Filippenzen 1:27-2:7
‘Alleen, leef in overeenstemming met het Evangelie van Christus, zodat ik, of ik nu kom en u zie of dat ik afwezig ben, van uw zaken mag horen dat u volhoudt in één geest en dat u samen eensgezind strijdt door het geloof in het Evangelie,’ 27.
In vers 25 zegt Paulus dat hij hoopt naar de Filippenzen toe te komen om ze nog wat verder te brengen in het geloof, dus om hen nog meer te vertellen over het Koninkrijk van de hemelen. Hoe meer kennis men heeft van dit Koninkrijk, hoe meer geloof mogelijk is en hoe rijker men wordt in het denken en in de verwachtingen. Dit maakt de mens blij. Hoe meer beloften en visie men heeft, hoe rijker men wordt. Nu zegt de apostel dat zij ook moeten leven volgens dit geloof. Zij moeten wat zij geloven ook laten zien, dit realiseren en toepassen, dus laten zien dat hun wandel in de hemel is. Hun geloof kan niemand zien, maar hun gedrag wèl en daar zullen de meeste normale mensen hen op beoordelen.
Paulus heeft de overtuiging dat hij weer in hun midden zal zijn (vers 25), maar hij is daar niet 100 % zeker van, zoals sommige overgeestelijke mensen, die op ieder moment de stem van God menen te horen. Daarom houdt hij ook rekening met de mogelijkheid dat hij niet komt. Hoe het echter ook afloopt, of hij afwezig blijft of hen zal ontmoeten, hij hoopt altijd te horen dat zij leven in overeenstemming met het evangelie. Dit zal in de eerste plaats hieruit blijken, dat zij vast staan in één geest. Wanneer ieder van hen met zijn geest is afgestemd op Gods Geest en niet heen en weer bewogen wordt, dan zullen zij zich samen als één van geest openbaren.
Daarnaast zullen zij één van ziel mee strijden voor het geloof aan het evangelie. De tegenstander zal proberen verdeeldheid te zaaien door hen leugens voor te houden. Hij zal proberen hun gevoel, hun verstand en hun wil zo te bewerken, dat zij het evangelie loslaten. Het zal strijd kosten om de waarheid van het evangelie te blijven geloven en vast te houden, maar als ze allen in het geloof willen blijven en zich verzetten tegen zonde en leugen, dan vormen zij als het ware één ziel, juist ook omdat zij elkaar helpen en ondersteunen.
‘en dat u zich in geen enkel opzicht bang laat maken door de tegenstanders. Voor hen is dit een duidelijk teken van God: zij gaan ten onder, maar u wordt gered’ 28.
De tegenstander dreigt en wil de gelovigen rechtstreeks, door mensen heen of door situaties proberen bang te maken. Hij infiltreert hen met de gedachte dat Gods beloften niet zullen uitkomen, dat de Satan sterker is, dat het te lang duurt of dat de belofte niet voor hen geldt, enzovoort. Hij heeft in dit opzicht veel vurige pijlen om op de gelovigen af te vuren, maar Paulus zegt: ‘Laat u in geen enkel opzicht bang maken. De Woorden van God zijn waar en wat Hij beloofd heeft, zal Hij doen.’ Lees bijvoorbeeld Jesaja 14:24, waar het gaat om een profetie over de natuurlijke vijand Assur: ‘De Heer van de legermachten heeft gezworen: Werkelijk, zoals Ik gedacht heb, zo zal het gebeuren en zoals Ik besloten heb, zal het tot stand komen.’
Doordat het bang maken niet werkt, zal de tegenstander, de Satan met zijn demonen, begrijpen dat hij het verliest en gedoemd is tot de ondergang. In Jesaja zegt de Heer over de menselijke tegenstander: ‘Ik ga Assur in mijn land verbreken’… ‘de Heer van de legermachten heeft een besluit genomen; wie zal het verijdelen? En zijn hand is uitgestrekt; wie zal haar afwenden?’ (Jesaja 14:25,27). Wanneer wij blijven geloven, overwinnen wij de wereld en moet iedere vijand wijken. Wie volhoudt in het geloof, krijgt datgene wat hij vasthoudt. Angst is altijd funest voor de gelovigen. Wie in de rust van het geloof blijft, wordt door God behouden, gered, verlost, geheiligd en verheerlijkt.
Hou vol!
