11 Vrouw en man in het huwelijk

Efeziërs 5:22-33

Vrouwen, wees aan uw man onderdanig als aan de Heer, want de man is het hoofd van zijn vrouw, net als Christus het hoofd is van zijn gemeente, Hij is het, die zijn lichaam in standhoudt. Welnu, zoals de gemeente onderdanig is aan Christus, zo de vrouw aan haar man, in alles 22-24.

De apostel Paulus schrijft in de Efezebrief zijn vermaning aan alle gelovigen en zonder onderscheid te maken tussen de seksen, dat men elkaar onderdanig moet zijn in de vrees van Christus. Petrus schreef aan alle gelovigen: ‘Wees allen elkaar onderdanig. Wees met nederigheid bekleed’ (1 Petr.5:5). Deze passages zijn dus ontegenzeglijk ook voorgeschreven aan mannen, maar ieder zal aanvoelen dat zij niet de bedoeling kunnen hebben, dat men zich dan maar stellen moet onder de eerste de beste die christen is geworden.

De apostel Paulus had vrouwen als medewerkers. In Filippenzen 4:3 schrijft hij: ‘En ik bid u… wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie’. Zo weten wij uit Romeinen 16:1,2 dat Fébe de apostel had geholpen. Prisca wordt daar in vers 3 medehelpster genoemd en in vers 12 worden Tryféna en Tryfósa vrouwen genoemd ‘die in de Heer werken’, net als Pérsis ‘die veel gewerkt heeft in de Heer’. Ook van deze medewerksters schrijft de apostel: ‘Nog een verzoek broers,… stel u dan onder (of onderwerpt u aan) ieder, die meewerkt en arbeidt’ (1 Cor.16:16). Zowel in Corinthe als in Efeze was Prisca een van de voornaamste medewerkers van Paulus. De opdracht voor de gemeente was om ieder die met Paulus meewerkte ‘onderdanig te zijn’. Zo zal een man zijn vrouw onderdanig moeten zijn, wanneer zij de zangdienst in de gemeente leidt en hij zal zich vaak moeten schikken onder de praktische leiding van zijn vrouw in het gezin. In een ver verleden had de man immers zijn taak buitenshuis en droeg de vrouw de verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken in het huishouden. Vandaag moeten beiden hard werken om nog financieel rond te kunnen komen. Alle (incl. zich ‘christelijk’ noemende!) overheden, roven nu driekwart van het gezinsinkomen voor hun krankzinnige utopieën en carrières. Daarbij zorgen ze goed voor eigen diepe zakken en oceanen vol wachtgelden. Wee hen.

Het is duidelijk dat ‘onderdanigheid’ in dit geval niet verwisseld moet worden met volstrekte ‘gehoorzaamheid’. Gehoorzaamheid betekent horen en doen. Dit woord wordt in de Bijbel meestal gebruikt in verband met slaven of kinderen. Onderdanig zijn betekent: bereidwillig zijn om iemand in bepaalde sectoren van het leven te gehoorzamen en hem ondergeschikt te zijn. Zo zal bijvoorbeeld een voorgaande broeder onderdanig zijn aan hem die een kostersfunctie vervult of zich schikken naar de uitspraken van een deskundige financiële commissie. Dat neemt echter niet weg dat hij hierover wel vragen kan stellen of opmerkingen kan maken over de manier waarop zulke personen hun functie vervullen. Dit hoeft een slaaf bij zijn meester of een kind bij zijn ouders niet te doen. Zij voeren uit wat hun gezegd wordt en dragen daarvoor geen verantwoordelijkheid.

