5. Het geheimenis van de roeping van de heidenen

Efeziërs 3:1-13

‘Om deze reden ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent,’ 1.

In dit nieuwe hoofdstuk begint Paulus met een inleidende zin, die hij niet afmaakt. In vers 14 neemt hij de draad weer op en schrijft hij opnieuw: ‘Om deze reden’ of ‘daarom’. Het bijwoord ‘daarom’ ziet in ons vers terug op het vorige gedeelte, waarin de geweldige spanning uitkomt tussen het godsdienstige denken van de Joden, dat scheidingen veroorzaakt en de vernieuwing van denken die alle afscheidingsmuren slecht. Wij willen hier nog even op ingaan: Waarom was er eigenlijk een kloof tussen Jood en heiden? Het antwoord is, dat moest worden geconstateerd dat recht en gerechtigheid op de aarde zo goed als verdwenen waren. De mens was enkel vlees of hij zat aan de verkeerde kant in de geestelijke wereld vanwege zijn afgoderij. De volken waren ‘zonder hoop en zonder God’ in de wereld. Het uitverkoren volk, de nazaten van Abraham, zouden echter ‘de weg van de Heer mogen bewaren door gerechtigheid en recht te doen’ (Gen.18:19). Zonder deze afgezonderde natie zouden deze kostbare waarden geheel verdwijnen.

Waarom gaf nu de Heer aan Israël de wet en zoveel inzettingen? Omdat dit volk zijn gerechtigheid verloren was. De ingeschapen wet van God functioneerde niet meer zoals zij dit bijvoorbeeld wel deed bij Abraham, die geen geschreven wet nodig had. ‘De wet was niet gesteld voor rechtvaardigen, maar voor wettelozen en tuchtelozen’ onder het volk (1 Tim.1:9). Zij was een hulpmiddel om nog enigszins haar doel, de gerechtigheid, te bereiken. De gerechtigheid was ‘de zegen van Abraham’ (Gal.3:14). Een aantal gelovige Israëlieten werd daarom door zijn goede werken rechtvaardig naar de wet, maar dit was alleen voorbehouden aan een overblijfsel. Deze rest van het volk, het ware Israël, kon door God nog in zijn reddingsplan worden ingeschakeld om uiteindelijk de terugkeer van alle mensen tot God voor te bereiden.

In het midden van dit trouwe overblijfsel werd Jezus, de absolute Rechtvaardige, geboren. Hij begon onder zijn eigen volk te prediken om die rest zo groot mogelijk te maken. Hij bewoog Zich daarom met zijn leerlingen onder ‘de verloren schapen van het huis van Israël’ (Matth.10:6). Toen Jezus stierf, had God zijn eerste doel bereikt: er waren in Israël nu volmaakt rechtvaardigen vanwege de verzoening van hun zonden. Dit laatste overblijfsel uit Israël naar de verkiezing van de genade werd vanuit het oude verbond overgebracht in het nieuwe (Rom.11:5). Op deze verzoening van zonden voor de totale mensheid kon God nu verder bouwen. Daarom klonk het bevel: ‘Ga dan heen in de hele wereld en predik het evangelie aan alle creaturen’. Het zou niet meer zijn: doe dit en u zult leven, maar: geloof en u zult leven! ‘Want door genade bent u behouden door het geloof’. Zo was de zegen van Abraham, de gerechtigheid, tot de heidenen gekomen in Jezus Christus.

De prediking van bekering en opnieuw geboren worden gaf aan allen die geloofden, toegang tot de hemelse gewesten, tot het Koninkrijk van God, tot het nieuwe Jeruzalem. De doop in Gods Heilige Geest die hierop volgen moest, bood de gelovigen de mogelijkheid om zich als levende stenen in te laten voegen in de tempel van God. Zo was de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus als volmaakte rechtvaardigheid, opdat zij vervolgens de belofte van Gods Geest zouden ontvangen door het geloof.

Opnieuw begon een goddelijk experiment. Het oude verbond was ondeugdelijk gebleken. Zou nu het nieuwe het voorgestelde doel van de volmaaktheid bewerken? Jezus zei: ‘Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’ (Luc.18:8). Paulus wist zich geroepen om het evangelie van de heerlijkheid van God aan de heidenen te prediken ‘om hun ogen te openen tot bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Christus’ (Hand.26:18).

Jezus droeg de zonde van de mensheid en daarom lag de weg naar de gerechtigheid voor iedereen open. Het oude verbond had afgedaan en de middelmuur van de afscheiding werd afgebroken door de prediking van de apostel. Maar overal ontmoette Paulus de judaïserende dwaalleraars, die beweerden: ‘de afscheiding is er nog en de besnijdenis naar het lichaam heeft nog waarde. Je moet je dus bij het natuurlijke Israël voegen’. Tegen deze verouderde opvattingen in, zette de apostel echter de ‘geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen’. Hij werkte de boodschap uit, die Jezus eenmaal over dit onderwerp had gebracht. Het hoogtepunt van zijn verwachting was dat de gemeente een geestelijke woonplaats van God zou zijn, dus een heilige tempel. In dit bouwwerk hadden dan de van huis uit heidense Efeziërs hun plaats ontvangen met het overblijfsel van de Joden, dat de nieuwe weg wilde bewandelen.

