3 Vergelding voor het lijden

Mattheüs 5:10-12

10: ‘Gezegend zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk van de hemelen’.

Hoewel Jezus spreekt in vers 9 over de vredestichters, blijft Hij realistisch, want de achtste zaligspreking gaat over de vervolgden. Wie als rechtvaardige leeft, moet er rekening mee houden dat hij onrecht zal lijden. Men kan ook zeggen dat kinderen van God vervolgd worden om de waarheid. De waarheid is het fundament van de gerechtigheid. Zo berust de gerechtigheid van de wet op de waarheid. Onze Heer deelt ons mee dat de liefde van God die in onze harten is, beantwoord zal worden met haat. Barmhartigheid zal worden misbruikt en van eerlijkheid zal men proberen te profiteren.

Een opnieuw geboren christen zal geen sympathie ontmoeten. Hij ondervindt geen waardering, maar miskenning. Krijgt geen aanhang, maar tegenstand. Er zijn immers al te veel mensen die onder invloed staan van de god van deze eeuw of zoals een dichter zei: ‘van de goden van de tijd.’ Er is een autoriteit van de ‘lucht’ of van demonen, het is een georganiseerde negatieve kracht vanuit de wereld van de onheilige engelen, die de rechtvaardigen en waarheidsgetrouwe mensen haten. Er zijn legioenen van gevallen engelen die, onder de macht van Beëlzebul, zijn verenigd om de kinderen van God ‘met vuisten te slaan’.

Paulus schreef in Efeziërs 2:2 over een ‘luchtmacht’ van geesten, die werkzaam is in de mensen die aan God ongehoorzaam zijn. Deze geestenwereld leidt de gedachten en handelingen van de ongehoorzamen in wetteloosheid en ongerechtigheid. Zij houden doen de waarheid geweld aan (Rom.1:18). Tegenover de zonen van God staan de zonen van de ongehoorzaamheid. Hun leven wordt bepaald door de demonen. Daarom zal de ware christen het niet vreemd vinden, wanneer de vuurgloed van de beproeving over hem komt, want hij heeft deel aan het lijden van Christus en vult zelfs aan wat aan de verdrukkingen van Christus ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente, ontbreekt (Col.1:24). Het gaat hier dus over het resultaat van het leven met Christus.

De opnieuw geboren christen wordt in deze wereld, ook in de ‘vrome’, gediscrimineerd als een andersoortig mens, want hij is ‘geheel anders’. De apostel schreef: ‘als u door de naam van Christus smaad lijdt, bent u gezegend, omdat de Geest van de heerlijkheid en de Geest van God op u rust’ (1 Petr.4:14). Vervolging brengt lijden met zich mee en hier is sprake van vervolging vanwege de gerechtigheid, dus ook om de waarheid. Zo werd de rechtvaardige Job rechtstreeks door de satan in zijn lichaam en in zijn bezit aangevallen, hoewel hij geen kwaad had gedaan. Zijn vrienden werden bovendien gebruikt om zijn lijden te verzwaren. Jezus werd vervolgd en Hij vroeg aan zijn belagers: ‘Waarom probeert u Mij te doden? Om wat voor goede werken wilt u Mij stenigen?’ Hij werd vervolgd omdat Hij de wet van God ‘in zijn binnenste’ droeg. Hij leed vanwege de gerechtigheid en om de waarheid die Hij bracht. En een dienstknecht is niet meer en beter dan zijn Heer. Paulus constateerde: ‘Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden’ (2 Tim.3:12).

Jezus geeft aan de vervolgde mensen de belofte: ‘Want van hen is het Koninkrijk van de hemelen’. De vervolgden horen niet bij de aarde maar bij het rijk van God. Aan hen, die in Jezus Christus zijn en blijven, is ook een plaats gegeven in de hemelse gewesten (Ef.2:6). Zij zijn gezegend, omdat zij leven in de tijd van het welbehagen van de Heer. Onder hen zullen uiteindelijk de zonen van God worden geopenbaard. Zij leven in de tijd van genezing en redding, van bevrijding en herstel. De apostel Paulus schreef al: ‘Nu is het de dag van de redding’ en hoeveel te meer kunnen wij dit na tweeduizend jaar beamen. Tegelijkertijd had hij echter als medewerker van God te maken met ‘veel moeten dulden, verdrukkingen, noden, benauwdheden, slagen, gevangenschappen, oproeren, moeiten, nachten zonder slaap, dagen zonder eten’ (2 Cor.6:4,5).

