Filippenzen 3:17-4:3
‘Wees allen mijn navolgers, broers en zusters en kijk naar hen, die net zo leven, zoals u ons tot voorbeeld hebt’ 17.
Jezus was tijdens zijn leven het voorbeeld van christelijk leven en van een leven in de hemelse gewesten (1 Petr.2:21). Paulus heeft Zijn voorbeeld gevolgd, zoals hij beschrijft in 1 Corinthiërs 11:1: ‘Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg.’ Hij roept nu ook de Filippenzen op om hetzelfde te doen. Hij weet zeker dat ze dan op de goede weg zijn. Ook anderen, zoals voorgangers en oudsten, moeten een voorbeeldfunctie hebben. Dit zijn mensen die niet alleen dezelfde boodschap brengen, maar dit ook op dezelfde manier in praktijk brengen. Paulus zelf heeft alles opgegeven om het voorbeeld van zijn Heer na te volgen. Hij hoopt dat de Filippenzen hem daarin zullen volgen.
Heb de wereld niet lief
‘Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook in tranen – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind’ 18,19.
Paulus wil nogmaals de aandacht van de Filippenzen vragen voor deze manier van leven. Toen hij nog bij hen was, heeft hij hen vaak gewaarschuwd voor mensen die het kruis van Christus aanvaarden met het hele evangelie, maar hun leven laat heel wat anders zien. Zij aanvaarden de schuldvergeving door het lijden van Christus aan het kruis, maar de uitwerking van het evangelie is niet te zien in hun leven. Paulus heeft veel verdriet over dit soort bekeerlingen, die niet verder zijn gekomen. Zij leven niet in de hemelse gewesten, maar blijven aardsgezind. Ze richten zich op de zichtbare dingen. Zij zoeken ‘de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven’ (1 Joh. 2:16), net als de omringende wereld die niets moet hebben van het geloof in het kruis.
Hun god is de buik, dat wil zeggen dat de inspiratie van hun leven voortkomt uit hun natuurlijke verlangens en dat ze hun voldoening zoeken in de bevrediging van deze verlangens. Wanneer zij door de duivel verleid worden vanwege hun verlangens (Jac.1:14), brengt de bevrediging ervan hen alleen maar schande, terwijl ze daar eigenlijk hun roem en heerlijkheid uit hadden kunnen halen. Dit geldt niet alleen voor allerlei zondige, seksuele bevrediging, maar ook voor de honger naar geld, goederen, eer van mensen, aardse macht en alles wat de wereld verder te bieden heeft. Zij denken – ondanks deze aardse en ongeestelijke manier van denken – dat ze het doel van God, de volmaaktheid, toch wel zullen bereiken, eventueel zelfs bij toverslag na het sterven! Maar hun einde of hun afloop is het verderf, dat wil zeggen: de vernietiging van hun mens-zijn door hun wetteloze handelingen.
Het hémels Jeruzalem
‘Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmee Hij ook alle dingen aan Zich kan onderwerpen’ 20,21.
Nu gaat Paulus de mensen beschrijven, die wèl in de hemel leven. Dezen zijn zich ervan bewust dat ze zijn overgezet uit de duisternis in het rijk van het licht (Col.1:13). Zij zijn opnieuw geboren, leven, strijden en verzamelen schatten in de onzichtbare wereld. Hun doel is de volmaaktheid. Ze hebben het nog niet bereikt, maar zij verwachten Jezus Christus als Verlosser, dat wil zeggen als Bevrijder voor hen die al rechtvaardigen zijn door het geloof. Een kind van God dat gebonden is, moet nog worden bevrijd en genezen. Het gaat bij Paulus niet alleen over het herstel van de innerlijke mens, maar ook over dat van het lichaam. De Geest die Jezus uit de doden opgewekt heeft, zal ook het sterfelijke lichaam levend maken (Rom.8:11) en tenslotte ook het vernederde lichaam veranderen in een verheerlijkt lichaam, dat gelijk is aan het verheerlijkte lichaam van Jezus Christus. Er zijn machten die dit herstel en deze verheerlijking van het lichaam willen belemmeren, maar Gods Geest is zo krachtig, dat Hij al deze wetteloze geesten kan onderwerpen en krachteloos maken, zodat het doel van God geopenbaard kan worden.
