5 De vervulling van de wet

Mattheüs 5:17-18

17: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen’.

De mensen moesten al bij het begin van het evangelie dat Jezus in de synagoge bracht erkennen, dat Hij een nieuwe leer bracht met gezag in de hemelse gewesten (Marc.1:27). De Heer sprak niet zoals de Farizeeën dit deden over allerlei wetten en voorschriften. Deze leiders legden de mensen ongelooflijk veel wetten op, die tot in detail en minutieus moesten worden uitgewerkt en die het leven van de wetsgetrouwe Jood bepaalden en identificeerden. De schriftgeleerden doorworstelden de Thora-rollen en geen jota of tittel ontsnapte aan hun aandacht. De kleinste letter en ieder streepje waren voor hen een openbaring van Gods wil. De onontwikkelde en arme naaste werd daarbij door de leiders afgeschreven, want die kon de vele voorschriften niet houden. Hij werd overgegeven aan de boze geesten onder de slogan: ‘De mensen die de wet niet kennen, vervloekt zijn zij!’

Het fanatieke wetticisme bestond uit uiterlijkheden: het nauwkeurig geven van tienden, het brengen van offers, het houden van sabbatvoorschriften en andere gebruiken. Het lange, vormelijke gebed, de ontelbare ceremoniën, de brede gebedsriemen en de grote kwasten hadden een occulte waarde en typeerden het judaïsme. Ondanks deze levenloze vormendienst, zagen de mensen op tegen de religieuze leiders. Toen Jezus naar voren kwam en niet sprak over het onderhouden van allerlei wetsvoorschriften en inzettingen die de ingeschapen wet van God vervingen, zette het volk een vraagteken achter zijn trouw aan de wet. Men meende dat Jezus bezig was de wet en de profeten – die zo vaak het volk hadden gewaarschuwd toch de wet te houden – te ontbinden of af te breken, op te heffen en teniet te doen.

In Lucas 21:6 zegt Jezus van de tempel, dat de tijd zou komen dat er geen steen op de andere zou gelaten worden, die niet zou worden weggebroken. Het woord ‘weggebroken’ of ‘verwoest’ is een vertaling van het Griekse woord ‘kataluo’, dat Jezus in onze tekst gebruikt in verband met het ‘ontbinden’ van de wet. Jezus bracht zijn luisteraars – na de reiniging van hun zonden – in contact met God. Zijn onderwijs over het Koninkrijk van de hemelen, waarin ook zijn visie op de wet begrepen was, was geheel nieuw. Door Hem werd de genade zo reëel, dat men de wet kon houden vanuit een gereinigd hart (Joh.1:17). Hij bracht een ander Godsbesef en sprak over de enkel goede God en niet een god die allerlei ziektes aan zijn kinderen geeft. Hij leerde hoe de wet moest worden gehouden en opende de ogen voor de ingeschapen wet.

Met Hem was de tijd van het herstel aangebroken. Wie in Hem geloofde en Gods Geest ontvangen zou, werd verlost uit de hand van al zijn vijanden, de wetteloze geesten. Waren deze uitgebannen, dan kon de ingeschapen wet weer functioneren en werd de wet van de Sinaï overbodig. Hij schreef in het nieuwe verbond de wet weer in het verstand en in het hart. Toen ging de belofte in vervulling: ‘Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn’, dat Ik in het hemelse Jeruzalem verzamel’ (Hebr.8:10).

De wet werd vervuld omdat ze geschreven werd op de tafels van het hart in de onzienlijke wereld. Later kon de apostel schrijven: ‘Zodat de eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest’ (Rom.8:4). De wet van de Sinaï was slechts een hulpmiddel, een natuurlijk surrogaat, voor de in de geest ingeschapen wet. Wanneer een accu van een auto leeg is, kan men er een andere auto ervoor zetten, die de eerste wagen een ogenblik optrekt. Daarna kan deze weer uit zichzelf lopen. ‘De oude wet is de tuchtmeester gewéést tot Christus’ (Gal.3:24). Jezus was niet gekomen om de wet teniet te doen, maar om haar duidelijk en naar haar betekenis te laten stralen. Hij was het einde van de wet, dat is haar doel of voltooiing (Rom.10:4). Al in zijn jeugd had onze Heer met God en zijn naaste een goed contact, want ‘Hij nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen’ (Luc.2:52).