Ondanks de vervolgingen die de opnieuw geboren christen op aarde ondergaat, heeft hij echter een uitwijkmogelijkheid naar boven. Daar leeft, strijdt en overwint hij en bezit hij de rust en de vrede die het natuurlijke verstand te boven gaan. Laat dus niemand denken dat de Bergrede een aanhangsel zou zijn van aardse wetten of zelfs van de tien geboden. De Joden hadden, net als veel kerkgangers in onze dagen, een natuurlijke voorstelling van het Koninkrijk van de hemelen, maar onze Heer vernieuwt door zijn Geest het denken, zodat wij ons kunnen bezighouden met de geestenwereld waar God, die geest is, zelf verblijft. De vervolgden ervaren ‘in hun lichaam’, dat zij ver van de Heer in een vreemd land zijn’.

Let erop dat er niet staat: gelukkig zijn de vervolgden. Er worden heel veel mensen vervolgd en zelfs hele volken. Zij zitten in gevangenissen en concentratiekampen vanwege hun politieke overtuiging of vanwege hun activiteiten op maatschappelijk en cultureel terrein. Maar ondervinden zij verdrukkingen vanwege het recht van God? Ook staat er niet: gezegend zijn de christenen als zij vervolgd worden wegens hun gebrek aan wijsheid in hun getuigen of wegens het feit dat hun gebondenheden bij het belijden van hun geloof mee vibreren. Het gaat om de gerechtigheid en om de waarheid en niet om vooroordelen, menselijke tradities, kleinburgerlijke opvattingen, vanwege fanatisme of omdat mensen weigeren te gehoorzamen aan normale wetten van het land. In dit opzicht zullen zij voorzichtig moeten zijn als de slangen en oprecht zijn als de duiven.

De Heer zegt niet dat wij schade moeten lijden vanwege het onrecht dat wij anderen zouden aandoen, vanwege ons harde optreden en vanwege onze onverdraagzaamheid. In 1 Petrus 4:15 staat: ‘Laat dus niemand van u moeten lijden als een bemoeial’. Laat het altijd zijn als echte christen, zodat God onder die naam wordt verheerlijkt.

11: ‘Gezegend bent u als men u smaadt en vervolgt en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, vanwege Mij’.

De Heer heeft ons in de vorige zaligsprekingen het beeld van de nieuwe mens duidelijk getekend: zachtmoedig, hongerend en dorstend naar de gerechtigheid, barmhartig, rein naar de innerlijke mens, een vredestichter en tenslotte een vervolgde vanwege zijn gerechtigheid in een door demonen geleide en geïnspireerde wereld. Deze nieuwe mens is het zout van de aarde en het licht van de wereld, de ware mens die zich ontwikkelt naar het beeld van de Zoon van God en die leeft en werkzaam is in het Koninkrijk van de hemelen.

De negende zaligspreking is nu, wat de inhoud betreft, een vervolg op en een uitbreiding van de achtste zaligspreking. Jezus zegt nu: je bent een bevoorrecht mens als je vanwege Mij, omdat je mijn denkwereld hebt overgenomen, bespot, verdrukt en vals beschuldigd wordt. De oprechte christen zal altijd door de goddeloze en ‘vrome’ wereld in de beklaagdenbank worden gezet. De overste van deze wereld is immers de aanklager van de broers. Of dit dan terecht of onterecht is, doet er niet toe bij hem. De opnieuw geboren christen heeft dan wel een moeilijk te omschrijven identiteitsbewijs, maar de categorie en de kleur, waaronder men zijn kaart rangschikt, is bekend. De volgeling van Jezus van Nazareth is immers niet beter dan zijn Heer van wie de profeet zei: ‘Zonder gestalte of luister, waar we naar opzien. Zonder gratie, die ons behaagt. Veracht en door mensen verstoten. Man van smarten, met lijden bezocht’ (Jes. 53:2,3 Can. vert.). Er was verder niemand die zijn evangelie aannam.

Het persoonsbewijs van de christen zit daarom tussen de verachte, de geboycotte, de gesmade en de vogelvrij verklaarde mensen. Men mag ze najagen als schadelijk wild en het uur komt dat men opnieuw meent God een dienst te bewijzen door ze te doden. De geschiedenis leert dat ze zijn behandeld als ‘het uitvaagsel van de wereld, als aller voetveeg’ (1 Cor.4:13). Vanaf de rechtvaardige Abel tot nu toe zijn ze beboet, gevangen gezet, verbannen, buitengesloten, gegeseld, geradbraakt, gepijnigd en als schapen naar de slachtbank geleid. Ook in het afvallige naamchristendom, het grote Babylon, ‘werd het bloed van profeten en heiligen en van allen gevonden, die geslacht zijn op de aarde’ (Op.18:24). Het was en is altijd een strijd tussen het zaad van de slang en het heilige zaad.

