12. Kinderen en ouders – Slaven en heren

Efeziërs 6:1-9

‘Kinderen, wees uw ouders gehoorzaam in de Heer, want dat is recht. Eer uw vader en uw moeder – dit is immers het eerste gebod, met een belofte – zodat het u welga en u lang leeft op aarde’ 1-3.

Net als in Colossenzen 3:20 volgen hierna de mannen en vrouwen, de kinderen met de ouders, en daarna de slaven met hun meesters. Opmerkelijk is dat de bepaling ‘in alles’ hier ontbreekt, terwijl wij in hoofdstuk 5:24 lezen, dat de vrouw ‘in alles’ haar man onderdanig moet zijn en in Colossenzen gezegd wordt: ‘Kinderen, gehoorzaam uw ouders in alles, want dit is zoals de Heer het wil’. Het is opmerkelijk dat in onze tekst niet staat ‘want dat is recht in de Heer’, overeenkomstig de paralleltekst in Colossenzen, maar ‘wees uw ouders gehoorzaam in de Heer’. Sommige vertalingen zoals die van Brouwer missen de bepaling ‘in de Heer’, terwijl onze nieuwe vertaling haar tussen haakjes zet. Dit is dus wel een bewijs dat de diverse handschriften verschillen hebben. Wij zijn van mening dat de bepaling ‘in de Heer’ er niet later is bijgevoegd, juist omdat ze een meer precieze aanduiding van de verschuldigde gehoorzaamheid van de kinderen aangeeft dan in Colossenzen het geval is.

Bij het voorlezen van de brief zien wij als het ware het hele gezin aanwezig. De christelijke man met zijn gelovige vrouw luistert aandachtig naar de vermaningen met betrekking tot hun huwelijk. Zij beloven elkaar meer lief te hebben dan ooit tevoren en zich meer aan elkaar te wijden. Zij verlangen één ziel te zijn in één lichaam, zodat zij het grote mysterie van het hemelse huwelijk tot uitdrukking zullen brengen. Er is liefde tussen ouders en kinderen, tussen broers en zusters, maar de huwelijksband en de huwelijksliefde gaat dit alles te boven. Een waarschuwing voor moeders die hun kinderen meer liefde bewijzen dan hun man!

Nu richt de voorlezer van de brief zich tot de kinderen, die dus geacht worden in de samenkomst aanwezig te zijn. Anders zou alleen gezegd moeten worden, dat de ouders hun kinderen het goddelijke gebod van de gehoorzaamheid zouden moeten doorgeven en voorhouden. Aparte kindersamenkomsten zijn iets uit onze tijd. Hierover zou natuurlijk het een en ander zijn op te merken, als wij wisten in hoeverre de kinderen vroeger bij de diensten waren betrokken. De kinderen horen dus in de gemeente en zij moeten hun moeders zowel als hun vaders gehoorzamen.

Paulus verbindt dit gebod niet met een bedreiging of met de straf van het helse vuur, maar alleen met de aanwijzing dat zij met hun ouders ‘in de Heer’ zijn. Ook nu grijpt de apostel terug naar de oorspronkelijke bedoeling van God ten opzichte van de gezagsverhoudingen in het gezin. Hij spreekt over ‘recht’ of over de wet van God zoals deze vanaf het begin het natuurlijke leven regelde. Wij zagen dit al bij de relatie tussen man en vrouw. Dezen zullen allereerst ‘in de Heer’ moeten zijn. Dan kan de vrouw gemakkelijk haar man dienen en wanneer beide ouders naar de regels van het Koninkrijk der hemelen leven, is het gemakkelijk voor hun kinderen hun vader en moeder te gehoorzamen. Zij kunnen er alleen maar wèl bij varen. Als de sfeer thuis goed is, wanneer er liefde en eendracht in het gezin heersen, zal een kind zonder tegenzin zijn ouders eerbied bewijzen. Dan gaat alles naar het recht of naar de scheppingswet. De ouders leren dan de kinderen in de wegen van de Heer te wandelen (Gen.18:19). Zij zijn dan van hun kant hun hemelse Vader gehoorzaam.