Was Jezus nu een religieuze revolutionair? Minachtte Hij de wet? Schijnbaar wel, want Hij verbrak bijvoorbeeld de regels over de sabbat en stond zijn leerlingen toe op deze dag aren te plukken. Hij genas een waterzuchtig mens op sabbat en maakte op sabbat modder om de ogen van een blinde te bestrijken (Luc.14:2; 13:11 en Joh.9:14). Hij verklaarde alle voedsel rein, omdat zij de mens van binnen niet verontreinigen (Marc.7:19). Hij vergeestelijkte de profetieën en noemde Zichzelf de tempel van God. Hij identificeerde Zich met de koperen slang, met het manna in de woestijn en met de vuurkolom, want het volk dat Hem volgde, zou niet in de duisternis wandelen, maar het levenslicht hebben (Joh.3:14; 6:48,49; 8:12).

Hij zaaide in met zijn evangelie geen twee soorten zaad op de akker, maar alleen het goede, het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen (Deut.22:9). Hij was ook het paaslam. Door zijn evangelie transponeerde Hij de besnijdenis uit de wet van Mozes naar de geestelijke wereld en maakte deze overbodig door de besnijdenis van het hart. Jezus maakte het de mensen in de natuurlijke wereld gemakkelijk, want zijn juk was zacht en zijn last was licht. Ook sprak Jezus niet over het brengen van offers, over tempelbezoek, maar Hij doopte net als Johannes met een doop tot bekering onder belijdenis van zonde. De Farizeeën hamerden op het onderhouden van wetten, inzettingen, geboden en voorschriften. Daarmee legden zij een zwaar juk op de schouders van hun volgelingen, maar de Heer zei: ‘Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast bent (onder andere van de lasten die de Farizeeën oplegden) en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht’ (Matth.11:28-30).

De religieuze leiders merkten daarom terecht op dat Jezus de oude inzichten verving door geheel nieuwe. Zij zagen dat met Jezus een voortgaande ontbinding van eeuwenoude tradities was gekomen. Denk maar aan een man als Stefanus, die later voor de Raad getuigde, dat de Allerhoogste niet in een aardse tempel woont. Hoe tastte deze volgeling van Jezus ook de zekerheid van de zichtbare besnijdenis aan, door op te merken dat de vertegenwoordigers van het Joodse volk in wezen voor God onbesneden mensen waren (Hand.7:48-51). De ex-Farizeeër Paulus, de bestrijder van Judaïsme in het christendom, die de leer van Jezus begreep als haast geen ander, schreef: ‘Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets’ (Gal.6:15). Met zulke uitspraken werd het Jood-zijn tot in de wortel aangetast.

Wie door de hemelse leer van Jezus gegrepen is, vergeet in korte tijd alles wat achter hem ligt en streeft naar de volkomenheid, die de wet en de profeten nooit hadden kunnen geven. Zei daarom niet de grote wetgever van het oude verbond over Jezus: ‘Een profeet uit uw midden, uit uw broers, zoals ik ben, zal de Heer, uw God, u verwekken; naar hem zult u luisteren’ (Deut.18:15, vergelijk Hand.3:22 en 7:37)? Jezus kwam niet om de wet en de profeten te ontbinden, want van Hem hadden de wet en de profeten ruimschoots gesproken. Tot de Emmaüsgangers zei de Heer na zijn opstanding: ‘O onverstandigen en tragen van hart, dat u niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had’ (Luc.24:25-27). Daarom klinken nu de woorden:

  • ‘meen niet dat Ik gezonden ben om het Oude Testament, dat de openbaring van Gods wil bevat en de norm voor het juiste handelen, van zijn geldigheid te ontdoen, het op te heffen of buiten werking te stellen’.

De wet en de profeten waren voor de Joden de gebruikelijke namen voor het Oude Testament als geheel, omdat deze delen voor hen het belangrijkste waren en in de synagogen ter lering werden voorgelezen. Jezus bezat verlichte ogen van het hart. Dit bleek wel uit zijn toespraak in de synagoge van Nazareth naar aanleiding van de tekst uit Jesaja 61:1,2. Ook een ongeestelijk mens kan lezen wat er staat, maar dan blijft hij wel op aards niveau, omdat hij niet verstaat wat hij leest. De Heer kon echter zeggen: ‘De Geest van de Heer is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft’. Het was immers nog maar enkele dagen geleden dat Hij gedoopt was in Heilige Geest. Dat zijn getuigenis hiervan niet goed bij zijn stadgenoten overkwam, verwondert ons niet.

