18. Voorwaarden om het Koninkrijk binnen te gaan

Mattheüs 7:13-20

13,14: ‘Ga binnen door de enge poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan; maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden’.

In dit gedeelte vinden we de afsluiting van de Bergrede. Boven dit gedeelte staat in de Statenvertaling: ‘Ingaan in het Koninkrijk van de hemelen’. Wie dit doet, gaat van het oude naar het nieuwe verbond over. Hij gaat zo een geestelijke weg die totaal verschilt van de natuurlijke weg, waarop de leiders tijdens de rondwandeling van Jezus gingen en waarop veel kerkgangers nu nog gaan.

Jezus gebruikt hier scherpe tegenstellingen: een smalle poort die toegang geeft tot een smalle weg waarop maar weinigen lopen. Verder een wijde poort en een brede weg waarop veel mensen lopen. In Lucas 13:24 is alleen sprake van de smalle poort. Het merkwaardige is dat in de nieuwe vertaling bij ‘wijd is de poort’ er door middel van haakjes op wordt gewezen, dat ‘de poort’ er eigenlijk niet staat. Men zou dus moeten lezen: ‘Wijd en breed is de weg, die naar het verderf voert en veel zijn er die deze opgaan’. Jezus bedoeld eigenlijk dat de mens die niet door de enge poort binnengaat, vanzelfsprekend op de brede weg loopt.

Wanneer er twee poorten zijn, op welk terrein is dan de mens die nog geen poortkeuze heeft gedaan? Vanwege de gelijkenis in het verhaal, heeft men ‘de poort’ in deze zin er tussengevoegd. In het oude verbond kende men ook twee verschillende wegen. In Psalm 1:6 staat:

  • ‘Want de Heer kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen vergaat’. In Psalm 139:24 zegt David: ‘Zie, of bij mij een heilloze weg is en leid mij op de eeuwige weg’.

Bij het Jodendom maar ook bij de Grieken werd met de twee wegen de religieuze en zedelijke richting bedoeld, die een mens kan inslaan. Bij de Grieken is er ook sprake van een pad van de deugd. Geen wonder dat de rechtzinnigen bezwaar hadden tegen de berijming van Psalm 1 waar gezegd wordt: ‘God wendt alom het oog van zijn genade op hen, die, oprecht en rein van zeden, met vaste gang het pad van de deugd betreden’. Men was dus bang dat de goede mens met zijn werken centraal zou staan! Het oude verbond kende dit probleem niet.

Er is een merkwaardig boekje uit de apostolische of na-apostolische tijd, dat de titel draagt ‘De leer van de twaalf apostelen’ (Didachè). Het richt zich tot de pasbekeerde heidenen en begint met de uitspraak: ‘Twee wegen zijn er’. Ze zijn ‘de weg ten leven’ en die ‘ten dode’. In simpele en ondubbelzinnige woorden worden hier de christelijke levenseisen voorgehouden. Deze betreffen hoofdzakelijk het persoonlijke leven. Wie in een gedegenereerde en wetteloze maatschappij als vandaag, naar de wens van God wil leven, zal in dit geschrift de normen van de ware christelijke ethiek terugvinden.

 

Ook is er een illustratie over ‘de brede en de enge weg’. Ouderen onder ons zullen zich deze nog wel kunnen herinneren. Zij geeft een duidelijke voorstelling van de manier waarop veel kerkgangers in de vorige en in het begin van onze eeuw de gelijkenis van Jezus verklaarden. Links op de kleurrijke plaat ziet men dan de wijde poort met het woord ‘welkom’ erop. Degenen die de brede weg kiezen, passeren achtereenvolgens een kroeg, een theater, een danszaal, de bank van lening, om dan tenslotte nog plaats te nemen in de zondagstrein, die ‘door het vierde gebod rijdt’. De begeleidende tekst spreekt daarbij over het ontheiligen van de sabbatten, waardoor de overtreders dood en verderf wachten. Aan het einde van de weg ziet men nog een groot vuur met het onderschrift: gewogen en te licht bevonden!

