15 Aards of hemelsgezind – 2

Mattheüs 6:22-34

22,23: ‘De lamp van het lichaam is het oog; als dan uw oog oprecht is, zal heel uw lichaam verlicht zijn; maar als uw oog kwaadaardig is, zal heel uw lichaam duister zijn. Als het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot is dan de duisternis zelf!’

Vanuit zijn geestelijke manier van denken begint de Heer allereerst op te merken dat de lamp of de kaars – zie bij 5:15 – het oog is. De antieke opvatting was dat het oog het licht opving, waardoor dit toegang kreeg tot het hele lichaam. De lamp bevond zich dus buiten het lichaam. De nieuwe denkwijze is: het inwendige licht wordt door het oog naar buiten gebracht. Het oog is dus niet het venster van de ziel of van het lichaam, zoals wel eens gezegd wordt, want een venster laat alleen het licht maar door en heeft zelf geen lichtgevende functie. Het oog openbaart echter het licht en manifesteert het leven van het geestelijk lichaam, dat bekleed is met Christus, want zijn leven in ons is het licht van de mensen (Gal.3:27, Joh.1:4). Zo straalden uit het oog van Jezus goedheid, barmhartigheid, vriendelijkheid en genade. Hij bezat immers de Heilige Geest niet met mate (Joh.3:34). Ook wordt aan ieder van zijn volgelingen deze Geest op gebed geschonken. Zo is er sprake dat aan ieder de openbaring, de manifestatie of de uitstraling van de Geest is gegeven (1 Cor.12:7). Het oog brengt de waarheid die in een mens is, aan het licht (2 Cor.4:2).

Van het nieuwe Jeruzalem, de gemeente, wordt gezegd dat de lamp van deze stad het Lam is (Op.21:23). Had de Heer al niet in beeldspraak gezegd: ook u, volk van God, bent het licht van de wereld (5:14)? Het oog straalt leven uit, als er innerlijk licht is. Het is immers de expressie van ons verborgen wezen, van ons geestelijk lichaam. De duisternis kent geen levenslust. Men kan aan iemands oog zien of zijn geest gezond is of onderdrukt wordt. Wanneer bijvoorbeeld kinderen ziek zijn, verflauwt hun oog. Wanneer iemands leven aangetast wordt, dooft het licht. De gemeente van Jezus Christus heeft de toezegging, dat zij stralend zal zijn, dus levend (Ef.5:27). En mensen stralen als het oog licht geeft.

Het gevaar is er echter dat de aandacht soms meer op de vlekken en rimpels – dus wat nog niet allemaal in orde is – wordt gericht, dan op het uitstralende licht. Het vuil en de oneffenheden zullen echter verdwijnen, wanneer het oog gericht is op Jezus, die ons geheel zal reinigen en van wie gezegd wordt: ‘Hij is trouw; Hij zal het ook doen’. Als het oog gezond is (Leidse vert.), als het gaaf is (vert. Brouwer), als het goed is (Can. vert.), of eenvoudig is (St. vert.), als het zuiver is, is de mens verlicht en leeft hij naar de wetten van God. Dan is hij gezond naar zijn geestelijk lichaam, dat is ziel en geest, dan werken de gerechtigheid en de wetmatigheid in hem door. Dan functioneert de mens naar de bedoeling van zijn Schepper.

De rechtvaardige wandelt bij het licht dat in hem is. Wanneer de zuiverheid in zijn oog is, is zij ook in zijn hart. Als het oog mild is, rein is, blij is, is het geestelijk lichaam verlicht. Het draagt dan het beeld van God in zich. De mens is dan ‘enkel licht’ en in hem werken geen machten van de duisternis die door zijn ogen naar buiten zouden kunnen kijken. Als echter het oog troebel is, slecht is, hebben ziel en geest gebrek aan leven. Het hele geestelijk lichaam, dat wil zeggen de hele mens is dan duister, wat aan zijn ogen te merken is. Zijn gelaat is dan de afbeelding van zijn binnenste en zijn oog is de verrader er van. Men kan zien dat zo’n leven onder zware druk staat, dat zo’n mens gebonden is of bezet gebied is. Wie onderscheiding van geesten heeft, zal dit vaak opmerken maar zeker niet uitspreken, want dan beledigt hij niet de macht maar de man of vrouw. Boze geesten kunnen niet vriendelijk kijken, ook al komen ze in de gedaante van een engel van het licht of al hullen zij zich in vrome jurken, haren en baarden. Als dan het licht dat u hoort te bezitten, duisternis is, hoe groot is dan de duisternis zelf.

Het oog is de lamp of het licht. Van nature is het oog blij en levendig, zoals bij een kind dat van vrolijkheid straalt. Het is immers goed geschapen en niet als kleine demon, zoals de erfzondeleer uitdraagt. Wanneer het later van binnen echter duister wordt, kan het oog deze duisternis vaak voor een tijd verbergen. De mens kan zich immers beheersen. Hij kan als een ketel vol ergernis van binnen koken en van buiten fluiten. Vroeg of laat verandert echter de blik van zijn oog. God vroeg aan Kaïn: ‘Waarom is uw gelaat zo betrokken? Mag u het niet opheffen, als u goed handelt?’ Kaïn was een geestelijk gebonden man, want de zondemacht, dus de duisternis, zat bij hem van binnen. Zijn geestelijk lichaam was misvormd. Iedereen kon het aan hem zien. Hij zei: ‘Wie mij aantreft, dus wie mij ziet, zal mij doden’. Zijn oog bracht duidelijk tot uitdrukking welke macht in hem huisde. Er was hier sprake van ‘het boze oog’ en dat was het Kaïnsteken!

Het is mogelijk dat bij de mens de driften, de hartstochten en de onreinheid in de ogen fel oplaaien. Het kan gebeuren dat mensen zich onbespied wanen. Wanneer men hen dan onopgemerkt waarneemt en in de ogen ziet, openbaren zij de duisternis die in hun hart de overhand heeft. Het duistere oog dat vervuld is met wrevel, haat en negativisme, ziet vaak scherp. Het maakt een fotografische afdruk van al het verkeerde en zo’n mens kan dit moeilijk weer kwijtraken. Zo ziet iemand die depressief is, wiens geest neergedrukt wordt, de mensen en de omstandigheden anders dan de optimist met zijn opgewekte geest. Zo’n neerslachtig iemand is als een uitgebluste lamp. De hebzucht kan ook uit de ogen stralen. Let eens op de blik van de gewiekste zakenman die zijn klant taxeert. Ook kunnen de ogen jaloersheid, angst en haat uitdrukken.

De Statenvertaling heeft: ‘Als uw oog boos is’. Wij denken hierbij aan de gelijkenis van de werkers in de wijngaard, toen de heer die allen hetzelfde loon uitkeerde, zei: ‘Of is uw oog boos, omdat ik (enkel) goed ben?’ Van God staat: ‘God is mild en vergeeft graag’. Zo was het ook bij Jezus, die als Hij gescholden werd, niet geïrriteerd raakte of Zich gekwetst voelde, want Hij was onkwetsbaar. