13. De geestelijke wapenuitrusting – mededeling – groet

Efeziërs 6:10-24

‘Verder, mijn broers (en zusters), word gesterkt in de Heer en in de sterkte van Zijn macht’ 10.

Na de uitweidingen over het gedrag van christenen in het natuurlijke leven gaat de apostel nu over op hun positie en toerusting in de onzienlijke wereld. Wie zijn lezers op aarde ook mochten zijn: mannen of vrouwen, ouders of kinderen, heren of knechten, allen zullen zij sterk moeten zijn vanwege hun gemeenschap met de Heer. Daarom moet de opnieuw geboren christen zich niet klein van zichzelf denken, niet overweldigd zijn door paniekgeesten, niet onderworpen zijn aan de inspiraties van demonen, niet bang maar dapper zijn, omdat hij zich veilig mag weten bij zijn ‘Kurios’. Deze is immers niet de Heer van slappelingen, maar Hij is de Heer van de heren en de Koning van de koningen. Hij is de aanvoerder van de ‘militia Christi’, het leger van God.

De christen ontleent zijn sterkte aan het woord van God dat hij in geloof bewaart en aan de verbinding met Gods Geest die in hem woont. Hij is ‘in de Heer’, dat wil zeggen in diens mystiek lichaam, de gemeente. Hij is daarmee in de sterkte van Zijn macht, zodat hij vol vertrouwen is, dat Christus zijn beloften aan hem nakomt en Hij aan zijn volk kan realiseren alles wat Hij Zich heeft voorgenomen te doen. De Heer is altijd de Sterkere en wie in Hem is, overwint de sterke tegenstanders.

Het is alsof de apostel hier een beeld van Gods volk wil geven, zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld. Ze zijn in alle geledingen van het natuurlijke leven goede mannen en vrouwen, kinderen, heren en knechten. Ze zijn allen krachtige figuren, want naar de inwendige mens zijn ze zeker van hun zaak. Ze wankelen niet vanwege twijfelachtige vragen, zoals: zal God het wel doen? Ze zijn krachtig, want ze slepen zich niet voort, maar leven intensief. Ze zijn in staat de duivel te weerstaan en hun medemensen te helpen. Ze zijn als bomen geplant aan waterstromen, die hun vruchten op tijd geven en waarvan het loof niet verwelkt (Op.22:1,2). Ze bidden niet of de Heer hen wil (af) breken, want ze blijven ongebroken takken in de Levensboom.

In de strijd staan ze niet radeloos en machteloos de handen te wringen, schreeuwen niet vanwege hun driften, huilen niet sentimenteel vanuit de onzekerheid wat de duivel ‘nu weer zal doen’, maar geloven vast dat God doet wat Hij belooft en dat het dan zichtbaar wordt. Ze weten zeker dat de Heer hen zal bewaren, zodat hun voet niet zal wankelen. Daarom heeft satan geen vat op hen en kan de Heer zijn woord aan hen bevestigen. Het vermanend gedeelte wordt dus door de apostel afgesloten met een oproep tot een harde strijd. De ware christen moet zich opstellen in de hemelse gewesten. Daar is de Heer zijn sterkte en Gods Heilige Geest zijn kracht tot overwinning.

Op deze manier begint Paulus aan een gedeelte, waarin hij zijn lezers duidelijk maakt, dat er georganiseerde aanvallen op hen worden gedaan door onzienlijke tegenstanders (Joël 2:7-9). Deze zullen het stille en rustige leven van de christen, dat hij zojuist in familieverband geschilderd heeft, aantasten. Het gave huwelijk van man en vrouw, de prettige omgang met gehoorzame kinderen en de normale verhouding tussen heer en slaaf zullen de onzichtbare vijanden proberen te verstoren (Jes.3:4,5,12). Het is daarom nodig dat men weet wie hij is ‘in Christus’: sterk, machtig en onoverwinnelijk, want de heerschappij over de tegenstander rust op zijn schouder.

‘Bekleed u met de hele wapenuitrusting van God, zodat u stand kunt houden tegen de listige verleidingen van de duivel’ 11.

Om zich in de onzienlijke wereld te kunnen handhaven, moet men sterk zijn, niet in eigen kracht, maar ‘in de sterkte van Zijn macht’, dus door de kracht van Gods Geest. In de wereld van de geesten moeten wij beschermd worden, maar ook zelf gewapend zijn, want behalve onze Verlosser, Helper en Redder en de heilige engelen, hebben wij daar veel vijanden, die ons willen laten struikelen, vallen, beschadigen en uitschakelen. De tegenstanders van God zijn daar onze vijanden en wij zullen niet alleen zijn medewerkers maar ook zijn medestrijders moeten zijn. De middelen die de vijand in eerste instantie aanwendt, zijn verleiding, list en bedrog. ‘Verleiding’ richt zich op de geest van de mens door middel van leugen en op zijn ziel door verkeerde begeerten op te wekken. Wij zouden met de vertaling Brouwer in verband met het woord ‘wapenuitrusting’ kunnen spreken van ‘krijgslisten’ in plaats van ‘verleidingen’. Krijgslisten, die de tegenstander vanaf het begin heeft gebruikt om de mens in zijn macht te krijgen.

Zo kan de duivel verschillende gestalten aannemen. Hij gaat rond als een brullende leeuw om te intimideren, maar nadert ook als een schuifelende, giftige slang om te verleiden en komt als een wolf in schapenvacht om een christen te bedriegen, ofwel als een engel van het licht om zich door enkele vriendelijke trekken acceptabel te maken. Er is een strijd in de hemelse gewesten. Wij mogen en kunnen dus niet zeggen: Jezus heeft de overwinning behaald en nu hoeven wij niet meer te vechten. De Heer zelf zei immers tot de gelovigen dat zij demonen zouden uitdrijven en Hij gaf hun daartoe macht, gezag en kracht.

In onze tekst roept de apostel ons op ‘de wapenuitrusting van God’ aan te doen. Hij immers bekleedt Zichzelf met gerechtigheid als een pantser en heeft de helm van het heil op het hoofd. Hij bekleedt Zich met wraak als met een gewaad om zijn duistere tegenstanders te verdoen en Hij hult Zich in ijver als in een mantel (Jes.59:17). Maar God heeft de mens nodig om medestrijder te zijn en de vijand te verslaan. Niet omdat Hijzelf niet in staat zou zijn om zijn tegenstanders in één moment op te ruimen, maar om aan te tonen dat zijn schepping zo goed is, dat zij de kracht tot overwinning en herstel in zich heeft. De mens die ooit viel, is door Hem bestemd om het oordeel tussen goed en kwaad, licht en duisternis, tot overwinning te brengen (Gen.3:15b).

De ‘hele wapenuitrusting’ was bij de Grieken de ‘volle uitrusting’ (panoplia) van de zwaar gewapende: schild, helm, borstharnas, scheenplaten, zwaard of lans. Dit zijn nu de beelden die Paulus transponeert naar de hemelse gewesten. De tegenstander daar wordt duidelijk aangewezen. Hij is de duivel, de ‘diabolos’, de lasteraar of de aanklager van de volgelingen van zijn grote Tegenstander, Christus. Wij wijzen erop dat het woord ‘diabolos’ ook voorkomt in 1 Timotheüs 3:11, waar de vrouwen worden gewaarschuwd, geen ‘kwaadspreeksters’ te zijn (zie verder in 2 Tim.3:3 en Titus 2:3). Kwaad spreken is dus iets diabolisch of duivels.

