Filippenzen 2:8-18
‘En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de kruisdood’ 8.
Als mens onderwierp Jezus Zich aan de wil van God. Hij onderwierp Zich ook aan alle wetten‚ waaraan het menselijke leven gebonden was. Hij sliep, at en dronk, Hij kende verdriet en blijdschap en was moe. Hij was in alles gehoorzaam, zelfs toen de Vader Hem vroeg Zich over te geven aan de Satan en Zich te laten vernederen tot in de dood. Hij heeft de gehoorzaamheid geleerd uit dat wat Hij heeft geleden (Hebr.5:8). Jezus leek niet alleen op een mens, maar Hij wás een mens en in alles gelijk aan de mensen. Hij was echter een volmaakt mens en zondigde niet (Joh.10:36; Hebr.4:15).
Jezus verborg zijn heerlijkheid niet, zoals sommige uitleggers beweren, maar Hij was écht mens en wezenlijk aan hen gelijk. Hij werd zelfs ‘voor korte tijd beneden de engelen gesteld (terwijl die toch dienstknechten zijn van hen die de redding erven, volgens Hebreeën 1:14) vanwege het lijden van de dood’ (Hebr.2:9). Toen Hij ‘tot zonde gemáákt’ werd (en niet in zichzelf had, zoals de Noorse broertjes leren) en overgegeven aan de demonen van de duisternis, hielpen de engelen Hem niet en werd Hij zelfs onderdrukt door demonen en overweldigd door de dood, de laatste vijand. Dit gebeurde terwijl Hij aan het kruis hing als een vervloekte, dat wil zeggen: als een mens die volkomen is overgeleverd aan de machten van duisternis en dood (tot de dood van het kruis). Jezus was bereid om zich voor de medemens over te geven en de diepste vernedering te ondergaan. Deze houding van liefde en bereidheid om te dienen is tot het einde toe bij Hem gebleven.
‘Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, zodat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en elke tong zou belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader’ 9-11.
Het oordeel weggenomen
Jesaja schreef:
- ‘In de vernedering (van zijn lijden en dood) werd zijn oordeel weggenomen’ (Hand.8:33 – aanhaling Jesaja 53:7-8 Septuagint).
De veroordeling van de hele wereld werd hierdoor weggenomen. Daarom, omdat Hij dit offer in gehoorzaamheid had gebracht, werd Hij ook zeer verhoogd. Hij werd uit de dood teruggebracht tot het leven. Hem werd een plaats gegeven aan de rechterhand van God in de hemelse gewesten, waar Hij met Goddelijke heerlijkheid en eer werd gekroond. Hij kreeg toen de naam die elke naam te boven gaat. Die naam correspondeert met zijn wezen, die nu als overwinnend mens gesteld is ‘boven alle overheid, macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw’ (Ef.1:21). Hij is nu de inspirator en gebieder, de opperste machthebber, want de Vader heeft Hem alles overgegeven en Hij kan zeggen: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matth.28:18). Ieder wezen moet zich aan Hem onderwerpen en Hem gehoorzamen (de knie buigen is een teken van onderwerping).
God is – door Jezus Christus – vol genade voor de mens. Er zit een mens op de troon van God. Een mens die goddelijke eer heeft ontvangen. Het woord ‘geschonken’ is hetzelfde als in 1:29, ‘aan u is de genade gegeven.’ Wij zien nu nog niet dat alles Hem gehoorzaamt en onderworpen is, maar het komt (Hebr.2:8). Het goddelijke plan is daarop gericht. Ook zal elke tong belijden: Jezus is Kurios, dat is Heer en Meester. Hij bezit de hoogste autoriteit. Daarmee rooft Hij de eer van de Vader niet, maar de eer van de Vader wordt daardoor juist groter, want door Jezus maakt Hij zijn gedachten werkelijkheid. Jezus was als mens aangesteld tot bouwer van het huis van God (Hebr.3:2-6). Hij is de Heer van de doden en levenden, van alle wezens die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn, dat is in het dodenrijk.
