3. Herboren tot een nieuw leven

Efeziërs 2:1-10

‘Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden,’ 1.

Paulus begint met de woorden: ‘Ook u’ of letterlijk ‘en u’, maar maakt dan de lange zin niet verder af. Zijn bedoeling is: alles wat ik hiervoor in de verzen 1:22 en 23 geschreven heb, geldt voor jullie in de gemeente te Efeze. Wij zien de tegenstelling tussen wat de leden van de gemeente eenmaal waren en wat zij door genade geworden waren en nog zouden worden. Daarom bedoelt de apostel: u bracht de Geest tot leven, evenals Hij dit eenmaal bij Jezus deed. Niet opnieuw geboren zielen zijn dood, want de zonde is de dood voor de ziel. Door de prediking van de apostel waren zij van de dood in het leven gekomen, dat is ‘uit de duisternis tot het licht en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Christus’ (Hand.26:18). De Efeziërs waren als heidenen gescheiden van de ware, levende God, afgesneden van de Springader van levend water en dus geestelijk dood. Het zijn immers de zonden die scheiding maken tussen God en de mens (Jes.59:2).

De heidenen waren niet dood vanwege een veronderstelde erfzonde, vanwege hun menselijke natuur, maar zij waren dood door het overtreden van Gods wetten en het opnemen van contacten met demonen. Wie de zonde doet, is een slaaf van zondemachten en dus een vijand van God, want niemand kan twee heren dienen. In vers 5 gebruikt de apostel het woordje ‘wij’, waardoor hij erop wijst dat de Joden met hun fanatieke wetsonderhouding ook ‘dood’ waren. Voor de ware christen heerst echter de dood niet meer over zijn leven. Paulus beschrijft immers het ‘dood zijn’ als een verleden tijd: u was dood. De dood heeft geen macht meer over hem (Rom.6:9). Voor ieder die het woord van Jezus bewaart en die sterft, geldt de belofte: ‘Hij zal de dood in eeuwigheid niet zien’ (Joh.8:51).

‘waarin u vroeger gewandeld hebt, overeenkomstig het tijdperk van deze wereld, overeenkomstig de wil van de aanvoerder van de macht in de lucht, van de geest die nu werkzaam is in de kinderen van de ongehoorzaamheid,’ 2.

Paulus voegt er nu nog aan toe: waarin u eerder gewandeld hebt. Hij zegt dus niet: je bent in zonden en misdaden geboren of je hebt ze vanaf je geboorte meegekregen. Zij leefden in navolging van het denken en handelen van de wereld, van hen door wie ze werden opgevoed. Een kind neemt automatisch over wat zijn ouders denken en doen. Is dit zondig, dan volgen ze hen in het kwade na. Het leven, het denken en het handelen in deze wereld worden bepaald door de beïnvloeding van de overste van de macht van de lucht. Daarom moet ieder die zich bekeert, vernieuwd worden in zijn denken, dus opnieuw geboren worden door het levende en blijvende woord van God (1 Petr.1:23).

Het uit het Oude Testament stammende woord ‘wandelen’ wijst op een manier van leven, voornamelijk qua zeden en religie. Dit wandelen was ‘naar de eeuw dezer wereld’ zoals de Statenvertaling terecht letterlijk overzet. Men bevindt zich dan op een pad en in een gebied waar de loop van de dingen telkens wisselen onder invloed van ‘de god van deze eeuw’ (2 Cor.4:4), of zoals een dichter schreef van ‘de goden van de tijd’. De wereld (kosmos) is niet het stoffelijke universum en niet zomaar de mensheid, maar de levensuitingen van het tegenwoordige, door de zonde aangetaste menselijke geslacht, waarvan Johannes schreef: ‘Heb de wereld niet lief en ook niet wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem’ (1 Joh.2:15).

De macht of de autoriteit van de lucht is het leger van demonen. Zij is de georganiseerde kracht van de wereld van onheilige geesten die horen bij de onstoffelijke wereld. De lucht is hier dus een beeld van de onzienlijke schepping. Paulus gebruikt ditzelfde beeld in 1 Thessalonicenzen 4:17, waar hij meedeelt dat de gemeente van de Heer bij de parousie, Jezus tegemoet zal gaan in de lucht. In hoofdstuk 6:12 spreekt hij rechtstreeks over ‘de boze geesten in de hemelse gewesten’. De overste van de macht van de lucht is de overste van deze wereld. Hij is de duivel, Beëlzebul, ‘de overste van de geesten’, of de Joodse uitspraak: ‘de god van de mesthoop’ (Matth.12:24). De legioenen van gevallen engelen zijn als één macht onder hem verenigd. Zo schreef de apostel bijvoorbeeld over een engel van satan, die hem met vuisten sloeg. Deze ‘luchtmacht’ bestaat uit demonen, die werken in de mensen die ongehoorzaam zijn aan God. Zij leiden de gedachten en handelingen van hen in de wetteloosheid en ongerechtigheid. Op deze wijze wordt de waarheid in ongerechtigheid ten onder gehouden (Rom.1:18).