Wanneer vader en moeder echter niet ‘in de Heer’ zijn, werkt de wet van God niet meer in zo’n gezin. Wanneer de ouders gebonden zijn, wanneer vader driftig is en moeder grillig of wispelturig, kan een kind moeilijk gehoorzamen. Dan reageert het op gebondenheden van zijn ouders die de nodige liefde en zelfbeheersing missen. Wat een slecht voorbeeld geven bijvoorbeeld die ouders die geen enkele visie hebben op opvoeden of zelf ergens aan verslaafd zijn en zelf regelmatig sterke drank en drugs gebruiken! Vanaf het begin heeft God de kinderen aan de ouders toevertrouwd om hen op te voeden naar geest, ziel en lichaam. De ouders zijn verplicht hun kinderen goed te verzorgen en op de goede weg te brengen; daarom zullen zij net zoals hun Heer dit deed, in alles het voorbeeld moeten geven.

Wanneer een kind ongehoorzaam is, valt het niet te leiden. Wanneer het niet naar de wet van God noch naar zijn ouders luistert, kan het zich soms nog wel eens richten op buitenstaanders die in dit opzicht de ouders kunnen helpen. De ouders mogen dan dankbaar zijn dat er nog vaak broers en zusters zijn, die een charisma hebben om kinderen, die het moeilijk hebben, op te vangen. Ongehoorzame kinderen worden door boze geesten geleid. Daarom staat er niet: wie zijn ouders niet eert, wórdt vervloekt, maar is vervloekt, dat wil zeggen is een prooi van de demonen.

Ongehoorzaamheid is zonde van de toverij, omdat in beide gevallen de mens of het kind bewerkt wordt door kwade geesten. Ongehoorzaamheid aan ouders wordt steeds in de Bijbel als een symptoom van slecht menselijk leven genoemd. Zij is een gevolg van een verwerpelijk denken (Rom.1:30). Zij is een teken van de eindtijd wanneer de demonen actief worden, want we lezen in 2 Timotheüs 3:2 dat in de laatste dagen de kinderen aan hun ouders ongehoorzaam zullen zijn. Het is dus vanzelfsprekend dat een kind zijn ouders gehoorzaamt. Dit doet het van nature. Bovendien heeft God aan het gehoorzamen van vader en moeder nog een belofte verbonden, namelijk dat het de kinderen goed zou gaan en dat zij een lang leven op aarde zouden hebben.

Wanneer in het beloofde land het volk uit goede gezinnen bestond waar vrede en harmonie heersten, zou de Heer kunnen voorzien in voorspoed en in een gezond leven. In dit opzicht staat dan Israël als deel voor het geheel. Als heel Israël ‘behouden’ wordt, zijn we in de tijd dat de hele aarde met alle volken wordt behouden. De wetten van God voor het gezinsleven zullen na de overwinning van de zonen en dochters van God in Armageddon door de hele mensheid worden onderhouden. Natuurlijk zal bij een kind of ouder die goed leeft, dit merkbaar zijn in zijn levensduur. Wetteloosheid verkort immers het leven. Wij menen echter dat deze woorden m.b.t. een lang leven op aarde hoofdzakelijk een eschatologische betekenis hebben. De apostel erkent immers nergens dat het aardse welzijn een levensdoel van de christen moet zijn. Wel zullen eenmaal de zachtmoedigen en de gehoorzamen de aarde erven. Zachtmoedigheid en gehoorzaamheid aan het gezag zijn onmisbare eigenschappen voor de ware christen.

Waarschijnlijk bedoelt de apostel met het ‘eerste gebod’ de eerste regel van de tweede tafel van de wet. Zo noemt hij in Romeinen 13:9 bij de vervulling van de wet alleen de geboden uit de tweede tafel. Hetzelfde doet Jezus in Mattheüs 19:17. Paulus richt zich hier immers tot christenen die bijzonder goed waren onderwezen in het geloof aan God en in de leer van het Koninkrijk der hemelen. Zij hadden zich niet anders te gedragen t.o.v. hun naaste dan God met hen had gehandeld in Christus Jezus!

En vaders, wek geen toorn bij uw kinderen op, maar voedt hen op in de onderwijzing en de terechtwijzing van de Heer’ 4.