De vervolgden zijn vanwege de gerechtigheid gelijkgesteld met Jezus. Men heeft Hem uitgescholden en van verachtelijke namen voorzien. Hij werd van dingen beschuldigd die Hij nooit had gedaan, zoals er staat: ‘Misdadige getuigen staan op, zij vragen mij naar wat ik niet weet’ (Ps.35:11). Uiteraard kan men de volgelingen van de Heer alleen maar wreed behandelen, als men ze eerst als zeer slechte mensen voorstelt. Er is geen kwaad zo schandalig dat niet ten opzichte van de leerlingen van Jezus wordt aangevoerd. Nee, het lijden van opnieuw geboren christenen blijft niet beperkt tot de goddeloze wéreld waarin ze leven, maar de ergste vervolgingen, lastertaal en beschuldigingen gebeuren door de religieuze figuren. De haat tegen het volk van God komt vanuit de kerken, vanuit het naamchristendom.

Wie waren de voornaamste beschuldigers van onze Heer? De Farizeeën, de schrift- en wetgeleerden, zij waren de instrumenten in handen van de vorst van de duisternis. Met de oudsten van het volk hebben zij voor het gerecht de elkaar tegensprekende getuigen bijeengezocht. Lees de kerkgeschiedenis en zie hoe de rooms-katholieke kerk de ‘ketters’ heeft vervolgd, terwijl ook de protestanten hun tegenstanders veel last bezorgden en zelfs vermoordden. Zij die vanwege Hem het zwaard trekken, zullen door het zwaard vergaan! Daarom zal ook het grote Babylon vallen en met geweld als een grote molensteen in de zee worden geworpen waar het beest uit Openbaring 13 zijn woonplaats had. De negende zaligspreking is een test voor ware christenen.

Het wezen van de haat tegen Jezus Christus en zijn volgelingen ligt in het verschil in gezindheid tussen de natuurlijke en de geestelijke mens, want ‘de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede’ (Rom.8:6). Daarom zei Jezus in dit verband: ‘Wee u, wanneer alle mensen goed van u spreken; immers op dezelfde wijze hebben hun vaders met de valse profeten gehandeld’ (Luc.6:26). Velen menen dat de volmaakte christen een aardige, populaire figuur is met wie men gemakkelijk als zijn gelijke kan omgaan. Maar de werkelijke christen lijkt op zijn Meester.

Goede en welgestelde, natuurlijke mensen worden zelden vervolgd, want satan ziet in hen geen fundamentele tegenstanders, die hem kunnen overwinnen in de geestelijke strijd. Daarom aanvaardt de wereld de humane, natuurlijke mens nog als haar gelijke. De rechtvaardige, geestelijke mens wordt echter vervolgd, omdat hij geheel verschillend is. Opnieuw geboren mensen, die hun burgerschap bewust in de hemel hebben, bezitten iets waartegen de niet opnieuw geborene door zijn inspirator wordt opgezet. Men merkt dan dat de gerechtigheid van de kinderen van God bij een andere dimensie hoort en daarom zoekt men om iets te vinden dat hen in staat van beschuldiging zou kunnen brengen. Zo deed men dit immers ook bij Jezus bij zijn verhoor aan het einde van zijn aardse leven. Hoewel men als religieus mens wel over God spreekt, heeft men een afkeer van zijn beelddragers.

Toen de Zoon van God op aarde was, waren de geestelijke leiders met haat tegen Hem vervuld en zo zal men ook de zonen van God gaan haten. Om een echte christen te zijn, zal men op Christus moeten lijken en dit kan niet anders dan door een algehele metamorfose, waardoor men losraakt van de tegenwoordige wereld. De ware christen is altijd bezig met het Jeruzalem dat boven is,’ de stad met fundamenten waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’ (Hebr.11:10). Hij zoekt de toekomende wereld en niet de tegenwoordige. Hij leeft daarom uit geloof in de dingen die hij niet ziet. Hij kiest bewust voor een leven in de woestijn. Dit geeft hem de mogelijkheid om al de vervolgingen, schimp en smaad te verdragen en zijn innerlijke blijdschap en vrede te bewaren!

