6. Judaïsme tegenover Jezus Christus

<<<<<

Filippenzen 3:1-16

‘Verder, mijn broers, wees blij in de Heer. Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet onaangenaam en het geeft u zekerheid’ 1.

Paulus roept, net als in hoofdstuk 2:18 en 4:4, de Filippenzen op om hun innerlijke blijdschap te bewaren in de Heer, dat is in zijn lichaam, de gemeente. Blijdschap is een vrucht van Gods Geest, die gevonden wordt in de innerlijke mens die normaal functioneert naar de wil van God, zoals gezondheid een gevolg is van een normaal functionerend lichaam. Die blijdschap gaat verloren als men ongehoorzaam is aan de wetten van God en in plaats daarvan gaat gehoorzamen aan satan en zijn demonen. De gemeenschap met de Geest wordt verstoord en de blijdschap verdwijnt, zoals David overkwam nadat hij had gezondigd (Psalm 51:13-14). Paulus wil zijn lezers hier tegen beschermen.

Omdat deze zaken zo belangrijk zijn voor het Koninkrijk van God, heeft hij er geen moeite mee om dezelfde dingen steeds weer te herhalen. Voor de Filippenzen is het goed om, zoals Petrus het uitdrukt, door herinnering wakker gehouden te worden. Door nuchter en waakzaam te blijven, zijn ze veilig voor de aanvallen van satan. De duivel slaapt immers ook niet en hij zal steeds proberen de kinderen van God tot zijn prooi te maken (Joh.10:10). Door vol te houden en de woorden van God in het geloof vast te houden en daarnaar te leven, kunnen ze hun blijdschap onder alle omstandigheden bewaren.

‘Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis!’ 2.

Paulus waarschuwt hier voor het zogenaamde Judaïsme, dat de eerste christenen op een verkeerd spoor probeerde te brengen, door aan Joodse wetten en ceremoniën waarde te hechten en dit voor te stellen als een onmisbaar onderdeel van de weg om gered te worden (vgl. Handelingen 15:1). De judaïserende christenen eisten dat ook de heidenen eerst besneden zouden worden en volgens Joods gebruik zouden leven. Paulus noemt deze valse leraars ‘honden’, d.w.z. onreine mensen, die door hun regels en rituelen doen alsof ze bij het ware volk van God horen, terwijl hun innerlijke mens niet rein is en ongehoorzaam aan Christus. Zij zijn slechte werknemers, zogenaamd in dienst van de Heer, omdat zij dingen beweren die Jezus niet heeft geleerd en bevolen. Paulus noemt hun besnijdenis een ‘versnijding’, dat is een verminking, omdat deze ingreep alleen maar iets wegsnijdt van het lichaam, maar geen geestelijke betekenis bezit.

‘Want wij zijn de besnijdenis, wij die God in de Geest dienen en in Christus Jezus roemen en niet op het vlees vertrouwen’ 3.

De echte besnijdenis is die van het hart (Rom.2:28-29), waardoor het kwade en het goede worden gescheiden en het kwade wordt verwijderd. Daardoor werkt Gods Geest in de hele mens, zodat deze door de Geest Jezus volledig kan dienen. Zulke mensen stellen hun vertrouwen niet op een uiterlijk teken in het vlees, maar zij roemen in Christus, die door Gods Geest woning in hen woont (vgl. Gal.5:2-5). Zij vertrouwen dus niet op het vlees, d.w.z. op een natuurlijke afstamming van Abraham, want die kon hen niet redden.

‘Hoewel ik reden heb om ook op het vlees te vertrouwen; als iemand anders denkt te kunnen vertrouwen op het vlees, ik nog meer: besneden op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, wat de wet betreft een Farizeeër, wat ijver betreft een vervolger van de gemeente, wat de rechtvaardigheid betreft die in de wet is, onberispelijk’ 4-6.