Rechts is het kleine poortje. Wie er doorgaat, passeert eerst een kruis met corpus, een kerkgebouw, een zondagsschool, een huis van barmhartigheid met de zinvolle spreuk ‘talitha kumi, dat is ‘dochtertje sta op’ en een diaconessenhuis. Verderop zien we dat enkele mensen op het smalle pad een brullende leeuw ontmoeten. Een geknielde figuur heft een houten kruis omhoog achter de persoon die de leeuw met een zwaard probeert te doden. Dan wordt het stil op de weg. Ver erboven is het hemelse Jeruzalem met veel bazuinende engelen.

In mijn kinderjaren heeft deze prent een diepe indruk op mij gemaakt. De verschillen tussen de brede en de smalle weg lagen echter alle in de zichtbare wereld: een verschil als van een Rembrandtplein en Staphorst. De brede weg was die van de lichtzinnige mensen en de smalle van hen die sober en ‘deugdzaam’ leefden. Wanneer wij de gedachtewereld van de Didachè vergelijken met de voorstelling van de twee wegen van de bekende fundamentalistische uitgever Morgan en Scott, valt wel het niveauverschil op tussen de eerste christenen en hun enigszins bekrompen naamgenoten uit mijn jeugd.

Hoewel wij een nauwgezet en stipt leven als zeer belangrijke voorwaarde van een christelijke levenswandel als vanzelfsprekend aanvaarden – ‘ieder, die de naam van het Heer noemt, breekt met de ongerechtigheid’ – wijst Jezus in zijn omschrijving van de smalle en de brede weg toch op andere zaken. Onze Heer was in de Bergrede juist bezig het volk van God los te maken uit zijn natuurlijke godsdienstigheid. Hij zag zijn toehoorders als vertegenwoordigers van een geslacht dat eeuwenlang door stenen poorten de heilige stad was binnengegaan om daar religieuze belevenissen te hebben. Men zong dan: ‘Gaat tot zijn poort er in met lof’ en juichte: ‘Onze voeten staan binnen uw poorten’. Men ging door een stads- en tempelpoort van steen om God te dienen en dacht zo gemeenschap met God te krijgen. Jezus was echter bezig het volk los te maken van deze aan de aarde gebonden denkwereld. Het aardse Jeruzalem was van geen belang, want het uur was gekomen, dat de waarachtige aanbidders de Vader zouden aanbidden in geest en waarheid (Joh.4:23).

In zijn Bergrede sprak Hij over het binnengaan van het Koninkrijk van de hemelen. Het is jammer dat veel serieuze kerkmensen in onze tijd niet verder zijn gekomen, want ook zij verbinden het Koninkrijk van God met een natuurlijk volk en een natuurlijke stad. Zij leren dat het koningschap van Jezus over een aards Israël slechts een uitgestelde zaak zou zijn. Johannes de Doper had echter al verteld, dat het Koninkrijk van de hemelen nabij was, maar hij sprak niet over een uitgesteld aards koninkrijk van Jezus (Matth.3:2).

Jezus spreekt over een binnengaan in het Koninkrijk van de hemelen dat ‘nu’ moet gebeuren. In het nieuwe tijdperk kan iedereen binnengaan door geloof in Zijn vergoten bloed, dat ons van zondeschuld reinigt en ons tot rechtvaardigen maakt. Jezus wees een geestelijke weg aan. Door de smalle poort ga je niet binnen vanwege je afkomst, maar ieder gaat individueel binnen door zijn eigen bekering en doop IN water, op zijn eigen geloof. Besnijdenis of babybesprenkeling zijn hierbij van geen enkele waarde. De deur in de poort is de verzoening door het bloed van Jezus Christus en men bekeert zich door zijn stappen naar deze deur te doen. De poort is de toegang tot het rijk van God door opnieuw geboren te worden. Zonder dat kan niemand het Koninkrijk van God binnengaan of zien. Opnieuw geboren worden is de vernieuwing van denken vanuit de duisternis tot het licht.

