1. Afzender, geadresseerden, groet

Efeziërs 1:1-14

‘Paulus, een apostel van Jezus Christus door de wil van God, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus die in Efeze zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader en van de Heer Jezus Christus’ 1,2.

In onze gedachten zien wij Tychicus zijn kostbare brief aan een oudste of opziener te Efeze overhandigen. Waarschijnlijk was ook Timotheüs aanwezig, want hij is later bekend geworden als bisschop van Efeze (1 Tim.1:3). Deze brief zal duidelijk worden voorgelezen (Col.4:16), waarschijnlijk in de school van Tyrannus, waar men op het heetst van de dag bij elkaar zat, omdat in de koele morgenuren dit gebouw door deze geleerde zelf met zijn leerlingen bezet was. Een oud handschrift wijst bij Handelingen 19:9 tenminste met nadruk op deze ongeschikte tijd. Een troost voor gemeenten die met huisvestingproblemen kampen! Ook is het mogelijk dat men in een grote huiskamer van een vooraanstaande leerling vergaderde.

Voor het eerst in de geschiedenis klonk de inhoud van deze meest sublieme brief van Paulus in de oren van veel heiligen en gelovigen. Paulus begint zich voor te stellen als apostel van Christus Jezus. Een brief in de antieke wereld was niet ondertekend, maar begon met de naam van de schrijver en vervolgens met naam en adres van de ontvanger(s). Zo’n gewone begroetingsformule vinden wij bijvoorbeeld in Handelingen 15:23, waar het apostelconvent liet schrijven: ‘De apostelen en oudsten groeten als broers de broers uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Silicië’. Vaak voegde men er nog een wens aan toe, die overeenkwam met wat Johannes in zijn derde brief schreef: ‘Ik bid, dat het u in alles goed gaat en u gezond bent’. Zo voegt de apostel hier aan zijn begroeting toe: ‘Genade zij u en vrede van God, onze Vader en van de Heer Jezus Christus’. Autoriteiten waren gewend in hun brieven hun functie te vermelden. Paulus wijst op zijn apostelambt, dat hij niet zichzelf had aangemeten, maar ontvangen had door de wil van God, dezelfde wil die hij ook in de verzen 5,9 en 11 noemt. Alles wordt op deze manier naar het begin toegebracht, naar het eeuwig plan en de wil van God als Vader, zoals er staat: ‘Want u kent Hem, die vanaf het begin is’ (1 Joh.2:14).

Paulus schrijft aan een vergevorderde gemeente, want haar leden zijn heilig, dat is ze hebben deel aan het heil, het behoud. Ze zijn afgezonderd van de zonde, hebben heling ontvangen en zijn apart gesteld voor de dienst van Christus Jezus. Dit alles ontvingen zij vanuit de geestelijke wereld door het geloof dat vastpakt wat men niet ziet. Zij waren in Christus Jezus, dus horend bij de gemeente waarvan Hij het hoofd is. De uitdrukking ‘in Christus’ komt vaak in deze brief voor, met de gelijknamige benoeming ‘in Hem’, ‘in de Geliefde’ of ‘in de Heer’. Ze is identiek met wat latere vertalingen hebben in 2 Corinthiërs 1:21, namelijk ‘in de Gezalfde’. De diepe betekenis van ‘in Hem’ blijkt in het bijzonder uit Filippenzen 3:9, waar staat: ‘Opdat ik in Hem (zijnde) mag blijken niet een eigen gerechtigheid uit de wet te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus’. De apostel bidt dat zij mogen blijven leven onder deze genade en in de vrede die Jezus Christus voor hen verworven had.

Het woord genade heeft bij de apostel een geheel nieuwe inhoud. Hij vertrouwt dat alle genade van God aan de geadresseerden ten deel zal vallen, dus de doop in Heilige Geest, de werking van de geestelijke gaven, de wandel in de hemelse gewesten en de overwinningen daar op de boze geesten, om dan tenslotte te komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus (Ef.4:13). Ook spreekt hij over vrede, dus de afwezigheid van alles wat storend op het waarachtige leven inwerkt. De vrede van God is de ongebroken gemeenschap die bij de nieuwe relatie tussen Christus en zijn volk hoort. Een vrede die het natuurlijke verstand te boven gaat en die zijn grondslag vindt in Jezus Christus, de Vredevorst.

Lofzang op Gods welbehagen in Christus

‘Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus’ 3.

Er is een zegen die uitgaat van de schrijver en waarmee hij zijn hoorders oproept om zich te richten op God. De vraag is op welke manier hier het meerdere door het mindere wordt gezegend, dus God gezegend wordt door de mens, want hier is duidelijk sprake dat de mindere de meerdere zegent (Hebr.7:7). Zegenen houdt in dat iemand met het goede wordt verbonden en dat kan alleen, als hij die zegent, goed is. De zegen houdt meer in dan alleen een wens, maar hij is een uitspraak die met een bijzondere macht is geladen. Hoe belangrijker een persoon in de geestelijke wereld is, des te krachtiger is zijn zegen. Zo hechtte men bijvoorbeeld veel waarde aan de zegen van een stervende, want deze bevond zich immers op de grens van het zichtbare en het onzichtbare.

Wanneer God door een mens gezegend wordt, is dit alleen mogelijk door iemand die rechtvaardig is en rein. Deze heft dan in de geestelijke wereld en soms ook in de natuurlijke, de handen op tot een zegenend gebaar. Hij verheft zijn hart tot God en eert, prijst en aanbidt Hem. Hij brengt Hem de eer toe, dit wil zeggen dat hij Hem verheerlijkt als de enkel goede Schepper van hemel en aarde. Hij belijdt: ‘Groot en wonderbaarlijk zijn Uw werken, Heer, almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de heiligen! Wie zou U niet vrezen, Heer, en Uw Naam niet verheerlijken? Immers, U alleen bent heilig. Want alle volken zullen komen en U aanbidden, want Uw oordelen zijn openbaar geworden’ (Op.15:3,4).