De duivel is de grootste van alle gevallen engelen, want hij getuigt onder meer, als verzoeker van Jezus, dat alle koninkrijken van de wereld van hem zijn en dat hij deze kan geven aan wie hij wil. Hij wordt ‘de overste van deze wereld’ genoemd (Luc.4:5-8, Joh.14:30 en 16:11). Ook staat in Openbaring 12:9 dat de grote draak op aarde werd geworpen. Zijn wisselende benamingen zijn daar: de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de hele wereld verleidt. Het is uit onze tekst en uit de volgende verzen wel duidelijk dat Christus na zijn opstanding en hemelvaart de strijd aan ons overlaat. Hij wacht af, totdat zijn vijanden door ons gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten (Hebr.10:13). De uiteindelijke overwinning staat voor de soldaat van het hemelse leger vast, want ‘de God nu van de vrede zal spoedig de satan onder uw voeten vertrappen’ (Rom.16:20).

‘Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar worstelen tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten’ 12.

‘Wij strijden in het leger van God, niet tegen vlees en bloed!’ Een ontzaglijke Paulinische uitspraak, waardoor het leven van de echte geestelijke mens getypeerd wordt. Hier begint de geweldige vernieuwing van denken bij de christen. Zij is een voortzetting van de opdracht van onze Heer aan al zijn volgelingen om onreine geesten uit te drijven en alle ziekte te genezen (Matth.10:1). Ook vandaag aan de dag is de opmerking die aan dit bevel voorafgaat, realiteit: ‘De oogst is wel groot, maar werkers zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij werkers uitzend in zijn oogst’.

Bij de val van de mens drongen de onzichtbare invasielegers binnen: eerst de leugenmachten die de woorden van God verdraaien door te zeggen: is het dat God iets anders heeft gezegd? Wie niet voldoende verweer bezit, wordt vroeg of laat door deze leugenaars misleid en zijn geest, de drager van de wet van God, wordt aangetast. Daarna volgt de afdeling van zondemachten, van wie de Bijbel zegt dat zij scheiding veroorzaken tussen God en de mens en deze geestelijk doden. Vervolgens zien we de legerafdeling ziektemachten, die hun slachtoffers naar de natuurlijke dood voeren.

Bij het werkwoord ‘worstelen’ denken wij niet aan de rechtstreekse betekenis ervan, want dat past niet bij het begrip van een wapenuitrusting. We gebruiken het echter in overdrachtelijke zin voor een ingespannen, persoonlijke strijd. De gelovige is een soldaat van Jezus Christus en hij strijdt als een kampvechter tegen de machten van de duisternis (2 Tim.2:3-5). Van zichzelf zei de apostel aan het einde van zijn leven: ‘Ik heb de goede strijd gestreden’ (2 Tim.4:7). Ook wij hebben de opdracht om onze leden te stellen als ‘wapens’ van de gerechtigheid in dienst van God (Rom.6:13). De nacht is immers ver gevorderd en de dag is nabij.

In dit tijdperk doen wij dan ‘de wapens van het licht’ aan (Rom.13:12). Wij gaan in deze strijd weer de manier van oorlogvoering tussen heiligen in het licht en de onzienlijke rebellen die zich tegen God gekeerd hebben, verstaan. Wij hebben geen strijd tegen ‘bloed en vlees’, een uitdrukking die wij meestal omkeren. In onze tekst en in Hebreeën 2:14 lijkt ons ‘bloed en vlees’ de aanduiding van de levende mens naar zijn onzichtbaar en zichtbaar bestaan, terwijl de uitdrukking ‘vlees en bloed’ in Mattheüs 16:17, 1 Corinthiërs 15:50 en Galaten 1:16 meer ziet op de onderlinge relaties tussen de natuurlijke mensen. De apostel zegt hier, dat wij niet met natuurlijke mensen een conflict hebben, maar in een permanente strijd met satanische geesten zijn gewikkeld, omdat zij degenen zijn die verleiden, verleugenen, opjagen en verzieken.

Zijn er dan geen ménsen die ons willen verleiden of door leugens ons tot dwaling willen brengen, of die het ons moeilijk maken? Die zijn er, maar ze zijn slechts instrumenten door wie de duivel werkt. Dat het instrument een slecht geluid voortbrengt, is te wijten aan hem die erop speelt. De satan doet zijn werk rechtstreeks door inspiraties en onderdrukking, of hij gebruikt mensen die zelfs graag zijn medewerkers willen zijn. Medewerkers die hun ingeschapen geweten bewust met brandijzers hebben dichtgeschroeid. Ook bedient hij zich van levenloze dingen zoals boeken, cd’s of films. Deze kunnen alle media zijn van boze geesten, evenals sterke drank, nicotine en andere verslavende middelen.

Onze Heer kan echter gebruik maken van boeken, tv, video’s of internet om van Hem te getuigen en zijn evangelie in de wereld te brengen. De efficiënte bestrijding van alle kwaad vindt echter alleen in de geestelijke wereld plaats bij zijn oorsprong. Daar staat het leger van Jezus Christus gevormd door zijn ware volgelingen met de heilige engelen, tegenover de legermacht van satan. De diepe overtuiging in het hart van de gelovige moet leven, dat hij nooit te strijden heeft met moeilijke mensen, moeilijke buren, een moeilijke werkgever of moeilijke werknemer, een moeilijke man of moeilijke vrouw of een moeilijk kind, maar altijd met demonen van de duisternis die zulke mensen misbruiken om het hem moeilijk te maken. Er zijn voor ons geen menselijke tegenstanders en wij strijden niet tegen bloed en vlees, niet tegen ons eigen bloed en vlees, niet tegen ons eigen ik, maar tegen de duivel en daarom bidden wij: ‘Verlos ons van de satan’, en niet van ons zelf! In de Bijbelverklaring van Dächsel lazen wij bij onze tekst:

  • ‘Als Paulus schrijft: wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, bedoelt hij niet eigen vlees en bloed. In dat geval zou een geheel andere en wel ómgekeerde tegenstelling volgen, dat onze werkelijke vijand buiten ons is’.

Wat een spitsvondige redenering en een verdraaiing van de woorden van de apostel. Alle eeuwen na Augustinus heeft men geleerd dat de zonde haar bron zou hebben in eigen vlees en dat men de strijd moet aanbinden tegen zichzelf. Het ‘ik’ moest gedood en het vlees gekruisigd worden. De ‘vrome’ mens werd agressief tegen zichzelf, iets zo tegennatuurlijks dat men dit zelfs in de dierenwereld niet terugvindt. De Schrift gaat er echter zeer zeker vanuit dat de vijand buiten de mens is of in hem huist, als hij met geweld binnengedrongen is. Daarom moeten wij gered worden van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten, om zonder vrees, uit de hand van de vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid (Luc.1:71-75). Wij gebruiken geen wapens van natuurlijk geweld, maar de wapens van het licht of de wapens van de gerechtigheid (Rom.13:12, 2 Cor.6:7).

