4. Met Jezus Christus gestorven en opgewekt

<<<<<

Colossenzen 2:4-15

‘Dit zeg ik, zodat niemand u met valse leringen misleidt. Want al ben ik naar het vlees afwezig, naar de geest ben ik bij u en ik zie met blijdschap de orde, die bij u heerst en de hechtheid van uw geloof in Christus’ 4,5.

In het vorige gedeelte werd duidelijk wat het doel van het evangelie is: ‘Christus in ons, de hoop van de heerlijkheid’, waardoor we een compleet inzicht krijgen in de volle rijkdom van het geheimenis. Paulus bracht dit evangelie, zodat ze niet op een dwaalspoor zouden komen. Hij waarschuwt tegen mensen die op een slimme manier de kinderen van God proberen te misleiden met hun redeneringen. Let op hoe vaak de apostel Paulus waarschuwt tegen dwalingen. Ondanks zijn afwezigheid en zijn moeilijke omstandigheden, plaatst hij zich in de geest tussen hen in en is hij blij met het feit dat de gemeente in haar geheel standvastig en eensgezind is. De gemeente is als een leger dat goed is opgesteld om de vijand te weerstaan. Dit doen ze onder leiding van hun voorganger en oudsten. Hun geloof is sterk en onwankelbaar, hoewel de Judaïsten proberen hun ideeën over wetten en ceremoniën binnen te brengen (vers 20-22).

‘Nu u Christus Jezus, de Heer, aanvaard hebt, wandelt in Hem, geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiend in dankzegging’ 6,7.

Verder bouwen op het Bijbels fundament

Doordat Epafras en anderen het evangelie gebracht hadden, hebben de Colossenzen zich bekeerd en het offer van Christus in geloof aanvaard. Nu moeten zij in de Heer blijven wandelen, dat wil zeggen zijn woorden bewaren en ernaar handelen. Ze zijn als een plant, die in goede aarde geworteld is, oftewel in het plan en in de liefde van God (Ef.3:17). Dit betekent opgebouwd worden en opgroeien. Als we in plaats van ‘geworteld’ het woord ‘gefundeerd’ gebruiken, krijgen we het beeld van een gebouw dat steeds groter wordt. Datzelfde beeld zien we in Hebreeën 6. Na het leggen van het fundament volgt de opbouw in kennis en inzicht in het Koninkrijk van God en de ontplooiing van de geestelijke gaven. ‘In Hem’ is nooit vaag, maar betekent in Zijn lichaam of in Zijn woord. Het geloof in zijn woord, waarin ze werden onderwezen, wordt bevestigd door hun levenswandel. Het is zo’n grote rijkdom dat het hen veel stof tot nadenken geeft en veel redenen tot dankbaarheid.

‘Ziet toe, dat niemand u meesleept door zijn filosofie en door zelfingenomen bedrog in overeenstemming met de overlevering van de mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus’ 8.

De Colossenzen worden opnieuw gewaarschuwd om zich niet de schatten van wijsheid en kennis in Christus af te laten nemen. Er zijn namelijk mensen die door middel van de zogenaamde filosofie, door intellectualisme of onzinnige fantasieën proberen de christenen in Colosse uit hun nieuwe denkwereld te halen. Ze komen met overleveringen van mensen (Marcus 7:8), die ongeestelijk en aardsgezind zijn. Hun denken staat in verband met de wereldgeesten. Deze wereldgeesten of ‘eerste beginselen’ worden gevormd door de bundeling van menselijke geesten, die op deze manier het aardse, maar ook het religieuze leven proberen te ordenen. Zij staan op hun beurt onder invloed van de overheden en machten in de geestelijke wereld. Op deze manier wordt een ongeestelijk of natuurlijk ‘kerkelijk leven‘, verplicht georganiseerd. 

Dit komt overeen met de manier waarop het politieke of maatschappelijke leven wordt bestuurd. Dan wordt de dienst van God verlaagd tot inzettingen en geboden van mensen, rituelen en symbolen. Men stelt machthebbers en leiders aan en men maakt in de kerk onderscheid tussen een ‘geestelijke stand’ en ‘de leken’. Dit gebeurt op basis van menselijke verhoudingen en niet op grond van de waarheden van het Koninkrijk van de hemelen en de geestelijke gaven. De wetten zijn dan ook niet gebaseerd op de relatie met Christus, maar lopen parallel met aardse geboden en verboden. Men moet dan dít doen en dát moet men nalaten!