Het woord ‘geest’ is niet de bepaling bij ‘overste’, maar bij ‘macht’ of ‘autoriteit’. Daarom zien wij dit woord als een collectivum of verzamelnaam (denk bijvoorbeeld aan bos of volk). De geestenwereld is namelijk één van geest in haar kwaadaardigheid (Joël 2:7-9 NBG 51). Ook het woordje ‘macht’ is meervoudig bedoeld. Vergelijk dit woord eens met Colossenzen 1:13, waar staat dat God ons verlost heeft uit de macht van de duisternis. De verschillende werkingen vormen echter één en dezelfde realiteit. Deze demonen werpen de bolwerken en schansen op tegen de ware kennis van God (2 Cor.10:5). Er is sprake van ‘de zonen van de ongehoorzaamheid’ zoals de Canisiusvertaling heeft en vroeger de Nieuwe Vertaling, een echt hebraïsme, evenals bijvoorbeeld in vers 3: ‘kinderen van de toorn’ en in 2 Petrus 2:14: ‘kinderen van de vervloeking’. Tegenover de zonen van de ongehoorzaamheid staan de gehoorzame ‘zonen van God’, die zich op het Woord van God en zijn wetten richten. Zoals Gods Geest werkzaam is in de gehoorzamen, zo werken de demonen in de ongehoorzamen.

Het bijwoord ‘nu’ wijst erop, dat de gemeente te Efeze zich had bekeerd, maar de boze geesten bleven doorwerken in allen, die niet waren veranderd. Dit ‘nu’ geldt voor de demonische beïnvloeding, die de levenswijze bepaalt van allen die in onze tijd ongehoorzaam zijn. Ook hun ontbreekt de kennis van de ware God en zij wandelen ‘van kwaad tot erger, totdat zij worden geopenbaard als ‘zonen van het verderf’ (Op.13:13,14).

‘onder wie wij allen vroeger verkeerden, in de begeerten van ons vlees, door de wil van het vlees en de gedachten te doen; en wij waren van nature kinderen van de toorn, net als de anderen’ 3.

Paulus maakt zijn zin weer niet af, maar begint met een nieuwe gedachte. Hij wil zeggen: niet alleen jullie, maar ook hijzelf heeft vroeger als Jood in ongehoorzaamheid geleefd en de Joodse wetonderhouders van vandaag nog steeds. De geesten die jullie verleid hebben, wekten zondige begeerten in ons vlees op. De machten die jullie gedachteleven inspireerden, hebben ons verstand beïnvloed, zodat wij in ons denken en handelen ongehoorzaam aan God waren en gehoorzaam aan de demonen. Het woord ‘vlees’ dat gebruikt wordt voor ons natuurlijke lichaam, zoals de dieren een lichaam van vlees en bloed hebben, wijst erop dat hier gesproken wordt over de natuurlijke mens wiens geest niet ontwikkeld is in zijn hogere, zuiver geestelijke functie. Bij deze afremming valt dan het accent op de wil van het vlees, zoals bij de dieren het geval is. Onvoldoende geest maakt het lichaam zwak, dit wil zeggen een invalspoort voor de boze geesten. Van de overspeler schreef de profeet Maleachi in hoofdstuk 2:15: ‘Niet één doet zo, die voldoende geest bezit’. Jezus zei tot de moegestreden leerlingen, dat hun neergedrukte geest wel gewillig was, maar dat het lichaam zwak was (Matth.26:41).