Het leger van de vijand is georganiseerd in allerlei rangen en standen. Er zijn ‘archas’, overheden of grootvorsten van het koninkrijk van satan. Wij mogen echter zeker weten dat onze Heer sterker is, want Hij is het hoofd van alle overheid en macht en zijn volheid woont in ons (Col.2:10). Wij zouden deze vijandelijke overheden in hun rang kunnen vergelijken met de heilige aartsengelen of ‘arch’ angels. De tweede groep wordt gevormd door de ‘machten of autoriteiten, die hun gezag ontlenen aan de eerstgenoemde aanvoerders en hun bevelen uitvoeren. Zij manifesteren zich in alle ellende, noden, verdrukkingen en dood die over de mensen kunnen komen. Zie verder de aantekeningen bij hoofdstuk 3:21. De derde groep draagt de naam ‘kosmokratoo’, de wereldbeheersers van deze duisternis, die dus over volken en landen heerschappij uitoefenen. Wij denken bijvoorbeeld aan ‘de vorst van de Perzen’ en ‘de vorst van Griekenland’ in Daniël 10:20.

Deze engelen van de volken staan in het bijzonder vijandig tegenover de wereldgeesten, de samenbundeling van menselijke geesten die gezag, orde en wetmatigheid op aarde willen bewaren.  In het visioen van Daniël over de toekomst van het Israël van God zien wij, hoe de aartsengel Michaël te hulp moet snellen om het wetteloze oorlogsgeweld van de wereldbeheersers te keren. Vandaar de oproep in 1 Timotheüs 2:12 om voorbede te doen voor koningen en alle hooggeplaatste personen, zodat wij een stil en rustig leven mogen leiden, zolang dit nog mogelijk is.

De titel ‘wereldbeheersers’ was in de antieke wereld een predicaat van de goden en daarom voegt Paulus er veelbetekenend aan toe ‘van de duisternis’. Ze zijn weer ondergeschikt aan ‘de overste van deze wereld’ of ‘de god van deze eeuw’ of van de wereldtijd (2 Cor.4:4). Zie verder de aantekeningen bij hoofdstuk 2:2. De Statenvertaling spreekt over ‘de geweldhebbers van de wereld van de duisternis dezer eeuw.’ Ze zijn dus sterk en talrijk en regeren met harde hand, dus met anti-goddelijke kracht. Wij zouden op nieuwtestamentische wijze van de wereld van de voortijd kunnen zeggen: ‘Door hun toedoen was de aarde vol geweld’ (Gen.6:13). Het is wel naïef wanneer de bekende Bijbelverklaring van Matthew Henry bij onze tekst opmerkt: ‘Ze regeren nu in de heidense volken, die nog in duisternis zijn’. Juist van de antichristen die van óns uitgegaan zijn, wordt gezegd, dat zij werken met ‘allerlei krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’.

Tenslotte eindigt Paulus zijn opsomming met de ‘pneumatika ponerias’, de geestelijke goddeloosheid, terecht weergegeven door de boze geesten in de hemelse gewesten. Zij zijn de ontelbare legermachten van het rijk van de duisternis, de lagere engelen die het mindere werk uitvoeren. Jezus zelf heeft tegen deze geesten van het kwaad gestreden en heeft ze voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid openbaar gemaakt als de aanstichters van alle ziekte, zonde en ellende. Hij heeft ze ontmaskerd, dus aangetoond wie ze werkelijk zijn en wat ze bedoelen en hoe ze werken. Hij gaf de methode aan om ze te weerstaan, te overwinnen en zelfs uit te drijven door het woord en de kracht van de Heilige Geest. In Colossenzen 2:15 staat dat de overheden en machten ontwapend werden. Hun wapens zijn hun beschuldigingen en verwijten. Door de vergeving van onze zonden zijn deze wapens hun ontnomen. De geestenwereld vindt haar plaats in de niet zintuiglijk waarneembare schepping. Voor de betekenis van ‘hemelse gewesten’ verwijzen we naar de aantekeningen bij hoofdstuk 1:3.

‘Neem daarom de hele wapenuitrusting van God aan, zodat u weerstand kunt bieden op de dag van het kwaad en na alles gedaan te hebben, stand kunt houden’ 13.

Als christen moet men de hele of de volledige wapenuitrusting van God aandoen. Met slechts een deel ervan kan men in de hemelse gewesten niet toe. Men is dan niet in staat om in de kwade dag tegenstand te kunnen bieden. Deze kwade tijdsperiode is er, wanneer de boze geesten de christen willen verleugenen, verleiden, pressen of ziek willen maken. Onder deze machten zijn de geweldgeesten, die de grote verscheidenheid van de demonen tot steeds grotere krachtsinspanningen aanzetten. Zij kunnen angstaanjagende tijdsomstandigheden veroorzaken. De met Gods Geest vervulde christen zal weerstand moeten bieden aan deze duistere, onzichtbare vijanden. In het leven van iedere gelovige komen geregeld bijzonder zware tijden voor.

Jezus zei bij het begin van zijn lijden tegen de menigte overpriesters, hoofdlieden van de tempel en oudsten, ‘die op Hem waren afgekomen’ en die werden geïnspireerd en geleid door de overheden van het koninkrijk van satan: ‘Maar dit is jullie uur en de macht van de duisternis’ (Luc.22:52,53). Zo spreekt Openbaring 3:10 over een ‘uur van verzoeking, die over de hele wereld komen zal’. In ons denken mag er geen sprake zijn van passiviteit, van een ‘laissez faire, laissez passer’, dat is een laten begaan, een maar berusten in zijn lot, omdat verzet toch niet zou helpen.

Het ware christendom kent geen fatalisme, geen houding van maar afwachten; het is niet op genade of ongenade aan de satan en de demonen overgeleverd, maar het is actief om zich te verdedigen tegen ‘de loop van deze wereld’ en tegen ‘de macht van de lucht’ (2:2). Vanwege het feit dat wij zoveel tegenstanders in de geestelijke wereld hebben, ‘daarom’ moeten wij toegerust of bekleed zijn met Gods wapenuitrusting, die wij in zijn hemels arsenaal kunnen krijgen, om ons onoverwinnelijk te maken.

‘Standhouden’ is het kernantwoord in deze passage: volharden in de strijd tegen de verleidingen van de duivel (vers 11) en opnieuw standhouden, nadat wij onze taak hebben verricht, dus nadat wij het evangelie hebben verkondigd, de gemeente hebben helpen opbouwen en in de wereld hebben getuigd van Jezus Christus door ons woord en onze daad. Het volgende vers herhaalt dan nog eens: ‘Stel u dan op’, wat weergegeven kan worden door ‘houdt stand’ (vert. Brouwer). Standhouden is een militaire uitdrukking, waarmee men bedoelt dat een leger na de overwinning op de vijand, klaar is om opnieuw te strijden. In het vorige vers constateerden wij dat alle boze geesten in de hemelse gewesten van hoog tot laag ons bedreigen.