De apostel gaat altijd uit van de scheppingshiërarchie en de wereldgeesten. Met wereldgeesten bedoelen wij de samenwerkende menselijke geesten, die het besturen van staat en maatschappij mogelijk maken en uitvoeren. In de geestelijke wereld vinden wij de diverse rangorden terug onder de engelen. Daarom kan de apostel schrijven, dat er geen overheid is dan oorspronkelijk door God ingesteld (Rom.13:1). Het huwelijk is een natuurlijke en voorbijgaande zaak, waar dus de ordenende wereldgeesten hun stem moeten hebben. Zo hebben wij: vader, moeder en kinderen, dus zij die leiding geven en die leiding ontvangen. Wij merken op dat het woord ‘onderdanig’ in vers 22 niet voorkomt, maar ingevoegd is. Wij zouden dan in verband met vers 21 de zin met de vertaling Brouwer kunnen lezen: ‘Wees elkander onderdanig in christelijke arbeid. De vrouwen aan hare mannen als aan de Heer’. Dit betekent dan dat we de plichten van de vrouw niet mogen uitbreiden tot buitensporige proporties, maar dat zij beperkt zijn. In Colossenzen 3:18 staat in dezelfde vertaling Brouwer: ‘Gij vrouwen, weest aan uw mannen onderdanig, gelijk het christenen betaamt’.

De onderdanigheid van de vrouw mag dus niet boven of liever beneden het normale uitgaan. Zij is een redelijk en zuiver denkend schepsel en heeft net als haar christelijke echtgenoot de Geest van God tot Leider. Wanneer valse leraars Paulus een verkeerde raad geven, schrijft hij: ‘Voor wie wij geen enkel uur geweken zijn om hun onderdanig te zijn’ (Gal.2:5 Lutherse Vert.). Zelfs weerstond hij openlijk de apostel Petrus, omdat het ongelijk aan diens kant was (Gal.2:11). Een onvoorwaardelijke, onverdeelde en ongetemperde onderdanigheid van de ene christen aan de andere, dus van de vrouw aan haar man, is nergens in de Bijbel voorgeschreven. Wanneer een man blindelingse gehoorzaamheid van zijn vrouw eist, zal hij aan zich laten zien dat hij een god is ten opzichte van haar. Dit zou de vrouw tot afgoderij voeren (2 Thess.2:4).

Wanneer daarom de apostel de onderwerping van de vrouw aan de man voorschrijft, is dit, omdat hij een aanleiding zoekt om de man voor te houden, hoe deze allereerst zelf het beeld van zijn Heer gelijkvormig moet worden, want Christus is ‘de Behouder des lichaams’ (St. Vert.), ‘de Heiland des lichaams’ (Lutherse Vert.) of ‘de Verlosser van het lichaam’ (Can. Vert.). Zoals Christus de gemeente in al haar geledingen goed wil laten functioneren, zo zal de man verantwoordelijk zijn voor de vrijheid en de zuiverheid van zijn eigen vrouw. Om met 1 Timotheüs 2:13 te spreken: ‘Want eerst is Adam geformeerd (dat is ontwikkeld) en daarna Eva’. Toen Eva er nog niet was, had Adam al een ontwikkelingsproces achter de rug. Het eten van de boom van kennis van goed en kwaad is Adam dus zwaarder aan te rekenen dan Eva, die op zoek naar kennis (een gezonde instelling), in een strik van satan viel.

Paulus bedoelt: zo gaat het met de emancipatie van de vrouw. Deze is eeuwen en eeuwen tegengehouden, maar de vrouw zal tot gelijke hoogte komen als de man, want in Christus is er geen verschil in sekse. Hij schrijft daarom: ‘Eerst Adam, dan Eva!’ Christus brengt zijn gemeente tot zelfstandigheid, zodat de zonen van God worden geopenbaard en zo zal de man meehelpen aan de ontplooiing en emancipatie van zijn vrouw. De christen-echtgenoot zal zijn vrouw verheffen uit de slavernij, waarin zij eeuwen lang verkeerde en haar de ware vrijheid doen leren kennen. Zoals de leden van de gemeente gemakkelijk aan hun Hoofd onderdanig kunnen zijn, omdat Hij de Behouder en Verlosser is, zo kan de vrouw vrijwillig onderdanig zijn aan een man die dezelfde intenties heeft. Zoals de gemeente in de geestelijke wereld, Christus als haar Hoofd erkent, zo zal de vrouw in de natuurlijke wereld haar man erkennen, omdat deze het beeld van zijn Heer hoort te dragen. Zo’n echtgenoot houdt zijn lichaam, dat is zijn vrouw, in stand!