Vanwege Christus Jezus, dat is vanwege zijn evangelie, vanwege deze nieuwe denkwijze en van dit doel, was Paulus in de gevangenis terecht gekomen. Dit kon, voor zover ons bekend, Caesarea zijn geweest of wel daarna Rome. Hij was immers door de Joden in Jeruzalem gevangen genomen, omdat hij de tradities van dit volk, de voorschriften van hun wetten en de dienst in de tempel verachtte. Men verweet hem de onbesneden Trófimus uit Efeze in de tempel te hebben gebracht. Hij had de woede van zijn volksgenoten gewekt, door te beweren dat God hem ver weg tot de heidenen had gezonden, omdat de Joden zijn woorden weigerden aan te nemen. Toen hadden ze geschreeuwd: ‘Ha! Weg met hem! Een kind van de dood! Weg met hem!’ Zo eentje mocht niet blijven leven. Paulus bleef ongeveer twee jaar te Caesarea in arrest, van 57-59, en later te Rome nog twee volle jaren.

Wij wijzen nog op de uitdrukking ‘ik (ego) Paulus’. Zo schreef hij in 2 Corinthiërs 10:1: ‘Maar ik, Paulus, doe een beroep op u’, in Galaten 5:2: ‘Zie, ik, Paulus, zeg u’ en in Colossenzen 1:23: ‘Waarvan ik, Paulus een dienaar geworden ben’. Dit wijst niet op een egoïstische levenshouding, maar dit gezegde komt uit de mond van een krachtige persoonlijkheid, die zich van zijn verantwoordelijkheid volkomen bewust was, van iemand die zich haast beroepsmatig met de titel introduceerde: ‘Ik, Paulus, de gevangene!’ Voor hem, Paulus, was het een wonderlijke ervaring om vanwege dit verheven evangelie in de wereld verdrukking te lijden. De Joden hadden hem gevangen genomen, omdat hij apostel van de heidenen was en aan dezen het evangelie van het Koninkrijk der hemelen had verkondigd. Daarom, of om deze reden, waren de heidenen geen gasten en vreemdelingen meer. Daarom was de apostel door de overste van deze wereld, door het toedoen van die engel van satan die hem met vuisten sloeg, in de gevangenis geworpen. Daar vergat hij de belangen van de gemeente niet, maar bad voor hen met aandrang (vers 13, zie andere vertalingen).

Het is bekend dat de inhoud van de gevangenschapsbrieven en van de nog later geschreven pastorale brieven aan Timotheüs en Titus, aanwijsbaar verschillen met de andere brieven van Paulus. Tijdens de grote vergadering te Jeruzalem waarvan Handelingen 15 spreekt, was er een compromis gesloten tussen hen die bezig waren het christendom tot een wereldgodsdienst te doen uitgroeien en de grote joodse kerk die nog stoelde op de wetten van het oude verbond. Op voorstel van Jacobus, de broer van de Heer, werd aanvaard dat ‘het overige deel van de mensen’ – let op deze discriminerende uitdrukking! – dus de heidenen, toegevoegd werden aan het geestelijk centrum Jeruzalem. Deze ‘vazal’-christenen hoefden zich weliswaar niet te laten besnijden, maar moesten wel rekening houden met de zogenaamde Noachitische geboden, die naar joodse opvatting voor alle mensen golden. Volgens Leviticus 17:10-16 waren deze voorschriften van kracht voor de Kanaänieten die midden onder de Israëlieten woonden. Hiermee bestempelde Jacobus de christenen uit de heidenen tot ‘gasten’ van de joods-christelijke gemeenten.

Vóór zijn gevangenschap te Jeruzalem heeft Paulus zich altijd nauwkeurig aan bovengenoemde afspraken gehouden. Aan de Corinthiërs schreef hij: ‘En ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen. Voor hen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet, om hen die onder de wet zijn te winnen. Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen te winnen die zonder de wet zijn’ (1 Cor.9:20,21). Zijn stelregel was toen: ‘Geef noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente God aanstoot; zoals ik allen in alles ter wille ben’ (1 Cor.10:32). Hij liet zelfs zijn medewerker Timotheüs ‘vanwege de Joden besnijden’ hoewel hij persoonlijk er niet de minste waarde aan hechtte (Hand.16:3; Gal.6:15). Paulus ging zelfs zover met zijn joodse broers mee, dat hij aan het einde van zijn ‘derde zendingsreis’ onder druk van de ‘ijveraars voor de wet’ vier arme broers, die een gelofte hadden gedaan en die ieder nog een lam als brandoffer en een schaap als zoenoffer naar het brandofferaltaar moesten brengen, financieel hielp om hun heiligingstaak te kunnen beëindigen. Ja, hij deed zelf nog mee aan dit ritueel.

De Joden uit Asia onderkenden dit dubbelhartige optreden, want nu deed Paulus in de tempel of hij bij hen hoorde, terwijl zij goed wisten, dat hij ‘geheel anders’ was. Zijn halfslachtig optreden werd de oorzaak van zijn gevangenneming. Vanwege dit toegeven aan de Judaïstische eisen van zijn broers bleef hij meer dan vier jaar in de gevangenis, eerst in Caesarea en later in Rome. Paulus had dit alles gedaan vanwege een schijneenheid, vanwege de ‘liefde’, maar niet tot die van de waarheid (Hand.21)!