Wanneer een ware christen God zegent, brengt hij Hem een zegengroet, hulde en dank. Zo werd ook Jezus eenmaal door de menigte gezegend. Deze riep het uit: ‘Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt ‘in de naam van de Heer’ (Matth.21:9). ‘God zegenen’ krijgt hierdoor de betekenis: zijn macht, verhevenheid, heerschappij en heiligheid erkennen, Hem verheerlijken en eer en dank toebrengen. Het Griekse woord ‘eulogètos’ betekent dan ook: geloofd, geprezen of gezegend. Vandaar dat andere vertalingen hebben: geprezen of geloofd, in plaats van gezegend. Bij dit zegengebed of lofprijzing identificeert Paulus zijn God. Hij zegt niet: gezegend zij de God van Israël, zoals de priester Zacharias nog deed, want dit zou verkeerde voorstellingen opwekken (Luc.1:68). De apostel betuigt immers in Handelingen 20:21, dat hij geroepen was om de Joden even zo goed als de heidenen tot God te bekeren. En tot welke God? Tot de Vader van onze Heer Jezus Christus. Let hierbij ook op de vaak in onze dagen gebruikte slogan:

  • De God van Abraham, Izaäk en Jacob….

Met deze kreet voelen veel kerkgangers zich verbonden met het Joodse volk in het land Israël en menen daarmee een extra zegen te ontvangen, ofwel denken toch goed bezig te zijn met hun gevoelsleven. De god van het aardse volk Israël is echter niet onze God, want dit volk erkent Jezus Christus niet als hun Heer en Meester. De Bedelingenleer heeft – met haar tweede reddingsplan door een andere god en met een ander evangelie – hun gedachten verblind, zodat zij de heerlijkheid niet willen zien van Jezus Christus, onze Heer, de Mensenzoon van de enkel goede God. God is niet alleen de Vader of de Voortbrenger van de hele eerste schepping, maar God is ook de Vader van de eersteling van de nieuwe schepping en daardoor van de hele herboren en herstelde mensheid. Tot déze God heft Paulus de handen in zegenbede en lofprijzing op!

Ook de naam Jezus wordt door hem duidelijk omschreven door de toevoeging: Heer en Christus. Petrus zei op de Pinksterdag tot de Joden, dat Jezus een bijzondere plaats innam, want ‘het hele huis van Israël moet zeker weten, dat God Hem èn tot Heer èn tot Christus gemaakt heeft’ (Hand.2:36). Jezus was gesteld tot Kurios, dit wil zeggen dat Hij een naam had gekregen boven alle naam en dat Hij alle macht ontvangen had in hemel en op aarde. Zo luidt de Statenvertaling in Hebreeën 2:7,8: ‘Gij hebt hem (en dus Jezus als eerste mens) gesteld over de werken uwer handen. Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen’. Ook voegt Paulus er als identificatie aan toe, dat Jezus de Christus is, de Gezalfde. Hij is gezalfd met Gods Geest en met kracht uit de hoogte (Hand.10:38).

Wij wijzen erop dat het erg belangrijk is, wanneer wij ons in de onzienlijke wereld begeven om te aanbidden of om te lofprijzen, dat wij het voorwerp van onze verering juist omschrijven. Er zijn immers in de hemelse gewesten ‘goden in menigte en heren in menigte’. Althans, zij geven zich voor goden en heren uit en zij dringen zich als zodanig aan de mens op maar: ‘voor ons maar is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Heer Jezus Christus, door wie alle dingen zijn en wij door Hem’ (1 Cor.8:5,6). De gewoonte in bepaalde kringen om de naam van Jezus voortdurend als een mantra te herhalen, is afkeurenswaardig en gevaarlijk. Er zijn immers duistere machten die in de naam van Jezus komen en de argeloze zielen misleiden. Omschrijf dus God en Jezus in uw gebed, zoals de apostel ons hierin voorging.

Wanneer de apostel ons zo meeneemt in een zegening en lofprijzing van God de Vader, heeft hij daarvoor een grondige reden. De Vader immers heeft ons eerst gezegend. Hij heeft uit de overvloed van zijn genade ons zijn genade bewezen. Het fundament van alle zegeningen en van alle genade is de gave van zijn Zoon, de eniggeborene die Hij liefhad, omdat deze volledig beantwoordt aan de gedachte en aan het doel van God. Deze zoekt namelijk een mens naar zijn beeld en als zijn gelijkenis met wie Hij, die geest is, eeuwig gemeenschap kan hebben en die met Hem zal zitten op zijn troon. De God en Vader van Jezus Christus is die God, die door onze Heer werd vereerd en die Hem inspireerde en wiens woorden en gedachten Hij overnam. Een god is immers een voorwerp van aanbidding en een inspirator (Ex.4:16). Door het plan van zijn Zoon de mensheid te redden door Zijn dood aan het kruis, bewees God zijn genade aan de hele mensheid. Hij wilde immers dat vele zonen en dochters tot heerlijkheid zouden worden geleid .