Wie over deze ervaring in een religieuze, conservatieve omgeving spreekt, wordt als extreem gezien, geminacht of geboycot. Op de ‘profeten’ rustte de ‘Geest van Christus’, die hen inspireerde en alles wat tevoren gesproken en geprofeteerd was in de naam van de Heer, had te maken met Jezus (1 Petr.1:10-12). Wie door deze Geest geïnspireerd wordt, kan met een geopend verstand voor zichzelf lezen: ‘als u nu van Christus bent, bent u zaad van Abraham’ (Gal.3:29). Daarom dienden de profeten ook ons! Alleen Gods Geest geeft kennis van de ware betekenis van de wet en de profeten, want deze zijn geestelijk en gericht op het geestelijk Israël (Rom.7:14).

Het volk Israël leefde bij de schaduw, bij het zichtbare, bij het letterlijke in de natuurlijke wereld, bij het tijdelijke. Het Koninkrijk der hemelen was voor hen verborgen net als voor zoveel naamchristenen in onze tijd. ‘In Christus’ zijnde wordt echter de bedekking weggenomen, dat wil zeggen door het geloof in zijn evangelie en door de hulp van de Heilige Geest wordt Gods wet in de mens hersteld en vervuld. Jezus vervulde de wet. In Romeinen 10:4 schrijft Paulus: ‘Want Christus is het einde van de wet’, dat is haar doel of haar voltooiing. Jezus kon zingen: ‘Ik verlang uw wil te doen, mijn God, diep in mij koester ik Uw wet’ (Ps.40:9, vergelijk Hebr.10:7). Als kind werden in zijn leven al de profetieën vervuld, want er staat: ‘Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen’ (vergelijk Matth.2:15 met Hos.11:1).

Tijdens zijn bediening op aarde gold voor Hem: ‘Talrijker dan de haren van mijn hoofd zijn zij die mij zonder oorzaak haten (Ps.69:5). Zo ook de uitspraak van David: ‘Hij die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven’ (Joh.13:18, Ps.41:10). Een mens als Judas had jarenlang zijn brood gegeten, dat is zijn prediking gevolgd en werd daarna zijn vijand. En deze godsspraken zijn ook van toepassing op veel dienstknechten van de Heer. De profeet zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn volk, en de niet-geliefde: mijn geliefde’ geldt dit voor de christenen zowel uit de Joden als uit de heidenen (Rom.9:25,26, vergelijk Hos.1:10). ‘Want hoeveel beloften God er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons’ (2 Cor.1:20). Zo staat bijvoorbeeld in Mattheüs 8:17 ook voor óns opgetekend: ‘Opdat vervuld zou worden, wat gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zei: Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen’.

De gedachte mag niet ontstaan, dat wij de wet van God opzij kunnen schuiven, omdat ze niet belangrijk zou zijn. Jezus intensiveerde haar voor de innerlijke mens. Hij bracht haar in een hogere dimensie en opende zo de weg naar de volmaaktheid. Hij zei: ‘U dan zult volmaakt zijn’ (5:48). Om tot de vervulling van de wet en de profeten te komen en om de volmaaktheid voort te brengen worden wet en profeten vervangen door de wetten van het Koninkrijk van God. Zij brengen de ware christen niet onder een zwaar juk en naar de slavernij, maar ‘tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God’ (Rom.8:21).

Hier hebben wij te maken met de volmaakte en koninklijke wetten, die in ons verstand zijn gelegd en in ons hart zijn geschreven. Ze zijn gebaseerd op het principe van de vrije mens, die verlost is van de inwonende zondemachten. De vervulling van de wet die Jezus tot stand bracht in eigen leven en die Hij door de hulp van Heilige Geest in ons wil uitwerken, wordt uitgedrukt door de belofte: ‘Dat Hij ons zou geven, zonder vrees, uit de hand van de vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen’ (Luc.1:74,75). Zo brengt deze wet koningen voort en zij heet daarom de wet van de vrijheid of de koninklijke wet, die naar de volmaaktheid voert (Jac.1:25 en 2:8).

Duizenden jaren hebben kerkmensen geprobeerd de oude wet te houden, maar de resultaten waren niet opbeurend, want toen het gebod kwam, begon de zonde in hen te leven. Het gebod dat ten leven moest leiden, bleek ook voor hen juist het struikelblok te worden (Rom.7:9,10). Paulus sprak daarom terecht over een ‘bediening van de dood, met letters op stenen gegrift’ (2 Cor.3:7). Is er nu meer gerechtigheid onder de kerkleden die wekelijks de wet beluisteren dan bij de ernstige, godvruchtige Joden van vroeger? Wat is eigenlijk het verschil tussen menselijke inspanning en ‘een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar alle de geboden van God beginnen te leven’ (Heidelbergse Catechismus zondag 44)? Het is een misleiding om te leren, dat wij de voorgestelde volkomenheid pas na dit leven kunnen bereiken. Er staat: ‘Omdat wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling van het vlees en van de geest en zo onze heiligheid volmaken in de vrees van God’ (2 Cor.7:1).