In zijn gevangenschap heeft de apostel uiteraard veel nagedacht over wat hem de Heilige Geest daar in Jeruzalem heeft willen leren. Daarom brak de apostel daar radicaal met het compromis dat te Jeruzalem was gesloten. Daar raakte hij Jood af. De oude tempeldienst met zijn ceremoniën had bij hem afgedaan. De gemeente is voortaan alleen de woonplaats van God. De apostel erkende geen afscheidingsmuur meer. In de Filippenzenbrief wijst hij op de totale breuk met de judaïserende richting in het christendom met de opmerking: ‘Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis! Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest van God hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op het vlees vertrouwen’ (Filip.3:2,3). Dit is wel heel andere taal dan in Romeinen 14:5,6 waar Paulus in uiterste verdraagzaamheid vermaant: ‘Deze stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd. Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Heer en wie eet, doet het om de Heer, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Heer en hij dankt God’.

Vergelijk hiermee Filippenzen 3:7,8 waar hij zijn schepen achter zich verbrand heeft: ‘Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, dat alles te boven gaat. Om Hem heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen’. In de Colossenzenbrief waarschuwt Paulus zijn lezers, dat zij niet meegesleurd mogen worden ‘door hoogmoedig bedrog in overeenstemming met de overlevering van mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus’ (Col.2:8). Onder ‘de arme, zwakke wereldgeesten’, die wetten vervaardigen om ordenend en regelend op te treden, valt de wet van Mozes. Zij was voor haar tijd wel subliem, maar gebonden aan volk, plaats en tijd en ongeschikt voor een wereldgodsdienst, die hemelse wetten zou introduceren. In de Timotheüsbrieven is sprake van leraars van de wet in de gemeente van Jezus Christus, die wel stellig spreken maar die geen besef hebben waarover zij spreken (1 Tim.1:7). ‘Want velen willen van geen tucht weten: het zijn ijdele praters en misleiders, vooral zij die uit de besnijdenis zijn. Men moet hun de mond snoeren’ en beslist niet tot een vergelijk met hen zien te komen (Titus 1:10,11).

In de brief aan de Efeziërs wordt dus geschreven dat de heidenen die veraf waren, nabij waren gekomen, dat de tussenmuur die scheiding veroorzaakt, was weggebroken, dat de aardse tempel met zijn ceremoniën had afgedaan en dat alles nu gaat om de gemeente, die aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend maakt.

‘als u tenminste gehoord hebt van de uitdeling van de genade van God die aan mij gegeven is ten behoeve van u, dat Hij mij door openbaring dit geheimenis bekendgemaakt heeft zoals ik eerder in het kort geschreven heb;’ 2,3.

Wanneer Paulus zijn betoog onderbreekt, probeert hij eerst zijn speciale roeping onder woorden te brengen. Hij merkt trouwens op dat de geadresseerden er al het een en ander van weten, want hij schrijft: ‘als u tenminste gehoord hebt.’ De apostel is een dienaar, een beheerder of uitdeler van de rijke genade van God en van de geheimenissen van diens rijk. Er was een nieuw tijdperk aangebroken. De King James Version spreekt over de ‘dispensation’ van de genade van God. Het gaat immers om ‘de bedeling van de volheid van de tijden’ (1:10 St. Vert.). Het is dus de voorbereiding of de regeling van de eindtijd. De apostel had een bediening m.b.t. de eindtijdgebeurtenissen, wanneer tenslotte het koningschap van Christus in hemel en op aarde wordt samen gebundeld in Hem. Paulus had een boodschap die gericht was op ‘de laatste dagen’, het tijdperk of de ‘dispensation’ waarvan Petrus op de Pinksterdag sprak en die wij zijn ingegaan. Om te begrijpen hoe Christus het gezag in hemel en op aarde door middel van zijn lichaam, de gemeente, vestigt, is inzicht nodig in het mysterie of in de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. De apostel was zo een ‘uitdeler van de verborgenheden van God’ (1 Cor.4:1).

Om deze centrale gedachte heen beweegt zich dit gedeelte van de brief. Wij lezen van dit geheimenis in de verzen 3,5 en 9. In vers 6 is in de nieuwe vertaling ‘dit geheimenis’ ingevoegd. Paulus had zijn kennis van de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen niet ontvangen, doordat hij de prediking van Jezus hierover had beluisterd zoals de andere apostelen, want tot dezen had de Heer gezegd: ‘Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk van de hemelen te kennen’ (Matth.13:11). Paulus ontving echter zijn kennis door overlevering en door openbaring. Bovendien had hij een scherpe kijk op het functioneren van dit evangelie van het Koninkrijk in de gemeente en op het belangrijke aandeel dat de heidenen erin zouden hebben. Over deze facetten had hij in de vorige hoofdstukken geschreven: over de plaats van de gemeente met Christus in de onzienlijke wereld, over het samengaan van Jood en heiden aldaar en over de woonplaats van God in de geestenwereld.