‘Daarom, mijn geliefde broers en zusters, naar wie mijn verlangen uitgaat, mijn blijdschap en kroon, blijf zo vaststaan in de Heer, geliefden!’ 4:1.
Paulus begint deze tekst met het bijwoord ‘Daarom’, verwijzend naar de voorgaande verzen, omdat zij die naar de Geest leven een heerlijke toekomst hebben, terwijl zij die aardsgezind zijn een verschrikkelijke toekomst tegemoet gaan. Hij raadt de gemeente aan op de weg van de waarheid en het geloof te blijven. Het verlangen van de apostel gaat uit naar de broers en zussen in Filippi, omdat hij hen liefheeft. De apostel is blij omdat deze gemeente niet alleen het evangelie aanvaardt, maar ook op de hoge weg wandelt. Deze gemeente is zijn blijdschap, omdat hij niet tevergeefs hen het evangelie heeft gebracht. Zij vertegenwoordigen zijn lauwerkrans, de kroon op zijn werk, zijn beloning voor het werk dat hij heeft gedaan. Hij wil dat ze vasthouden aan de Heer, zodat zijn nalatenschap overeind blijft.
‘Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik, eensgezind te zijn in de Heer. Ja, ik vraag ook u, mijn trouwe vriend: help hen. Want zij hebben samen met mij gestreden om het evangelie door te geven, naast Clemens en mijn overige medewerkers, wier namen staan in het Levensboek’ 2,3.
Al meerdere malen heeft de apostel de Filippenzen aangespoord tot eensgezindheid (1:27 en 2:2). Verdeeldheid leidt tot de ondergang van een gemeente! Nu heeft hij een vermaning, speciaal voor twee vrouwen, die voor ons verder onbekend zijn. Kennelijk nemen zij een belangrijke plaats in binnen de gemeente. Zij moeten eensgezind zijn! Hij vraagt daarom ook nog een andere, onbekende broer, die hier wordt aangeduid door ‘vriend’, hem daarbij te helpen. Hoogstwaarschijnlijk kon hij bemiddelen bij het oplossen van het geschil. Het woord dat hier wordt vertaald met ‘vriend’ of ‘metgezel’ is syzugos. Sommigen menen dat dit woord een eigennaam is, die dus niet vertaald moet worden. Het woord betekent ‘jukgenoot’. Dan leest men:
- ‘Ik wil je vragen om als een echte syzugos, je naam eer aan te doen.’
Paulus heeft van deze twee vrouwen, toen hij in Filippi het evangelie bracht, veel hulp en steun ervaren. Deze hulp bestond niet alleen uit natuurlijke zaken, maar zij waren medestrijdsters in de geest; evengoed als Clemens en de andere medewerkers. Hieruit blijkt dat Paulus vrouwen niet achterstelt in de dienst van het evangelie!
De boeken geopend – Het Levensboek
Van al zijn medewerkers weet Paulus, dat hun namen geschreven zijn in ‘het Levensboek’. Deze term, die we verder alleen in de openbaring van Johannes tegenkomen wijst op het register van hen die zijn ingeschreven als burger in het Koninkrijk van de Hemelen. Zij wandelen in de hemelse gewesten en tonen op aarde hun goede werken. Zij hebben volkomen gebroken met de zonde- en leugenmachten en het kleed van gerechtigheid aangetrokken. In de woorden van Johannes:
- ‘zij hebben overwonnen en worden bekleed met witte kleren (Op.3:5).
De apostel weet wat in de mens is en heeft een grote gave in het onderscheiden van geesten.