Paulus wil zeggen: ‘Denk nu niet dat ik jullie op deze dingen attendeer, alsof ikzelf een onbesneden persoon zou zijn, of iemand die de Joodse wet niet kent of gehouden heeft. Integendeel, ik ben van huis uit zeker niet minder dan die Judaïsten en wanneer we het hebben over afkomst en leven volgens de wet, kan ik zeggen dat ik meer reden tot vertrouwen heb dan zij. Ik ben immers een Jood en naar de wet op de achtste dag besneden. Ik ken mijn geslachtsregister. Mijn stamboom toont aan dat ik van Benjamin afstam. Ik ben een volbloed Jood, een Hebreeër uit de Hebreeën, net zoals Abraham, die ook een Hebreeër werd genoemd (Gen.14:13).

Stefanus, vermoord door de farizeeën en schriftgeleerden

Wat betreft de zuiverheid van de leer en het nauwkeurig onderhouden van wetten en ceremoniën, kan ik stellen dat ik ooit bij de Farizeeën hoorde, een groep die zeer consequent en precies is bij het naleven van de wet. Paulus’ (toen nog Saulus) was in die tijd zo fanatiek dat hij iedere Jood vervolgde, die zich niet aan de wet van Mozes hield en daardoor werd hij ook een vervolger van de eerste christenen (Hand.7:58). Hij leek zo te zien een serieuze en onberispelijke man, die naar de wetten leefde. Achteraf schaamt hij zich voor zijn vroegere handelen. Daarom beschouwt hij zichzelf als de minste van de apostelen omdat hij Gods gemeente heeft vervolgd (1 Cor.15:9).

Paulus’ bekering op weg naar Damascus

‘Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus’ wil als schade beschouwd. Ja, beslist, ik beschouw ook alles als schade vanwege de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, om Wie ik dat alles als schade ervaren heb. En ik beschouw het als vuiligheid, zodat ik Christus mag winnen,’7-9.

Paulus’ rol in het jodendom had hem veel ‘winst’ gebracht. Hij stond in hoog in aanzien bij het Sanhedrin en bij het Joodse volk. Hij had daar een belangrijke positie en was mogelijk zelfs lid van het Sanhedrin. Maar toen hij door Christus geroepen werd, zag hij af van alle ceremoniën en alle zichtbare rituelen dat daarbij hoorde. Hij besefte dat een volgeling van Jezus moest breken met het oude en het zichtbare, want dat past absoluut niet bij het het Koninkrijk van de hemelen. Zijn vroegere winst ziet hij nu als verlies. Vasthouden aan zijn oude positie zou hem alleen nog maar meer schade toebrengen. Hij vindt het leren kennen van Jezus Christus en de gemeenschap met Hem belangrijker dan alles wat het Jodendom macht en aanzien te bieden heeft. Hij heeft daarom zijn positie en het aanzien onder het volk opgegeven omdat hij nu Christus heeft leren kennen. Hij weet dat het evangelie en de weg van God ver uitgaan boven alles, wat het oude verbond kan geven. Zijn rijkdom is zo groot dat het oude hierbij vergeleken slechts vuilnis is. Hij wil dit graag kwijt, om zijn behoud en de heerlijkheid van Jezus Christus te ontvangen. Door alles te verliezen ontvangt hij Christus en in Christus wordt hij met allerlei geestelijke zegen gezegend in de hemelse gewesten.

‘en in Hem gevonden word, niet met mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof in Christus is, namelijk de rechtvaardigheid uit God door middel van het geloof;’ 9.

In het jodendom was Paulus druk bezig met zijn eigen gerechtigheid, alsof hij die kon verdienen door zich nauwkeurig aan de wet te houden (verg. de Staphorster Varianten). Nu heeft hij daar afstand van genomen en weet hij ‘dat uit werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden’ (Rom.3:20). Hij is ingevoegd in het lichaam van Christus en als zodanig is hij rechtvaardig in Hem door het geloof, want Jezus heeft met Zijn bloed zijn schuld betaald. Deze rechtvaardigheid komt tot stand op grond van het geloof volgens het reddingsplan van God.

De opstanding tussen de doden uit

‘zodat ik Hem mag kennen en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig word, om hoe dan ook te komen tot de opstanding tussen de doden uit’ 10,11.