Het ‘geheimenis’ verdwijnt niet door de openbaring of door de meerdere kennis ervan, maar het heeft te maken met een wereld van krachten en machten die voor de zintuigen ‘verborgen’ blijven en door het natuurlijke verstand niet te begrijpen zijn. Wanneer iemand bijvoorbeeld een zonde- of een ziektemacht uitdrijft, blijft alles wat er gebeurt, een mysterie. De Heer beloofde echter dat door het geloof in zijn woord de positieve krachten van deze ‘verborgen’ wereld in beweging zouden worden gebracht, waarvan dan in de zichtbare wereld de resultaten merkbaar zouden zijn in vrede, gerechtigheid en blijdschap. De verborgenheid of het onzichtbare blijft, maar de gelovige moet steeds meer inzicht erin krijgen. De geestelijke christen leeft in en door de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen.

‘waaraan u, als u dit leest, mijn inzicht kunt opmerken in het geheimenis van Christus, dat in andere tijden niet bekendgemaakt is aan de mensenkinderen, zoals het nu geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest,’ 4,5.

Wie in de tijd van Paulus de brieven van deze apostel las, moest wel tot de erkenning komen, dat daar geheel andere dingen ter sprake werden gebracht dan ooit tevoren in de joodse of heidense godsdienstige systemen vermeld waren. Er is een ‘Christus-mysterie’ of een ‘geheimenis van Christus’ dat de mens een denkwereld binnen voert, die geen rabbijn of geen filosoof ooit had bedacht. Welke ‘zonen’ van de mensen, dus volwassen denkers uit vroegere generaties, hadden zich ooit bezig gehouden met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten, met verlossing van machten van de duisternis, met vergeving van zonden door vrijkoping, omdat een volmaakt mens zijn leven gaf aan het dodenrijk? Wie dacht ooit aan een hoofd van een nieuwe mensheid die heerschappij zou uitoefenen in hemel en op aarde, aan verlichte ogen van de harten, aan een burgerschap van aardse en sterfelijke mensen in de hemel?

De lezers van de brieven van Paulus konden zich wel voorstellen hoe de apostel een totaal nieuwe gedachtewereld lanceerde. Zij erkenden dat hij een bijzondere kijk had op de dingen die zich in de geestenwereld afspeelden. In het oude verbond waren zulke uiteenzettingen volslagen onbekend en in zoverre de profeten erover gesproken hadden, begrepen ze toch de ware betekenis van hun godsspraken niet (1 Petr.1:10). Nu kregen de heiligen die zich tot de dienst van God hadden afgezonderd – en speciaal de apostelen en profeten onder hen van wie uiteraard een bijzonder inzicht in de hemelse gewesten werd vereist – er een juiste kijk op.

Er is een voortschrijding in de kennis van de geestelijke wereld. Jezus had er met zijn leerlingen over gesproken en Hij had hun de sleutels van het Koninkrijk der hemelen toevertrouwd. ‘Door de Geest’ waren zij later in staat hun kennis uit te breiden en om macht en gezag in de onzienlijke regionen uit te oefenen. Door de Geest zouden zij met autoriteit de demonen in en bij de mensen kunnen binden en het zou dan blijken dat in de hemel of in de geestelijke wereld zelfs de grootmachten van het rijk van de duisternis tot machteloosheid waren gedoemd. Ook zouden de volgelingen van Jezus de mensen kunnen scheiden van de onreine geesten en deze ontbinding zou in de hemel gegarandeerd zijn. Op deze manier zouden de poorten of de toegangen tot het dodenrijk, namelijk de zonde en de ziekte, geen wezenlijke overwinningen meer kunnen behalen. Geen wonder dat Paulus zo graag sprak over ‘het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is’ (2 Cor.4:4 en Matth.16:18,19).

‘namelijk dat de heidenen mede-erfgenamen zijn en bij hetzelfde lichaam horen en mededeelgenoten zijn van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie, waarvan ik een dienaar geworden ben, door de gave van de genade van God, die mij gegeven is, naar de werking van Zijn kracht’ 6,7.

Het mysterie van Christus houdt in, dat de gelovige ‘niet ziet op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig’ (2 Cor.4:18). Deze onzienlijke wereld noemt de Bijbel de hemelse gewesten of hemel, waarin de geestelijke mens zich moet bewegen. Doordat daar niets met de natuurlijke zintuigen waar te nemen is, blijft deze wereld mysterieus of vol geheimenissen. Ze wordt niet openbaar in de natuurlijke wereld. Wanneer enkele vertalingen in vers 6 beginnen met het woordje ‘geheimenis’ in te voegen, bedoelen zij te zeggen dat God door de Heilige Geest aan Paulus zou geopenbaard hebben, dat voortaan de heidenen gelijkberechtigd waren met de Joden. Maar dit geheimenis zou dan niet langer een mysterie zijn, omdat iedere gelovige het wist.