‘Daarom, mijn geliefden, u was altijd gehoorzaam toen ik bij u was, maar blijf dat ook als ik niet bij u ben en blijf u inspannen voor uw behoud met diep ontzag voor God, want Hij is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt’ 12,13.
De Filippenzen zijn gehoorzaam geweest en in dit opzicht zijn zij volgelingen van Jezus. Paulus heeft hun deze weg getoond en voorgeleefd. Zij hebben zijn woorden in geloof aangenomen en dit werkt door in hun leven. Dit heeft de apostel gezien, toen hij nog bij hen was. Hij moedigt hen aan om hiermee door te gaan, ook al moeten zij op dit moment zijn stimulerende woorden en zijn voorbeeld missen. Alleen het woord horen is niet genoeg; ze moeten er ook mee aan de slag; dus dóen. Op die manier zullen zij het einddoel, de volmaaktheid, bereiken.
Zij moeten zich ervoor inspannen en er niet maar op los leven, waarbij men denkt dat God het niet zo nauw neemt met iemands gedrag. Zij moeten leven en werken vol ontzag voor de wil van God en met respect voor de wet van God. In oude vertalingen wordt gesproken over ‘leven vol vrees en beven’. Het ‘beven’ wijst erop dat men bang is om zonde te doen. Men moet waakzaam blijven want de Satan ligt op de loer. Op die manier werken ze aan het behoud van hun vrijheid.
Het ‘welbehagen’ is het plan van God met zijn schepping. Dit gaat om schepping en herschepping, dus om herstel en behoud. Vanaf de schepping heeft God in de mens een wil gelegd om naar zijn geboden te leven. Deze goede wil is in ieder mens gelegd, maar door de verleiding en invloed van de satan wordt de wil van de mens omgebogen en richt zij zich op het kwade dat hem van God afhoudt. Zo is bijvoorbeeld een kind van nature gehoorzaam, maar wordt ongehoorzaam onder invloed van satan en zijn demonen. Jezus zei: ’Wie wil, mag komen’ (Op.22:17) maar hij verweet de Farizeeën:´Jullie hebben het niet gewild’ (Matth.23:37). Zij waren immers kinderen van de duivel geworden en gehoorzaamden alleen nog maar aan de machten van de duisternis. Zij waren zo in de ban van de leugen dat zij het kwade goed noemden en het goede – dat is Jezus – kwaad. Zij beschouwden Jezus als een zondaar. Wie licht duisternis noemt, aanbidt de Satan, zoals vandaag ook velen buiten Israël. Zij hadden (en hebben nog steeds) de duisternis liever dan het licht.
Het Bijbels Fundament verworpen
Waarom willen mensen het eeuwig evangelie niet aannemen? Omdat ze slaven zijn van veel leugens en dit wel prettig vinden. Ze zijn door talloze surrogaten verblind. De massa is zelfs nog nooit bekeerd; zij weigeren het Bijbelse Fundament persoonlijk te leggen. Hun leven voelt zo wel prettig naar het vlees, maar ze worden nooit volwassen zonen en dochters van God. Dit is zonder een werkelijke bekering onmogelijk. Ook niet via een opgehoest papiertje.
Paulus wilde als Farizeeër wel het goede en hij wilde leven naar de wetten van God, maar hij moest belijden, dat hij het niet kon (Rom.7). Hij was daardoor in grote geestelijke moeilijkheden gekomen. Hij voelde zich een ‘ellendig mens’. Maar door Jezus Christus kwam hij uit de impasse, omdat Deze hem door Gods Geest verloste en kracht gaf om het goede te doen. Ook wij ontvangen deze Geest van God om het goede te doen. Paulus bedoelt: ook al ben ik ver weg, deze kracht van God is altijd bij jullie.
‘Doe alles zonder mopperen of bezwaren, zodat u zuiver en onbesmet zult zijn, onbesproken kinderen van God te midden van een verdorven en slechte generatie, waaronder u schijnt als lichtende sterren in de wereld,’ 14,15.
