8. Slot van de Colossenzenbrief

<<<<<

Colossenzen 4:7-18

‘Van al mijn omstandigheden zal Tychikus, mijn geliefde broer en trouwe dienaar en medewerker voor de Heer, u op de hoogte brengen. Ik heb hem juist daarom naar u gestuurd, zodat u kunt horen hoe het met ons gaat en dat hij u bemoedigt,’ 7,8.

Specifieke details over de gevangenschap van Paulus zijn voor ons onbekend. De Colossenzen kunnen hierover horen van Tychikus. Hij wordt beschreven als een geliefde en trouwe medewerker die samen met Paulus het werk van de Heer doet. De bedoeling van deze aanbeveling is dat men Tychikus met open armen zal ontvangen. Hij komt om te vertellen hoe het met de apostel gaat en om hun een hart onder de riem steken. Waarschijnlijk brengt hij ook de brief mee die is bestemd voor de Efeziërs (Ef.6:21,22 en 2 Tim.4:12). In Handelingen 20:4 lezen we dat Tychikus een van de afgevaardigden was die Paulus vanuit Griekenland naar Jeruzalem begeleidden, om daar de collecte van de heidense gelovigen aan de Joods-christelijke gemeente te overhandigen. Tychikus kan de Colossenzen vertellen dat Paulus het geestelijk goed maakt ondanks zijn gevangenschap. Misschien zijn ze ongerust over Paulus, maar Tychikus krijgt nu de gelegenheid om hen te troosten. Hij zal ook mondeling bevestigen dat Paulus het evangelie dat zij hebben geaccepteerd blijft verdedigen tegenover de dwaalleraars als het enige ware en eeuwig evangelie (Fil.1:16).

‘samen met Onesimus, mijn trouwe en geliefde broer, die een van u is. Zij zullen u van alle omstandigheden hier op de hoogte brengen’ 9.

Met Tychikus gaat ook Onesimus terug. Onesimus is een ontsnapte slaaf uit Colosse, die Paulus in de gevangenis heeft ontmoet. Daar is hij tot bekering gekomen en Paulus stuurt hem nu weer terug naar zijn meester, Filemon. Ondanks dat Onesimus toegewijd en zeer nuttig is voor de apostel, stuurt Paulus hem toch terug (Filemon 12). Het feit dat Paulus nu over Onesimus spreekt als ‘een van u’ kan ook verwijzen naar de bekering van Onesimus, waardoor hij nu naar hen terugkeert, ‘niet meer als slaaf, maar veel meer als een geliefde broer’. Hoogstwaarschijnlijk heeft Tychikus dus ook de brief aan Filemon meegenomen. Paulus bevestigt nogmaals dat Tychikus en Onesimus beiden goed op de hoogte zijn van zijn situatie en hen daarover kunnen inlichten.

‘Aristarchus, mijn medegevangene, laat u groeten en Marcus, de neef van Barnabas – u hebt al de instructie m.b.t. hem gekregen: ontvang hem gastvrij als hij bij u komt’ 10.

Er volgen nu enkele groeten van Paulus’ medewerkers. Allereerst Aristarchus (zie Hand.20:4), een Macedoniër uit Thessalonica (nu Thessaloniki, Griekenland), die Paulus begeleidde en in Efeze door een menigte naar het theater werd gesleept (Hand.20:4; 19:29). We lezen in Handelingen 27:2 dat hij met Paulus per schip naar Rome gaat. Ook vinden we zijn naam in Filemon 24. Paulus beschrijft hem als een medegevangene, wat verwijst naar hun gevangenschap, waar ze samen strijd voeren in de hemelse gewesten.

Johannes Marcus ging met Paulus mee op zijn eerste zendingsreis. In Klein-Azië verloor hij de moed en keerde terug. Dit leidde tot verwijdering tussen Paulus en Barnabas. Paulus weigerde Marcus mee te nemen op hun volgende zendingsreis, terwijl Barnabas, ondanks dit feit, zijn neef wél wilde meenemen. Vervolgens reisden Barnabas en Marcus samen naar Cyprus, het geboorteland van Barnabas (Hand.4:36; 12:25; 13:5,13; 15:37-40). Uit de Colossenzenbrief blijkt nu dat de ruzie van tijdelijke aard was. Paulus schrijft aan Timotheüs dat Marcus hem van veel nut is voor de dienst (2 Tim.4:11).

Marcus is de auteur van het naar hem genoemde evangelie en Petrus noemt hem zijn zoon. Op dat moment zijn ze volgens Petrus in Babylon, mogelijk een verwijzing naar Rome (1 Petr.5:13). Marcus heeft waarschijnlijk ook de taak om gemeenten in Klein-Azië te bezoeken. Bij het schrijven van de huidige brief is hij nog in Rome, maar hij is vrij om te gaan, net als Tychikus. Paulus spoort de Colossenzen aan om Marcus vriendelijk te ontvangen, omdat hij natuurlijk ook onderdak en geld nodig heeft om zijn reis voort te zetten (Titus 3:13 en 3 Joh.6-8).

‘en Jezus genaamd Justus, de enigen uit de besnedenen, die mijn medewerkers zijn voor het Koninkrijk van God en die mij dan ook tot troost zijn geweest’ 11.