Wij willen hierbij bovendien opmerken dat al in het Oude Testament sprake is, dat de Messias een licht van de volken zou zijn en dat Gods redding zou reiken tot de uiteinden van de aarde (Jes.49:6). Wanneer in Joël 2:32 geprofeteerd wordt, dat ‘ieder die de naam van de Heer aanroept, behouden zal worden’, gebruikt Paulus deze uitspraak om te bewijzen dat er geen onderscheid is tussen Jood en Griek (Rom.10:12,13). Ook Abraham kende van begin af aan dit ‘geheimenis’, want met hem en zijn nageslacht zouden alle volken van de aarde worden gezegend (Gen.12:3 en 22:18). Ondanks de openbaring ervan blijft het geheimenis van het Koninkrijk der hemelen echter het aspect van het verborgene houden.

Paulus nam door zijn prediking geen geheimenissen weg en maakte ze niet waarneembaar in de natuurlijke wereld, maar maakte ze alleen bekend. Dat Jood en heiden identiek de zegen van de openbaring ontvingen, is een begeleidend verschijnsel bij het uitdelen van het geheimenis. De apostel was een dienaar, of een beheerder, of een uitdeler van alles wat de verborgen wereld betrof: ‘Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen van God is toevertrouwd’ (1 Cor.4:1).

Door het grote inzicht dat hij bezat, wist hij dat de inwendige mens in het Koninkrijk der hemelen niet gekenmerkt wordt als man of vrouw, als vrije of slaaf, als rijke of arme, ook niet als Jood of heiden. Deze regel van gelijkgerechtigd zijn, kwam in werking, nadat Jezus door zijn bloed de vergeving van de zonden van het hele menselijke geslacht teweeg had gebracht. Toen werd immers de toegang tot het hemelse paradijs ontsloten. Toen werd tot de heidenen daar gezegd, dat zij zonen genoemd zouden worden van de levende God (Rom.9:26).

In Romeinen 11:25 is er sprake van een ‘gedeeltelijke’ verharding over Israël. Deze bestond hierin dat dit volk weigerde het evangelie van het Koninkrijk der hemelen te accepteren, dus de geestelijke weg te gaan. Daarom hield het vast aan een aardse tempel, aan een besnijdenis naar het vlees, aan een levitisch priesterschap. Het overblijfsel uit Israël stelde zich echter onder de leer van de apostelen. Dit ontving in Christus een plaats in de hemelse gewesten, waar de heidenen zich bij hen voegden. Die werden daar op de edele olijfboom als loten geënt. Samen vormden zij het Israël van God.

Wanneer de volheid van de heidenen of die van het geestelijke Israël zal binnengaan, dus wanneer de zonen van God geopenbaard worden, zal blijken dat het doel van God met de mens bereikt is: Aldus, of op deze wijze, zal héél Israël, bestaande uit Joden én heidenen, dus het ware zaad van Abraham, behouden worden. Het verharde deel zal moeten erkennen, dat het evangelie van Jezus Christus de waarheid is, dus de uitdrukking is van het plan van God tot behoud van de mens. Wanneer de tempel van God voltooid is, kunnen er geen stenen meer ingevoegd worden. Dan wordt voor het verharde deel waar: ‘Want velen, zeg Ik u, zullen proberen binnen te gaan en het niet kunnen, namelijk vanaf het ogenblik dat de Heer des huizes is opgestaan en de deur heeft gesloten. Dan zult u beginnen buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: Heer, Heer, doe ons open. En Hij zal antwoorden en tegen u zeggen: Ik weet niet waar u vandaan komt’ (Luc.13:25). Zij waren dus geen burgers van het Koninkrijk der hemelen! Hierin bestond hun ‘gedeeltelijke’ verharding.

Wanneer wij het ingevoegde ‘dit geheimenis’ weglaten, lezen wij verder: ‘(terwijl) de heidenen mede-erfgenamen zijn’ met Christus en met de joodse christenen. Omdat zij het evangelie aangenomen hebben, zijn ze in Christus, dat is in zijn lichaam. Daar hebben ze deel aan alle beloften, want in Christus zijn al God beloften ja en amen. Paulus had als een dienaar (diakonos) dit evangelie gebracht. Dit woord was een term voor functionarissen die hoge vertrouwensposten bekleedden. De apostel wist dat God hem in genade hiertoe had geroepen en hem hiertoe de opdracht had gegeven en de geestelijke gaven had toevertrouwd, die nodig waren om zijn roeping uit te voeren (verg. Rom.12:3,6). De werking van de kracht is natuurlijk de activiteit van Gods Heilige Geest!

‘Mij, de allerminste van alle heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen,’ 8.

Paulus was niet de allerminste onder de heiligen, omdat hij gevangen zat, maar hij doelde op zijn vroeger leven als vervolger van de gemeente. Hij begreep niet dat bij hem zo’n enorme verandering mogelijk was geweest. Voor hem gold wat hij in Romeinen 5:20 had geschreven: ‘Waar echter de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden’. Hem was immers de gunst bewezen om als ‘heilige’, dat is als een afgezonderde van de machten van de duisternis, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen aan de heidenen bekend te maken. Hij was vroeger een stipte en wetsgetrouwe Farizeeër geweest, die verknocht was aan tradities en ceremoniën, aan tempeldienst en uiterlijk vertoon in de zichtbare wereld. Nu wist hij zich een uitverkoren dienaar om het Christusmysterie te ontsluieren.