Jezus wees erop dat de mens moet strijden om deze smalle poort binnen te gaan, want velen zullen proberen binnen te gaan en niet kunnen, omdat zij de vernieuwing in hun denken niet willen accepteren. Zij kunnen of willen alleen maar natuurlijke gedachten vasthouden, maar geen zuiver geestelijke. Wie geen geloof in het volbrachte werk van Jezus heeft, is geen rechtvaardige. Hij is nooit aan de smalle poortdeur geweest. Hij heeft immers de woorden van Jezus niet geloofd en diens verzoening niet aanvaard. Wie echter in de Zoon gelooft, kan binnengaan en ontvangt dan eeuwig leven, dus het Koninkrijk van God. Wie niet in Hem gelooft en dus ongehoorzaam aan zijn woorden is, zal dit leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem, dat wil zeggen dat hij met de machten van de duisternis, die de toorn van God vormen, verbonden blijft (Joh.3:36).

De menigte tot wie Jezus sprak, boog onder de lasten en voorschriften van de religieuze leiders met hun uiterlijk vertoon en hun zwaarwichtige vroomheid. De Heer zei echter dat zijn last licht was en zijn juk zacht.

De natuurlijke geboorte is een beeld van de geestelijke geboorte. Het kind komt uit de duisternis van de moederschoot en gaat door de smalle poort. Het laat daarbij het oude omhulsel achter, dat verder geen enkele waarde voor de pasgeborene heeft. Losgemaakt van het oude, ziet het kind dan het levenslicht. Bij de geestelijke geboorte – dat is de algehele vernieuwing van denken – moet het oude achtergelaten worden. Zo komt men dan uit de duisternis en uit de doodsituatie van het natuurlijke denken, om zijn plaats in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon in te nemen.

Achter de poort is de weg die Jezus zelf ook eenmaal ging. Daarom is Hij niet alleen de deur maar ook de weg. Deze heet ‘hoge weg’, omdat men er alleen de dingen op bedenkt die boven zijn. Wie deze weg op aarde zoekt is verdwaald. De smalle weg wordt ook de ‘heilige weg’ genoemd, omdat men er afgezonderd is van Satans demonen. Hij is ook de weg van de ‘waarheid en gerechtigheid’. Het eerste gedeelte van de weg is die van de bevrijding, verlossing, genezing en herstel. Dan komt de volmaakte weg van het leven, een volkomen nieuwe en levende weg, een ‘verse weg’ die naar de troon van God leidt. Deze smalle weg betekent dat men een gedachtewereld moet hebben, die zuiver geestelijk is. Men moet in zijn denken één zijn, zoals de Heer zei: ‘Zodat zij één zijn, zoals Wij één zijn’. Als je gedachten nog niet één zijn, heb je de leer van Christus nog niet begrepen en dan ben je nog niet op de smalle weg. Jezus volgen betekent achter Hem aangaan in zijn denken, altijd rekening houdende met de geestelijke wereld.

De wijde en brede weg gaat door het rijk van de overste van deze wereld. Deze weg leidt niet naar het leven maar naar de dood, naar het verderf of de destructie. Om de smalle weg te begaan, heeft men echter geloof nodig in het Woord van God en in de leiding van Gods Geest. Wij spreken daarom ook wel over een ‘geloofsweg’. Dan maak je je los van de zichtbare dingen, van de situatie en je laat je niet meer door natuurlijke mensen beïnvloeden. Op de brede weg kun je massaal lopen met gebondenheden, met lasten van zondeschuld en je kunt bovendien nog allerlei kanten op. De apostel schreef:

  • ‘Hij heeft ten tijde van de geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan’ (Hand.14:16). Maar ze werden wel allen geïnstrueerd door de machten van de duisternis. De profeet zei: ‘Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg’ (Jes.53:6).