De naam Jezus of Jozua komt vaak voor bij Joden. Deze broeder kreeg de Latijnse bijnaam Justus (= rechtvaardige), een gangbare naam, vooral bij proselieten (of Jodengenoten: niet-Joden die het Joodse geloof hebben aangenomen) (Hand.1:23 en 18:7). Uit de woorden ‘de enigen uit de besnedenen’ spreekt verdriet en teleurstelling, omdat maar zeer weinig Joden de leer van Paulus hebben omarmd. Dezelfde teleurstelling zien we in Romeinen 9, waar hij spreekt over zijn onbekeerde volksgenoten. Van de Joden die zich wél bekeerden werden velen liever Joodse christenen. Deze judaïsten, die de besnijdenis ook voor heidenen wilden verplichten, hebben Paulus veel problemen bezorgd (Hand.15:1, Fil.3:2; de Galatenbrief). Daarom schrijft Paulus nu over de Joodse broeders die bij hem zijn gebleven en hem helpen bij het werk in het Koninkrijk van God dat ze hem dan ook tot troost zijn geweest.

‘Epafras laat u groeten, die een van u is. Een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in zijn gebeden voor u worstelende, dat u mag stáán, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil. Want ik kan van hem getuigen, dat hij zich veel moeite heeft gegeven voor u en voor hen, die te Laodicea en te Hiërapolis zijn’ 12,13.

Epafras, afkomstig uit Colosse, zit ook gevangen (Filemon 23). Zoals we eerder lazen in hoofdstuk 1:7 is Epafras een van de oprichters van de gemeente in Colosse. Hij worstelt in de hemelse gewesten nog steeds voor deze gemeente, vooral in verband met de binnengeslopen dwalingen. Hij hoopt dat ze vast zullen houden aan de wil van God, die gericht is op het goede, welgevallige en volmaakte (Rom.12:2). Dit in tegenstelling tot de Judaïsten die de volmaaktheid en volheid via hun wetten en de 613 mitswot blijven propageren. Epafras komt ook op voor andere gemeenten, namelijk die van Laodicea en Hiërapolis. Het is goed mogelijk dat Epafras ook in deze steden het evangelie heeft verspreid. Zij lagen namelijk dicht bij Colosse: Hiërapolis op twee uur afstand en Laodicea op drie uur afstand.

‘De geliefde huisarts Lucas en ook Demas laten u groeten’ 14.

Lucas, bekend als reisgenoot van Paulus en auteur van het evangelie dat zijn naam draagt alsook de Handelingen van de apostelen, gebruikt in Handelingen altijd de wij-vorm wanneer hij erbij was (dit begint bij 16:10 en eindigt bij 28:16). Hoewel hij dokter wordt genoemd, heeft hij waarschijnlijk zijn praktijk opgegeven.

Er is ook nog een persoon genaamd Demas, die hier nog bij Paulus is, maar die hem (volgens 2 Tim.4:10) later zal verlaten. De wereld op aarde had hij méér lief.

Laodicea en omstreken

‘Groet de broers te Laodicea; ook Nymfa met de gemeente bij haar aan huis’ 15.

Er volgen nu groeten aan de broers in Laodicea en een speciale groet aan een zuster die daar een huisgemeente heeft. Het gebeurde vaker dat een vrouw haar grote huis ter beschikking stelde voor bijeenkomsten. Denk bijvoorbeeld aan Maria, de moeder van Marcus (Hand.12:12) en Lydia (16:14,15). Waarschijnlijk is Nymfa een vrouw, aangezien Paulus haar specifiek noemt naast de broers.

‘En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorg dan, dat hij ook in de gemeente te Laodicea voorgelezen wordt en dat ook u die van Laodicea u laat voorlezen’ 16.

Uit deze woorden wordt duidelijk dat de brieven van Paulus aan de gemeente werden voorgelezen door een oudste, opziener of door de persoon die de brief bracht. Dit proces werd vaak meerdere keren herhaald. Vervolgens werd de brief of een kopie ervan naar een andere gemeente gestuurd. Paulus geeft nu echter een opdracht, omdat in Laodicea mogelijk dezelfde problemen en uitdagingen spelen als in Colosse. Ook de brief van Laodicea is waarschijnlijk door Paulus geschreven en deze moet ook in Colosse worden voorgelezen. Deze brief is niet voor ons bewaard gebleven.

‘En zeg tot Archippus: Zorg dat u de bediening, die u in de Heer aanvaard hebt, ook vervult. Een eigenhandige groet van mij, Paulus. Denk aan mijn gevangenschap. De genade is met u’ 17-18.

Archippus was waarschijnlijk een oudste in Colosse, in het huis van Filemon, waar ook een huisgemeente was. Het is mogelijk dat hij de opvolger was van Epafras als evangelist of voorganger. Paulus moedigt hem aan om trouw te blijven aan zijn roeping.

Het einde van de brief is een persoonlijke groet van de apostel. De brieven van Paulus werden vaak gedicteerd, maar het slot schreef hij met zijn eigen hand om het een persoonlijk karakter te geven en de authenticiteit te garanderen (2 Thess.3:17). Hij schrijft: ‘Denk aan mijn gevangenschap’. In Filemon 22 zegt hij: ‘Maak huisvesting voor mij klaar.’ Hij verwacht dus snel vrij te komen. Daarna volgt een zeer korte zegen, waarmee hij zijn brief afsluit. Hij wenst zijn lezers de genade van Christus Jezus in al haar rijkdom toe!