Wij moeten dus ‘weerstand bieden’ aan alle aanvallen en klaar staan om alle ‘brandende pijlen’ te kunnen doven. Weerstand bieden betekent: weigeren voor de vijand te bukken. ‘Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u vluchten’ staat in Jacobus 4:7. Wie achteruit wijkt, geeft de satan gelegenheid om terrein te winnen en wij horen hem juist terug te drijven. Aan allen die staande bleven, schreef de apostel: ‘U hebt hen overwonnen; want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is’ (1 Joh.4:4). Voor veel kerkmensen is het jammer genoeg een onwezenlijke gedachte, dat zij tegenover krijgslieden staan en tegenover gecoördineerde duivelse divisies uit een onzienlijk rijk. Deze vijandelijke troepen zien hen wel, maar hun natuurlijke ogen zijn blind en hun oren zijn doof. Zij merken alleen de dingen uit de zichtbare wereld op. Het is daarom opvallend dat in het Oude Testament in schaduwen gesproken wordt over ‘de oorlogen van de Heer’. Wij hoeven deze geestelijke oorlog slechts te transponeren naar de hemelse gewesten, om inzicht te krijgen in de realiteiten van een heilige oorlog.

‘Hou dan stand, uw middel omgord met de waarheid en bekleed met het pantser van de gerechtigheid’ 14.

Nu beschrijft de apostel de onderdelen van de geestelijke wapenuitrusting die wij moeten aandoen. Deze is niet van onszelf, maar God schenkt ze ons; en in de tijd van nood en van de verzoeking zal blijken, dat ze tegen iedere aanval van de vijand bestand is. We kunnen bij de onderdelen van de wapenuitrusting opmerken dat zij hoofdzakelijk defensief zijn. Alleen het zwaard van de Geest kan zowel in de verdediging als in de aanval worden gebruikt. De helm kon verschillende vormen hebben en hij was in reliëf met allerlei figuren versierd. De leren gordel om de heupen diende om de wapenuitrusting dicht tegen het lichaam te drukken en dolk, zwaard of bijl eraan te bevestigen. Het pantser bedekte de borst en de rug en beschermde de vitale organen. Deze bedekking reikte tot aan de benen. De laarzen waren bedoeld om de voeten en de voorkant van de benen te beschermen. Ook beveiligden ze de krijgsman tegen rotspunten en doornen. Van Goliath staat in 1 Samuël 17:5,6 dat hij een koperen helm op het hoofd had, dat hij bekleed was met een geschubd pantser en dat hij koperen scheenplaten aan zijn benen had. Het schild beveiligde het lichaam tegen de toegebrachte zwaardslagen en tegen de afgeschoten pijlen. Het zwaard diende om de vijand te verwonden, te doden of tot overgave te dwingen.

Allereerst gaat het in deze beeldspraak over de gordel van de waarheid en het borstwapen van de gerechtigheid. Dit ziet op een strijd tegen de leugen- en de zondemachten. Wanneer ons middel met de waarheid omgord is, wil dit zeggen dat wij de waarheid van God tegen ons aandrukken, er één mee zijn en haar goed vasthouden zodat wij niet op dwaalwegen terecht komen. De ware en nauwgezette woorden van God die wij in de strijd tegen de onzienlijke vijand op onze lippen nemen, maken onze posities vast in de hemelse gewesten. Met de waarheid die wij belijden ‘stellen wij ons op’ of ‘gaan wij staan’ (St. Vert.) om ons actief te kunnen verdedigen. Door veel kerkmensen wordt dikwijls meer waarde gehecht aan hun gerechtigheid en hun zuiverheid van levenswandel, dan aan de waarheid van de woorden van God.

Het is trouwens gemakkelijker te onderscheiden of iemand wel of niet in de gerechtigheid leeft, dan te onderkennen of hij in de waarheid staat of dat hij dwalingen aanhangt. In de oorlog tegen de machten van de duisternis zijn waarheid en gerechtigheid beide onmisbare verdedigingsmiddelen. Ze zijn ‘wapens van het licht’ en ‘wapens van de gerechtigheid’ (Rom.13:12 en 2 Cor.6:7). Daarom zien wij nauwlettend toe dat wij niet in valse leringen verstrikt raken en dat wij deze niet tolereren, maar dat wij een zuiver en onberispelijk leven leiden. In Jesaja 11:5 staat van Christus, dat de gerechtigheid de gordel van zijn middel is en de trouw de gordel van zijn heupen. Deze gordel moeten wij bezitten. De Heer zei: ‘Laat uw middel omgord zijn’, zoals dit bij Hem het geval was (Luc.12:35).

De gerechtigheid ontvangen wij als een pantser door het geloof in het verzoenend offer van Jezus Christus en wij kunnen haar alleen behouden door ons onder leiding van de Heilige Geest te stellen. De gerechtigheid wordt vergeleken met een harnas, omdat zij ons beschermt tegen de beschuldigingen en aanklachten van satan. Wanneer deze zegt: ‘je bent een zondaar’, antwoorden wij: ‘Ik ben een rechtvaardige, want mijn Heer heeft op het kruis mijn zonden weggenomen’. Dit belijden kan de vijand nooit aantasten, omdat hem geen genade wordt bewezen en hij deze dus niet begrijpt.

Van de overwinnaars in de geestelijke strijd wordt gezegd: ‘En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis’ of belijdenis (Openb.12:11). Het gevoel van onwaardigheid, het bewust zijn van zonde, de voortdurende confrontatie met een kwaad geweten, maken de niet opnieuw geboren christen volstrekt ongeschikt voor de strijd tegen de demonen. Ons borstharnas is de gerechtigheid van het geloof en wij willen hieruit eeuwig leven in gemeenschap met God door de Heilige Geest. De zekerheid van onze gerechtigheid maakt ons sterk om de ongerechtigheid van de boze geesten te weerstaan. Wij willen daarom geen enkel contact met demonen onderhouden, zodat satan in ons niets zal vinden.

‘en de voeten geschoeid met bereidheid van het Evangelie van de vrede’ 15.

Wanneer iemand zware ‘soldatenkistjes’ aandoet, betekent dit dat hij erop uittrekt voor een lange tocht. Om in het reddingsleger te kunnen marcheren zijn de schoenen symbool van de bereidheid het evangelie overal te verkondigen. De prediker komt in kringen waar men de boodschap van het eeuwig evangelie niet kent. Wanneer hij dan met buitenstaanders kennis maakt, zal hij de vredegroet uitspreken en als zij het waard zijn, komt de goddelijke vrede over hen (Matth.10:12,13). Ook komt hij in kringen waar men een ander evangelie verkondigt, dat geen waar evangelie is en geen vrede brengt. Zo bewerkt de woordverkondiging van de oudtestamentische wet en het vasthouden aan de tegenstellingen tussen Jood en niet-Jood geen vrede, maar spanningen en onvrede.