Jezus zei tegen al zijn luisteraars, dat slechts weinigen de hoge weg zoeken en dus vinden. Het is een kleine groep die de denkwereld van de Meester overneemt, die geestelijk volwassen wil worden en gelooft dat dit ook mogelijk is. Daarom worden zij door een aards christendom niet geaccepteerd. Ook wordt in Jesaja 35 opgemerkt, dat de smalle weg niet bestemd is voor dwalenden of voor geestelijke zwervers. Men moet er een vaste koers volgen. Ook is hij niet bestemd voor reizigers die er zo af en toe een trip op willen maken. De smalle weg is een weg voor feestgangers, want leeuwen of ander verscheurend gedierte worden er niet op gevonden. Hij is voor de vrijgekochten van het Heer. God wil langs deze exclusieve weg alle mensen behouden. Daarom deelt de Openbaring mee dat rond de troon een menigte staat uit alle volken, een menigte die zelfs niet meer te tellen is (Op.7:9). Men moet dan wel uit het grote Babylon van de verwarring trekken om de geestelijke denkwereld van de Heer over te nemen. Op de smalle weg is slechts één geloof, één leer en één Heer. Daarom dringt Hij erop aan: ‘ga binnen door de enge poort, word een geestelijk mens, doe de keuze en grijp dit heerlijke evangelie dat ten leven leidt.’

In de Bergrede bracht de Heer zijn boodschap tot een volk dat in occulte duisternis zat en leefde in de schaduw van het dodenrijk (Matth.4:16). Maar de menigte zag zijn grote kracht tot herstel en het ging erom wie onder hen de Heer gelijkvormig wilde zijn, om geschikt te zijn een zuchtende schepping te redden. Jezus zei: als je dit wilt, ga dan de poort binnen en stel mijn evangelie van het Koninkrijk van de hemelen centraal.

De aangevoerde excuses om de smalle weg niet te kiezen, zijn veel:

  • Men zegt dat alle mensen door de liefdevolle Redder worden gered, ook al gaat men zijn weg niet.
  • Men wil eerst beter leven, want dit evangelie is alleen voor fatsoenlijke mensen.
  • Het is niet zo erg om eerst nog wat van de wereld te genieten.
  • Niemand kan eigenlijk weten of je er wel bij hoort.
  • Men is tevreden met wat men in de kerk of gemeenschap leert.
  • Ik leef toch netjes.
  • Er is geen verschil tussen christenen en er is geen elitegroep. 

Veel naamchristenen bouwen hun kerk bij de deur van de poort. In hun liedjes getuigen zij, dat zij zich vastklemmen aan Golgotha’ s kruis, tot de Heer komt. Ze komen dus niet verder dan de verzoening door het kruis. Zij zien niet in dat de komst van het Heer te maken heeft met de weg die naar de volmaaktheid leidt en naar de openbaring van de zonen van God. Er staat ook niet van de eerste christenen, dat zij ‘van het kruis’, of ‘van de poort’ waren, maar wel ‘van de weg’ (Hand.9:2 en 22:4). Hun gerechtigheid was overvloediger dan van Farizeeën en Schriftgeleerden. Dezen wilden met geweld het Koninkrijk van de hemelen binnendringen, namelijk door het houden van inzettingen en streng wetticisme.

Onze Heer vraagt alleen verandering van denken, zodat men zijn ware vijanden en vrienden in de hemelse gewesten kan onderscheiden. Hij bracht het evangelie van de onzienlijke wereld en wie dit gelooft en bewaart, wordt een geestelijk christen.

15: ‘Maar wees op uw hoede voor de valse profeten, die in schapenvacht naar u toe komen maar van binnen roofzuchtige wolven zijn’.