Naar hun ontwikkeling in deze wereld waren de Joodse christenen ooit onderworpen aan de machten van de duisternis. Hoewel de Joden zich het volk van God noemden, rustte op hen de toorn van God, want zijn heilige afkeer rust op de boze, onreine geesten. Dezen zijn ‘onder de toorn’ (1 Thess.2:16). Als de mens dus met deze machten verbonden is, rust de toorn van God vanzelfsprekend op hem. Men kan zeggen: wanneer de mens de duivel gehoorzaamt, is hij met hem verbonden en door deze gescheiden van God. Dit ‘ver zijn van het aangezicht van de Heer’, deze verwijdering, deze slagboom tussen God en de mens noemt de Bijbel ‘de toorn van God’. Men kan deze toorn gelijkstellen met ‘het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst’. Deze begeerte die bevrucht wordt door de demonen, baart de zonde (2 Petr.1:4 en Jac.1:14). Deze tekst wordt door de aanhangers van de erfzondeleer misbruikt om aan te tonen, dat de mens in wezen verdorven is. De kanttekenaars bij de Statenvertaling vinden in deze tekst aanleiding om de navolgende, verschrikkelijke zin op te merken:

  • ‘Wij zijn aan de toorn van God onderworpen vanwege onze aangeboren zonde’ en ‘van nature of door de natuur; dat is van onze geboorte of moeders lijf!’

Om de betekenis van de uitdrukking ‘van nature’ (phusis) te verstaan, is het goed om eens te zien in welke verbanden zij nog meer voorkomt. De vraag is daarbij of met ‘van nature’ alleen het wezen van de mens wordt bedoeld, dus zijn persoonlijkheid. In Romeinen 2:14 lezen we dat er heidenen zijn, die de wet niet hebben en die ‘van nature’ doen wat de wet gebiedt. Bij hun ontwikkeling blijkt dus dat de heidenen niet door en door verdorven zijn, maar dat zij het werk van de wet in hun inwendige mens hebben geschreven. Hun wezen is dus niet verdorven. In 1 Corinthiërs 11:14 schrijft de apostel, dat de natuur leert ‘dat, als een mán lang haar draagt, dat een schande voor hem is’. Hier wordt met ‘natuur’ de gewoonte of heersende zede bedoeld. ‘Van nature’ heeft de man immers lang haar, als hij dit niet knipt, dus kunstmatig kort houdt. In Galaten 2:15 wordt meegedeeld, dat Paulus tegen Petrus zegt: ‘Wij, geboren Joden (letterlijk: van nature Joden) en geen zondaars uit de heidenen’.

Wie dit dus letterlijk leest, zou moeten concluderen dat de Joden van nature geen zondaars zijn. Paulus bedoelde echter dat de Joden onder de wet waren geboren, dus onder een vorm van Gods genade. De heidenen ‘groeiden’ echter op in een wereld die ‘in het kwaad ligt’, dus die onder de heerschappij is van de overste van deze wereld. In de uitdrukking ‘wij waren van nature kinderen van de toorn’ is dus geen sprake van erfsmet, maar van een natuurlijke ontwikkeling, omdat de wereld in het kwaad ligt en allen gezondigd hebben. De kanttekeningen van de Nieuwe Vertaling zeggen voor ‘natuur’: naar de innerlijke gesteldheid. Hoe dan deze innerlijke gesteldheid ontstaan is, wordt door de apostel meegedeeld, wanneer hij zegt: handelende naar de wil van het vlees en de gedachten.

‘Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, toen wij dood waren door de overtredingen, met Christus levend gemaakt – Aan zijn genade dankt u uw redding’ 4,5.

Nu toont Paulus hoe God ons van onder de toorn weggetrokken heeft. Hij zegt: ‘God is rijk aan barmhartigheid’. God is immers liefde en deze stelt zich diametraal tegenover de toorn, dat is de gezindheid van de demonen t.o.v. de mens. God staat altijd positief tegenover ons en Hij wordt door zijn innerlijke ontferming in beweging gebracht. Zijn grote of letterlijk zijn ‘vele’ liefde, is de grond van onze redding. Ondanks onze ongehoorzaamheid aan zijn wetten en ondanks onze begane overtredingen die schuld in ons leven brachten, die ons van Hem scheidden en gemeenschap met Hem onmogelijk maakten, zag Hij naar ons om. Wij waren niet dood vanwege onze geboorte uit Adam, maar door onze misdaden.

Het herstelplan lag echter klaar vanaf de grondvesting van de wereld. ‘God echter bewijst zijn liefde t.o.v. ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is’ (Rom.5:8). God dreigt de zondaar niet met hel en verdoemenis, want Hij laat zelf het dreigen na. Dat doen ‘vrome’ geesten wel, die er belang bij hebben dat iemand juist wel verloren gaat. De hemelse Vader baande echter een weg voor allen die dood waren, dit wil zeggen die niet waren verbonden met Hem die het leven is en het leven schenkt. In het oude verbond werd gezegd: ‘De Heer doodt en doet herleven’ (1 Sam.2:6), maar het nieuwe verbond openbaart wie de Vader werkelijk is. Hij maakt doden levend! Van de verloren zoon werd gezegd: ‘Hij was dood en is levend geworden’ (Luc.15:32).