De onzichtbare wereld waarin hij zich nu bewoog, was voor hem de stimulans geworden om zijn toehoorders met ongekende werkelijkheden te confronteren, met een geestelijk universum dat onbegrensd was en waar men dingen kon zien, die het een mens nog niet geoorloofd zijn om uit te spreken. Daar woedde de strijd tussen de overheden, de machten, de wereldbeheersers van deze duisternis en de boze geesten enerzijds, en de aartsengelen en de heilige engelen anderzijds. De ondoorgrondelijke rijkdom in dit evangelie vond haar fundament in de vergeving van zonden door het bloed van de kruis. Omdat Jezus zijn onzienlijk leven hierbij in de dood uitgestort had, was het Koninkrijk van God ontsloten. Een herboren mensheid werd overgezet in hemelse sferen en werd daar ingeschakeld om het oordeel tot overwinning te brengen. Door middel van een koninklijk priestergeslacht onderzoekt nu de menselijke geest in gemeenschap met Gods Heilige Geest de diepste gedachten van God. De geestelijke mens ontdekt dan steeds meer het labyrint met schatten die de eeuwig creatieve Schepper voor hem in petto houdt. Deze bronnen van redding drogen nooit op, maar zijn in staat voor tijd en eeuwigheid alle dorst naar waar geluk te lessen.

‘en allen te verlichten, opdat zij mogen begrijpen wat de gemeenschap aan het geheimenis inhoudt, dat door de eeuwen heen verborgen is geweest in God, Die alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus,’ 9.

Paulus wist dat hij als apostel bij uitstek was geroepen om de redding en verlossing, dat allereerst was verkondigd door de Heer zelf, duidelijk door te geven en steeds verder uit te diepen (Hebr.2:3). Het inzicht ontving hij door de krachtige inwerking van Gods Geest (vers 5), van wie Jezus had gezegd: ‘Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen’ (Joh.16:14). Zo werd de belofte uit Lucas 1:79 vervuld: ‘Om te verschijnen aan allen die leven in duisternis en verkeren in de schaduw van de dood, zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.’ Het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen was ‘eeuwenlang verzwegen’ (Rom.16:25). Jezus was de eerste prediker ervan geweest, want van Hem werd gezegd: ‘Ik zal verkondigen wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen was gebleven’ (Matth.13:35). Het evangelie was de kostbare schat, die verborgen lag in de akker van de wereld en door de Mensenzoon was ontdekt. Het bevatte de gedachten van God om hier op aarde en dus op het terrein van de overste van deze wereld, ware geestelijke mensen te creëren om ze tot volmaakte zonen van Gods Koninkrijk te doen opgroeien.

Over dit geheimenis zei Paulus: ‘Wat geen (natuurlijk) oog heeft gezien en geen (natuurlijk) oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, alles wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben’ (1 Cor.2:9). Volgens de woorden van Jezus werd deze schat door Hem opnieuw verborgen (in gelijkenissen) en alleen zij die zich intensief bezighouden met zijn evangelie, herontdekken in onze dagen deze kostbaarheden. Het moet dan wel duidelijk zijn dat een christen zich niet kan oriënteren op het Oude Testament, maar alleen op het Nieuwe. Het geloof is uit het horen en het horen door het woord van Christus, zoals de Nieuwe Vertaling luidt en waarvan de overzetting waarschijnlijk ouder is dan ‘het woord van God’ zoals de Statenvertaling luidde (Rom.10:17). De Vader zei over zijn Zoon: ‘Luister naar Hém!’

Paulus bracht aan het licht wat Gods plan met de mens is. Dit was nog niet zo gebeurd. Petrus merkte over zijn ‘geliefde broer Paulus’ op, dat in diens brieven het een en ander nog wel moeilijk te verstaan was en dat onkundige en onstandvastige lui – en zeker aardsgerichte kerkgangers – zijn woorden tot hun eigen verderf verdraaiden (2 Petr.3:16). Paulus mocht het geheimenis ‘bedienen’, dat is de rijkdommen en de kracht ervan doorgeven. Het woord ‘bediening’ (oikonomia, zie vers 2) betekent: huishouding, beheer, bestuur, beschikking, bestel, ordening of structuur. Hierop doelde de apostel in hoofdstuk 1:10, waar hij hetzelfde woord gebruikt, dat daar vertaald is door ‘voorbereiding’. De functie van Paulus in de verkondiging van het geheimenis was dus die van beheerder van de gedachten of het plan van God. In deze bediening of bedeling werd het eeuwig evangelie openbaar. Voordat de Mensenzoon op deze wereld als Woord van God, (Gods Logos) kwam, was dit mysterie dus van eeuwigheid verborgen in de Vader, de Schepper van alle dingen.

‘zodat nu door de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden,’ 10.