‘In Christus’ gezegend zijn, betekent dus: horend bij hen die de Vader aan zijn Zoon heeft gegeven en die daardoor deelhebben aan Gods rijkdom van genade en aan de heerlijkheid van Christus (Joh.17:1-3). ‘In Christus’ zijnde, ontvangen zij al God geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten: de schuldvergeving, de rechtvaardiging, de doop in Heilige Geest, de geestelijke gaven, het herstel en de mogelijkheid om op te groeien naar het beeld van Jezus. ‘In Christus’ gezegend zijn heeft hier voor Paulus dezelfde waarde als wanneer in het Oude Testament gewezen wordt op Abraham, in wie alle volken van de aarde gezegend worden (Hand.3:25; Gal.3:8).

De hemelse gewesten

Wij kunnen ons voorstellen dat bij het hardop voorlezen van deze groeten die gevolgd werden door de lofprijzing, de leden van de gemeente bepaald werden bij de geestelijke wereld, die groots, weids en rijk is aan Gods barmhartigheid. Deze geestelijke zegen in de hemelse gewesten was een aanduiding van het niveau waarop deze brief zich beweegt. Hij zou de hoorders bepalen bij de plaats die hun daar in Christus Jezus zijnde, geschonken was (2:6). De hemelse regionen of ‘het hemelse’ omvat alles wat bij de geestelijke wereld hoort. Deze aanduiding komt uitsluitend in de Efezebrief voor en was kennelijk voor de lezers een bekende uitdrukking (1:3,20; 2:6; 3:10; 6:12). De hemelse gewesten vormen de onzienlijke wereld met zijn heilige engelen en demonen. Daar is ook de Vader, de Zoon, maar ook de tegenstander, satan.

Paulus geeft nooit een topografie van de hemel, dus een aardrijkskundige aanduiding, zoals men dit in joodse kringen graag deed en wat vandaag ook onder vele aardse Israëlfans gewoon is. Dezen vermaterialiseren en lokaliseren de geestelijke wereld en maken haar tot een verlengstuk van de aarde. Hierdoor vervalt men in rassen-ideologieën en kent aan aardse steden, landen en continenten een betoverende waarde toe die niets met het koninkrijk der hemelen te maken hebben. De apostel Johannes waarschuwt hier ernstig voor in hèt bemoedigende en troostende boek voor de gemeente in de eindtijd: ‘Wee hen die op de aarde leven’ (Op.3:10; 6:10; 8:13; 11:10, 12:12; 13:8,12,14; 17:2,8). Zij is echter het onzichtbare krachtenveld met ontzaglijke realiteiten van geestelijke wezens, die enorme invloed uitoefenen op de aardse structuren en die door hun contacten het wel en het wee van de mens bepalen. Jezus noemde de hemelse gewesten ‘het Koninkrijk der hemelen’ en Hij maakte daarin onderscheid tussen het Koninkrijk van God – of van de Vader, en dat van satan met zijn dodenrijk. In de volgende verzen is sprake van de uitverkiezing door de Vader (4-6), de verlossing door de Zoon (7-12) en het herstel door de Heilige Geest (13,14).

‘omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, zodat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde’ 4.

Het herstelplan, bedoeld om de mens door de bewezen genade en zegen op die hoge plaats die God voor hem bestemd had, te laten functioneren, werd niet geboren in de tijd, maar het waren Gods gedachten van vóór de grondlegging van de wereld. Het bevat de allerrijkste en mooiste gedachten van God. De volmaakte mens Jezus was immers ‘van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar (Hij) is bij het einde van de tijden geopenbaard vanwege u, die door Hem gelooft in God’ (1 Petr.1:20,21). De Zoon was van eeuwigheid uitverkoren als eersteling en als hoofd van een nieuwe schepping, die heilig en onberispelijk voor God aangezicht zou zijn. Jezus was in de gestalte van God (en niet God zelf), of in de ‘vorm’ die het onzichtbare goddelijke wezen in de zichtbare wereld geheel tot uitdrukking bracht (Filip.2:5,6). Hij is de uitverkorene, omdat Hij voldeed en voldoet aan de gedachten van God, want Hij werd geopenbaard als een volmaakt geestelijk mens, volkomen als het beeld van God en als zijn gelijkenis.

  • Wanneer wij ‘in Christus’ zijn, horen wij bij de van eeuwigheid uitverkorene. Deze heeft voor ons de deur geopend tot de hoge weg, die naar de onberispelijkheid en heerlijkheid voert. Hij is het, die door zijn Geest ons op deze weg ook voorleidt. Onze uitverkiezing is dus nauw verbonden met zijn menswording.

De eerste vraag is: hoe komt de mens ‘in Christus’? Het antwoord luidt: allen die Hem aangenomen hebben, dat is het Woord in geloof aanvaard hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen of zonen van God te worden (Joh.1:12). En hoe blijven wij ‘in Christus’? Door zijn woorden niet los te laten, maar ze te bewaren en te realiseren (Joh.15:7). In deze vernieuwing van denken nemen wij het goddelijke redding- en genezingsplan over en bereiken ook wij het doel: de mens van God tot alle goede werken volmaakt toegerust (2 Tim.3:17). Deze uitverkiezing heeft dus onze heiligheid en onberispelijkheid tot doel. Dit betekent dan een totale afzondering van de demonen in de hemelse gewesten en een volkomen herstel. Met elkaar vormen wij uiteindelijk een apart en afgezonderd volk, een gemeente ‘stralend, zonder vlek en rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet’ (5:27). Het oordeel tot overwinning begint bij het huis van God!

Volgens de wet moest in het oude verbond een priester heilig en onberispelijk zijn naar de uitwendige mens. Zelfs een lichaamsgebrek maakte hem ongeschikt voor zijn ambt (Lev.21:16,17). Deze gaafheid was een beeld van het priesterschap van de uitverkorenen van God, die ook innerlijk gaaf zijn. Deze priesters stellen daarbij hun lichamen ‘tot een levend, heilig en God welgevallig offer’ (Rom.12:1). De priester in het oude verbond stond voor het aangezicht van God, dit wil zeggen dat hij in de tabernakel of in de tempel in de tegenwoordigheid van God verkeerde. De nieuwtestamentische priestergroep dient God ‘in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht al haar dagen’, in de geestelijke wereld (Luc.1:75).