God heeft de wereld lief en zijn eniggeboren Zoon heeft zijn leven gegeven om ons te redden. Diens bloed baande de weg om allen te behouden die zijn offer aanvaarden. Wij zijn met Hem levend gemaakt. God schonk genade, want Hij overlaadde ons met zijn genade: de vergeving van zonden, de doop in Heilige Geest waarbij zijn liefde in ons werd uitgestort, de ontplooiing van de geestelijke gaven, het zoonschap en de belofte dat wij eenmaal met Christus, ons hoofd, als zijn gemeente op zijn troon zullen zitten. Door genade zijn wij behouden, dat is verlost van zondeschuld en van het verderf. In plaats van ‘van nature’ kinderen van de toorn te zijn, ontvingen wij de goddelijke natuur. Daarom kunnen wij als vrije zonen leven in vrede en gerechtigheid.

‘en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus, opdat Hij in de komende eeuwen de alles overtreffende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen, door de goedheid over ons in Christus Jezus’ 6,7.

Na de interruptie ‘door genade bent u behouden’, vervolgt de apostel, dat de gelovige, behalve het nieuwe leven, een plaats ontvangen heeft in de hemelse gewesten. De bepaling ‘in Christus Jezus’ geeft aan, dat God dit alleen schenkt aan hen, die met de Heer Jezus gemeenschap hebben, dus aan hen die in diens woorden blijven. Ze zijn dus in zijn lichaam, waarvan Hij het hoofd is (zie 1:23). Men is in de hemelse gewesten, als men met zijn gedachteleven rekening houdt met de wereld van de geesten, als men bedenkt wat ‘boven’ is. Een natuurlijk mens en een aardsgezinde christen komen wel met de geestelijke wereld in aanraking, maar zij zijn zich dit niet altijd bewust en houden er vaak geen rekening mee. Heidense godsdiensten voeren de mens juist naar de verkeerde, duistere kant in de hemelse gewesten. Paulus zei van de Corinthiërs dat zij zich eenmaal naar de stomme afgoden hadden laten drijven en dat hun offeren een offeren was geweest aan boze geesten (1 Cor.12:1 en 10:20).

Het ‘in Christus’ zijn garandeert dat de gelovige zich aan de goede kant van de scheidslijn bevindt, want hij bewaart diens woord. In déze hemelse gewesten moet hij zich bewegen, want daar is zijn vaderland dat boven is (Hebr.11:16). Het hemelse Jeruzalem is daar de stad waar hij thuis hoort. Daar hoort hij bij het geestelijk Israël, want hij is besneden naar het hart. Hij is deelgenoot van de hemelse roeping (Hebr.3:1). Veel kerkmensen zien uit naar de komst van de Heer Jezus hier op aarde, maar deze zei dat Hij zijn volk eerst tot Zich zou trekken en waar Hij is, zal zijn dienstknecht zijn. ‘In Christus’ zijn de gelovigen binnen gegaan in het hemelse heiligdom waar de troon van de Vader is. Ze gingen binnen langs de nieuwe en levende weg. De bedoeling is dat de ontwikkeling of het groeiproces van de geestelijke mensheid, dat is van de ware gemeente, in de hemelse gewesten gezien zal worden. Daarom wordt opgemerkt dat God aan de gevallen mens niet alleen genade schenkt, maar dat Hij hem zegent met overgrote rijkdommen. Zo leert hij deel te krijgen aan de goddelijke natuur en toont de gemeente aan de hemelse geestenwereld de veelkleurige wijsheid van God (3:10).

‘In de komende eeuwen’, de reeks perioden (aeonen), dus in het bijzonder in de eindtijd, in het duizendjarige rijk en op de nieuwe aarde, zal de gemeente het bewijs van Gods overweldigende genade tonen aan de hele schepping. Het is wel duidelijk dat dan eerst de hemel gezuiverd moet worden van de kwade geesten, zodat de zuchtende schepping werkelijk verlost kan worden. Er is dus een zware worsteling in de hemelse gewesten, maar: ‘Wij zijn er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die (via een ontwikkelingsproces) over ons geopenbaard zal worden’ (Rom.8:18). Daarom: ‘Al vervalt onze uiterlijke mens (in deze worsteling), toch wordt de innerlijke (in de hogere sferen) van dag tot dag vernieuwd. Want de lichte last van de verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid, omdat wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare (wat zich in de hemelse gewesten manifesteert) is eeuwig’ (2 Cor.4:16-18).