De vaders in de gemeente ontvangen in negatieve en in positieve zin een vermaning t.o.v. de opvoeding van hun kinderen. Zij zijn immers de verantwoordelijke leiders in het gezin, maar wij mogen ook de moeders niet vergeten met hun rechten en hun vaak grote invloed. Het woord ‘patéres’ wordt wel voor beide ouders gebruikt, zoals in Hebreeën 11:23. De ouders mogen hun kinderen niet provoceren of irriteren, zodat deze boos worden of verbitterd. Hun geest gaat zich dan verzetten tegen het ouderlijke gezag. Dit werkwoord dat door ‘verbitteren’, ‘prikkelen’ of ‘tot verwekken van’ is vertaald, komt driemaal voor in het Nieuwe Testament, en wel in Romeinen 10:19, in onze tekst en in Colossenzen 3:21, waar de parallelle vermaning staat: ‘Vaders, prikkel uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden’. Dit kan gebeuren door negatieve opmerkingen, door kritiek, door minachting, door gebrek aan respect, door onverschilligheid, waarbij men het kind negeert of het de rug toedraait als teken dat men niet wenst te luisteren en bovenal door gebrek aan gevende ouderliefde.

Men kan de kinderen prikkelen door hen steeds de daden voor te houden waarmee zij in het verleden in de fout zijn gegaan, of door eindeloze ‘goed bedoelde’ overbodige vermaningen, die onnodig zijn, omdat het kind heel goed weet dat het verkeerd deed. Vaak komen deze negatieve opmerkingen voort uit bezorgdheid van de ouder, dus uit een negatieve levenshouding, of uit angst voor de toekomst van het kind, ofwel uit een behoefte dat het kind zijn ongelijk tegenover de ouder erkent. Vaders, zegt de apostel, geef satan geen ruimte, zodat deze zijn slag kan slaan. Wanneer ouders menen hun kinderen te moeten bestraffen, zullen zij er toch eerst zeker van moeten zijn, dat zij zelf losstaan van de beïnvloeding van de demonen. Wanneer een vader driftig wordt, te keer gaat of slaat, is hij niet gelijk aan het beeld van zijn Heer, de Mensenzoon. Dan hebben demonen hem te pakken en kan hij beter zelf eerst tot bezinning komen. Is hij rustig en staat hij onder leiding van Gods Geest, dan is hij in staat te vermanen en terecht te wijzen naar de wil van de Heer. Het doel van alle vermaning is immers om bij het kind liefde tot God op te wekken, die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een oprecht geloof (1 Tim.1:5).

Wie in zijn opvoeding geweld gebruikt, staat buiten het Koninkrijk van God, want God haat alle geweld. Dit biedt slechts een schijnsucces, want men gebruikt een machtsmiddel dat de ongelovige hanteert. In het oude verbond waar men geen kennis van het Koninkrijk der hemelen had, leidde dit geweld soms tot steniging van de ongehoorzame zoon. Men had dan mét de jongen de macht buiten spel gezet. Wie geweld gebruikt, staat niet onder leiding van de Heilige Geest. Ouders, gebruik je autoriteit niet op de verkeerde wijze, en probeert jezelf niet te handhaven, maar handel zo dat er geestelijk goede resultaten geboekt worden. Wie zich beroemt op het geweld, dat hij bij de opvoeding van zijn kinderen gebruikt, spreekt naar de wijsheid van deze wereld: ‘Dat is niet de wijsheid, die van boven komt, maar zij is aards, ongeestelijk, duivels’ (Jac.3:15). Van Jezus werd gezegd: ‘Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat – vanwege het bulderen binnenshuis – doen horen’ (Jes.42:2). Maak eerst het kind los van de demonen, voordat je begint te vermanen en terecht te wijzen. Vaak is zwijgen, dat voortkomt uit een grote mate van zelfbeheersing, ‘goud’.