Van eeuwigheid stond het herstelplan van ‘de Schepper van alle dingen’ vast en had Hij het voornemen dit door het vleesgeworden Woord, Jezus Christus, te doen uitvoeren. Als volmaakte Mensenzoon was onze Heer het begin van de nieuwe schepping van God en zijn gemeente is met Hem de voortzetting hiervan. Ook haar leden worden aangediend als ‘eerstelingen’ en zij zijn ook bestemd om met Jezus als hun Heer de herschepping te voltooien. Vandaar het doel aanwijzend voegwoord ‘zodat’, want niet alleen aan de volmaakte gemeente zonder vlek en rimpel zal de veelkleurige wijsheid van God worden gezien, maar aan de hele zuchtende schepping, die door haar bevrijden hersteld wordt en tot volle ontplooiing zal komen. Met het vleesgeworden Woord begint dus de nieuwe schepping met de geestelijke mens Jezus Christus aan het hoofd, te functioneren.

Met het bijwoord van tijd ‘nu’ duidt de apostel het nieuwe tijdperk aan die tot nu toe voor mensen en engelen verborgen was en die volkomen verschilt met alle voorbijgaande tijdperken. Nu is de periode aangebroken dat door middel van de zonen van God het herstelplan van God wordt gerealiseerd. Zij zijn immers deelgenoten van een hemelse roeping. In de onzienlijke wereld betrekken zij hun posten in de strijd ‘tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’ (6:12). Daar oefenen zij macht en gezag uit en openbaren zij de wijsheid van God, die niet naar de natuurlijke mens is, maar die alleen werkt door de geestelijke mens.

De overheden en machten zien zich nu voor het eerst na de zondeval gesteld tegenover de mens, die op hun eigen terrein hen tegemoet treedt in de naam van Jezus. Daar wordt het reddingsplan van God uitgevoerd. Mensen worden in deze onzienlijke wereld gescheiden van demonen, onreine geesten worden gebonden en de goedheid van God, die wil dat alle mensen bevrijd, verlost, genezen, hersteld en gedoopt worden met zijn Geest, wordt daar op veelzijdige wijze openbaar. Ook wordt in de hemelse gewesten geconstateerd dat de begrenzingen tussen de mensen onderling door verschil in ras, stand, sekse, intellect, rijkdom zijn weggenomen. Er is ‘nu’ sprake van een God van de hele aarde. De hemelingen zien dat een schat van genade, barmhartigheid en liefde aan Jood en heiden daar wordt toebedeeld.

Jezus had eenmaal gezegd dat Gods Heilige Geest zijn volgelingen de weg zou wijzen tot de volle waarheid, die niet alleen betrekking zou hebben op aardse situaties, maar vooreerst en bovenal kennis zou verschaffen in de wereld van de geesten. De demonen zien dan hoe hun macht ingeperkt wordt en hoe de zonen en dochters van God de hemelse gewesten zuiveren en hiermee doorgaan totdat er een vernieuwde hemel komt, waar alleen het Koninkrijk van God overwinnend tevoorschijn komt. De voormalige afgodendienaars breken met de dienst van de demonen en dezen zien hun macht afnemen. Ook de heilige engelen die iets van het reddingsplan proberen te verstaan, aanbidden en prijzen de Vader van de lichten. Zij worden daarbij geconfronteerd met de absolute goedheid van God die zich ten opzichte van de mens, veelkleurig, veelvormig en allerheerlijkst openbaart. De herschapen en volmaakte mensheid heeft zich dan niet ontwikkeld naar een gestileerd, eenvormig patroon, maar Gods veelkleurige wijsheid schonk een eindeloze variatie in de gelijkvormigheid aan het beeld van zijn eigen Zoon. Deze rijke schakering zal in de hele vernieuwde natuur te zien zijn.

‘volgens het eeuwige voornemen dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heer. In Hem hebben wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen, door het geloof in Hem’ 11,12.

Er is een ‘voornemen van de aeonen’, een raadsbesluit van God die de eeuwen omspant. Al deze tijdperken zijn gericht op één doel. Zo hadden eenmaal alle scheppings-‘dagen’ het grondthema om de aarde voor de mens toe te bereiden. Zo was het voortbrengen van de persoon van Jezus Christus het leidmotief geweest in de eeuwen, die aan het nieuwe verbond voorafgingen. De volgende eeuwen zouden bepaald worden door de laatste Adam, door wie de hele schepping tot herstel en verdere ontwikkeling wordt gebracht en door wie de tempel als woonplaats van God in de geest wordt voltooid. Zo wordt dan vervuld: Door wie Hij de eeuwen heeft gecreëerd’ (Hebr.1:2).

De werelden van de tijd hebben slechts één doel, namelijk om de volmaakte, geestelijke mensheid voort te brengen, met wie God als zijns gelijke, gemeenschap kan hebben. Zijn voornemen is om schepsels te hebben die uit vrije wil Hem dienen, die beproefd zijn en gezuiverd zijn van iedere rebellie en wetteloosheid. Zo kan God immers de onmetelijke rijkdom van zijn genade aan de geredde mensheid kwijt. Dan kan Hij alles in allen zijn, zonder dat Hij hoeft te vrezen voor enige afwijking in denken en handelen. ‘In Christus Jezus’, in de laatste Adam, heeft deze voorbeschikking van God gestalte gekregen en de nieuwe schepping wordt door Hem ‘uitgevoerd’ of gerealiseerd. Het ‘geheimenis’ werkt ‘in Christus’, dat is in de Gezalfde met Heilige Geest, in Jezus ‘wiens naam aanduidt dat God redt en herstelt, terwijl ‘onze Kurios’, de hoogste Heer en de hoogste Koning is, die in en door ons zijn opdracht zal verwerkelijken.