‘Want uit genade bent u behouden, door het geloof en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen’ 8,9.

De ware christen wordt behouden door de genade die God schenkt. Deze genade begint in de onzienlijke wereld en kan dus alleen door het geloof toegeëigend worden. Wij kunnen haar niet door werken krijgen, maar alleen als een gave van God door ons geloof aannemen. Kunnen geloven is een eigenschap van de menselijke geest, die de dingen die men niet ziet, kan grijpen, dus voor waar houden. De juiste schriftprediking richt het geloof op God die geest is. Eenmaal richtte het geloof van de Thessalonicenzen zich op de afgoden, maar later schreef de apostel: ‘Maar overal is uw geloof, dat zich op God richt, bekend geworden’ (1 Thess.1:8). Dat het geloof vanaf de geboorte in alle mensen een scheppingsgave is, staat buiten kijf. Een dier bijvoorbeeld mist dit kostbare geschenk. Ook ons verstand kan zo als gave worden gezien.

Paulus gebruikt voor ‘gave’ niet het woord ‘charisma’ (geestelijke gave), maar ‘doron’, dat is hier dus een geschenk aan alle mensen. Het aanwijzende voornaamwoord ‘dat’ in ‘dat niet uit u’, ziet niet terug op geloof, maar op genade (charis). Men zou dus ‘door het geloof’ tussen haakjes kunnen zetten en lezen: ‘Want uit genade bent u behouden (door het geloof) en dat niet uit uzelf, het is een geschenk van God’. Er staat dus niet dat het geloof een gift zou zijn, zoals maar al te veel wordt gezegd om de onmacht van de mens te accentueren. Wij zouden dan in dit laatste geval maar moeten wachten tot het God zou behagen ons geloof te schenken. Dit zou de verantwoordelijkheid van de mens helemaal wegnemen. Onze redding is echter uit genade geschonken. Bovendien is het woordje ‘dat’ in de grondtaal onzijdig en ‘geloof’ is vrouwelijk. Daarom verwijzen de meeste vertalers inclusief Calvijn naar de voorgaande gedachte van een behoud die door genade is geschonken. Wanneer wij ons behoud zouden ontvangen als loon op onze werken, hadden wij nog wat te roemen, maar wanneer wij onze redding als een geschenk uit de hemel aanvaarden, is alle roem van onze kant gezien uitgesloten.

‘Want zijn maaksel zijn wij, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, zodat wij daarin zouden wandelen’ 10.

Eerst schept God uit genade door zijn woord de nieuwe mens. Hij voegt deze in het lichaam van Christus met het doel, dat hij goede werken zal voortbrengen naar de wetten van God zoals deze die vanaf het begin heeft ingesteld. Van Christus staat dat Hij in de gestalte of in de vorm van God was. Zoals Jezus was, had de Vader de nieuwe mens van eeuwigheid bedoeld. Daarom moet de opnieuw geboren christen de gezindheid van Christus hebben, dat betekent dat hij denken moet zoals de Heer dacht. Dit kan hij alleen als hij ‘in Christus’ is, dat is in diens woord blijft. De ware christen wandelt dus niet langer naar de begeerte van het verleide vlees en niet naar de door de satan geïnfiltreerde gedachten, maar zowel zijn innerlijke als zijn uiterlijke mens handelen naar de gedachte van God. Hij wordt immers geleid door Gods Geest. Omdat God in hem woont, werkt deze zijn behoud uit (Filip.2:12).

Het geestelijk Israël werd al in het Oude Testament het maaksel van God genoemd. Er staat immers: ‘Gezegend is mijn volk Egypte en het werk van mijn handen (dus maaksel), Assur, en mijn erfdeel Israël’ (Jes.19:25). De herboren mens heeft de geschiktheid om ‘in een nieuw leven te wandelen’ (Rom.6:4). Hij wordt herschapen om goede werken te doen, zoals een oog geschapen is tot zien. Dit vereist geen inspanning, want het is vanzelfsprekend dat een gezond oog goed functioneert, dus goed kan zien. Het is vanzelfsprekend dat een nieuwe schepping of een herschepping goede werken verricht: ‘Ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad van God (zijn Woord) blijft in hem’ (1 Joh.3:9).