Het volgende vers begint met ‘in liefde’. Deze bepaling kan ook bij ons vers getrokken worden. Zo luidt de Statenvertaling: ‘Opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde’. Wij merken op dat het hele eerste hoofdstuk van de brief aan de Efeziërs dat 23 verzen telt, in het Grieks slechts uit drie zinnen bestaat. Het hoeft ons daarom niet te verwonderen dat de vertalers vanwege de leesbaarheid er meerdere zinnen van gemaakt hebben. Het is de grote liefde van God, die zijn eniggeboren Zoon steunde in het plan om de wereld te redden, zodat de mensheid in Hem een weg tot ontkoming en tot herstel zou vinden. Door deze liefde mogen wij in de hemelse gewesten heilig en onberispelijk staan in God tegenwoordigheid.

Uitverkiezing heeft altijd te maken met Gods liefde, met allerlei zegeningen in de hemelse gewesten ‘in Christus’. Zij is nooit sektarisch bedoeld, waarbij een kleine groep afgezonderd is van de rest. God kiest Zich echter een bruggenhoofd om zijn hele schepping te redden. Het is onschriftuurlijk om de uitverkiezing ‘in Hem’ voor te stellen als een geheime bron, waaruit slechts enkele van eeuwigheid daartoe bestemde personen zouden mogen drinken. Dit voert tot een leer dat God:

  • Door zijn eeuwige en onveranderlijke raad eenmaal (ook) voorgesteld heeft, welke mensen Hij aan het verderf zou overgeven’(Institutie van Calvijn, hoofdstuk 21)….

Deze opvatting is in flagrante strijd met Gods liefde en met zijn rechtvaardigheid. ‘God wil dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen’ (1 Tim.2:4). Er staat: állen die Hem aangenomen hebben, dus actief in Hem geloven, heeft Hij macht gegeven zonen en dochters van God te worden. Uitverkiezing veronderstelt dat uit een menigte of een groot aantal sommigen geselecteerd of apart gesteld worden tot een bepaald doel.

Zo werden Daniël en zijn vrienden door koning Nebukadnezar uitverkoren tussen tal van ‘edelen en knapen zonder enig gebrek, schoon van uiterlijk, ervaren in allerlei wijsheid, in het bezit van kennis, met inzicht in wetenschap, geschikt om dienst te doen in het paleis van de koning’. Zo werd David onder zijn broers uitverkoren tot koning. Zo haalt men in de maatschappij personen naar voren die door hun opleiding en geschiktheid laten zien leiding te kunnen geven. Zij worden hiertoe niet al voor hun geboorte of in de wieg bestemd, maar al groeiende zal blijken of zij deze positie waardig zijn en aankunnen. De uitverkorenen van God zijn zij, die Jezus hebben aangenomen en die zich aan de waarheid van zijn woorden houdende, in elk opzicht naar hem toegroeien (4:15). Deze uitverkorenen onder alle geroepenen worden bestemd om in zekere zin eerstelingen te zijn met Jezus, om als zonen en dochters van God geopenbaard te worden om de zuchtende schepping te herstellen (Gal.1:18 en Rom.8:19).

‘Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden, door Jezus Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde’ 5,6.

Gods liefde uit het vorige vers wordt gekenmerkt door zijn eeuwige positieve houding t.o.v. de mens. Zij openbaarde zich allereerst hierin, dat zijn Zoon was gezonden om zijn leven te geven als een losprijs voor velen (Matth.20:28). Hij was de bemiddelaar tussen God en mensen en Hij gaf zichzelf zelfs tot een rantsoen voor allen (1 Tim.2:6). Deze liefde verborg echter meer in zich. De Vader wil allen die Christus aanvaarden als verzoener van hun zondeschuld en die dus rechtvaardig zijn, ook aannemen als zonen of hen adopteren. ‘In Christus’ of ‘in de Geliefde’ zijnde, in Hem levende en zich bewegende, dit wil zeggen zijn woorden altijd vasthoudende, groeien zij in elk opzicht naar Jezus toe, dus naar de openbaring van de zonen van God. Er staat: ‘Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!’ (Rom.8:15). Zo was het voornemen van God van eeuwigheid. Het was overeenkomstig zijn ‘eudokia’, zijn welbehagen of zijn genoegen, want ‘zijn vermakingen zijn met de mensenkinderen’ (Spr.8:31 St. Vert.). God is goed!