‘want in Hem woont al de volheid van de godheid lichamelijk; en u hebt de volheid ontvangen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht’ 9,10.

Tegenover het volgen van de wereldgeesten staat het geleid worden door De doop met Gods Geest, de volheid van God. Deze woont in de eerste plaats in de mens Jezus, maar allen die in Hem zijn, hebben dezelfde volheid ook ontvangen. Dat zijn zij die bij Zijn lichaam horen, dat is de gemeente. De gemeente is met Christus door God aangesteld als hoofd van alle overheid en macht in hemel en op aarde (Ef.1:21–23). Jezus heeft deze macht al ontvangen in volle omvang en op Zijn beurt geeft Hij ons macht, eerst in de onzichtbare wereld en later ook in de zichtbare wereld.

‘In Hem bent u ook besneden, niet met mensenhanden is, maar met de besnijdenis van Christus, door alles wat aards in u is af te leggen’ 11.

De letterlijke, aardse besnijdenis; voor eeuwig voorbij

Paulus stelt de besnijdenis van het hart van degenen die in Christus zijn, tegenover de Judaïsten die beweerden dat je eerst moest worden besneden om een heilige christen te zijn. Bij de besnijdenis van het hart wordt het kwaad in de innerlijke mens weggesneden en het goede behouden. Dat is te vergelijken met de besnijdenis van de voorhuid, waarbij er iets van het lichaam wordt weggenomen. Bij de geestelijke mens wordt de zónde weggenomen. Het kwade wordt verwijderd. Dit bewijst dat de mens van zichzelf niet verdorven is, want dan zou dit niet mogelijk zijn zonder het wezen van de mens aan te tasten. Bij deze gééstelijke besnijdenis wordt de besmette plek zonder handen weggenomen. Het is immers het werk van God Geest in de onzichtbare wereld.

Wat wordt er weggenomen?

Bij deze besnijdenis wordt het lichaam van het ‘zondige’ vlees afgelegd, alsof men een vuil kledingstuk uittrekt. Dat is het lichaam waarin satans demonen werkten. Het gaat hier niet over de besnijdenis van Mozes (Joh.7:22), maar over die van Christus, gesymboliseerd door de doop IN water.

‘Toen u gedoopt werd bent u immers met Hem begraven en met Hem bent u ook tot leven gewekt, door het geloof in de kracht van de God die Hem uit de dood heeft opgewekt’ 12.

In de waterdoop getuigt men op aarde van wat er in de geestelijke wereld is gebeurd. Het oude is weggenomen en het nieuwe is gekomen. Door de waterdoop getuigt de mens dat hij een besnedene van hart is. De symboliek van de doop is duidelijk: De onderdompeling symboliseert de begrafenis; het opkomen uit het ‘watergraf’ verwijst naar opstanding. De doop beeldt niet alleen het afleggen en het begraven van de oude mens uit, maar het betekent ook het opstaan van de vernieuwde, gerechtvaardigde mens tot een nieuw leven. Het is als een huis, waarvan een gedeelte door brand is beschadigd. Dit deel wordt gesloopt en er ontstaat een vernieuwd of hersteld huis, waar dag aan dag aan wordt gewerkt en dat mooier wordt dan ooit tevoren. Ook hier is weer sprake van een herstel- of groeiproces.

Aan de opstanding gaat de opwekking vooraf. Dit gebeurt door Gods Geest, de werking van God waarin wij geloven. Zo ging het ook met Jezus Christus. Hij werd door Gods Geest opgewekt (Rom.8:11) en stond vervolgens op uit de dood. Paulus trekt hier steeds een parallel tussen de gelovigen en Jezus zelf. Beiden volgen dezelfde weg.

‘Ook u heeft Hij, hoewel u dood was door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold,’ 13.