In de onzienlijke wereld zorgt de Heer voor zijn gemeente, want Hij bouwt haar. Uit Hem komen de positieve impulsen voor het hele Lichaam. Hetzelfde geldt voor de echtgenoot ten opzichte van zijn vrouw en zijn gezin. Verder moet opgemerkt worden dat onze Heer Zich niet schaamt om de leden van zijn lichaam ‘broers’ te noemen. Zij zijn zijn soortgenoten, hoewel Hij in alles de eerste en de voornaamste is, zoals het hoofd het belangrijkste en onmisbare lichaamsdeel is. Zo zijn de geest van de man en die van de vrouw voor God gelijkwaardig, maar in het natuurlijke gezien is de man de eerste en meest verantwoordelijke persoon. Een ongetrouwde vrouw heeft geen man als hoofd en staat dus met iedere man op voet van gelijkheid, ‘want de man is (alleen) het hoofd van zijn eigen vrouw!

Het merkwaardige is dat veel kerkgangers nog altijd uitgaan van de ondergeschikte positie van de vrouw, terwijl zij de aanwijzingen in hoofdstuk 6:5 over de slaven, die hun heer met vrees en beven ‘als aan Christus’ moeten gehoorzamen, allang ontgroeid zijn. Wij mogen niet vergeten dat de positie van de vrouw onder de Joden in de tijd van Paulus in vergelijking met de tijden voor de ballingschap, er slechter op was geworden. Dit was te wijten aan allerlei rabbijnse bespiegelingen, uitspraken en inzichten. Zo staat bijvoorbeeld in Jezus Sirach 42:14:

  • ‘Beter een slechte man dan een slechte vrouw’ of zoals een andere vertaling luidt: ‘De slechtheid van de man is beter dan een goede vrouw!’

Het lag natuurlijk voor de hand dat de principiële gelijkheid van man en vrouw, die Paulus voorstond en predikte, de eerste stappen waren op de weg van een algehele emancipatie. Hiërarchisch mag de man boven zijn eigen vrouw zijn geplaatst, maar ze is zijns gelijke voor God en zijn levenspartner en teamgenoot en in een team heeft men een teamleider. Voor man en vrouw gelden: ‘Wees elkáár onderdanig in de vrees voor de Heer’. De uitdrukking ‘als aan de Heer’ verwijst dus naar en correspondeert met ‘in de vrees van Christus’. De stelling uit 1 Corinthiërs 11:3 dat de man het hoofd van de vrouw is, wordt hier dus afgebakend door de vergelijking dat Christus niet alleen het hoofd en de gebieder is van de gemeente, maar degene die het hele lichaam als een welsluitend geheel, in volledige en onderlinge harmonie, bij elkaar houdt (4:16). In deze sfeer kan gezegd worden, dat de vrouw ‘in alles’ aan haar man onderdanig kan zijn. Zij kan van haar beschermer immers geen onheil verwachten of verstoring van haar geluk, maar alleen bevrijding, hulp en zegen.

Mannen, heb uw vrouw lief, net als Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, 25,26.

Zolang de man een evenbeeld van Christus blijft, heeft de onderdanigheid van de vrouw ‘in alles’ een absolute waarborg tegen willekeur en misbruik van zijn machtspositie. Aan de mannen wordt dus Christus zelf tot voorbeeld gesteld in zijn verhouding tot de gemeente. Hij heerst niet over de gemeente door geweld en willekeur en handelt nooit onberekenbaar, maar leidt haar door de Geest van zijn liefde. Een man hoort daarom altijd positief te staan ten opzichte van zijn vrouw, zoals Christus dit is ten opzichte van de gemeente. Het gaat dus in dit gedeelte niet allereerst om de onderdanige positie van de vrouw, maar hoofdzakelijk om de mentaliteit van de man als type van Christus.

De plichten van de man t.o.v. zijn eigen vrouw worden samengevat in het woord ‘liefde’. Zoals de onderwerping van de gemeente aan Christus de vrouw tot voorbeeld wordt gesteld, zo wordt nu uitvoerig de liefde van Christus voor zijn gemeente aan de man tot norm gegeven. Daarom hebben geen van beide partijen reden om zich over deze verhouding te beklagen. Het voorbeeld voor de man is Christus in zijn offer brengende en de losprijs betalende liefde voor de gemeente. Hij heeft Zichzelf zelfs ‘overgeleverd’ (Can. Vert.) aan de machten van de dood om zijn gemeente vrij te kopen.

