6 De wet is geestelijk

Mattheüs 5:19,20

19: ‘Wie dan een van deze kleinste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de kleinste genoemd worden in het Koninkrijk van de hemelen; maar wie ze doet en leert, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk van de hemelen’.

De Joden zochten heel precies, tot in detail en vol aandacht naar de betekenis van de jota en de tittel. Zij maakten daarmee allerlei wetten voorschriften, die men punctueel in de natuurlijke wereld moest naleven. Jezus spreekt hier echter over een functioneren in het Koninkrijk van God, dus over de geestelijke wereld. Het gaat over ‘één van déze geboden’, waarover Hij verder spreekt met: ‘Maar Ik zeg u’. Wie in de onzienlijke wereld groot wil zijn, kan zelfs het kleinste gebod van de ingeschreven wet van God niet kleineren of negeren. Alle wetten moeten daar reëel worden gemaakt en men kan daarom niet de hemelse leer van Jezus negeren. Hemel en aarde mogen voorbijgaan maar zijn woorden zullen nooit voorbijgaan (Matth.24:35).

Toen een wetgeleerde aan Jezus vroeg – om Hem op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grote gebod in de wet?’, antwoordde Jezus: ‘U zult de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de hele wet en de profeten’ (Matth.22:34-40). Jezus wees toen op de grondwet voor alle mensen, die allemaal geschapen zijn naar Gods beeld en als zijn gelijkenis. De liefde tot God en het zoeken van Hem hoort bij het mens zijn. Zo is ook het menselijke leven op aarde gebaseerd op onderlinge liefde en behulpzaamheid. Deze twee geboden vatten het doel van de hele wet samen, ook die van de geestelijke of ingeschapen wet en berusten op de eerbied voor God en op het respect voor de medemens.

In zijn rede tegen de Schriftgeleerden en de Farizeeën wees Jezus erop, dat zij het accent legden op geboden, die niet de minste waarde hebben in het Koninkrijk van God. Die houden de mens klein. Zij vertienden namelijk de munt, de dille en de komijn, maar het grootste of belangrijkste van de wet werd door hen verwaarloosd: het oordeel tussen goed en kwaad in de onzienlijke wereld, de barmhartigheid en liefde t.o.v. de medemens en de trouw aan de Schepper en diens geboden (Matth.23:23). Denk ook aan hun uitgewerkte 613 sabbatvoorschriften, waarmee ze de mensen tot slaaf van de wet maakten en de sleutel van de kennis van het Koninkrijk van de hemelen wegnamen.

Men kan ook een schijnbaar klein gebod verachten, dat wel grote waarde heeft voor het Koninkrijk van de hemelen. Zo verweet Maleachi het volk Israël, dat het geen eerbied voor God had, ‘want wanneer u een blind dier ten offer brengt, is dat niet erg? Wanneer u een kreupel of ziek dier brengt, is dat niet erg? Biedt dat eens uw landvoogd aan’ (Mal.1:8). Het offer moest immers het lijden en sterven van Jezus uitbeelden? Hij gaf zijn leven als losprijs in het Koninkrijk van de hemelen als een gaaf en schuldeloos offerlam en vervulde hiermee de wet.

Petrus dacht barmhartig te zijn, toen hij Jezus zei dat Hij niet naar Jeruzalem ‘moest’ gaan om te lijden en sterven. Hij zag daarbij over het hoofd dat Jezus kwam om de wet te vervullen. Onder invloed van satan zei hij: ‘Dat zal u zeker niet overkomen’ (Matth.16:21-23). De Emmaüsgangers ontbonden de wet ‘door niet alles te geloven wat de wet en de profeten hadden gezegd’. Jezus zei streng: ‘Moest de Christus dit niet lijden?’ Zo wees de apostel Paulus de leerlingen in Antiochië erop, dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk van God moeten binnengaan (Hand.14:22). Dit is in het oog van veel kerkmensen een klein gebod, dat je gemakkelijk kunt vergeten! Maar de realiteit is nu dat opnieuw geboren christenen gehaat worden, zelfs door hen die zich christen noemen en elke zondag vroom 1 of soms zelfs 2 keer naar de kerk gaan.