Jezus stierf omdat Hij de schuld van de wereld op zich nam. Alle zonde- en ziektemachten vielen Hem aan en uiteindelijk leidden de demonen Hem naar het dodenrijk. Jezus werd van God gescheiden door de schuld- en zondemachten, waardoor hij riep: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ (Matth.27:46). Op dezelfde manier waren ook wij dood, dat wil zeggen gescheiden van God, door onze eigen overtredingen en zonden ( Ef.2:1-3). Satans’ demonen heersten over ons, wat wordt uitgedrukt door de woorden ‘onbesnedenheid naar het vlees’. Net als de Efeziërs waren de Colossenzen heidenen, onbesneden en daardoor uitgesloten van het volk van God, zonder hoop en zonder God in de wereld (Ef.2:11-12).

Jezus’ dood bracht daar verandering in. Zijn opstanding was het bewijs, dat het offer was geaccepteerd en de schuld verzoend. God schold ons de straf kwijt voor al onze overtredingen en we kwamen tot leven, omdat de scheiding werd opgeheven. We werden gerechtvaardigd en in genade opnieuw door God aangenomen op grond van het persoonlijk geloof. Op deze manier kregen we weer gemeenschap met God en werden we dus levend gemaakt.

‘door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen:’ 14.

Paulus borduurt voort op zijn waarschuwingen in vers 4 en 8, om niet te worden meegesleept door de Joden. Zij beweren dat men, ondanks dat Jezus voor de zonden was gestorven, toch de ceremoniële wetten moest naleven, zoals besnijdenis, sabbat, offers en talloze, toegevoegde wetten. Deze inzettingen vormden een bedreiging wanneer de wetten van God werden overtreden door degenen die ze moeten naleven. Bijvoorbeeld:

  • Wie bij een waarzegster was geweest, moest worden gedood.
  • Wie vloekte, moest worden gestenigd.
  • Wie zijn ouders vervloekte, moest ook worden gedood.

Zo stelt Paulus in zijn brief aan de Romeinen: ‘het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn’ (Rom.7:10). Wie ónopzettelijk zondigde, kon zijn schuld vereffenen met een offer en ontving dan vergeving. Al deze wetten, verbonden aan verordeningen, hielden het volk steeds onder een dreiging van straf. Merk op dat er in de gemeenten van Jezus Christus geen verordeningen meer zijn. Er is daar geen straf op de zonde.

  • ‘Als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader. Jezus Christus, de rechtvaardige’ (1 Joh.2:1).
  • ‘Wie zijn zonde belijdt en nalaat, zal barmhartigheid ontvangen’ (Spr.28:13).

Hij zal geen straf ontvangen. Wie volhardt in het kwaad, wordt als een verdorde tak van de wijnstok afgesneden en overgeleverd aan het vuur van de machten van duisternis in de onzichtbare wereld (Joh.15:6). God heeft (door Jezus Christus vrijwillige offer) de wet van de Sinaï met haar beloningen en straffen aan het kruis genageld en weggedaan. Voor wie gelooft dat het offer van Jezus Christus voldoende was, om de straf op de zonde van de hele wereld weg te nemen, heeft de wet van de Sinaï geen betekenis meer.

‘Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo hen overwonnen’ 15.

Het beeld dat Paulus hier gebruikt, is dat van verslagen vijanden van wie de wapens zijn afgenomen. Ze worden in een triomfantelijke optocht meegevoerd en publiekelijk vernederd. Aan het kruis heeft Jezus duidelijk laten zien, wie de vijanden en aanstichters van het kwaad zijn. Hij heeft ze zijn leven lang ontmaskerd. De machten die wetteloosheid veroorzaken of stimuleren, zijn de vijanden van God en mens. In het nieuwe verbond moet daarom niet de mens worden gedood, maar de demonen worden uitgedreven, verjaagd of weerstaan. Dat is het evangelie van het kruis, de boodschap van het Koninkrijk van de hemelen. Jezus vocht niet tegen mensen, maar Hij zei: ‘Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen’ (Luc.23:34).

De wapens van de overheden en machten zijn hun beschuldigingen tegen de zondaar. Ze gebruiken daarom de wet als wapen tegen de mens. ‘Want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood’ (Rom.7:11). Men overwint de zonde niet door de wet en zijn instellingen na te leven, of door een mens te straffen, maar door de zondemachten te bestrijden, zoals Jezus Christus dat zijn hele leven deed. Op deze manier heeft hij zelfs de dood overwonnen. We strijden immers niet tegen vlees en bloed, maar tegen demonen en boze geesten in de hemelse gewesten (Ef.6:10-18).

>>>>>