In de gezinsregels voor man en vrouw, ouders en kinderen, meesters en slaven, heeft de man-vrouw relatie hier de grootste aandacht en omvang, omdat zij een zuivere verhouding weerspiegelt in het Koninkrijk van God. De christelijke liefde (agapè) sluit verder elke zelfzuchtige en ruwe eenwording tussen man en vrouw uit. Zo iets kan alleen maar van Christus scheiden, want ‘weet u niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn?’ (1 Cor.6:15). De apostel maakt hier waarschijnlijk gebruik van verschillende allegorieën uit het Oude Testament die op het huwelijk betrekking hebben. Hij kende uiteraard de rabbijnse uitleggingen, maar ging nu in zijn exegese een eigen weg. Denk bijvoorbeeld aan het Hooglied, waar alles wat Salomo zegt van de Sulamitische en terugkeert wat deze tot Salomo zegt, wordt toegepast op de verhouding tussen Christus Jezus en zijn vrijgekochte gemeente. Ook in Psalm 45 – een bruiloftslied van de liefde – kan men aanwijzingen zien voor de verhouding tussen de grote Koning en zijn geliefde vrouw. In Ezechiël 16:8-14 gaat God een verbond aan met een jonge vrouw. Hij wast haar met water, bekleedt haar met kostbare gewaden en schenkt haar tal van sieraden.

Ook dit soort voorstellingen zien profetisch op de ‘voor ons bestemde genade’  (1Petr.1:10-12). Ongetwijfeld hebben de eerste christenen de vervulling van dit soort teksten gezien in de gemeente van Jezus Christus, het Israël van God. Onze Heer heeft zijn gemeente losgemaakt van het kwaad en apart voor God gezet. Hij heiligt of heelt haar naar lichaam en ziel. Hij giet als het ware zijn woord over haar uit. Er staat letterlijk ‘in woord’ en dit is dus het element waardoor en waarin de christen gewassen en gedoopt wordt. Wanneer de gemeente dit woord gelooft en aanvaardt, wordt ze erdoor gereinigd. Er wordt van de heidenchristenen gezegd: ‘Door hun de Heilige Geest te geven net als aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof (in het woord van God) hun hart reinigende’ (Hand.15:8,9).

Het water is dus beeld van het woord van God. Zo wordt in Jesaja 55:10,11 het woord van God vergeleken met de regen en de sneeuw die van de hemel neerdalen. Paulus schreef in 1 Corinthiërs 6:11 aan voormalige zondaars: ‘U hebt u laten afwassen’. Dit was gebeurd doordat zij de prediking van de apostel hadden geloofd. In Titus 3:5 is sprake van ‘het bad van de nieuwe geboorte’, want wij worden herboren ‘door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr.1:23). In Hebreeën lezen we over ‘een lichaam, dat gewassen is met zuiver water’ (Hebr.10:22). Jezus tegen Nicodémus zei de Heer: ‘Tenzij iemand geboren wordt uit water en geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan’ (Joh.3:5). In Johannes 15:3 zegt onze Heer tot zijn leerlingen: ‘U bent nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb, blijf in Mij’, dat is in mijn woord.

Zonder het woord van God en het geloof erin kunnen we niet weten dat onze zonden vergeven zijn en wij rechtvaardigen zijn. Op deze wijze bewerkt de Heer de redding en de heerlijkheid van de gemeente, zodat zij beantwoordt aan het doel dat Hij heeft gesteld. Het is geen wonder dat de meeste uitleggers dit ‘waterbad’ in verband brengen met de doop, want deze symboliseert het innerlijke reinigingsproces. Bij de doop verzegelt de Heer zijn woorden: U bent nu rein, u bent nu heilig, u bent nu erfgenaam van God en mede-erfgenaam in Mij. U bent een koning en een priester, U bent (ook) Gods zoon en Zijn eigendom. De rechtvaardige leeft door het geloof aan deze woorden!

en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet 27.