De Farizeeën ontbonden het gebod van de liefde door het als een klein gebod te beschouwen. Zij zeiden bijvoorbeeld dat een man zijn vrouw een scheidingsbrief mocht geven, als ze het eten liet aanbranden (Deut.24:1). Zij ontbonden dit gebod van de liefde ook door te zeggen: je naaste is je volksgenoot, maar je vijand mag je haten. Zij schipperden dus met het grote gebod. Het gebod om tienden te geven is een uiterlijke vorm, maar Jezus zei: ‘Geef aan God wat van God is’. Wordt dit bij en door ons vervuld? 

De wetten van het Koninkrijk van de hemelen zijn als de onderdelen van een machine, die stuk voor stuk hoe klein ook, onmisbaar zijn. Wij moeten ‘in alles onberispelijk zijn’ (1 Thess.5:23). Let erop dat Jezus het ‘doen’ noemt voor het ‘leren’. ‘Niet ieder, die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal het Koninkrijk van de hemelen binnengaan, maar wie de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is’, zegt de Heer aan het slot van de Bergrede. De wil van de Vader is: het goede, welgevallige en volkomene (Rom.12:2). ‘Christus Jezus heeft Zich voor ons gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken’ (Titus 2:14). Zoals een vis geschapen is om in het water te zwemmen, zo ‘zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen’ (Ef.2:10). Jezus was de allergrootste in het doen van goede werken en daarom had Hij ook het recht anderen te onderwijzen. Hij heeft een voorbeeld nagelaten, zodat wij iHem zouden volgen (1 Petr.2:21).

20: ‘Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk van de hemelen beslist niet binnengaan’.

Ook voor ons is dit van groot belang, want het vormt onze visie op het hele evangelie. Hoe stond onze Heer nu tegenover de oudtestamentische wet waaronder Hij was geboren en opgevoed? Zelf hoorde Hij niet bij de categorie van Schriftgeleerden en Farizeeën, maar was toch een leraar die Zich bevoegd achtte om kritiek uit te oefenen op het geestelijke onderwijs van de toenmalige wetskenners. Hij zegt hier zelfs dat zijn volgelingen de geautoriseerde leraars van het volk zouden moeten overtreffen. Zij zouden het verder moeten brengen dan die mannen, wier hele leven verweven was met het bestuderen en uitpluizen van de wet van Mozes. Dezen vormden een aparte kaste en hadden regels en voorschriften m.b.t. de juiste levenswijze opgesteld, die nauwkeuriger en veeleisender waren dan wat de oudtestamentische geschriften ooit hadden voorgeschreven. Geen wonder dat de mensen de hoop hadden opgegeven om net zo goed te kunnen leven als de Schriftgeleerden en Farizeeën. Zij waren de morele en geestelijke voortreffelijken van beroep, zoals men tegenwoordig professionals heeft in de wereld van de sport en de kunst. Daar valt als gewone man niet mee te wedijveren. Nu zegt de Heer hier tot de minste van zijn leerlingen dat hun gerechtigheid overvloediger moest zijn dan van deze wetdienaars. Waaruit deze overvloedige gerechtigheid bestaat, wordt verteld in vers 48: ‘U dan zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is’.

In de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar zien we de Farizeeër op een vooruitgeschoven plek in de tempel. Hij beroemde zich erop dat hij ook deed wat hij leerde. Hij was geen rover, geen onrechtvaardige, geen echtbreker en ook niet zoals de tollenaar die verder weg stond. Dit was nog niet alles, want hij vastte tweemaal per week en gaf het tiende deel van al zijn inkomsten aan God en zijn dienst. De hier beschreven Farizeeër was een type van zijn soortgenoten: zeer religieus, punctueel en nauwgezet. Toch was er geen groep vooraanstaanden waar de Heer Zich zo tegen verzette als juist die van de wet- en Schriftgeleerden, die ‘muggen uit zeefden en kamelen inslikten’. Neem het 23e hoofdstuk van Mattheüs met de telkens terugkerende afwijzing: ‘Wee u, Schriftgeleerden en Farizeeën, u huichelaars’. Hier zien we de ontmaskering van de religieuze geestenwereld die in hen was verscholen en die hen gebruikte. Zo begrijpen we nu ook de strekking van onze tekst. De Schriftgeleerden en Farizeeën werden door de Heer aangeduid als hypocrieten, maar zij zelf hadden zich dit nooit gerealiseerd.