Paulus heeft dit offer in de zichtbare wereld gebracht om de Heer te leren kennen en de kracht, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, te ervaren. Deze kracht stelt hem in staat, niet alleen geestelijk stand te houden, maar ook de vrede, de blijdschap en de gerechtigheid van het Koninkrijk van God in zijn ziel te ervaren. Zelfs zijn lichaam heeft daar deel aan. Dit alles ondanks de vele verdrukkingen, zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld, waaraan hij net als zijn Meester wordt blootgesteld. Bij dit alles heeft de apostel steeds hetzelfde doel voor ogen: gelijkvormig te worden aan het beeld van de Zoon! Ja, hij is niet alleen bereid om onder zijn volksgenoten te lijden zoals de Heer, maar hij wil ook als martelaar onschuldig sterven. Hij weet immers dat degenen die op deze manier sterven om het Woord van God en het getuigenis, zeker deel zullen hebben aan de eerste opstanding  (Op.20:4–6).

Het woord dat hier wordt gebruikt duidt op de opstanding tussen de doden uit, de opstanding uit het midden van de doden’. Dat wil zeggen dat veel doden in hun toestand zullen blijven en dat er weinig mensen vóór de algemene opstanding zullen opstaan. Ongetwijfeld doelt Paulus hier op de eerste opstanding, die begint bij het opnieuw geboren worden in de geestelijke wereld en eindigt met het ontvangen van een nieuw, onsterfelijk opstandingslichaam (1 Cor.15:42- 44). Paulus heeft veel inzicht en kennis van het plan van God. Hij weet dat er vóór de opname een categorie christenen zal zijn, die de volmaaktheid zal bereiken, gedood zal worden, op zal staan en naar de hemel zullen varen. Johannes noemt deze groep van ‘de twee getuigen’ in Openbaring 11. Zij vormt de volkomen gave en rijpe vrucht van het Koninkrijk van God. Paulus zou hier heel graag deel van uit willen maken.

‘Niet, dat ik het al ontvangen zou hebben of al volmaakt zou zijn, maar ik streef ernaar, dat ik het mag grijpen, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broers, ik voor mij acht niet, dat ik het al gegrepen heb,’ 12,13.

Paulus heeft zichzelf een doel gesteld: hij wil in alles gelijkvormig zijn aan de Heer. Hij doet zijn best om een navolger van Christus te zijn en te wandelen op aarde, zoals Jezus gewandeld heeft, om dan net als zijn Meester te lijden en te sterven en daarna deel te nemen aan dezelfde heerlijkheid. Hij weet dat daar volmaaktheid voor nodig is, zoals er staat: ‘U dan zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is!’ (Matth.5:48). Hij weet ook dat hij deze volmaaktheid nog niet heeft bereikt. Volmaakt zijn is het volledig afgezonderd zijn van het kwaad en hersteld in lichaam, ziel en geest. Toch houdt hij dit doel steeds voor ogen. Hij jaagt ernaar, zoals iemand die meedoet aan een marathon zich inspant om de eindstreep te bereiken. Paulus weet dat hij net als Petrus geroepen is om de voetsporen van Christus te volgen (1 Petr.2:21). Hij beseft dat hij uit de wereld is gegrepen en overgezet is in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon (Col.1:13), niet alleen om gered te worden, maar ook om het evenbeeld van de Zoon te worden:

  • ‘En die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt!’ (Rom.8:29,30).

Nogmaals erkent de apostel dat hij dat doel nog niet heeft bereikt, maar hij heeft er alles voor over. Hij heeft zijn hele leven erop ingesteld om dat te bereiken.

‘maar één ding doe ik: vergeten wat achter mij ligt en strek mij uit naar wat vóór mij ligt. Zo jaag ik naar het doel, om de prijs van de roeping van God, die van boven is, in Christus Jezus’ 14.

Paulus vergelijkt zich hier met een hardloper. In 1 Corinthiërs 9:24 staat, dat er op de renbaan maar één de prijs kan winnen. Natuurlijk bedoelt de apostel niet dat er maar één mens het doel bereikt en dan ook nog ten koste van anderen die hetzelfde doel willen bereiken en die hij voorbij rent. Hij wil immers dat allen deze prijs behalen. Hij schrijft in hetzelfde vers: ‘Loop dan zo; dat u die behaalt’. In Colossenzen 2:18 zegt hij: ‘Laat niemand u de prijs doen missen’. Iedere christen doet mee aan deze wedstrijd om te winnen, maar hij wedijvert niet met zijn medechristenen. De eigenlijke tegenstanders zijn de machten van de duisternis die hem de prijs niet gunnen. Door de kracht van Gods Geest en door de gaven van de Geest kan de christen deze machten overwinnen, want hij heeft de ‘langste adem’.