Onze Heer twijfelt niet aan de kracht van zijn woord, want dit gaat uit, ‘overwinnende en om te overwinnen’ (Op.6:2, 19:11). Hij weet dat de ontplooiing van zijn woord door de werking van Gods Geest in zijn volk zo overweldigend is, dat Hij nu al het ideaalbeeld van de gemeente als al verwezenlijkt voor Zich ziet. Om de beeldspraak van het huwelijk voort te zetten, komt de gemeente nu al bij Hem over als een jonge vrouw, zonder vlek en vuil van bedreven zonden en zonder rimpels die haar schoonheid aantasten en tekenen zijn van de vergankelijkheid en afbraak van het leven. Zijn vrouw straalt nu al voor Hem in de volheid van haar levenslust, in de glans van haar genade en de betovering van haar deugd. Er is niets van misvorming en onreinheid na het waterbad overgebleven, maar ze is onberispelijk en zonder enig overblijfsel van ongerechtigheid en vuilheid. Zij is als de eeuwige en heilige stad van God, het hemelse Jeruzalem, waarvan de muur versierd is met kostbaar edelgesteente, welke de heerlijkheid van God over de nieuwe aarde uitstraalt. De Heer bewerkt dit geluk en deze heerlijkheid van de gemeente, zodat zij beantwoordt aan het doel dat Hij heeft gesteld. Hij wil dat voor de bruiloft van het Lam de vrouw zich klaarmaakt en zich kleedt met blinkend en smetteloos fijn linnen, want dit linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen (Openb.19:8).

Augustinus, de uitvinder van de rampzalige erfzondeleer, merkte op, dat de gemeente haar volmaaktheid op aarde nooit zal bereiken. Altijd zouden haar ‘volmaakte’ leden bidden: ‘Vergeef ons onze schulden’. Daarom zouden ze zondaar blijven tot de dood. De aanhangers van deze vreselijke leer (kerkgangers en hun hard weggelopen nakroost), geloven dus niet dat bij God alle dingen mogelijk zijn. Zij geloven niet in de alles te boven gaande kracht van de Heilige Geest, zomin als zij ooit om de doop in Heilige Geest bidden en deze ontvangen. Geen wonder dat de leden van de kerken zich niet meer uitstrekken om de prijs te verwerven, die Gods hemelse roeping in Christus Jezus in uitzicht stelt (Filip.3:7-16).

Heel duidelijk schreef de apostel echter aan het slot van de eerste brief aan de Thessalonicenzen over de onberispelijkheid van geest, ziel en lichaam: ‘Die u roept, is trouw: Hij zal het doen! Want het is immers God die door zijn Heilige Geest die in ons woont, onze behoud uitwerkt’. Daarom wordt in de eindtijd bij de openbaring van de zonen van God opgemerkt: ‘De vrouw heeft zich gereed gemaakt’. Aan dit hoge doel wijdde Paulus zijn bediening en kon hij in 2 Corinthiërs 11:2 aan een gemeente, waar hij heel veel ‘vlekken en rimpels’ had moeten constateren, schrijven: ‘Want ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen’. Bij het wegwerken van bezoedelingen bij een bruid in de natuurlijke wereld speelde het ‘waterbad’ uiteraard een belangrijke rol.

Zo zijn de mannen verplicht hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief; want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het, zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam 28-30.

In deze verzen neemt Paulus de draad van de huwelijksverhoudingen weer op. Wat hij over Christus in verband met de gemeente meedeelde, was eigenlijk maar zijdelings gezegd, als een voorbeeld dat de echtgenoot ter harte moest nemen. ‘Dat is de wijze waarop de mannen hun vrouwen moeten liefhebben’ (vert. Brouwer). Paulus wijst op een wet van de Heer, waaraan de mannen zich niet mogen onttrekken: ze zijn’ verplicht’ of ‘schuldig’ hun vrouwen lief te hebben! Dit is een goddelijke ordinantie voor alle tijden en voor alle volken. Een geweldige en heerlijke opdracht, maar tegelijkertijd een opdracht met een zware verantwoordelijkheid voor de man. Vindt hij iets in zijn vrouw dat niet goed is, dan moet hij zichzelf inzetten en zich voor haar ‘overgeven’, wat zeggen wil dat hij zichzelf zal verloochenen om hierin verandering te brengen. De man moet het kwade dat hij in zijn vrouw meent te vinden, in haar overwinnen door het goede over haar te brengen. Luther zei eens: ‘Hij moet leren liefhebben wat misschien niet liefelijk is, zodat het liefelijk wordt’.