Hierin ligt voor ons de waarschuwing dat het mogelijk is dat ook een christen kan vertrouwen en bouwen op bepaalde overtuigingen en leringen, die in wezen zonder waarde zijn en alleen dienen tot bevrediging van het door religieuze geesten gebruikte vlees (Col.2:23). Zo zei Jezus tot de geldzuchtige Farizeeën: ‘U bent het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten’ (Luc.16:15). Ook vergeleek de Heer deze leiders met wit gepleisterde graven: naar buiten leek alles in orde, maar de binnenkant deugde niet. Ze waren innerlijk niet gereinigd, want ze misten de ingeschapen wet van God. Zij zouden daarom ook niet in deze gesteldheid van het hart Gods Geest kunnen ontvangen, want Deze neemt zijn intrek alleen bij rechtvaardigen. Zij deden alles om door de mensen gezien te worden. Denk aan hun bidden op de hoeken van de pleinen, aan hun brede gebedsriemen en aan hun zichtbaar en openlijk schenken van aalmoezen. Ze wilden ‘vroom’ lijken, maar hun gerechtigheid zat niet van binnen in de onzienlijke wereld.

Jezus vraagt hier om een andere rechtvaardigheid zowel in de onzichtbare als in de zichtbare wereld. Hoe dit zou gebeuren wordt hier niet vermeld, maar deze gerechtigheid is volkomen en rust op het bloed van Jezus Christus. Hierdoor wordt de mens overgezet uit de macht van de duisternis in het licht. Het gaat er dus niet om nog preciezer en nauwkeuriger dan de schrift- en wetgeleerden de gerechtigheid proberen te bereiken op hun manier, maar om een levenswijze die recht doet aan de ingeschapen wet van God. Let er op dat men niet iets van de wet moet afdoen, maar men moet overvloediger zijn in goede werken. Men moet de wet vervullen, dat is vervolmaken. De Farizeeën spanden zich in en veel kerkgangers doen hun best, maar alleen geestelijke mensen gaan het Koninkrijk van de hemelen binnen, want hun gerechtigheid rust alleen op geloof dat werkzaam is in het Koninkrijk van de hemelen, terwijl God zijn wet opnieuw in hun verstand legt en in hun harten schrijft (Hebr.8:10).

Met Christus komt het einde, het doel of de voltooiing van de wet (Rom.10:4). Voordat Hij kwam ging het om de mens die de gerechtigheid deed en daardoor zou leven. In het oude verbond kwam het aan op inspanning van krachten, maar omdat men geen rekening kon houden met demonen en niet tegen hen was opgewassen, werd door de meeste mensen niets bereikt. De wet was immers een tuchtmeester voor leerlingen, die bijna allen geestelijk chronisch ziek waren (Gal.3:24). Ze hadden niet in de eerste plaats een opvoeder maar een dokter nodig. Waren ze genezen en bevrijd, dan ging het leren vanzelf.

Bij de herstelde mens is het goede doen niet moeilijk, want het goede hoort bij zijn wezen. Hij is geschapen tot goede werken en hij hoeft niet naar de hemel op te klimmen of naar het dodenrijk af te dalen, want het Woord van God, Christus, is nabij hem, in zijn mond en in zijn hart (Rom.10:7,8). De les van de wet wordt in ons vervuld, die niet naar het vlees, maar naar de Geest van God leven. De vernieuwing van denken is dan: het woord van God is in mij en ik bezit de kracht van de inwonende Geest, want God is het, die het willen en het uitvoeren in mij door die Geest bewerkt (Filip.2:13). Zo leidde Jezus de gedachten van hen die Hem hoorden van het oude verbond naar het nieuwe, waar zij de totale gerechtigheid konden ontvangen door het geloof in zijn verzoenend bloed.