Paulus roept de Filippenzen op om goede werken te doen, waar God plezier in heeft. Ze moeten daarbij iedere invloed van de Satan uit hun hart weren, zodat ze niet ontevreden worden en beginnen te mopperen. Ze moeten ook geen bezwaren hebben, vol kritiek zitten en continu in discussie gaan. Ontevreden christenen zullen nooit de volmaaktheid bereiken. Maar wanneer ze met blijdschap het goede doen en innerlijk zuiver en onbesmet zijn, zullen zij echt licht verspreiden, want alles wat ze doen, in woord of werk, doen ze in de naam van de Heer Jezus. In 1 Thessalonicenzen 5 merkt Paulus op, dat de kracht van God in ons deze onberispelijkheid uitwerkt, want ‘Hij is trouw, die het ook doen zal!’. Zo zullen zij onbesproken kinderen van God zijn, niemand kan kwaad van hen spreken.
Een verdorven generatie
Zij zijn als lichtende sterren te midden van de duisternis van een ontaard en verkeerd geslacht. Ontaard betekent dat men zijn oorspronkelijke natuur verloren heeft en verkeerd is; een foutief gerichte mensheid. Zij hebben hun goede wil verloren, hun verstand is verduisterd en hun gevoel overmeesterd door de ellende (vgl. Ef.4:18,19). Petrus zei:
- ‘Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht’ (Hand.2:40).
Kenmerkend is dat hun denken op de leugen is gericht en niet op de waarheid. Ze laten zich beïnvloeden door de ‘wereldbeheersers van deze duisternis’. In deze duistere wereld zijn de kinderen van God het licht van de wereld, zoals Jezus zelf het licht van de wereld was.
‘door vast te houden aan het Woord van het leven, mij tot roem met het oog op de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs mijn wedloop heb gelopen en mij ook niet tevergeefs heb ingespannen’ 16.
Waarom zijn kinderen van God als lichtende sterren? Omdat zij verlost zijn uit de hand van hun vijanden’ en ‘het leven is het licht van de mensen!’ Hoe ontvingen zij leven en hoe blijven zij in leven? Door de Woorden van God aan te nemen en ze vast te houden. Paulus had dit evangelie gebracht. Als het Woord nu heeft gedaan wat God voor ogen had en waartoe Hij het had gezonden, dan ontvangt Paulus hiervoor erkenning. Omdat hij het heeft mogen doorgeven en omdat het goede vruchten heeft opgeleverd, hoewel hij ook weet dat het niet alleen zijn eigen verdienste is, maar dat het komt door de genade van God die met hem is. Zijn woorden en werk zijn dan ook niet voor niets geweest. Hij heeft niet voor niets de wedloop gelopen en zich ingespannen. Het zaad van de Woorden van God dat hij heeft uitgestrooid is in goede aarde gevallen en heeft rijke vrucht voor het eeuwig leven voortgebracht. Met de dag van Christus bedoelt Paulus de dag, waarop de Heer zijn dienstknechten zal vergelden naar hun werken; dus bij de eerste opstanding (Openb.20:4–6). Dan zal de Heer tegen hem kunnen zeggen: ‘Goed gedaan, goede en trouwe dienaar!’
‘Maar al word ik ook als een plengoffer uitgegoten over het offer en de bediening van uw geloof, ik ben er blij mee en ik ben met u samen blij. En u bent er zelf ook blij mee, dus wees dan samen blij met mij’ 17,18.
Paulus is blij met het resultaat van het brengen van het evangelie, ook al zit hij juist vanwege dat evangelie in de gevangenis. Zelfs als hij zijn leven moet offeren, zal hij blij zijn. Hij ziet zijn dood als een laatste ‘plengoffer’ dat hij mag brengen, in dienst van het geloof dat hij deelt met de Filippenzen. Wanneer zijn tijd is gekomen om heen te gaan, kan hij zeggen: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop tot het eind vol gehouden, ik heb mijn geloof behouden’, waarbij hij kan uitzien naar de krans die voor hem klaar ligt. Zo moeten ook de Filippenzen leren dat het aardse niet te vergelijken is met het hemelse en dat zij blij moeten zijn met het onvergankelijke, zelfs als dit lijden en verdrukking in de wereld betekent.