‘Voedt hen op in de onderwijzing’. Het NBG zegt hier: ‘voedt hen op in de tucht’. Het woord ‘tucht’ komt van het werkwoord ‘trekken’, vergelijk ‘tocht’. Het Latijnse woord is ‘ductio’ dat leiding betekent. De tucht van de Heer bestaat hierin, dat men probeert een kind weer op het goede pad te ‘trekken’ en het tot gehoorzaamheid aan zijn ouders en daarmee tot God te brengen. Een ongehoorzaam kind staat onder invloed van een boze geest. Deze kun je er niet uitkrijgen door verwijten, door dreigen, door schreeuwen en door slaan. De tucht van de Heer trekt een kind onder de demonen weg en de terechtwijzingen brengen het weer op het rechte pad. Het Griekse woord voor tucht is ‘paideia’, waarmee ons woord pedagoog in verband staat. De Statenvertaling heeft daarom: ‘Voedt hen op in de lering en vermaning van de Heer’. Vaders zullen zich moeten herinneren dat zij zelf eenmaal kinderen waren. Claim geen rechten voor jezelf, wanneer je niet tegelijkertijd duidelijk begrip en respect opbrengt voor de heilige rechten van je zoon of dochter op jouw liefde en barmhartigheid.

Een kind is voor de ouder in zekere zin een deel van zichzelf, evenals dit het geval is bij de man ten opzichte van zijn vrouw. Daarom verzorgen vader en moeder hun kind met tederheid en liefde. De autoriteit van de vader zoekt niet allereerst zijn eigen welzijn, maar zij is hem een tijdsperiode geschonken om herderlijk toezicht te houden op een zich ontwikkelend mensenleven. Voed daarom uw kinderen op van goed naar beter! Doe dit in de discipline en vermaning van de Heer, dit wil zeggen met geestelijk inzicht en bezield met zijn liefde. Wie een goede God als Vader heeft, die alleen goed is en goed doet, moet zelf een goede vader zijn, ‘Die aan ieder overvloedig geeft en geen verwijten maakt’ (Jac.1:5). Wanneer de Bijbel ons leert dat God ons de zonde niet toerekent, zullen wij dit niet doen bij onze kinderen.

Slaven en heren

‘Slaven, wees, evenals aan Christus, gehoorzaam aan uw heer naar het vlees, met vrees en beven, oprecht van hart, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar als slaven van Christus; doe zo van harte de wil van God en dien met bereidwilligheid de Heer en niet de mensen’ 5-7.

De derde categorie wordt door de slaven en hun bazen gevormd. Uit de vermaning kan men afleiden dat er heel wat slaven in Efeze moeten zijn geweest. In de grote steden in het bijzonder bestond soms meer dan de helft van de inwoners uit slaven. De slavernij was het grote maatschappelijke probleem in die tijd. Het valt ons op dat noch Jezus noch zijn apostelen veel woorden spraken of een daad verrichtten om de slaven vrij te krijgen. Het Koninkrijk van Jezus was nu eenmaal niet van deze aarde. In 1 Corinthiërs 7:21 merkt Paulus op: ‘Bent u als slaaf geroepen, maakt u zich daarover geen zorgen, maar als u vrij kunt worden, maak er dan te meer gebruik van’. Het christendom zou als een zuurdesem moeten doorwerken, om de mens naar geest, ziel en lichaam de vrijheid te verschaffen.

Het bestaan van de slavernij was in de antieke wereld heel gewoon. Men kon zich geen samenleving voorstellen zonder slaven. Dit zou men zich vandaag eens goed moeten realiseren, zonder alles van vroeger maar verachtelijk te vinden en alle goeds van de vorige eeuwen af te kraken en te vernielen. Ook de Joden kenden de slavernij. Bij hen werden krijgsgevangenen als slaven verkocht. Ook schuldenaren die niet aan hun verplichtingen voldaan hadden, raakten soms met hun gezin in slavernij. 

Er waren natuurlijk verschillende soorten van slaven, vanaf de analfabeet die voor lichamelijk werk werd gebruikt tot de beschaafde en geleerde Griekse slaaf, die met zijn heren discussieerde en filosofeerde. Ook de pedagoog die de kinderen begeleidde, was een slaaf. In het Nieuwe Testament is herhaaldelijk sprake van slaven. Denk alleen maar aan de gelijkenissen waarin zij voorkomen. Er wordt gesproken over het verkopen en folteren van slaven (Matth.18:25,34). Er waren slaven als rentmeesters en als leiders van een huisbedrijf (Luc.12:42 en 16:1). Zij droegen dan de naam van ‘econoom’.