Tegenover de geest van slavernij staat de Geest van het zoonschap. Deze hebben wij ontvangen met de doop in Heilige Geest. Door Hem hebben wij de gezindheid ofwel de gedachten en de sfeer van Christus. Wij moeten daarom van onszelf bedenken wat Jezus bedacht, namelijk dat Hij Zich in de gestalte van God bevond (Filip.2:5,6). Jezus wist dat Hij de mens was, zoals God deze van eeuwigheid had bedoeld, in de vorm die Hij liefhad. Hij is de Geliefde. Daarom moeten wij niet verlegen zijn om dit zoonschap in het geloof te aanvaarden. Wie aanneemt dat hij absoluut rechtvaardig is, zal ook als een rechtvaardige kunnen leven door Heilige Geest. Wie gelooft dat hij als zoon of dochter van God aangenomen is, zal ook als zodanig geopenbaard worden en te voorschijn treden. En als hij zoon is, is hij ook erfgenaam (Gal.4:7). Hij ontvangt dan niet alleen het eeuwige leven dat ook voor de oudtestamentische rechtvaardigen was bestemd, maar hij erft ook het Koninkrijk van God, dat is het heil, de heling, het herstel en de genezing en de volkomen hemelse heerlijkheid (Hebr.1:14 en Gal.5:21). Door geloof en geduld worden alle beloften van God in hem gerealiseerd, want ze zijn in Christus ja en amen. Hij erft met onze Heer niet alleen de aarde, maar ook heeft de Vader hem toebereid voor het erfdeel van de heiligen in het licht (Matth.5:5 en Col.1:12). Zo was het Gods bedoeling van eeuwigheid. De Vader had daarin een welbehagen en wilde zo zijn genade laten zien, opdat de heerlijkheid ervan zou worden geopenbaard en zij geloofd en geprezen zou worden.

God heeft het Israël van God niet alleen tot koning- en priesterschap verkoren, maar in de hemelse plaatsen zal ook worden gesproken van ‘zonen van de levende God’ (Rom.9:26). Dit zoonschap is nog verborgen en niet geheel geopenbaard, maar in de eindtijd zal het in heerlijkheid en kracht gezien worden (2 Thess.1:10). Uit Hebreeën 1:3-5 kunnen we afleiden, dat ook Jezus als zoon ‘verwekt’ is, toen Hij werd verheerlijkt. Hij werd toen als zodanig door de Vader als Zoon aangekondigd. God heeft van eeuwigheid een bestemming voor de mens in overeenstemming met het welbehagen, ‘dat Hij Zich in Hem had voorgenomen’ (vers 9). Wij hebben ‘het erfdeel ontvangen waartoe wij tevoren bestemd waren’ (vers 11). Wij zijn geschapen om goede werken te doen, die God ‘tevoren bereid heeft’ (2:10). Wanneer er staat: ‘Mijn Zoon bent u; Ik heb u heden verwekt’, zijn van eeuwigheid de zonen en dochters van God inbegrepen, want ze zijn ‘in Christus’. Ze zijn van eeuwigheid bestemd om het beeld van de Zoon gelijkvormig te zijn (Rom.8:29).

Wanneer er staat dat God ons bestemd heeft – in de Latijnse Bijbel staat: gepredestineerd – is dit geen blind noodlot of liever zuiver geluk, want de aanneming tot zonen vindt plaats ná de schuldvergeving en ná het opnieuw geboren worden. Het is een bestemming van hen die al ‘in Christus’ zijn. Er staat: ‘Maar allen, die Hem aangenomen hebben, of: ontvingen (Can. Vert.), hun heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te wórden, hen, die in zijn naam geloven’ (Joh.1:12). Wij zijn tot het zoonschap ‘begenadigd in de Geliefde’ zijnde. God verkiest niemand tot zoon buiten Jezus Christus om. Een predestinatieleer die van het standpunt uitgaat, dat God van eeuwigheid een mens bestemt tot behoud of tot verderf, houdt geen rekening met Christus. Men zou dan ook buiten Christus om behouden kunnen worden, buiten zijn eigen wil en verlangen om, in Christus kunnen worden ingevoegd. Gods genade wordt alleen openbaar in de Geliefde, dat wil zeggen in hen die in Christus Zijn en die bij Hem horen. Wij zouden dus kunnen lezen: Hij accepteerde ons in zijn Geliefde door ons met deze één te maken, zoals alle leden van het lichaam één zijn met het hoofd.

‘In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade’ 7.

Nu gaat de apostel het nog eens duidelijk zeggen: in Hem, de Geliefde, hebben wij de verlossing door zijn bloed. Het Griekse woord voor verlossing doet denken aan voor geld vrijkopen van slaven. Het woord ‘losprijs’ heeft hier de oudtestamentische inhoud van ‘schuldoffer’, want er staat: ‘Wanneer Hij Zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien’ (Jes.53:10). De prijs die God aan de vijand betaalde om zijn genade te manifesteren en ons tot zonen te adopteren, was door het bloed van Jezus (Openb.1:5; Tit.2:14). De uitdrukking ‘bloed vergieten’ (Gen.9:6) en ‘de ziel uitgieten’ (Ps.141:8) en ‘zijn leven uitgieten’ (Jes.53:12) zijn gelijkwaardig. In de onzienlijke wereld stortte Jezus zijn leven uit in de dood, het domein van de laatste vijand. Dood zelf resideert met zijn afgrond, de grondeloze diepte, waardoor het de mens onmogelijk wordt gemaakt op te stijgen en zich te verheffen tot God. De vorst van de dood, Dood himself, kon echter niet beletten dat Jezus opsteeg, omdat deze verbonden was met Gods Geest.

  • De vrijlating uit de macht van satan treedt voor de mens in werking op het ogenblik dat deze het offer van Jezus Christus persoonlijk aanneemt, dus wanneer hij de vergeving van de zonden in het geloof accepteert. Zonder bloedstorting is geen vergeving van zonden mogelijk (Hebr.9:22). Aan de losprijs hoeft de mens niets bij te dragen, want die vindt zijn oorsprong in de oneindige, vergevingsgezinde goedertierenheid en barmhartigheid van God, die bewezen wordt aan zondaren.