Hoe ziet het Koninkrijk van de hemelen eruit, een uitdrukking die 32 maal in Mattheüs voorkomt, waarvan 6 maal in de Bergrede? De uitdrukking Koninkrijk van God komt echter slechts 4 maal bij deze evangelist voor. Het is bekend dat Mattheüs voor Joodse lezers schreef voor wie het gebruik van de Heilige Naam van God door de ‘ouden’ verboden was. De evangelist zou daarom, vanwege de traditie, zich hebben aangepast en de verzachtende vorm Koninkrijk der hemelen hebben gebruikt. De vraag blijft dan of Jezus zelf in zijn Bergrede dit ook heeft gedaan? In Lucas 6:20 staat bijvoorbeeld een variant van de eerste zaligspreking: ‘Gelukkig, u armen, want van u is het Koninkrijk van God’.

Waarom gebruikt de Heer zo vaak in de Bergrede de uitdrukking Koninkrijk van de hemelen? Omdat de Joodse religie door het Judaïsme een zaak van de aarde was geworden. Men hield geen rekening met de onzienlijke wereld waar God en de satan met zijn dodenrijk zijn, waar de heilige engelen en de onreine geesten zich bevinden. Waar Gods Geest werkzaam wil zijn in de innerlijke, onzichtbare mens, maar ook Apollyon, het beest uit de afgrond, de grote tegenhanger van Gods Geest in de eindtijd (Op.9:1 en 13:1). Deze onzichtbare wereld is het terrein waar de godsdienstige mens, dat is de God zoekende mens, leeft en waarin hij zijn koers moet bepalen. Dit deden toch ook de profeten, die konden luisteren naar wat Gods Geest tot hen zei. Maar in het tijdperk van de wet- en schriftgeleerden, van Farizeeën en Sadduceeën waren er geen profetieën meer. Men bezat alleen hun graven nog als monumenten uit het verre verleden. Is het een wonder dat de Heer erop wees dat men het Koninkrijk van de hemelen moest binnengaan om een geestelijk mens te worden? Daar moest men zijn schatten verzamelen (6:19,20).

Een synoniem voor het Koninkrijk van de hemelen is de door Paulus gebruikte meervoudsvorm ‘hemelse gewesten’. Beide uitdrukkingen zijn uiteraard beelden die aan de natuurlijke wereld zijn ontleend. Zo gebruikt deze apostel ook het beeld van de lucht om een geestelijk terrein aan te duiden, dat verbonden is met de aarde en waar de satan alle macht heeft, die niet alleen overste van deze wereld wordt genoemd maar ook overste van de macht van de lucht (Ef.2:2). Deze ‘luchtmacht’ bestaat uit de geest, een collectief, die werkzaam is in de kinderen van de ongehoorzaamheid. De lucht hoort immers bij de aarde en ligt onder dezelfde vloek. Als doorzichtige stof is zij uitermate geschikt om de onzienlijke wereld die ons omringt, uit te beelden.

In de hemelse gewesten of in het Koninkrijk van de hemelen bevindt zich, behalve het Koninkrijk van God, ook het rijk van satan, vergeleken met de lucht. Ook zijn er nog het dodenrijk en dat van de koning over de afgrond, Apollyon. Het Koninkrijk van God is de lichtzijde van de hemelse gewesten en dit beeld vormt de bovenste sfeer van het hemelrijk, namelijk de hoogste hemelen of de hemel van de hemelen. Binnengaan in het Koninkrijk van de hemelen heeft in de Bergrede alleen een gunstige betekenis, namelijk binnengaan in het Koninkrijk van God.

Wij denken hierbij aan het gesprek van Jezus met Nicodémus. De Heer legde in dit gesprek de link tussen het binnengaan met het opnieuw geboren worden. Wij behandelen dit in hoofdstuk 7:13-23, waar Jezus het beeld van de enge poort gebruikt om het rijk van God hierdoor binnen te komen. In onze tekst laat Jezus zien dat de schriftgeleerden en Farizeeën met hun leringen het Koninkrijk van God niet konden binnengaan. Het Koninkrijk van God, dat in eerste instantie voor hen bedoeld was, zou van hen worden weggenomen (Matth.21:43).