Jezus opende de weg naar herstel en gerechtigheid en naar de volkomenheid. De Bergrede staat op de grens van het oude en het nieuwe verbond en openbaart ons de levenswijze van de ware christen. Deze methode van leven is alleen mogelijk als de zondeschuld is weggenomen en de mens gedoopt is in Gods Geest. Het natuurlijke leven kan zich dan herstellen en de mens kan wetmatig leven. Het grote beginsel dat de Heer ons openbaart, is, dat wij ons aan Hem mogen hechten en één geest met Hem mogen zijn. Zo gaat ook voor ons het aangename jaar van de Heer in. De wet wordt vervuld als de verwoeste steden hersteld worden en de overoude puinhopen herrijzen. Dan wordt ook vervuld dat het volk dat in duisternis zit, een groot licht zal zien.

18: ‘Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles gebeurd is’.

Hier belooft ons Jezus dat de wetmatigheid eenmaal op aarde zal hersteld worden. De geestelijke mens die gelijkvormig is aan het beeld van de Zoon van God zal verschijnen en ook door hem worden dan de wet en de profeten vervuld. In Romeinen 7:14 deelt de apostel Paulus mee, dat de wet geestelijk is. De geest is de drager van de ingeschapen wet van God. Hij is echter niet krachtig genoeg om haar te houden, want vanwege de zondeval van het eerste mensenpaar staat hij onder beïnvloeding van de boze geesten en wordt hij zelfs in veel gevallen geheel door hen onderdrukt en overweldigd. Door de doop in Heilige Geest wordt echter een kracht aan de menselijke geest toegevoegd. Dan is de mens in staat de wetteloze geesten te weerstaan en te verdrijven, opdat vervuld wordt: ‘Om aan gevangenen loslating te verkondigen’ (Luc.4:19). De geest van de mens komt vrij, wanneer hij van de leugen verlost wordt en de waarheid van het evangelie van God aangrijpt. Dan heeft hij ook geen geschreven wet meer nodig om de wil van God te doen. ‘De wet is immers niet gesteld voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars’ (1 Tim.1:9).

Jezus verzekert ons hier met de woorden ‘amen’ of ‘voorwaar’, die als een eed zijn bedoeld, dat de geestelijke mens geopenbaard zál worden. Jezus’ woorden zullen een radicale verandering veroorzaken en rijpe vruchten voortbrengen. Zij keren niet leeg tot God terug. Zei de profeet niet: ‘Door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken’ (Jes.53:11)? Het doel van de wet is de gerechtigheid op aarde te bewaren. Wie de wet houdt, is een rechtvaardige. Het evangelie van Jezus Christus leert ons hoe wij rechtvaardigen kunnen worden, namelijk door het geloof in de verzoening van onze schuld. De rechtvaardige lééft uit dit geloof. Vanuit het geloof dat iemand een rechtvaardige is, kan hij zich ook in deze wereld als een rechtvaardige openbaren. Alleen een rechtvaardige kan gedoopt worden in Heilige Geest, want God kan geen gemeenschap hebben met een zondaar, dat is een dienaar van demonen. Door de Heilige Geest ontvangt de rechtvaardige ook de geestelijke gaven van deze Geest en die stellen hem in staat de boze geesten te weren en te overwinnen.

Van niet opnieuw geboren mensen kan in bepaalde gevallen gezegd worden, dat zij ‘van nature doen wat de (ingeschapen) wet gebiedt’ (Rom.2:14). Zij bezitten echter nooit de absolute rechtvaardigheid die vanuit het geloof is. En deze is nodig voor de doop in Heilige Geest. Gebonden en bezeten mensen kunnen de wet niet houden, want de zonde die in hen woont, belet hun dit (Rom.7:20). ‘Totdat alles zal zijn gebeurd’, zullen er dankzij de kracht van het evangelie van de heerlijkheid van God, volmaakte mensen op aarde zijn geopenbaard. Dan zullen er volgelingen zijn van Jezus die ook de wet God geheel vervullen.