12: ‘Wees blij en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben zij de profeten vóór u vervolgd’.

Wanneer onze Heer in de zaligsprekingen Zich nu rechtstreeks tot zijn volgelingen wendt, wijst Hij nog op het principiële verschil tussen de echte christen en degene die dit niet is. De klemtoon ligt op de tegenstelling tussen de geestelijke en natuurlijke mens, tussen hem die door Gods Geest geleid wordt en hem die onderworpen is aan de beïnvloeding van de god van deze eeuw. In hoofdstuk 10:34 drukt Jezus dit antagonisme (tegengestelde gezindheid) uit met de woorden: ‘Meen niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard’. Het resultaat van zijn bediening brengt een scheiding tussen zoon en vader, tussen dochter en moeder en de vijanden van de opnieuw geboren christen kunnen zijn eigen huisgenoten zijn. De zogenaamde christen openbaart zichzelf door de ware christen te verdrukken en aan te vallen.

De vijandschap tussen het zaad van de vrouw en het onheilige zaad van de slang kan jarenlang sluimeren, maar ze komt tevoorschijn, wanneer de geestelijk gezinde mens de eindfase van zijn ontwikkeling bereikt. Niemand werd om deze reden ooit zo vervolgd als de Mensenzoon zelf en Hij zei dat de dienstknecht niet groter is dan zijn heer. Hij werd vervolgd door de godsdienstige leiders van zijn volk en zo zal het ook zijn volgelingen vergaan. Het leven van de christen moet worden gecontroleerd en worden beheerst door Jezus Christus als Woord van God, door loyaliteit aan zijn persoon en door de wil altijd onvoorwaardelijk een trouwe onderdaan te zijn van zijn rijk.

Waarom wordt een oprecht christen vervolgd? Omdat hij niet voor zichzelf leeft maar voor zijn Meester, omdat hij niet zichzelf toebehoort maar zijn Redder, die hem voor een grote prijs kocht. Het karakteristieke van de christen is dat hij met zijn gedachten in de hemel verblijft en vanuit dit hoge niveau elke situatie beziet.

In Hebreeën 11 wordt het leven van de oudtestamentische gelovigen, die niet gedoopt waren met Gods Geest, toch al verbonden met lijden en verdrukkingen. Waarom? Omdat zij beleden vreemdelingen en gasten te zijn op aarde. Zij verlangden naar een hemels vaderland en verwachtten de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Hoewel ze geestelijk door hun beperkte inzichten afgeremd werden, waren ze dikwijls bezig met het bedenken van de dingen die boven waren, dus in de onzienlijke wereld.

Waarom vervolgde Kaïn zijn broer Abel? Omdat deze geloofde in het bloed van de verzoening en in zijn gerechtigheid die hij voor God in de hemelse gewesten had. Door zijn geloof hield hij zich vast aan de dingen uit een wereld die hij niet zag. Waarom werd David door Saul vervolgd? Omdat zijn troon was verbonden met die van God in de hemel, want hij zat ‘op de troon van het koningschap van de Heer over Israël’ (1 Kron.28:5 en 29:23). De troon van Saul was alleen maar van de aarde. Daarom werd bij zijn troonsbestijging gezegd, dat het volk niet Samuël maar God had verworpen, dat deze geen koning over hen zou zijn (1 Sam.8:7). Vandaar de bezetenheid en de redeloze haat van Saul tegen het Davidische koningschap. Deze afkeer kan alleen worden begrepen vanuit de kennis die wij bezitten van de geestenwereld. Jezus accentueert hier nog de animositeit van de ‘vrome’ leiders tegen de profeten. Dezen zijn immers mannen die bij uitstek bezig zijn om met een innerlijk oor naar de stem van God te luisteren.

Profeten dragen kennis van de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen en hebben een radar die naar boven is gericht. Voor hen is een deur geopend in de hemel. Vandaar dat zij vervolgd en gedood worden door een volk wiens godsdienst bestaat uit uiterlijkheden, vormen en ceremoniën, een volk dat er op uit is om door mensen gezien te worden en die de eer, die van de enige God komt, niet zoekt (Joh.5:44). Jezus zei tot de leiders: ‘Het gaat niet aan, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels, en u hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u overgelaten’ (Luc.13:34,35). De kerkgeschiedenis eindigt met de ondergang van de ontrouwe kerk, want het bloed van de profeten en heiligen wordt in haar gevonden (Op.18:24).