Ook zijn er in die tijd slaven die portier zijn of bewakingsdiensten verrichten (Matth.24:45,46, Luc.12:36,37 en Marc.13:34). We kennen namen van slaven en slavinnen als Malchus, de slaaf van de hogepriester (Joh.18:10) en van Rhóde, de slavin van Maria, de moeder van Johannes Marcus (Hand.12:13) en van Onesimus, de slaaf van Filémon. We zien hoe in een christelijk gezin een meisje als Rhóde (Roosje) met het gezin meeleeft. Als Petrus aan de voordeur klopt, doet ze snel de deur open. Het meisje is al even blij met de bevrijding van de apostel als haar meesteres en haar vrienden. Een slaaf had toen geluk wanneer hij een christen als baas had. In een apologetisch geschrift dat in het klooster op de Sinaï gevonden werd, wordt het leven van de christenen beschreven. Over de slavernij wordt opgemerkt:

  • ‘Maar op grond van de liefde die zij hebben voor slaven en slavinnen en voor de kinderen van dezen die sommigen bezitten, onderwijzen zij dezen, opdat zij christenen worden. Wanneer ze dan christen zijn, worden ze broer of zuster genoemd zonder enig verschil te maken’.

In de eerste christengemeenten waren veel slaven en slavinnen. Zo zijn in Romeinen 16 Amphátus, Tryféna en Tryfósa, Pérsis en Flégon hoogstwaarschijnlijk, aan hun namen te zien, slaven of slavinnen geweest. De heiden Celsus, een vijand van het christendom, merkt op dat de nieuwe godsdienst er een was van eenvoudigen, slaven, vrouwen en kinderen. Er waren wel aanzienlijken onder hen zoals de Handelingen vermelden: Lydia, Cornelius en de Areopagiet Dionysius, maar uit de onbeholpen inscripties in de catacomben blijkt wel dat het nieuwe geloof toch in het begin veel aanhangers vond onder de lagere volksklassen. Het christendom verklaarde de slaven gelijk met de vrije mensen. Ook zij waren koningen en priesters in de geestelijke wereld. Er was geen onderscheid meer: ‘tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus’ (Col.3:11). Dit hield echter niet in dat de slaven in de natuurlijke wereld uit hun ondergeschikte positie waren verlost. Zij moesten aan hun heren gehoorzaam zijn.

In de oorspronkelijke tekst klinkt dat ‘vrees en beven’ beslist niet zo hard als het volgens de vertalingen wel kan lijken. Er wordt niets anders uitgedrukt dan innerlijke en uiterlijke achting, het erkennen van de hogere plaats van de heer en de daaraan beantwoordende eerbiedige houding. ‘Oprecht van hart’ betekent dat deze slaven naar de inwendige mens alleen geleid werden door de Geest van God en niet door andere geesten, die hen deden gehoorzamen en zich aan hun heren deden onderwerpen vanuit verkeerde redenen. De slaven moesten dit alles doen om de wil van de Heer en niet om bij hun bazen in een goed blaadje te komen, of om er beter van te worden.

Zij moesten hun heren gehoorzamen, omdat zij als christenen in de onzienlijke wereld van God gehoorzaam waren en Hij het zo wilde. Zoals zij in de geestelijke wereld de wil van God deden en bereidwillig dienstbaar waren aan hun Heer, niet om door mensen te worden gezien, zo moesten ze in het natuurlijke leven de wil van hun patroon van harte en met goedwilligheid uitvoeren. Paulus keurt hiermee de slavernij niet goed en stelt ze niet voor als van God gewild, maar gaat van het principe uit dat hij in Romeinen 13:1 noemt, dat alle ziel zich vrijwillig zal onderwerpen aan de wereldgeesten, dus aan de ordenende menselijke geesten voor zover dit niet inging tegen de geboden van de Vader (Hand.5:29). God heeft deze structuur in zijn schepping gelegd, waarmee natuurlijk niet gezegd is, dat overheden, wereldgeesten en werkgevers de wil van God, het goede, welgevallige en volkomene nastreven.