De volgelingen van Jezus zullen op hun hoede moeten zijn voor leugenprofeten, die christenen misleiden en op de verkeerde weg voeren. De Heer bedoelt hier niet de Farizese Schriftgeleerden, maar zijn waarschuwing betreft de gemeente. De evangelist schrijft hier over christelijke dwaalleraars. Die komen als schapen verkleed naar de kudde van argelozen. De goede herder, die geen huurling is, onderscheidt ze echter van de echte schapen. Valse profeten zijn die leiders die geïnspireerd en gedreven worden door verkeerde geesten. De apostel schreef.

  • ‘Geliefden, vertrouw niet iedere geest, maar beproef de geesten, of ze uit God zijn; want veel valse profeten zijn in de wereld uitgegaan’ (1 Joh.4:1).

Hij bedoelde dat in het grote Babylon er velen zijn die misschien dezelfde woorden spreken en termen gebruiken als de ware profeten, maar ze gaan de smalle of hoge weg niet. Ze houden zich bezig met een horizontaal evangelie, met aardsgerichte verwachtingen en hebben er geen weet van, dat de Heer bezig is Zich een geestelijk Israël in het hemelse Jeruzalem te verzamelen. Zo hebben zij het ware geestelijke leven van veel christenen geblokkeerd. Zij veroorzaken een mengelmoes van confessies, omdat ze het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen dat Jezus zelf bracht, niet kennen of loslieten.

Veel valse profeten in schapenvacht zeggen ook: als je Jezus aangenomen hebt, ben je ver genoeg. Dan ga je niet meer verloren, want eenmaal gered betekent voor altijd behouden zijn. Maar het gaat bij onze Heer niet om een klein, kwijnend plantje, maar Hij wil dat de ware christen zijn bestemming als geestelijk mens bereikt. Laat je daarom niet door zulke profeten meeslepen. Jezus spreekt hier niet over mensen met grove zonden zoals echtbrekers, moordenaars, dieven, lasteraars, want dat zijn zonden die onder ons zelfs niet genoemd moeten worden.

De Openbaring voorspelt echter dat er een beest zal komen met twee horens als die van het lam, maar het spreekt als de draak (Op.13:11). Valse profeten zijn uiterlijk als een lam, zachtaardig en beminnelijk. Ze doen zich vroom en godsdienstig voor en zien er uit als schapen van de kudde. Zij spreken veel over oecumene en over onderlinge liefde die de eenheid zou schenken. Het woord ‘liefde’ wordt door de valse profeten vaak op ergerlijke wijze misbruikt. Ze verbergen hiermee hun gemis aan liefde tot de waarheid, tot het eeuwig evangelie van het Koninkrijk van de hemelen. Laat je daarom niet meeslepen door hun gevoelvolle woorden, want de satan komt door hen als een engel van het licht. Vertrouw daarom niet iedere geest, ook al doet hij zich beminnelijk en vriendelijk voor. Onderzoek ook deze geesten of ze wel uit God zijn.

Een wolf in schaapskleren is beslist geen schaap en zelfs geen bok. Hij is beeld van een boze geest. Jezus zei: van binnen zijn ze roofgierige wolven. Ze maken in Babylon de meerderheid uit. Zij hebben het rijk van God losgelaten en zijn opgehouden in de hemelse gewesten te strijden. Met hun natuurlijke liefde die alleen aardsgericht is, versperren zij de opgang naar boven. Valse profeten missen de Geest van God, die hen in de waarheid wil leiden en hun het verlossings- en herstelplan van de Vader bekend wil maken. Misschien zeggen ze wel vanuit hun fundamentalisme, dat ze de hele Bijbel van kaft tot kaft geloven, maar het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen wordt door hen niet verstaan, maar vervangen door een keten van tradities en vastgelegde zienswijzen, die hun volgelingen onvatbaar maken voor wat de Geest van God in onze tijd aan de gemeenten heeft te zeggen.