De Heer wijst er verder nog op dat de ware christen bij een verdrukking elke negatieve gedachte ver van zich moet houden. Zeg niet bij uzelf: waarom word ik nu zo behandeld? Waarom moet mij dit juist overkomen? Dan komt er immers een depressie in uw leven die u geestelijk neerdrukt en die uw statuur als christen aantast. Jezus zegt echter: wees positief, ‘wees vrolijk en blijmoedig’ (Luth. vert.). Wanneer men liegende allerlei kwaad van u spreekt vanwege het werk dat u voor de Heer doet, wanneer over u geroddeld wordt, laat uw blijdschap u niet afpakken door zorgen of problemen! U mag zelfs opspringen van blijdschap, een daad die voor de natuurlijke mens in zo’n situatie onmogelijk is. Zie op uw loon in de hemel. Laat uw oog gericht zijn op de Leider en Voleinder van het geloof, Jezus Christus, die om de vreugde, die vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtte en die nu zit aan de rechterkant van de troon van God (Hebr.12:2).

Wanneer ze u vervolgen, over u liegen en roddelen, denk dan aan Christus en aan de profeten, die nu in eeuwige heerlijkheid leven. De Heer doet verder alle dingen meewerken ten goede. De beproevingen en verdrukkingen zijn voor u het bewijs dat u geen bastaard maar een zoon bent. Jacobus schreef:

  • ‘Hou het voor enkel blijdschap, mijn broers, wanneer u in allerlei verzoekingen valt, want u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat u volkomen en onberispelijk bent en in niets tekort schiet’ (Jac.1:2-4).

Er is loon in de hemel voor allen die om Christus’ wil slecht worden behandeld. Deze vergelding heeft te maken met ‘allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus’ (Ef.1:3). Paulus schreef over ‘de krans van de rechtvaardigheid, die op die dag de Heer, de rechtvaardige rechter, hem zou geven’ (2 Tim.4:8). Zo ontvingen de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis dat zij hadden, een wit gewaad, dat hun statuur zou schenken in het rijk van God (Op.6:9-11). Aan Petrus gaf de Meester de belofte dat zij, die alles hadden prijsgegeven om Hem te volgen, in het opnieuw geboren worden of in het herstel van alle dingen naast de Mensenzoon op tronen zouden zitten om de twaalf stammen van het Israël van God te berechten door middel van het evangelie dat zij hadden verspreid en waarvoor zij smaad leden (Matth.19:28).

Paulus schreef vanuit zijn gevangenis: ‘Verblijdt u altijd in de Heer! Opnieuw zal ik zeggen: Verblijdt u!’ (Fill.4:4). Doe als Mozes, want hij hield de blik gericht op de vergelding (Hebr.11:26). Wie een hemelse gezindheid heeft, zal opgewekt leven, want hij zal zich aanpassen aan de sfeer van een rijk, waar alle tranen van de ogen zijn afgewist, de dood niet meer zal zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite. Alleen een positieve geest is in staat om dit loon te ontvangen dat aansluit op zijn manier van leven op de aarde: ‘Want de lichte last van de verdrukking van een ogenblik bewerkt voor u een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid, omdat wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig’ (2 Cor.4:17,18). Hoeveel keer denken wij aan deze uitbundige blijdschap die voor ons is weggelegd?

Tenslotte stellen wij de vraag: wie worden hier zalig, de levenden of de doden? Voor zogenaamde christenen die hun burgerschap in de hemelen verliezen, omdat ze aardsgezind gaan denken, wordt de zaligheid een toekomstbegrip. Men spreekt bijvoorbeeld over ‘zijn vader of moeder zaliger’ niet tijdens hun leven maar na hun heengaan. Het loon in de hemelen is voor hen niet langer de ontvangen geestelijke statuur met de daaraan verbonden beloften, maar een ondefinieerbare redding dat bij ‘de schatten van de kerk’ is gevoegd en waarmee de tekorten van andere ‘gelovigen’ kunnen worden aangevuld. De zaligverklaarden kunnen dan voor allerlei hulp in het dagelijkse leven worden aangeroepen. De tekortkomers proberen dan contact te krijgen met hen door ze aan te roepen, alsof deze heiligen met hun geest overal tegenwoordig zijn. Zo zijn deze zaligverklaringen aanleiding geworden tot een occulte gemeenschap met een geestenwereld uit het dodenrijk. Men wordt niet zalig als men tijdens zijn leven niet zalig is.