‘Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en kijkt naar wat achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God’ (Lucas 9:62).

Een van de obstakels die de satan op de weg naar de heerlijkheid legt, is de herinnering aan vroegere zonden en tekortkomingen. Hij is de aanklager van de broers (Op.12:10) en er zijn veel christenen die over dit struikelblok vallen. Paulus zegt echter: ‘Het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden’! (2 Cor.5:17). Jezus zelf leerde: ‘Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en kijkt naar wat achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God’ (Luc.9:62). Daarom zegt de apostel: ‘Eén ding doe ik, vergetende wat achter mij ligt en mij uitstrekkende naar wat vóór mij ligt…’. Zijn zonden zijn immers betaald door het bloed van Jezus. Hij strekt zich nu uit naar wat hem nog te wachten staat: het volle geluk en de onvoorstelbare heerlijkheid waarover hij schreef:

  • ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’ (1 Cor.2:9).

Voor de tweede keer zegt hij uitdrukkelijk dat hij naar het doel streeft om de prijs te ontvangen. Hij ziet er met reikhalzend verlangen naar uit, niet alleen voor zichzelf, maar omdat het Gods bedoeling was, al vanaf het ogenblik dat Hij hem riep. Gods eer en Gods heerlijkheid zijn erbij betrokken, om te zorgen dat de mens het gestelde doel bereikt. Gods kracht en wijsheid zijn zo groot, dat dit doel niet alleen bereikt kán worden, maar ook bereikt zál worden! Hij maakt wat Hij zich in zijn liefde en barmhartigheid heeft voorgenomen. Het antwoord op de vraag hoe men de prijs zal erven, is: In Christus Jezus zijn al zijn beloften ja en amen (2 Cor.1:20). Dat wil zeggen: als iemand blijft in het lichaam van Christus, zijn woord bewaart en vertrouwt op de Geest die in hem is, dan zal hij dit zeker bereiken. De roeping komt van God, want ‘Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht; door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften gezegend, zodat u daardoor deel zou hebben aan de goddelijke natuur’ (2 Petr.1:3-4).

‘Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En als u op enig punt anders gezind bent, God zal u ook dat openbaren; maar wat wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!’ 15,16.

Vers 15 lijkt vers 12 tegen te spreken, waar Paulus stelt dat hij nog niet volmaakt is. In deze twee verzen wordt het woordje volmaakt echter net iets anders gebruikt. In vers 12 verwijst het naar de hoogste trap van ontwikkeling, waarin er geen sprake meer is van enig gebrek, terwijl in vers 15 wordt bedoeld: volgroeid zijn, een geestelijke rijpheid of volwassenheid bereikt hebben. De tekst bedoelt dat degenen die volmaakt zijn, dus de vaders in het geloof (1 Joh.2:13-14), deze kennis en manier van denken bezitten.

Paulus begrijpt dat niet iedereen volledig inzicht heeft in het plan en doel van God. Er zijn ook nog kinderen en jongeren in het geloof (1 Joh.2:12-13). Die leven nog bij de eerste beginselen (Hebr.6:1-3). Paulus wekt hen op om niet alleen maar stil te staan bij de schuldvergeving of te blijven steken in de heiligmaking, maar om in het spoor van de genade verder te gaan en om de weg van de redding en de heerlijkheid tot het einde toe te bewandelen. Wanneer zij zich als pasgeboren zuigelingen uitstrekken naar de zuivere melk van het Woord zal God hen openbaren wat ze moeten weten om verder te groeien (1 Petr.2:2). Het is belangrijk om telkens weer een volgende stap te zetten op de weg die nog veel verder omhoog voert. Het is een doorgaand proces. Men mag dus nooit zeggen: ‘Wij zijn ver genoeg en hebben het doel voor ons leven bereikt.’

>>>>>