Waar het christendom verscheen, drong niet alleen de emancipatie van de vrouw door, maar ook die van de slaven en arbeiders, want onderdrukking en vrijheidsberoving zijn zaken die niet door God zijn gewild. In de voorspelde wetteloosheid in de laatste dagen hebben arrogantie, onfatsoenlijkheid en gezagsondermijning de eerbied en het respect tegenover ouders, ouderen en meerderen verdrongen. Wij zien overal dat het gezag wordt aangetast, omdat de overheden zelf de wetteloosheid uitgebreid faciliteren en promoten: ‘De knaap zal op de oude en de verachte op de geëerde losstormen’ (Jes.3:5). In deze gezagscrisis voert de goddeloze overheid bij gebrek aan beschaving en fatsoen met wetteloosheid de boventoon. Voor de ware christen geldt, dat hij bezadigd zal zijn, beschaafd, niet opvliegend maar vriendelijk (1 Tim.3:2,3). Dan zal hij zich zonder enige stoornis kunnen onderwerpen aan het (nog resterende) gezag dat God boven hem gesteld heeft.

‘U weet immers dat wat ieder aan goeds gedaan heeft, hij dat van de Heer terug zal krijgen, hetzij slaaf, hetzij vrije’ 8.

De christen, hetzij slaaf of heer, verzamelt zich schatten in de hemel en hij ontvangt voor zijn doen en laten op aarde, loon, namelijk het kleed van de gerechtigheid dat beslissend is voor zijn eeuwige statuur als geestelijk wezen. Dit laatste wordt dan niet voor de slaaf als goedkope of banale compensatie voorgehouden vanwege zijn moeilijk leven op aarde, maar de beloning is reëel. Deze visie verandert hem immers innerlijk en geeft vrede, rust en blijdschap. De apostel stond er in dit opzicht niet beter voor als de slaaf. Hij kon schrijven: ‘Als wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen’ (1 Cor.15:19).

Ook schreef hij dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ons zal worden geopenbaard (Rom.8:18). Een christen heeft geen minderwaardigheidsgevoel omdat hij minder verdient of een lagere positie bekleedt. Paulus werd dag aan dag door een engel van satan gekweld. Hij werd op zijn reizen zo vaak vernederd en geslagen, dat hij in veel dingen niet meer was dan een niets bezittende slaaf. Wát de christen, hetzij slaaf of heer, op aarde moet doen, hij doet dit alles voor God en hij toont in alles dat hij een dienstknecht van zijn Heer is. Als wij ons even de tijd indenken toen deze brief werd geschreven, zien wij dat de laaggeplaatste en geringe voor het eerst in de geschiedenis vernam, dat zijn beloning in de dag van het oordeel niet minder zou zijn dan die van zijn heer of van een voorname vorst of regeringspersoon. Bij een juiste plichtsgetrouwheid zou zijn loon zeer groot zijn in de hemelen!

‘En heren, doe hetzelfde bij hen; laat het dreigen achterwege. U weet toch dat uw Heer in de hemelen is en dat er bij Hem geen aanzien van de persoon is’ 9.

Ook de bazen hebben dezelfde Heer als hun slaven. Aan de uitspraak: ‘Want wie onrecht doet, zal zijn onrecht terug ontvangen en er is geen aanzien van de persoon’ in Colossenzen 3:25 wordt nu toegevoegd: ‘bij Hem’. Hiermee wordt Christus als grote rechter door de apostel aangewezen. Van de eigenaren van de slaven verlangt hij dat zij in hun gedrag t.o.v. hun slaven zich laten leiden door een christelijke gezindheid en waardigheid. Paulus wijst mogelijk op een manier van leven die in bepaalde gezinnen gewoon is. De vriendelijke sfeer wordt telkens verstoord door de manier van spreken van de heer des huizes. Hij dreigt en wil dus zijn positie met geweld handhaven. Hij dwingt gehoorzaamheid of dienstbaarheid af door angst voor straf. Paulus wijst erop dat de christen in de voetsporen van zijn Meester moet wandelen. Deze dreigt niet en verwijt niet. Hij vraagt gehoorzaamheid op basis van vrijwilligheid en schenkt altijd royaal en verwijt niet.

De gedachte dat wij een dreigende God zouden hebben en dat wij daarom de mens moeten oproepen tot bekering vanwege de angst voor een naderend oordeel, is niet passend bij het evangelie van Jezus Christus. Deze boodschap berust alleen op het principe van de liefde. De dienstknecht en de baas die christen zijn, hebben beiden dezelfde Heer en bij Hem is geen onderscheid in de geestelijke wereld. Sociale verschillen op aarde hebben voor Hem geen geldigheid. Alleen de innerlijke waarde van de mens geeft de verschillen aan.