De Geliefde is de uitverkoren Knecht, die door God zelf werd ondersteund tot deze taak en in wie Hij een welbehagen had (Jes.42:1). De titel ‘Geliefde’ en ‘Uitverkorene’ zijn dus geassocieerd met het lijden en sterven van Jezus. Gods genade en goedheid werd immers nergens heerlijker geopenbaard dan in en door de Gekruisigde, want deze enige volmaakte Zoon van de Vader stierf voor ons, toen wij nog vijanden waren. De apostel spreekt hier niet alleen over genade, maar ook over de rijkdom van zijn genade, wat dus meer is dan de toekenning van de gerechtigheid. God zelf is ‘de blijmoedige gever’, die rijkdom van genade schenkt, dit wil zeggen ‘de ene genade na de andere’ (Joh.1:16).

‘die Hij ons overvloedig geschonken heeft, in alle wijsheid en bedachtzaamheid, toen Hij ons, overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had, het geheimenis van Zijn wil bekendmaakte’ 8,9.

Bij deze rijkdom van genade is er sprake van overvloed van wijsheid en inzicht, die in ons uitgestort is. Het gaat hier dus niet over het handelen van God, maar over zijn gave aan ons. Wijsheid en een verlicht verstand horen bij de geestelijke gaven, die alleen kunnen functioneren door de doop in Heilige Geest. Ze zijn belangrijk, want door deze charismata leren wij het mysterie van Gods raadsbesluit kennen. Het verstand hebben wij nodig om zijn gedachten te verstaan, dus om in te dringen in zijn motieven en deze dan weer in ons op te nemen, zodat wij uit dezelfde beweegredenen zullen handelen. Wijsheid is het vermogen om de verworven kennis van het plan van God in daden om te zetten, zodat wij in waarheid als geestelijk mens aan Gods beeld gelijkvormig worden. Uit deze kennis vloeit dus een inzicht voort dat tot een juiste levenswandel voert. Hierdoor alleen bereiken wij de bestemming als zonen en dochters van God. Wanneer wij gaan denken zoals God van eeuwigheid denkt, zijn wij in de zichtbare wereld mensen van God die onberispelijk en onbesmet zijn, tot alle goede werken volmaakt toegerust, ‘tot lof van de heerlijkheid van zijn genade’.

Door de volmaakte gemeente zal in de hemelse gewesten geopenbaard worden, hoe wijs, hoe groot, hoe machtig en hoe heerlijk God is (3:10). De voorwaarde om bij deze gemeente te horen is, dat wij onze hoop op Christus hebben gebouwd (1 Cor.15:19). In Hem worden Gods welbehagen en zijn wil ten opzichte van de mens reëel. De Zoon creëerde de mogelijkheid en het klimaat waarin God bezig is, want het plan van God werkt ‘in Hem’ en wordt effectief ‘in Hem’, zodat wij in de gemeenschap met de Vader in de hemel worden gebracht. Let erop dat de genade zo overvloedig wordt, dat er sprake is van álle wijsheid en verstand. Het geheimenis of het raadsbesluit was aan vroegere geslachten niet geopenbaard, hoewel het wel door de profeten werd aangeduid. Jezus begon in gelijkenissen te verkondigen wat sinds de grondlegging van de wereld van dit raadsbesluit verborgen was gebleven (Matth.13:3-5). De apostelen gingen voort dit geheimenis van het Koninkrijk van de hemelen te openbaren.

‘om in de tijd van de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is’ 10.

Er staat in 1 Corinthiërs 2:9-12 dat ons door de Geest geopenbaard is, wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, alles wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben. Aan niemand in het oude verbond werd getoond wat wij hebben leren kennen over het Koninkrijk der hemelen. God openbaart door zijn Geest, die de diepten van God doorzoekt, zijn eeuwig raadsbesluit om alles in de onzienlijke en zienlijke wereld te herstellen en te ordenen onder de supervisie van Jezus Christus. Deze zei: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’. De bron van alle autoriteit en macht is God zelf. Hij voerde dit gezagsprincipe ook in zijn schepping binnen.

Bij de engelen is sprake van een bepaalde hiërarchie. Er wordt gesproken over: tronen of aartsengelen, over heerschappijen die heer zijn over bepaalde sectoren van de onzienlijke wereld. Er zijn wereldbeheersers of kosmokraten, ook overheden van lager niveau en machten die het mindere werk doen. Denk bijvoorbeeld ook aan beschermengelen bij kinderen of aan demonen die mensen verleiden of opjagen. Heel deze geestenwereld wordt van hogerhand geregeerd. Ook onder de mensen is onderling gezag en macht: ouder-kind, koning-onderdaan, werkgever-werknemer. In dit verband spreekt de Schrift over de ‘ordenende wereldgeesten’, die het (nog!) mogelijk maken dat de mens een stil en rustig leven leidt. Deze ‘zwakke en arme wereldgeesten’ worden echter steeds meer aangetast door de wetteloze, boze geesten, die in de eindtijd onder de supervisie van de zonen van het verderf alles in een chaos veranderen.

Het herstel van de schepping begint met een strijd om de macht en de juiste machtshoudingen. Zo moeten wij verlost worden uit de macht van satan en zijn demonen, zodat wij ‘uit de hand van de vijanden verlost, zonder vrees God kunnen dienen in heiligheid en gerechtigheid al onze dagen’ en onze door God bedoelde gezagspositie in de hemelse gewesten zouden kunnen innemen. De eerste in het grote herstelplan, die door de Vader met die autoriteit bekleed is, is Jezus Christus. Hij ontving na zijn doop in Heilige Geest gezag en macht in de hemelse gewesten en Hij wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven. Hij zette al zijn capaciteiten, zijn wijsheid en zijn kracht in om ons te dienen en te helpen. Jezus draagt nu zijn macht over aan zijn gemeente, want Hij heeft ons macht gegeven in zijn naam te handelen, allereerst in de onzienlijke wereld en daarna ook in de zienlijke. Jezus zelf kwam in de naam van zijn Vader en wij mogen komen in de naam van de Heer en in zijn autoriteit.