Zolang de tegenwoordige hemel en aarde bestaan, geldt ook nog de geschreven wet van God als hulpmiddel tot gerechtigheid voor hen die de Heilige Geest missen. Jezus spreekt hier over de kleinste letter van het Griekse alfabet, de jota of de Hebreeuwse ‘Jod’ en over de tittel, het streepje of haakje, of ook wel de krul aan of bij een letter als versiering. Hier hebben wij een symbolische betekenis van ‘de kleinste van deze geboden’ zoals in het volgende vers te lezen is. Ook deze worden door de geestelijke mens verstaan en uitgewerkt. De volledige betekenis van de wet en de profeten blijft, ‘totdat’ of ‘eer’ alles zal zijn gebeurd of voorbijgegaan. Zo staat in Openbaring 21:1 dat ‘de eerste hemel en de eerste aarde voorbij waren gegaan’, dat wil dus zeggen die eerst onder een demonische beïnvloeding stonden en daarom onder de vloek van de wet verkeerden. Wanneer de heerschappij van de overste van deze wereld of van de ‘lucht’ haar einde heeft, zal de schepping weer vernieuwd zijn, dat is functioneren naar de wetten van God, die er bij de schepping zijn ingelegd. Dan zegt Hij die op de troon zit de woorden: ‘Zij zijn gebeurd’ (Op.21:6). Ook de zogenaamde ceremoniële wet werd niet ‘leeg’ gemaakt, maar zij werd vervuld in Christus. Hij bracht immers de gerechtigheid, die de ceremoniën uitbeeldden, tot stand. In het nieuwe verbond kennen wij geen ceremoniën dan alleen doop en avondmaal, die herinneren aan het volbrachte werk van Jezus Christus.

Het laatste woord van het vorige vers is ‘pleróo’, wat eigenlijk betekent het ontbrekende aanvullen, het volledig maken of vervolmaken. Jezus was niet gekomen om het oude vat van de wet om te keren en te laten leeglopen, maar om het tot de rand toe te vullen met het levenswater. Het gaat niet om een herroeping van de wet, maar om een verbetering en een herstel ervan die passen bij de vernieuwde mens. Wanneer de wet in ons hart geschreven is, hebben wij haar altijd bij ons en wordt zij als vanzelfsprekend in ons vervuld (Rom.8:4). De wet en de profeten waren hulpmiddelen om gerechtigheid onder het volk te bewaren, totdat Christus de gerechtigheid door het geloof zou openbaren. Gods Geest zou dan de ingeschapen wet van God weer inwerking gaan stellen. Deze overtuigt de wereld van zonde, van gerechtigheid en van oordeel, dit wil zeggen van de juiste scheiding tussen goed en kwaad (Joh.16:8).

De Heer wijst er nog op dat door de kracht van zijn evangelie grote dingen zouden gebeuren. In Hebreeën 12:26,27 lezen we, dat God zei: ‘Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven. Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering van de wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijft wat niet wankel is’. Wat wankelt, valt om en verdwijnt. Wat overeenkomt met de wet van God, blijft. Wie op het woord van de Heer vertrouwt, wankelt niet en heeft deel aan het onwankelbare, eeuwige redding. Zo is bijvoorbeeld het sterfelijke lichaam wankelbaar en veranderlijk. Het verdwijnt, maar het geestelijke lichaam blijft. De Statenvertaling spreekt over het ‘voorbijgaan’ van hemel en aarde. De Bijbelverklaring van Dächsel merkt hierbij op, dat dit ‘voorbijgaan slechts in de mindere en nooit in de hogere zin van het woord zal gebeuren’. Zo ziet dit werkwoord bijvoorbeeld op het voorbijvaren van een schip en niet op een vergaan ervan. Zo staat er dat bij de zondvloed ‘de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water’ (2 Petr.3:6).

Het werkwoord ‘vergaan’ heeft dus niet altijd de betekenis van algehele vernietiging of verdwijning. Er is sprake van een overgang van de ene toestand in de andere. Ook de hemel maakt zo’n beweging of storm mee. Denk bijvoorbeeld aan de strijd van Michaël en zijn engelen met de zonen God tegen de draak (Op.12:7-9). Zo gaat deze wereld voorbij als een voorbijganger en met haar ook haar verleidingen. Alles wordt nieuw, dit wil zeggen vernieuwd. Wij kunnen daarom zeggen dat het oude verbond en het nieuwe verbond hetzelfde doel voor ogen hebben, namelijk het herstel van de schepping en haar volledige ontplooiing. Het oude verbond was echter niet in staat het herstel voort te brengen.