, een welriekend, een aangenaam, God welgevallig offer’ 17,18.
Het gaat bij de apostel niet om het geld, maar hij weet dat hun royale giften op hun ‘credit’ worden bijgeschreven, zodat ze daarmee de geestelijke schuld ten opzichte van Paulus kunnen aflossen. Ze zijn hem veel verschuldigd, daar hij zoveel voor hen heeft opgeofferd en zich zoveel moeite heeft getroost. Denk aan het lijden dat hij bij het brengen van het evangelie onderging. Paulus komt nu tot de conclusie dat zij van hun kant aan alles hebben voldaan en hij is daarmee zeer tevreden. De gaven die zij door middel van Epafroditus hebben gestuurd, zijn een rijke beloning voor de moeite die hij in Filippi heeft gehad. Het is daarnaast een offer dat aangenaam is en God plezier doet, omdat het in de behoeften van zijn medewerker voorziet.
‘Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus. Onze God en Vader nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen’ 19,20.
Paulus is ervan overtuigd dat God van zijn kant ook rijk zal voorzien in de noden van de Filippenzen. In de eerste plaats zal de Heer voorzien in hun geestelijke behoeften. Dit doet hij ‘naar zijn rijkdom’, dat wil zeggen op een overvloedige manier. God zegent hen ‘met allerlei geestelijk zegen in de hemelse gewesten’ (Ef.1:3). Het gebeurt ‘in Christus Jezus’, dus in de gemeente, die zijn lichaam vormt. Zo zal hun natuurlijke bereidheid om te offeren als een geestelijke zegen terugkeren. De heerlijkheid, dat is de volmaakte gemeente, is voor God de Vader bestemd, omdat de gemeente met Hem tot in alle eeuwigheden zal regeren (Openb.22:5).
‘Groet iedere heilige in Christus Jezus (de gemeente). U groeten de broers, die bij mij zijn. U groeten al de heiligen, in het bijzonder die aan het huis van de keizer verbonden zijn’ 21,22.
Paulus eindigt na zijn ‘amen’ met een groet aan de heiligen, zonder hen direct met name te noemen, zoals hij dit in andere brieven vaak doet. Zij ontvangen de goede wensen van hemzelf en van de broers en zussen die hem omringen. Ze krijgen de groeten van de heiligen in deze gemeente en vooral van hen die bij het hof van de keizer horen. Deze mensen worden toch wel op een bijzondere manier op de proef gesteld en verzocht. Het is immers de tijd van (de vervolging onder) keizer Nero, de christenslachter!
‘Het huis van de keizer’ was waarschijnlijk een term, die een groot aantal personen omvatte, die niet alleen in Rome woonden, maar ook in de provincie, waaronder waarschijnlijk slaven en vrijgelatenen die op de een of ander wijze in dienst stonden van de keizer. Wel een bewijs hoe het evangelie machtig is om onder de moeilijkste omstandigheden de harten te veranderen. Als Paulus de pen neerlegt, zijn zijn laatste woorden, voordat Epafroditus aan zijn terugreis begint:
‘De genade van onze Heer Jezus Christus zij met uw geest’ 23.
De Heer is de Kurios, die zij als Meester dienen. Jezus Christus is de Verlosser en Genezer. Met Hem zijn zij verbonden in de geest en met Hem hebben zij gemeenschap.