De ware christen is altijd geschoeid met bereidwilligheid, want hij trekt dapper verder om over te gaan tot de aanval op de linies van de vijand. Hij wil immers altijd getuigen van zijn Heer en het evangelie van de vrede doorgeven en verder brengen. Zijn wapens dienen alleen tot vrede voor de mensen. Onder zijn zware laarzen wordt echter de oude slang vertrapt en deze heeft geen kracht om zo’n dienstknecht verder het voortgaan te verhinderen door hem in de hiel te bijten. Ieder christen hoort in zijn hart een zendeling of evangelist te zijn. Daarom vloeien in de gemeente zending en evangelisatie voort uit prediking van het woord. De leden zijn geworteld in de liefde tot het evangelie van de vrede, omdat iedereen die deze boodschap aanvaard heeft, ervaren zal dat zijn levensstoornissen verdwijnen om plaats te maken voor een diepe vreugde en innerlijke harmonie.

Dit evangelie van de vrede verkondigt de genade God, die: ‘al uw ziekten geneest, die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid’ (Ps.103:3,4). Dit evangelie neemt de scheiding weg tussen God en de mens en de vijandschap tussen mensen onderling. Wanneer de Heer zijn leerlingen uitzendt, hoeven ze geen brood mee te nemen, geen reiszak, geen geld, maar ze hebben wel een reisstaf bij zich en dragen wel sandalen aan de voeten (Marc.6:8,9). Ziende op dit ‘evangelie van de heerlijkheid van Christus’ zei de profeet: ‘Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die verlossing verkondigt’ (Jes.52:7). Het gebod is: ‘Ga heen in de hele wereld, verkondig het evangelie aan de hele schepping’ (Marc.16:15).

Het resultaat wordt zichtbaar in bevrijde en genezen mensen, die door het evangelie van de vrede aangeraakt werden tot herstel. Bij de uitrusting tot de heilige oorlog is er niets méér noodzakelijk en niets méér effectief dan deze vrede die het verstand te boven gaat. De wetteloze, ruziemakende, roofzuchtige, wrede demonen deinzen terug voor ‘de voeten die gericht zijn op de weg van de vrede’ (Luc.1:79). Daarom is een brenger van het evangelie van de vrede geen ruziemaker, niet snel geïrriteerd, niet door enige tegenstander gekwetst of gegriefd, maar hij betoont vriendelijkheid, geduld, verdraagzaamheid, opgeruimdheid, innerlijke beschaving en rust aan alle mensen.

‘Neem vooral het schild van het geloof op, waarmee u alle vurige pijlen van satan zult kunnen uitblussen’ 16.

Onmisbaar voor elke soldaat was het grote schild, dat ongeveer het hele lichaam beschermde. In de geestelijke strijd hanteren wij het schild van het geloof, want zonder geloof kan niemand God behagen en kan Hij ons dus niet gebruiken voor het oorlogsfront in de hemelse gewesten. Zonder geloof is er trouwens geen gerechtigheid, geen kennis van de volle waarheid, dat is de waarheid zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld en geen vertrouwen dat de verkondiging van het evangelie enig effect zal hebben. De prediker verwacht dan zelf niet meer dat er nog iets zal gaan gebeuren door zijn woordverkondiging. Wanneer satan zijn beschuldigingen, zijn aanklachten, zijn leugens op ons afvuurt om ons te verwonden, te kleineren, te kwetsen, te deprimeren en zo mogelijk te elimineren of weg te drukken, verbergen wij ons achter het schild van het geloof. Wij vertrouwen op de woorden van God, die beloften van verzoening, vergeving van zonden, opbouw en groei, kracht en heerlijkheid bevatten. Het geloof in Gods Woord is dus een verdedigingswapen waarachter de hele mens kan schuilen.

Brandende pijlen waren met teer bestreken of met licht ontbrandbare stoffen, zoals hennep, omwonden. De pijlen werden vóór het afschieten in brand gestoken zodat ze dubbel verderf zouden aanrichten en paniek verwekken. De schilden van de tegenpartij werden met natte huiden of met licht metaal bekleed om de vurige pijlen te kunnen doven. Zo beschermt het geloof niet alleen tegen deze pijlen, maar dooft ze, ontneemt hun de kracht. Het geloof is de zekerheid van de dingen die we hopen op grond van de beloften en toezeggingen van God: ‘Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet (dus van het bestaan van de wereld van de geesten met haar strijd, haar krachtsopenbaringen, haar licht maar ook haar duisternis)’ (Hebr.11:1). De apostel schreef: ‘Dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof’ (1 Joh.5:4).

Bij de wapenuitrusting van God horen geen natuurlijke strijdmiddelen. Wij missen er de dreigende taal, de grimmige instelling, de harde stem, de scheldpartij, de slaande hand en de zinneloze driftbuien. Het hemelse leger van God trekt immers op in witte gewaden en op witte paarden, beeld van de gerechtigheid van een christen en van de kracht van de Heilige Geest door wie hij de overwinning behaalt.

‘En neem de helm van de redding en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord’ 17.

Er is een helm van de redding die God aanbiedt en die de gelovige aanvaardt en op het hoofd zet. Hij omsluit het centrum van het gedachteleven dat in de onzienlijke wereld zo vaak wordt aangevallen. De hemel is geen plek van vrede en rust zoals de ouden meenden, maar er wordt eerst een strijd op leven en dood gevoerd met de demonische machten van de duisternis. Het vernieuwde denken verwacht alleen redding, bevrijding en verlossing na een scheiding van de wetteloze geesten. Op dit van hen afgezonderd en bevrijd zijn, volgt heil dat is heling of herstel. Vanuit een volkomen nieuwe denkwereld worden bij de christen de infiltraties van de demonen geweerd en hierdoor ontvangt hij zijn behoud.

Wie de aangereikte helm aanpakt, krijgt positieve gedachten die hem met een blijde hoop vervullen. Zo’n christen houdt zich niet bezig met een ‘doemdenken’, dat is met onheilsgedachten over de toekomst, want hij heeft ‘de helm van de hóóp van de redding’, dit wil zeggen dat hij nooit de moed opgeeft, maar dat hij vertrouwt op de overwinning (1 Thess.5:8). Hij verdiept zich daarom in alles wat het Koninkrijk van God betreft, dat hem vrede, gerechtigheid en blijdschap waarborgt. Wie grote verwachtingen van een heerlijke toekomst, van uitredding en herstel in zich heeft, verliest niet snel zijn tegenwoordigheid van geest of helderheid van oordeel.

Ongetwijfeld heeft de apostel het beeld van de helm ontleend aan Jesaja 59:17, waar staat dat de Heer zelf Zich bekleedde met gerechtigheid als met een pantser en dat de helm van de redding op zijn hoofd was. Jesaja gaat dan verder met erop te wijzen dat God op deze manier wraak en vergelding op zijn tegenstanders, de satanische geesten, neemt. Een zuiver gedachteleven houdt het zielenleven vrij van slechte infiltraties en van verleidingen, maar het denken over de zorgvuldigheden van het natuurlijke leven trekt de christen weg uit de heilige sfeer van het rijk van God. Wie opgaat in catastrofale gesprekken van aardsgezinde kerkgangers, wordt niet vervuld met de Geest van God. Hij wordt dan gevangen gehouden in het spinnenweb van zinloze gedachten, die de conversatie van ongeestelijke mensen kenmerken.