Zo wordt vervuld:

  • ‘Want Hij heeft de komende wereld, waarover wij spreken, niet onderworpen aan de engelen, maar iemand heeft ergens getuigd: Wat is de mens, dat U aan hem denkt, of de mensenzoon, dat U naar hem omziet? U hebt hem voor korte tijd minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond. U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen; alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want bij het onderwerpen van alle dingen aan Hem heeft Hij niets uitgezonderd dat Hem niet onderworpen is. Nu zien wij echter nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn, maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die voor korte tijd minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood zou proeven’ (Hebr.2:5-9).

De apostel spreekt over de volheid van de tijden. Het herstel gaat niet ineens, maar kent perioden en gelegenheden. In het ene tijdsdeel vindt iets anders plaats dan in een volgend. Elk tijdperk heeft haar volheid. Zo werd Jezus geboren aan het einde van het tijdperk van de wet in de volheid van de tijd. Er zijn ook perioden in de hemelse gewesten, vandaar het woord ‘hemelen’. Er is een hemel in ons tegenwoordige tijdperk waarin een zware strijd woedt en waarin wij te strijden hebben tegen de duistere demonen in allerlei gedaantes, religies, ideologieën, culten en systemen. Er is een tweede of nieuwe hemel, wanneer de overwinning is behaald en het herstel voortgaat. Tenslotte is er de derde hemel, waarin de onzienlijke wereld geheel tot haar bestemming is gekomen. Paulus mocht een ogenblik deze heerlijkheid zien (2 Cor.12:2).

God heeft het herstelplan gemaakt om de volheid van de tijden voor te bereiden. Daarna zal God zijn alles in allen, wanneer dus al deze tijdperken van herstel voorbij zijn gegaan en Jezus Christus alles zal overgegeven hebben aan Zijn Vader (1 Cor.15:28). Alle tijden en gelegenheden van het herstelplan zullen dus ieder hun volheid krijgen, zodat het resultaat in zo’n periode correspondeert met het goddelijke voornemen en met zijn ideaal, namelijk de verheerlijking van de Zoon als hoofd van alle dingen. Alles in hemel en op aarde, de uitverkoren engelen en de verlosten van de aarde, zullen zijn volle autoriteit ervaren. Alles zal zich bewegen om de zon van de gerechtigheid en onder haar vleugels is herstel en genezing. De verhoogde Heer is nu al begonnen om zijn gemeente met de zegeningen van zijn heerschappij te doordringen. Door de gemeente zal het herstel van de hele kosmos plaatsvinden. De zuchtende schepping ziet ernaar uit.

‘In Hem zijn wij ook een erfdeel geworden, wij, die daartoe voorbestemd waren, naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt overeenkomstig de raad van Zijn wil, opdat wij tot lof van Zijn heerlijkheid zouden zijn, wij, die al eerder onze hoop op Christus gevestigd hadden’ 11,12.

‘In Hem’, dit wil zeggen als mensen die horen bij zijn lichaam, zijn ook wij in feite mede-erfgenaam van de goddelijke nalatenschap die aan Jezus toekwam. De Vader heeft namelijk aan zijn Zoon alles in handen gegeven (Joh.13:3). Deze werd de erflater en toen Hij stierf, ontvingen de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis (Hebr.9:15-17). Na Zijn opstanding werd Jezus als mens de eerste erfgenaam en opende Hij ons de weg dat wij mede-erfgenamen konden worden. Door de schuldvergeving en door het opnieuw geboren worden hebben wij vanwege Christus macht gekregen om kinderen van God te worden en ‘zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus’ (Rom.8:17). Wij ontvangen zo overvloedige genade. Zo erven wij net als de rechtvaardigen van het oude verbond, het eeuwige leven (Marc.10:17). Wij erven het heil, dat is de heling, het herstel en de genezing (Hebr.1:14). Wij erven het Koninkrijk van God, dat is de volkomen hemelse heerlijkheid in rust, vrede, blijdschap, kracht en macht (Gal.5:21). Door geloof en geduld erven wij alle beloften van God, want die zijn ‘in Hem’ ja en amen (Hebr.6:12 en 2 Cor.1:20). Wij zullen met Hem de aarde erven, maar zijn ook toebereid voor het erfdeel van de heiligen ‘in het licht (Matth.5:5 en Col.1:12). Ons erfdeel is de goddelijke natuur (2 Petr.1:4).

Om dit rijke genadepakket waardig te zijn en als erfgenaam te kunnen functioneren, heeft God ons van eeuwigheid bestemd of gepredestineerd. God had in zijn eeuwige raad of voornemen besloten dat wie in Christus is en in Hem blijft, deel heeft aan deze rijkdom van genade. Hij werkt deze geopenbaarde, vast omlijnde wil ook consequent uit en Hij wijkt er nooit vanaf. Want het deel van de Heer is zijn volk, het geestelijke Israël is het Hem toegemeten erfdeel, niet alleen als een voornemen, maar als een feit (Deut.32:9). In Romeinen 12:2 vermeldt de apostel dat de wil van God het goede, het welgevallige en het volkomene is. Zijn eeuwig doel is dat wij onberispelijk en onbesmet, als mensen van God tot alle goede werken volkomen toegerust zouden zijn (2 Tim.3:17). De volmaakte gemeente zal in de hemelse gewesten zijn tot lof van zijn heerlijkheid, want door haar zal geopenbaard worden, hoe goed, hoe wijs, hoe groot, hoe machtig en hoe heerlijk God is. De voorwaarde om bij deze zonen van God en erfgenamen te horen, is, dat wij onze hoop alleen op Christus vestigen, want Hij is trouw: Hij zal het ook doen (1 Thess.5:24).