‘Want aan u is het uit genade gegeven om niet alleen in Christus te geloven, maar ook voor Hem te lijden, omdat u dezelfde strijd hebt als die u bij mij gezien hebt en nu van mij hoort’ 29,30.
Strijden is geen vrolijke zaak, want dit betekent moeite en lijden, ook al is door het geloof de overwinning zeker. Wanneer iemand aangevallen wordt, hetzij naar de innerlijke mens, hetzij naar de uitwendige, is dit nooit iets om blij van te worden. Maar men mag dit als genade, dus als een voorrecht beschouwen.
- Het eerste voorrecht van de Filippenzen was dat zij in Christus mochten geloven om behouden te worden.
- Hun tweede voorrecht was dat ze in de strijd mochten laten zien dat ze standvastig waren en sterk genoeg om de strijd niet op te geven. Dit lijden geldt voor alle broers en zussen, zegt 1 Petrus 5:9.
- Hij voegt er aan toe: ‘Weersta dan de tegenpartij, de duivel, vast in het geloof.’
Paulus zegt: ‘jullie hebben die strijd ook in mijn leven gezien, Filippenzen’. Denk bijvoorbeeld aan het verhaal van de arrestatie in Filippi, waarbij de gevangenbewaarder tot bekering kwam en waarvan zij ook getuigen zijn geweest (Hand.16:16-40). Ook op dit moment ondergaat Paulus opnieuw het lijden in de Romeinse gevangenis. Ook daarvan zijn ze op de hoogte.
‘Als er dan enige bemoediging is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innige gevoelens, ontferming en barmhartigheid is’, 2:1.
Als Paulus nu een beroep op de Filippenzen mag doen om naar het evangelie te leven, wordt hij blij. Ook is hij blij wanneer hij hen mag bemoedigen, omdat Hij hen liefheeft. Paulus mag in de geest gemeenschap met hen hebben en één van geest met hen zijn. Zelfs in de gevangenis is hij nog met hen bewogen, zoals een vader nauw verbonden is met zijn kleine kinderen als zij hem moeten missen. Hij is barmhartig ten opzichte van hen en heeft begrip voor hun toestand. Dit alles maakt hem blij. Het bewijst dat hij in de gevangenis niet geestelijk ten onder is gegaan, maar dat hij zich ook daar nog steeds met de belangen van de gemeente bezig kan houden in de gezindheid van Christus, ondanks zijn lijden.
‘maak dan mijn blijdschap volkomen, doordat u eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel bent en één van gevoelen’ 2.
Paulus’ blijdschap zal echter pas volmaakt zijn, als hij hoort dat zij dezelfde innerlijke houding hebben als Christus en dat ze daarin eensgezind zijn. Dat zij elkaar vanuit deze liefde vasthouden, zoals hij hen en dat in hun ziel dezelfde gedachten en gevoelens aanwezig zijn zoals bij hemzelf. Ook hoopt hij dat hun activiteit zich tenslotte op hetzelfde doel richt als dat van de apostel: dat ze zullen jagen naar de prijs van de roeping van God, die van boven is (Fil.3:14).
‘Doe niets uit eigenbelang of trots, maar laat in nederigheid de een de ander voortreffelijker achten dan zichzelf. Heb niet alleen oog voor je eigen zaken, maar let ook op dat wat van anderen is’ 3,4.
Hij hoopt dat zij dit niet doen om er zelf beter van te worden. Het is niet de bedoeling dat ze hun eigen belangen nastreven en gedreven worden door egoïsme. Zij moeten zich niet verheffen boven elkaar, maar de één zal, in alle bescheidenheid en nederigheid, de ander hoger achten dan zichzelf (verg. Rom.12:10,16). Iedereen die in de gemeente bezig is, moet daarbij niet alleen letten op wat voor hemzelf van belang is, maar hij moet altijd rekening houden met de anderen, zodat diens belangen niet geschaad worden. Dat betekent dat men de ander liefheeft als zichzelf. De oplossing van problemen en moeilijkheden, van conflicten en spanningen ligt dus verankerd in de onderlinge verhouding van de leden. Paulus kent geen oplossing voor vraagstukken buiten het gemeenteverband, maar binnen de gemeente is hij blij, wanneer er een goede, liefdevolle en harmonische samenwerking is.
‘Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, Die, terwijl Hij in de gestálte van God was (en niet God zelf) het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden 5-7.