De man hoort zich altijd over zijn vrouw te ontfermen, zoals Christus dit doet over zijn gemeente. Zo leert de ware christen zijn huwelijksleven op een hoger plan te brengen totdat het een liefelijke hof van Eden wordt. De liefde van de man geldt geen vreemde, maar zijn eigen persoon, want in zijn vrouw heeft hij zichzelf lief. In een huwelijk worden immers man en vrouw één vlees. Afkeer hebben van zijn eigen vrouw betekent opstandig zijn tegen de natuurwetten die God in zijn schepping heeft gelegd. Wie met zijn vrouw gemeenschap heeft, kan en mag niet anders dan haar beminnen, want hij identificeert zich immers met haar lichaam.

Men ziet wel eens onder kerkgangers dat mannen met andere vrouwen flirten. Dit gebeurt meestal als een soort vrijetijdsbesteding. De mannen proberen de aandacht van hun vrouwelijke kennissen of zelfs ‘zusters in de Heer’ te trekken om hen het hof te maken. Deze wetteloosheid vindt haar oorsprong in de onverschilligheid van de man ten opzichte van zijn goddelijke verplichting om zijn eigen vrouw alle attenties te bewijzen. Deze liefdessport is veelal een bron van irritatie voor de vrouw, die moet toezien dat haar levenspartner een ander wil behagen. Zo spreekt de profeet anderzijds over vrouwen ‘die rondlopen met gerekte hals en lonkende ogen’ (Jes.3:16). Mannen moeten moeite doen hun vrouwen te verheffen en zich verbonden met hen te weten, zoals het hoofd is verbonden met het lichaam tot een onlosmakelijk, organisch geheel.

Het hoofd heeft er alle belang bij dat het lichaam goed functioneert. Zo leven man en vrouw dus niet onafhankelijk en gescheiden naast elkaar. De vrouw is niet het lichaam van de man, maar beiden vormen één lichaam of één vlees (vers 31). Daarom zal de man zijn vrouw liefhebben als zichzelf. Om een vergelijking uit de natuurlijke wereld te nemen: ieder normaal mens zorgt goed voor zijn eigen lichaam. Bij de rabbijnen en in het Aramees kan de uitdrukking ‘eigen lichaam’ als een equivalent worden gezien van het begrip ‘zichzelf’. In het huwelijk is de man dus geroepen de ontfermende, zorgende en erbarmende liefde van Christus ten opzichte van zijn gemeente, aan zijn vrouw te bewijzen. De vrouw toont dan haar positieve instelling t.o.v. de man door zich te laten leiden. Van haar wordt zachtmoedigheid en meegaandheid of een ‘stille geest’ verwacht.

Ieder natuurlijk mens heeft een positieve houding ten opzichte van zichzelf. Zelfkastijding en verachting van het eigen leven, het zich onthouden van bepaald voedsel dat die God heeft gegeven of het verbieden van het huwelijk, zijn onnatuurlijk. Zo is het een onnatuurlijke zaak als een man met hardheid heerschappij over zijn vrouw voert. De opmerking dat de man over de vrouw zal heersen, wijst op een gevolg van de zondeval. Zo is het in het begin niet geweest! Alleen geesteszieken, abnormale mensen en kloosterlingen die onder beïnvloeding van satan en vrome geesten staan, haten het natuurlijke leven. Zulke mensen zijn trouwens niet in staat een goed huwelijksleven te leiden.

Gebonden mensen hebben doorgaans in hun huwelijk veel problemen. Zij worden immers opgejaagd of afgeremd door demonen in hun huwelijk en dit maakt een goed samenleven met hen moeilijk. Men zegt dan wel eens dat de vrouw met ‘man en macht’ is getrouwd. Dit kan natuurlijk ook andersom voorkomen. Opgemerkt wordt nog dat een mens zijn lichaam voedt en koestert, dus goed verzorgt. Zo voedt Christus zijn lichaam, de gemeente, met levensbrood en levenswater. Om de gemeente te verzorgen zet Hij de kracht en de gaven van de Heilige Geest in werking. Eerst gaf Jezus Zichzelf over om de gemeente te redden en dan onderhoudt en verzorgt Hij ze. Zo besteedt een man veel zorg en tederheid aan zijn vrouw en is hij er op uit haar alles te verschaffen wat zij nodig en nuttig acht: voedsel, kleding en veel liefdevolle attenties!

Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten en die twee zullen tot één vlees zijn 31.

De Geest van God heeft de onzienlijke wereld of zijn eigen woonplaats verlaten en intrek genomen in de mens, dus in het vlees: wie zich aan de Heer hecht, dat is aan zijn Geest, wordt één geest met Hem. Daarom is een goed menselijk huwelijk alleen mogelijk, wanneer dit voorbeeld van Gods Geest voor ogen wordt gehouden. Er is een hemels huwelijk en er is een aards huwelijk. Het eerste wordt in de onzienlijke wereld gesloten en het laatste op de aarde. Ze hebben echter parallellen. Zo wees Jezus in zijn hogepriesterlijk gebed op een geestelijke eenheid, want Hij bad: ‘Zodat zij één zijn, zoals Wij één zijn: Ik in hen en U in Mij’ (Joh.17:22,23). Toen Hij zijn lichaam aan de dood overgaf (vers 25), werd de grondslag gelegd voor het ontstaan van zijn mystiek, geestelijk lichaam, de gemeente, waarmee Hij een onverbrekelijke eenheid in de onzienlijke wereld zou vormen. In een huwelijk moeten man en vrouw geestelijk één zijn, dit wil zeggen gelijk gericht zijn in hun denken en in hun verlangens.

Een aards huwelijk wordt in de natuurlijke wereld begonnen of gesloten en heeft betrekking op een eenwording naar het vlees. Er zijn veel ceremoniën en wijzen waarop in het openbaar huwelijken worden gesloten, maar zij wisselen van eeuw tot eeuw en variëren sterk tussen de volken en rassen. Deze huwelijksplechtigheden zijn nuttig en nodig vanwege het maatschappelijk leven dat de wereldgeesten (nog) proberen te ordenen. Men moet deze overheden dan voor de duidelijkheid gehoorzamen. De geslachtsgemeenschap is echter een scheppingsorde en deze maakt voor God twee mensen tot man en vrouw. Wie met zijn vrouw gemeenschap heeft, is volgens de scheppingswet met haar voor altijd verbonden en is dus gehuwd: ‘Wat dan God – door deze scheppingseenheid – samengevoegd heeft, scheidt de mens niet!’ (Matth.19:6).

Het ware christendom kent geen proefhuwelijken. Een met elkaar levende, ongehuwde man en vrouw, zijn een contradictio in adjecto, dat is hier een tegenstrijdigheid door het woordje ‘ongehuwde’, dus zoiets als ‘droog water’ of een ‘levend geraamte’. Een samenlevend ongehuwd paar bestaat in wezen niet. De scheppingsorde die Paulus citeert vinden we in Genesis 2:24, toen Eva als hulp aan Adam werd geschonken. Onze tekst werd voor het eerst door Jezus in Mattheüs 19:5 gebruikt om het fundament van het huwelijk aan te geven. Zij luidt: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten en die twee zullen tot één vlees zijn.’

Beiden waren eenmaal één en proberen de oorspronkelijke eenheid te herstellen, zoals het voorgaande vers heeft: ‘Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees’. Daarmee wordt de mysterieuze drang die man en vrouw altijd weer tot elkaar brengt, verklaard als een natuurdrang en daarmee als een door God gewilde zaak. Wanneer een man de huwelijkstaak opneemt, zal hij zich eerst moeten losmaken uit de verbondenheid met zijn ouders. Hij zal zelfstandig moeten zijn. De vrouw zal zich niet op haar moeder blijven oriënteren, maar op haar man. Uit deze scheppingsregel volgt natuurlijk niet dat de verplichtingen van een man t.o.v. zijn ouders of familieleden door zijn huwelijk zijn ontbonden, maar wel dat zijn nieuwe levensverhoudingen prevaleren. De uitdrukking ‘één vlees zijn’ (NBG) omvat echter meer dan alleen het hebben van geslachtsgemeenschap. Zij veronderstelt een voortdurend aan elkaar verbonden zijn tot één levensgeheel, hoewel ieder zijn eigen taak heeft, zoals de hand en de voet in het ene lichaam dit hebben.