Een goede profeet wijst op de smalle weg. Hij heeft geen vastigheden en zekerheden dan alleen in de onzienlijke wereld. Met een gelijkenis zei Jezus er over, dat de vossen holen in de grond hebben, aardse schuilplaatsen vanwaar uit ze opereren en de vogels van het hemels nesten hebben, vanwaar uit ze een compromis sluiten met het hemelruim, om zich daar een tijdje te vermaken om dan weer terug te keren naar hun aards steunpunt. Wanneer Jezus zijn hoofd neerlegde om te gaan slapen – beeld van enkel bezig zijn in de geestelijke wereld – bezat hij in de zichtbare wereld geen zekerheid. Hij deed het alleen aan op de woorden van God.

De ware profeet is alleen vervuld met gedachten over de geestelijke wereld. Toen het Jezus ging ontbreken aan aardse vrienden, aan natuurlijke zekerheden, toen Hij op Zichzelf werd teruggeworpen in de hof van Gethsémane, vertrouwde Hij alleen op de toezeggingen van zijn Vader. Diens woorden gaven Hem kracht om de schande te verachten en het kruis op Zich te nemen. Paulus waarschuwde de oudsten in Efeze in Handelingen 20:29 dat na zijn heengaan grimmige wolven zouden komen, die de kudde zouden verscheuren. Uit hun midden zouden mannen opstaan, die verkeerde dingen zouden spreken om de leerlingen achter zich te trekken. Gehuld in het kleed van een profeet zouden ze de ware dienstknechten van God beschuldigen en belasteren. Door hun leugens zouden de schapen verstrooid worden en heen en weer waaien als bladeren door een stormwind gedreven en zij zouden dan zijn als schapen zonder herder.

Johannes schreef later aan de gemeente in Efeze: ‘Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde verzaakt hebt. Bedenk dan, van welke hoogte – uit de hemelse gewesten – u gevallen bent en bekeer u’ (Op.2:4,5). Valse profeten tasten het lichaam van de Heer, de gemeente, aan. Zij voelen zich niet één met de kudde. Ze bouwen haar ook niet op, maar verscheuren haar en verstrooien de schapen. Ruk daarom hun leugenbedekking af, zodat het roofdier geopenbaard wordt. Aan ons om de vraag te beantwoorden: hebben wij als schapen ook een schapenvacht? Verspreiden wij meer? Zijn wij vriendelijker? Gebruiken wij met beslistheid de wapens van de gerechtigheid?

16-20: ‘Aan hun vruchten zult u hen herkennen. Men plukt toch geen druif van doornstruiken of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen. Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Zo zult u hen dus aan hun vruchten herkennen’.

Vrome leergeesten en valse profeten vermommen zich. Daarom beproef ze, zie niet werkeloos toe en ruk ze het masker af, zodat ze openbaar worden in het licht van het woord van God. De ware dienstknecht van de Heer zal het oordeel of de scheiding van de geesten, tot overwinning brengen. Daarom moeten wij over de verschillen die er in het christendom zijn, kunnen spreken en niet meelopen met de massa. Ook geeft het op den duur problemen om met hen te gaan evangeliseren, die zelfs niet verder zijn gekomen dan de poort. Zulke mensen hebben immers andere doelstellingen dan wij.

Jezus zegt: aan hun vruchten zal je de leugenprofeten kennen, dus aan hun onzekerheid, aan hun twijfel, aan hun gebondenheden of aan hun aardse gerichtheid. Wanneer mensen door de poort gegaan zijn en dan zeggen: ‘Ik weet eigenlijk nog niet of ik wel een kind van God ben’ herkennen wij de boom aan zijn vrucht en niet aan de bladeren van een zogenaamde zuivere of orthodoxe leer. Valse profeten spreken nooit van overwinning en na een strijd in de hemelse gewesten. Zij strijden echter wel tegen vlees en bloed, zelfs tegen eigen vlees en bloed, wat zij de strijd tegen het verdorven ‘ik’ noemen. Veel leerstellingen zijn doorns en distels. Ze brengen geen druiven voort en wanneer de grond ‘doorns en distels draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding’ (Hebr.6:8). Wat zijn bijvoorbeeld de vruchten van de leer van de uitverkiezing, waarin onder andere geleerd wordt dat God een bepaald aantal anonieme personen heeft gepredestineerd tot een eeuwig verderf. De vrucht er van is onzekerheid, onvrede, angst en passiviteit.