Tegenover het zwaard van de misleider staat het zwaard van de Geest, dat is het woord van God dat uitgesproken werd door mannen, die door Gods Heilige Geest werden geïnspireerd. Met dit zwaard wordt een scheiding teweeg gebracht tussen goed en kwaad, tussen waarheid en leugen. Dit tweesnijdende zwaard dringt zo diep door, dat het in de christen het zielenleven uit elkaar scheidt en reinigt van de beïnvloedingen van de demonen (Hebr.4:12). De leugen wordt door het woord van God veroordeeld en overwonnen, terwijl de waarheid er door aan het licht wordt gebracht. Het vasthouden aan de waarheid maakt immers de mens vrij van de overheersing van boze geesten. De leugen en de ongerechtigheid proberen echter de waarheid te verbergen (Rom.1:18). Zijn zij ontmaskerd en verwijderd, dan komt het Koninkrijk van God in de mens tevoorschijn.

De bepaling ‘dat is Gods woord’ hoort niet alleen bij het zwaard van de Geest, maar ook bij de helm van de redding, want de gedachten van verlossing berusten op het woord van God en worden geïnspireerd door de Heilige Geest. Onze Heer hanteert zelf het zwaard van de Geest. In de Openbaring wijst Johannes hier meerdere malen op: ‘Uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard’; ‘dit zegt Hij, die het tweesnijdende scherpe zwaard heeft’; ‘en uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmee de heidenen te slaan’; ‘en de overigen werden gedood met het zwaard, dat kwam uit de mond van Hem, die op het paard zat’ (Openb.1:16; Openb.2:12; Openb.19:15, Openb.19:21). Ook weerstond onze Heer met het zwaard van de Geest de verzoeker, toen Hij zei: ‘Er staat geschreven’ en ‘er staat opnieuw geschreven’. Op deze manier is de soldaat in het verlossingleger van Jezus in staat om net als zijn Leider zich te weren tegen de satanische geesten in de hemelse gewesten.

‘terwijl u bij elke gelegenheid met alle gebed en smeken bidt in de geest en daarin waakzaam bent met alle volharding en smeking voor alle heiligen’ 18.

Wanneer men echt als strijder in de geestelijke wereld opgesteld is, moet men bidden, dat wil zeggen bezig zijn in de hemelse gewesten. Men moet zich daarom niet laten verleiden om op het natuurlijke vlak de strijd voort te zetten, hetzij door lichaamskracht, hetzij door redeneringen of discussies, hetzij door gevoelsargumenten. Wanneer men werkelijk de strijd van het geloof voert, moet men het natuurlijke leven buiten dit gevecht houden en zijn vrede, zijn blijdschap en zijn gerechtigheid onder geen beding laten roven. Het gebed is een wapen in de onzienlijke wereld. Men gebruikt het om de vijand te weerstaan, terug te dringen en te overwinnen en wel door lof- en dankzeggingen, die gericht zijn op de verheerlijking van God.

Ook de ‘bediening’ of het verdrijven van demonen kunnen wij een vorm van gebed noemen om een overwinning te behalen. Het belijden van bepaalde zonden voor de Heer is een bezig zijn in de hemelse gewesten. Tijdens het gebed kan men op de bres voor anderen gaan staan en bijvoorbeeld bewust de leden van zijn gezin heiligen. Men moet als geestelijk mens zo op zijn qui-vive zijn, dat men bij elke gelegenheid of zoals de meeste vertalingen hebben ‘te allen tijde’ in de geestelijke wereld werkzaam is. Er zijn mensen die menen dat zij daarom heel lang moeten bidden. Zij stellen het verplicht dit zelfs uren of hele nachten te doen. Op de vraag wat zij werkelijk verrichten, moeten zij het antwoord schuldig blijven. Jezus waarschuwde ervoor om niet tijdens het bidden in herhalingen te vervallen en zei: ‘Gebruik bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden’ (Matth.6:7).

‘Bij elke gelegenheid bidden’, is zich bij elke gelegenheid met zijn geest verheffen en vanuit de gedachten van God leven en bezig zijn. Wij menen dat het woordje ‘geest’ beter zonder hoofdletter kan worden geschreven, zoals de Leidse vertaling en die van Brouwer hebben. Er staat letterlijk ‘in geest’ bidden, wat betekent bezig zijn in de geestelijke wereld, dus een zich verheffen zoals Paulus dit deed (2 Cor.12:7). Wij kunnen ‘bij elke gelegenheid bidden’ denken aan het spreken in talen, waardoor wij kunnen loven en danken en tot God spreken, maar de demonen kunnen weerstaan en verdrijven. De apostel schreef immers: ‘Ik zal bidden met mijn geest, maar bidden met mijn verstand’ (1 Cor.14:15). Bidden kan men in het verborgen doen, maar ook in het openbaar, individueel en als gemeente.

Paulus noemt dan verder het ‘smeken’ in de geest. Het Griekse werkwoord ‘deesis’ betekent een sterke en onophoudelijke gebed in verband met een behoefte of nood. ‘Smeken’ heeft bij ons de gevoelswaarde nederig en ootmoedig iets verzoeken met de bijgedachte dat men een persoon moet ompraten en dus tot andere en betere gedachten brengen. Men hoeft voor God echter niet te gaan jammeren, want Hij wil altijd het goede. Het enigszins verouderde woord zouden we kunnen vervangen door: een verzoek of een petitie bij God indienen, zoals men dit wel bij de ‘hogere’ overheid doet. Men legt de Heer voor wat men in een bepaalde situatie nodig heeft aan wijsheid, inzicht, kracht, onderscheiding van geesten en uitkomst. Zo zei de weduwe telkens tot de onrechtvaardige rechter: ‘Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij’ (Luc.18:3). Wij zouden zeggen: Heer, toon mij, wie U bent en dat uw Woord de waarheid is, waarvoor de vijand moet wijken.

Men moet zich dus in de geestelijke wereld niet tot mensen om hulp wenden maar tot God. In 1 Timotheüs 5:5 wordt op deze manier gesproken over ‘volharding in smekingen en gebeden dag en nacht’. Voortdurend en onafgebroken moet men dus zijn verwachtingen op God richten en op zijn Woord. De mogelijkheid bestaat immers dat men de geestelijke strijd staakt en in het vlees verder gaat met het zoeken van een oplossing, of ophoudt op God te hopen en zijn verwachtingen op mensen gaat stellen en op verandering van omstandigheden.

Wij merken nog op dat de strijd in de geest niet vermoeit, omdat de ziel in rust en vrede blijft. Een gelovige strijd vanuit zijn zekerheid en vanuit zijn gezag in de onzienlijke wereld. Om deze strijd te kunnen voeren moet men wakker zijn of wakende met de ogen en oren open in de hemelse gewesten. Wij waken en strijden en leggen dan niet alleen de problemen van onszelf aan de Heer voor, maar die van ‘alle heiligen’, van het hele huisgezin van God, want wij zijn elkaars leden. In het natuurlijke leven vinden wij hiervan een voorbeeld. In Nehemia 4:14 waar staat: ‘Ik zag toe en stond op en zei tot de edelen, de leiders en het overige volk: Vrees toch niet voor hen; denk aan de grote en geduchte Heer en strijdt voor uw broers, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen’. Wie denkt aan de almachtige en ontzaglijke God, ziet niet op de omstandigheden, maar verplaatst zich naar de hemelse gewesten vanwaar zijn hulp en sterkte komt.