Dit geheimenis is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente. Intussen u, laat ieder voor zich zijn eigen vrouw zó liefhebben als zichzelf en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man 32,33.

De mens leeft niet als een redeloos dier dat niet wetmatig gebonden is aan één partner. De grondslag van het menselijk leven is het huwelijk dat gebaseerd is op de scheppingswet die zich richt op de ene man en de ene vrouw. Ook de heidenen betrekken hun huwelijk in hun godsdienst, maar zij interpreteren het dan vals, want de duivel schendt altijd de door God ingestelde verhoudingen. Daarom komen de heidenen tot tempelprostitutie en polygamie. De vrome geesten echter verbieden soms te huwen, wat een aantasting is van de goddelijke instelling. Voor de apostel is de door hem aangehaalde tekst uit Genesis een ‘geheimenis’, dus heeft het te maken met de onzienlijke wereld van het Koninkrijk der hemelen. Het huwelijk illustreert het goddelijke mysterie van Christus ten opzichte van zijn gemeente. Paulus had hier kunnen schrijven: ‘het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan de hechte, onverbrekelijke verbondenheid tussen man en vrouw op aarde.’

De Vulgata, de Latijnse vertaling, heeft het woord ‘geheimenis’ weergegeven door ‘sacramentum’. De rooms-katholieke theologen hebben daarom uit deze tekst de sacramentaliteit van het huwelijk willen afleiden. Dezelfde kerk die het huwelijk als een sacrament ziet, onthoudt aan haar ambtsdragers dit ‘heilige, zichtbare teken en zegel’ (Zondag 25 H.C.). Het huwelijk blijft echter een aardse en natuurlijke zaak en het kan alleen een hemelse gemeenschap afschaduwen. Dit gebeurt bovenal doordat het de liefde van Christus uitbeeldt. Verder wijst de apostel er nogmaals op, dat de mens zijn eigen vrouw, dus zijn ene vrouw moet liefhebben. Hij moet haar met evenveel zorg en attentie benaderen als zijn eigen lichaam. De vrouw moet zich door de man laten leiden en eerbied of ‘vrees’ voor hem hebben. De apostel gebruikt voor vrees en eerbied hetzelfde woord. De vrouw kan haar man niet minachten of ongehoorzaam zijn. Een zo hoge liefde als de Schrift van de man verlangt, sluit natuurlijk van de kant van de vrouw de vrees uit en dan blijft alleen de eerbied en het respect over.

Aan het slot merken wij op dat bij de (Goddeloze) heidenen de vrouw nauwelijks meer dan een slavin van de man is en vooral een voorwerp van zijn begeerten. Ook in het Jodendom was de positie van de vrouw ver verwijderd van het ideaal dat Paulus ons hier verkondigt. Denk aan de afscheidsbrief waarmee de man haar kon wegzenden en die de deur opende voor willekeur en bandeloosheid. Paulus verheft in zijn prediking de vrouw. Het resultaat is geweest, dat nergens op de wereld de gehuwde vrouw zo’n belangrijke plaats inneemt als bij opnieuw geboren en Geestvervulde christenen. Alleen de vrome geesten proberen haar altijd te vernederen en uit te sluiten.

In onze afvallige tijd devalueert het huwelijk steeds meer. Men spreekt over de vrijheid van de vrouw, maar verheft haar niet als geestelijk wezen en daarom wordt zij steeds meer een object van de lusten van de man, die haar als in vroegere tijden ongestraft weer kan verlaten. In de kerk gaat men uit van de gebrokenheid van het leven en stelt men het zo, dat men de volkomenheid in dit tijdperk niet kan bereiken. Men heeft het ideaal niet geprobeerd na te jagen, maar het als een hersenschim voorgesteld. Daarom licht de kerk nu de hand met de plichten van de man of van de vrouw. Zo legt men zich neer bij echtscheidingen en bij het samen wonen van leden die niet wettig gehuwd zijn. Wij geloven echter in het herstel van de gemeente en daarom in het herstel van het huwelijk.