Hoe krijgen wij nu deel aan de overwinnende gemeente, die het lichaam van Christus is in de hemelse gewesten? Allereerst door ‘vrijmoedig’ te spreken en te bidden op grond van het’ geloof in onze gerechtigheid. Ten tweede door de zekerheid of ‘het vertrouwen’ op grond van ‘het geloof’ dat wij een antwoord ontvangen, wanneer wij tot God naderen, dus ‘toegang’ zoeken. Wij doen dit met een waarachtig hart en in volle zekerheid van het geloof (Hebr.10:19-22).

Het goddelijke voornemen is geconcentreerd in de Mensenzoon, maar gaat niet buiten ons om. Wie ‘in Christus Jezus’ is, dat is in zijn lichaam, in zijn woorden blijft, aan zijn dood en aan zijn opstanding gemeenschap heeft, wie één plant met Hem geworden is, heeft deel aan het ‘Christusmysterie’. Het geheim is dat God die geest is, één wordt met de opnieuw geboren mens. De gemeente is en blijft het krachtenveld van de Heilige Geest waarin en waardoor het doel van God bereikt wordt. In 2 Timotheüs 3:17 gebruikt de apostel opnieuw het doel aanwijzende voegwoord ‘opdat’, of ‘zodat’ net als in vers 10 wanneer hij de inhoud van het geïnspireerde Schriftwoord formuleert: ‘Opdat de mens van God volkomen zal zijn, tot alle goede werken volkomen toegerust’. Dit moet dus het thema zijn van onze prediking, wil deze overeenstemmen met het eeuwige voornemen van de Schepper. Met grote wijsheid heeft de Vader Jezus Christus tot heerlijkheid gebracht en tot een Leider ten leven gemaakt. Zo wil Hij door zijn Zoon nu een hele gemeente tot heerlijkheid brengen. Daarvoor is een enorme wijsheid nodig om uit ‘verbrande stenen’ een tempel van God in de geestelijke wereld te doen verrijzen, die stralend is en zonder vlek of rimpel. Daarvoor is een veelkleurige of rijkgeschakeerde wijsheid nodig.

‘Daarom vraag ik u dat u de moed niet verliest vanwege mijn verdrukkingen vanwege u, want dat is uw heerlijkheid’ 13.

Aan het slot van zijn betoog, dat een spontane en blijde opwelling van het hart geweest was, bepaalt Paulus zich nu weer een ogenblik bij zijn moeilijke situatie in de gevangenis, waarover hij in vers 1 schreef. Zijn uiterlijke toestand daar was wel in scherp contrast met wat hij naar de innerlijke mens beleefde. De engel van satan verdrukte hem, sloeg hem met vuisten, had hem in de gevangenis geworpen, maar zijn hart kon zich verheffen (vergelijk 2 Cor. 12:7 en Openb.2:10). In zulke omstandigheden kon hij zelfs zingen (Hand.16:25). Hij wist immers dat zijn omstandigheden rechtstreeks in verband stonden met de verkondiging van het ‘evangelie van de heerlijkheid van Christus’. Hij kon schrijven: ‘Daarom, nu wij deze bediening hebben, verliezen wij de moed niet’ (2 Cor.4:1). Hij verblijdde zich over wat hij, vanwege zijn prediking onder de heidenen, leed en vulde in zijn vlees hierdoor aan, wat nog aan de verdrukkingen van Christus ontbrak, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente (Col. 1:24). Zoals Christus vrijwillig zijn kruis opnam om de wil van de Vader te volbrengen, aanvaardde de apostel het lijden dat de verkondiging van het evangelie vergezelt.

Zo rijk en groots zag hij de hem opgedragen taak, dat de geadresseerden zich vooral niet zwak mochten opstellen vanwege zijn moeilijkheden, maar sterk in de Heer moesten zijn en de moed vooral niet mochten laten zakken. Zij moesten altijd bidden en niet verslappen (Luc.18:1). Het waren wel verdrukkingen om hen, maar deze moesten ze beslist niet als een nederlaag ervaren, omdat zij een bewijs waren van de krachtsinspanningen van de weerhouder, die niet wilde dat Paulus rondreisde, predikte, heidenen tot geloof bracht en overal gemeenten stichtte op zijn terrein als overste van deze wereld. Ze konden nu eens goed de realiteit van de strijd in de hemelse gewesten zien. Had de Heer niet gezegd dat degenen die Hem volgden, in deze goddeloze maar religieuze wereld, verdrukkingen zouden hebben? Daarom moesten zij niet op de akker van het vlees zaaien, maar op die van hun geest. Ze moesten niet emotioneel reageren, maar sterk en rustig zijn in het geloof. Paulus had dit lijden er graag voor over en hij verwachtte, dat zijn lezers zich er juist op zouden beroemen: ‘Want daarin juist ligt uw roem’ (Can. vert.). Ze zouden dan met temeer overtuiging op zijn evangelie ingaan!