‘In Hem bent ook u, nadat u het Woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw behoud, gehoord hebt; in Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verlossing die ons ten deel viel, tot lof van Zijn heerlijkheid’ 13,14.

De christelijke kerk begon in Jeruzalem en in Judea. Vele tienduizenden (myriaden) Joden waren tot het geloof gekomen (Hand.21:20). Ondanks hun judaïserende inslag hadden zij hun geloof op Christus gevestigd. Zij vormden in die tijd in Israël het overblijfsel naar de verkiezing van de genade. Zij sloten zich dus aan en waren één met allen, die in vroegere tijden naar de Messias uitzagen, met hen die op Hem hadden gehoopt zoals de aartsvaders, de profeten en zoals Simeon en Anna met allen die voor Jeruzalem verlossing verwachtten. Alleen deze Christen-Joden vormden het ware Israël, de goede olijfboom die deel had aan de saprijke wortel van de beloften van God. De verharde Joden werden echter niet gespaard maar als dode takken afgebroken (Rom.11:17). De tijd was nu aangebroken dat ook de heidenen op de edele olijfboom werden geënt.

In het vorige vers schreef de apostel over de Joden die al ‘tevoren’ of ‘bij voorbaat’ (Leidse Vert.) op Christus hadden gehoopt en bij wie hij zichzelf dan insloot (vergelijk Rom.16:7). Nu richt hij zich rechtstreeks tot zijn bekeerlingen uit de heidenen, die nu ook ‘in Hem’ waren. Zij hoorden er óók bij, want zij hadden het woord van de waarheid – een echte Paulinische aanduiding voor het evangelie van het behoud – gehoord, want het was hun gepredikt. Zij hadden het aangenomen en waren nu als takken geënt op de edele olijfboom. Daarna waren ze ook gedoopt of verzegeld met Heilige Geest zoals God deze in de Joëlsprofetie had beloofd. Vervuld werd dat deze ‘edelen’ uit de volken bijeen vergaderd werden als volk van Abrahams God (Ps.47:10). Voortaan droegen zij in de onzienlijke wereld het zegel dat hun verzekerde, dat de hemelse erfenis ook hun toekwam. Deze doop schonk hun immers de mogelijkheden om in de hemelse gewesten te wandelen, te strijden en de overwinning te behalen.

Het verhaal in Handelingen 19:1-5 geeft een close-up van de gang van zaken te Efeze. De doop in Heilige Geest was niet het einde, niet de volle erfenis, maar juist een begin, een onderpand van meerdere rijkdom. Deze term aan de handelswereld ontleend, bedoelt een voorschot, een handgeld of eerste betaling op wat later nog komen zou. Als erfgenamen van God mogen de gelovigen zich immers telkens meer toe-eigenen van de volle genade die voor hen is weggelegd. Al Gods genade is voor hen bestemd, want ‘die overwint, zal alles erven’. De doop in Heilige Geest staat in verband met de verlossing van het volk, dit wil zeggen met een doorgaande en volkomen bevrijding en heiligmaking of heel making van allen die Jezus kocht, zodat het einddoel van het geloof, de volkomen heerlijkheid bereikt zou worden tot lof van de Vader, die het plan bedacht en tot lof van de Zoon, die het uitvoerde.

De doop in Heilige Geest is de kracht en de toerusting om onze vijanden, satans demonen, te weerstaan, ze te verdrijven, ze te overwinnen en ze te verdelgen. De verlossing waarover hier wordt gesproken is de voortzetting door de Heilige Geest van het verlossingswerk van Jezus, die door zijn bloed ons vrijkocht uit de macht en de claim van satan. Over deze verlossing sprak vers 7. Hier wordt de verlossing bewerkt door de Heilige Geest en door middel van de geestelijke gaven. Zo zouden wij ook in dit opzicht de woorden van de apostel kunnen aanhalen: die ons verlost hééft en ons ook verder zál verlossen (2 Cor.1:10). In het Oude Testament was de besnijdenis het zegel van de gerechtigheid van het geloof voor allen die in Abrahams voetsporen traden. Dit zegel was dus een herkenningsteken. In het Nieuwe Testament is de doop in Heilige Geest het zegel van het geloof in de volkomen verlossing voor allen, die in de voetstappen van Jezus treden. De doop in Gods Heilige Geest is een herkenningsteken in de geestelijke wereld. Duidelijk komt dus in dit vers uit dat de nieuwtestamentische gemeente het volk van God is, zoals er staat: ‘U bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priestergeslacht, een heilige natie, een volk God ten eigendom’ (1 Petr.2:9, zie ook Mal.3:17).

Terecht volgt nu na deze verzen een pauze, die een nieuw gedeelte introduceert. De voorafgaande verzen vormden een hechte keten van enkele zinnen. Zij trokken de lezers op naar hemelse sferen met hun genade en onbeschrijfelijke heerlijkheden. De heiligen en gelovigen in Christus worden gezegend in de geestelijke regionen. Ze zijn uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld en voorbestemd als zonen van God. Deze verheffing van de mens komt voort uit de oneindige vrije wil van God die volmaakt licht is en in wie geen duisternis wordt gevonden. Wij merken de glorie van de Vader, zijn Zoon Jezus Christus en Gods Heilige Geest. Inderdaad openbaart het begin van deze brief grote geestelijke rijkdommen en de wondervolle beloften voeren ons tot de diepste gedachten van God, waarvan gezegd kan worden:

  • ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, alles wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben’ (1 Cor.2:9).