Wat is de vrucht van de leer van de babybesprenkeling? Een volkskerk waar men bij kan horen zonder dat men geloof bezit of opnieuw geboren is. Wat is de vrucht van de erfzondeleer? Dat men erkennen moet dat men tot de dood toe een zondaar blijft, dus verbonden met het rijk van de duisternis. Wat zijn de vruchten geweest van het loochenen van de doop met Gods Geest? Men belijdt hiermee dat Jezus Christus niet in het vlees, nog steeds komende is, zoals 1 Joh.4:2 letterlijk luidt. Als gevolg hiervan verdwenen ook de geestelijke gaven en kon de gemeente niet langer naar Bijbels model worden opgebouwd.

Een gezonde leer brengt goede vruchten voort van bevrijding uit de hand van de vijanden, van redding uit de macht van satan en van genezing en herstel naar lichaam, ziel en geest. Goede vruchten zijn vruchten die bij de mens passen, net als elke goede boom de bij hem behorende vruchten draagt. De christen wordt herkend aan de gewone dingen van het leven en niet aan de ongewone dingen. Is hij zichzelf en hoe leeft hij in zijn gezin en dagelijkse omgeving?

Profeten zijn ook bomen en zij dragen de vruchten, die bij de bomen horen. Daarom zegt Jacobus dat niet zo velen leraars moeten zijn, omdat ze er des te strenger er om zullen worden geoordeeld. De Farizeeërs zaten op de stoel van Mozes en onderwezen de wet, maar ze waren hoogmoedig, geldgierig en wreed. Daarom konden ze de menigte niet verder brengen en moesten ze erkennen, dat die vervloekt was, omdat ze de wet niet kende. De vrucht van Gods Geest is echter: liefde, blijdschap, trouw en zachtmoedigheid.

Een bron kan nooit tegelijkertijd zoet en bitter water voortbrengen. Een goede boom zoals de olijf is nuttig en daarom goed. Een appelboom is een goede boom, ook al zijn er kleine appels tussen of misschien wel wormstekige. Maar dan moet men ook het ongedierte bestrijden en de boom goed verzorgen. Dan krijgt men door zorgvuldig onderhoud, gave vruchten. Bij een goede boom probeert men gave vruchten te krijgen en zo zoekt de hemelse Landman een rijpe vrucht. Een slechte boom of plant is bijvoorbeeld een distel en een doornstruik. Ze staan in verband met de vervloeking van de aarde die doorns en distels zou opleveren. Ze zijn gedemoniseerd, misvormd en gedegenereerd, net als sommige andere levende wezens. In deze schepping werken de machten van de duisternis. Doorns en distels zijn niet nuttig maar lastig, want ze halen de huid open, wanneer men het onkruid wiedt. Negatieve mensen met stekelige opmerkingen en met een jaloerse geest, bederven de goede sfeer. Zij passen niet in het Koninkrijk van God.

De Heer wil echter slechte planten veranderen in goede: ‘Voor een doomstruik zal een cipres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten en het zal de Heer zijn tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden’ (Jes.55:13). Van cipressenhout of goferhout maakt men muziekinstrumenten en Noach gebruikte dit hout voor zijn ark.

De mirtenstruik levert een etherische olie en haar takken zijn bekend door hun mooie groene kleur. Men gebruikte ze bij het opzetten van de loofhutten. In de geestelijke wereld is er geen goede boom die slechte vruchten voortbrengt. Elke boom wordt aan zijn eigen vrucht herkend. Goede mensen brengen uit de goede schat van hun hart het goede voort en slechte mensen uit de boze schat van hun hart het boze. Want waar het hart vol van is, spreekt de mond en worden de daden bepaald.