‘Bid ook voor mij, zodat mij het woord gegeven wordt bij het openen van mijn mond, om met vrijmoedigheid het geheim van het Evangelie bekend te maken, waarvan ik een gezant ben in ketenen, zodat ik daarin vrijmoedig mag spreken, zoals ik moet spreken’ 19,20.

Paulus weet dat de verkondiging van het ware evangelie een strijd in de hemelse gewesten ontketent. De overheden, de machten en vaak de wereldheersers van deze duisternis zullen rechtstreeks of door middel van mensen of door moeilijke situaties, te scheppen, proberen te beletten, dat het evangelie van behoud op de juiste manier en onder de juiste bewoordingen wordt gebracht. De prediking van het Koninkrijk der hemelen stuit op een enorm verzet in de geestelijke wereld en niemand weet dit beter dan zij, die zijn geroepen deze boodschap te verkondigen. De demonen worden immers door de prediking ontmaskerd, weerstaan, uitgedreven en overwonnen. Wij denken hierbij aan die speciale engel van satan die de apostel als met vuisten sloeg. Vanaf zijn roeping als gezant van Jezus Christus, vanaf het ogenblik dat hij op weg naar Damascus de opdracht ontving dat hij tot de heidenen zou worden gezonden om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van satan tot God, volgde deze duivelse begeleider Paulus op de voet.

In Openbaring 6 wordt vermeld dat de ruiter op het witte paard als Woord van God uittrekt, overwinnende en om te overwinnen. Maar de legers van de vijand zitten Hem op de hielen. Zo was het ook met Paulus. Om het Woord van God en zijn getuigenis hechtte die engel van satan zich aan hem. In samenwerking met de ‘geweldhebbers van de wereld’ wierp deze demon hem in de gevangenis. Ook oefende hij grote druk uit op de apostel, opdat deze ‘zijn vrijmoedigheid zou prijsgeven’ en zich niet meer zou ‘verheffen’ in de hemelse gewesten om daar boven de omstandigheden uit te komen en alles van ‘boven’ te bezien (Hebr.10:35 en 2 Cor.12:7). Paulus vraagt nu voor zichzelf om voorbede. Hij wil dat de broers en zusters door middel van het gebed, dus door bezig te zijn in de onzienlijke wereld, de strijd tegen de satanische demonen zullen opnemen. De overwinning wordt dan geïllustreerd als ‘de gezant in boeien’ die tot Agrippa zegt: ‘Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig’ (Hand.26:26). Letterlijk staat er: een gezant in de boei, waarbij het dan wel te ver gaat om alleen aan de voetboei te denken, waarmee de apostel aan de lijfwacht was gekluisterd. Verdrukking, vervolging, mishandeling, smaad en laster maken een persoon timide, klein en nietig en ontroven hem zijn waardigheid als mens. Dit was dus de bedoeling van de engel van satan wanneer deze weer toesloeg. Ook de andere apostelen onderkenden dit gevaar, want zij baden: ‘Heer, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken’ (Hand.4:29).

Het was moeilijk voor de apostel het geheim van het Koninkrijk van God te belijden en te zeggen: ik ben een koning, een priester, een overwinnaar en een uitverkorene, want in de maatschappij leek hij meer te horen bij het ‘uitschot’ of tot ‘het uitvaagsel van de wereld’ (1 Cor.4:13). De opnieuw geboren christen heeft vrijmoedigheid nodig om ‘in verdrukking en verachting’ zich bewust te blijven wie hij in Christus is, want hij hoort de satanische haat:

  • Waar is jouw God op wie jij je vertrouwen hebt gesteld?

Gevangenschap en boeien beletten de apostel het evangelie vrijuit te brengen, maar hij kon toch schrijven: ‘Mijn evangelie, waarvoor ik kwaad lijd en zelfs boeien draag als een misdadiger. Maar het woord van God is niet geboeid’ (2 Tim.2:9). Daarom vraagt hij voorbede om meer vrijmoedigheid, dat is om meer onbevangenheid en meer innerlijke zekerheid. Naar het natuurlijke leven is de apostel immers vleugellam en daarom moet hij het wel voor de volle honderd procent van de overwinning in geestelijk opzicht hebben. Het is voor een prediker bijzonder belangrijk het evangelie zonder remmingen te kunnen brengen. Men kan immers wel de juiste gedachten en voorstellingen hebben, maar als deze niet op de goede wijze doorgegeven worden, wekken ze misvattingen op.

Zo schreef Petrus over de brieven van Paulus, dat daarin een en ander moeilijk te begrijpen was. Dit gaf onontwikkelde en onzekere lezers de gelegenheid om zijn woorden tot hun eigen verderf te gaan verdraaien (2 Petr.3:16). De woorden van de apostel vielen dus verdraaid in hun hart. Het woord kan echter verdraaid tevoorschijn komen, zoals iemand bij het typen goede zinnen kan bedenken, maar de lettertekens verkeerd aanslaat. Dit geeft dan bij het lezen problemen. Paulus vraagt daarom voorbede, opdat zijn kostbare gedachten begrijpelijk zouden overkomen en dat de geesten van verwarring hun slag niet zouden kunnen slaan. De inhoud van de prediking moet de mensen kunnen bereiken, doordat er een goede woordkeus en een goede samenhang van zinnen aanwezig zijn.

De geadresseerden moesten bidden dat de apostel ‘bij’ of beter ‘met’ het openen van zijn mond het juiste woord zou spreken en schrijven. Deze wel zeer uitvoerige omkleding van dit verzoek om voorbede wijst erop, dat dit voor de apostel van groot belang was. Hij was zeker geen welbespraakte Apóllos, want men zei zelfs: ‘Zijn brieven zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijke verschijning is zwak en zijn spreken betekent niets!’ (2 Cor.10:10). Ook wist de apostel dat het van de wet bevrijdende evangelie van Christus de oorzaak was geweest van zijn gevangenschap. Het geheim hield immers in dat in het Koninkrijk van God de middelmuur van de afscheiding tussen Jood en heiden was neergehaald. Daarom had het de haat van zijn joodse volksgenoten opgewekt en dit doet het nog bij hen die door vrome geesten worden geleid. Daarom was de gezant van God geketend en had men hem monddood willen maken. Vanuit deze overwegingen bleef Paulus om voorbede vragen, opdat hij het ‘Christus-geheimenis’ met vrijmoedigheid zou mogen blijven verkondigen. Of dit een groter lijden over hem zou brengen vanwege die engel van satan, was daarbij voor hem niet in het geding.