Paulus roept de Filippenzen op een voorbeeld te nemen aan de Heer en naar de broers en zussen dezelfde gezindheid te tonen. Nadat Jezus de voeten van zijn leerlingen had gewassen, zei Hij: ‘Ik heb u een voorbeeld gegeven, zodat ook u zult doen zoals Ik voor u heb gedaan’ (Joh.13:15).
Hij was bereid om het werk van een slaaf te doen, ook al was Hij het beeld van de onzichtbare God (Col.1:15) en de afstraling van Zijn heerlijkheid (Hebr.1:3). Toen God sprak, ging het Woord (Gods Logos) uit en het werd vlees (Joh.1:1; 14). Dit betekende dat het gelijk werd aan de mensen. Hij heeft Zichzelf ontledigd en verloochend. Hij voegde Zich bij de mensen in hun vernedering en beperking door hetzelfde lichaam aan te nemen, waar bij ieder ander mens de machten van de duisternis werkten om hen tot zonde aan te zetten. Daarom werd hij op dezelfde manier verzocht, maar zonder te zondigen (Hebr.5:11). Hij had dus geen inwonende demonen bij zich zoals de Noorse broeders leren.
Ook was Jezus gebonden aan aardse wetten: Hij was bijvoorbeeld niet alomtegenwoordig, kende moeheid (Joh.4:6) en had slaap nodig (Matth.8:24), iets wat God niet kent. Hij werd aan de mensen gelijk, niet als een ‘Übermensch’ om over hen te heersen, maar Hij nam de gestalte van een dienstknecht aan. Hij was niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen. Hij ging bij Zijn verzoeking in de woestijn niet in op het aanbod van de duivel om de macht over de wereld te grijpen. Hij weigerde zich tot koning te laten kronen en hield daarmee afstand van de goddelijke status zoals die aan Egyptische farao’s en Romeinse keizers werd toegeschreven.
Jezus existeerde tijdens zijn leven op aarde, hoewel in een vernederd lichaam, toch in de gestalte van God, dat wil zeggen: Hij beantwoordde volkomen aan de scheppingsgedachte van de volmaakte mens, uitgedrukt in de woorden: ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’ (Gen.1:26), dus ‘aan God gelijk’. Hij wist dat God in Hem woonde, want Hij sprak van ‘de tempel van zijn lichaam. Daarom eigende de Heer Zich niet iets toe, waarop Hij geen recht zou hebben, wanneer Hij ‘God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijk stelde’. Maar wie de Heer zag, keek naar een natuurlijke en sterfelijke man, die onder de mensen rondging als een dienstknecht. Al de uiterlijke glans en heerlijkheid waarop Hij recht had, was door Hem afgelegd. Hij had Zich daarvan ‘ontledigd.’
Paulus schreef dat ‘God zijn Zoon gezonden had in een vlees, aan dat van de zonde gelijk’, in een lichaam dat allen vanaf Adam in dienst van de zonde hadden gesteld. In dit vlees heeft Jezus alleen de gerechtigheid en de waarheid gediend. Dit had zijn gestalte glans en heerlijkheid moeten geven, maar dat werd alleen door het geestelijke oog gezien. Johannes schreef over het vleesgeworden Woord: ‘Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de enig geborene van de Vader, vol van genade en waarheid’ (Joh.1:14). De ongeestelijke mens herkende Hem niet. Door zijn verhoging werd de vernedering en de beperking van zijn vlees opgeheven.
Het geheimenis van Christus
In zijn geestelijk lichaam heeft het Woord van God uiteindelijk zijn bestemming bereikt en de heerlijkheid ontvangen, die de Vader de volmaakte mens voor de mens had gewild al vóór het ontstaan van de wereld. Toen Johannes Hem in dit verheerlijkte lichaam zag, viel hij als dood voor zijn voeten, overweldigd door de bovenaardse glorie van zijn Meester. Als mens moest Jezus gehoorzamen en werd Hij geïnspireerd door de Vader. Hij zei: ‘Ik spreek alleen wat Ik de Vader heb horen spreken en doe alleen, wat Ik de Vader heb zien doen’ (verg. Johannes 5:19-20 en 14:10). Hij ontving daarvoor Gods Geest. Sinds Hij werd verheerlijkt tot de troon van de Vader schenkt Hij Gods Geest en worden wij door deze Geest opnieuw geïnspireerd van boven.