Mededeling – Groet

‘En zodat ook u weet hoe het met mij gaat en wat ik doe, zal Tychicus, de geliefde broer en trouwe dienaar in de Heer, u dat allemaal bekendmaken. Met dat doel heb ik hem naar u toe gestuurd, zodat u onze omstandigheden zou kennen en hij uw hart zou vertroosten’ 21,22.

De apostel gaf zijn brief mee aan Tychicus, die ook de brief aan de Colossenzen bij zich had (Col.4:7). Ook de brief aan Filémon die te Colosse woonde, werd door hem meegenomen. Tychicus zou de broers en zusters te Efeze en die in de andere plaatsen waarvoor deze brief was bestemd, van de particuliere omstandigheden van Paulus, naar lichaam ziel en geest, op de hoogte brengen. Niettegenstaande alle zorgen waren deze zo, dat de broers zowel in Efeze als in Colosse, niet over de apostel verdrietig hoefden te zijn. Tychicus kon hen opbeuren, ook ten aanzien van de situatie van de medewerkers van de apostel. Wat een mooi getuigenis van de fijne band tussen de broers en de apostel.

Wat de persoon van Tychicus betreft, staat in Handelingen 20:4 dat hij en Trófimus uit Asia kwamen. In Handelingen 21:29 wordt meegedeeld dat Trófimus afkomstig was uit Efeze, de hoofdstad van Asia. Het ligt dus voor de hand te denken dat Tychicus ook uit deze stad kwam. Ook in 2 Timotheüs 4:12 staat dat Tychicus door Paulus naar Efeze werd gezonden. Hij heeft dus via Colosse een hele rondreis moeten maken om Efeze te bereiken. Ongetwijfeld heeft hij enkele afschriften van deze belangrijke brief bij zich gehad om die in andere gemeenten af te geven, of hij heeft de eigenlijke brief zelf ter plaatse voorgelezen. In de ‘inleiding’ merkten we op, dat in enkele handschriften de naam ‘Efeze’ ontbreekt. Waarschijnlijk heeft Paulus evenals hij dit met het zestiende hoofdstuk van de Romeinenbrief heeft gedaan, een afzonderlijk begeleidend schrijven voor de gemeente in Efeze meegegeven. Dit bijvoegsel kennen wij echter niet. Dit zou verklaren waarom de persoonlijke mededelingen aan een gemeente, waar hij drie jaar lang had gewerkt en waar hij zoveel had beleefd, zich slechts tot deze twee verzen beperken.

Vergelijk daarmee eens het slot van de Colossenzenbrief en ook dat van de kleine brief aan Filémon, dat in beide gevallen veel uitgebreider privé-aanwijzingen bevat. In deze brief waar Paulus tot zulke ongekende hoogten in zijn denken geklommen was, missen we eigenlijk het verheven einde, zoals we dit in de begeleidende brief aan de Romeinen in het laatste hoofdstuk vinden. Ook ontbreekt het eigenhandige slot, waarmee Paulus zijn brieven gewoon was te ‘ondertekenen’ (2 Thess.3:17). Alles wijst er dus op, dat de broers in Efeze nog een begeleidende brief hebben ontvangen, die voor andere gemeenten van geen belang was en die voor ons onbekend is gebleven. De ‘strijdmakkers’ van Paulus moeten wel zeer toegewijde christenen zijn geweest, omdat zij geen eer van mensen ontvingen, maar wel veel tegenstand en verachting moesten incasseren.

Tychicus was een man op wie Paulus aan kon. Hij was de geliefde broer en trouwe dienaar in de Heer. Hij was dus de apostel zeer dierbaar en voor deze was het een offer hem weg te laten gaan. Deze trouwe ‘dienstknecht in de Heer’ stelde het welzijn van de gemeente boven zijn persoonlijke belangen. Hij was ‘een heilige, toegerust tot dienstbetoon’. Van deze broer schreef Paulus waarschijnlijk, dat hij diens toewijding in vele zaken had leren kennen en dat zijn lof om zijn evangeliewerk door al de gemeenten verspreid was (2 Cor.8:18,22). De vijf keer dat zijn naam in de Bijbel vermeld wordt, staan alle in verband met zijn ‘dienstreizen’. Hij is een voorbeeld van een christen, die zijn schatten niet op aarde verzamelt, maar in de hemel. Voor deze dienstknecht zou ongetwijfeld gelden: over weinig bent u trouw geweest, over veel zal Ik u stellen!

‘Vrede zij de broers en liefde met geloof, van God de Vader en van de Heer Jezus Christus. De genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus in onvergankelijkheid liefhebben. Amen’ 23,24.

De apostel eindigt met een kort zegengebed, die bestemd is voor alle leden van de gemeenten waar zijn brief zou worden gelezen of zou worden bestudeerd zoals ook in onze tijd. Hij wenst de broers en zusters innerlijke vrede toe, dus ongestoorde levensontplooiing te midden van hun geestelijke strijd. Ook voor hen geldt net als voor de apostel van de Heer, de oude Romeinse zinspreuk: ‘Verlangt u naar vrede, bereidt u voor tot de oorlog’.

Wie de slag in de onzienlijke wereld waarover Paulus in dit hoofdstuk schreef wint, behoudt zijn vrede met God, de rust in zijn geweten en kan streven naar vrede met alle broers en zusters en alle mensen. De liefde die de apostel toe bidt, is de ‘agapè’, de zuiver geestelijke toegenegenheid die niet vraagt, maar schenkt. Zij berust niet op emotionele of verstandelijke overwegingen, maar is gegrond in een geloof, dat in de onzienlijke regionen functioneert en daar gemeenschap met God, de Vader, schenkt, die liefde is; en met de Heer Jezus Christus die deze liefde heeft geopenbaard. Als wij God van harte liefhebben en zijn Woord geloven, zullen wij ons ook positief opstellen tegenover onze broers en onze naasten. Het geloof door liefde werkende, rust de heiligen toe om te dienen. Geloof en liefde zijn de twee dragende krachten van het ware christelijke leven. Zij voeren tot de eenheid van het geloof en tot de volle kennis van de Zoon van God. Deze liefde is onvergankelijk, omdat zij evenals het geloof en de hoop blijvend is. Wie in Christus ontslaapt, blijft met Hem voor eeuwig door de band van de liefde verbonden.

Paulus eindigt zijn brief zoals hij hem begon, namelijk met het toewensen van genade, dus met de hele samenvatting van alle ‘geestelijke zegen in de hemelse gewesten’. Hij bidt deze genade toe aan allen – ook in onze tijd – die onafgebroken en onwankelbaar met de Heer zijn verbonden en die Hem liefhebben ‘in onverderfelijkheid’ (St. Vert.). Voor een korte tijd waren zij beneden de demonen gesteld (Hebr.1:1-14), maar zij zullen als overwinnaars in onvergankelijke heerlijkheid met hun verhoogde Heer zitten op zijn troon, zoals ook Hij heeft overwonnen en met zijn Vader in diens hemelse troon zit.

De lezer die deze niet eenvoudige brief na tweeduizend jaar gelezen en bestudeerd heeft, vraagt zich nu af: heeft hij mij dichter bij het doel gebracht, waartoe Paulus hem schreef, namelijk: ‘Vrede, liefde, geloof en genade’?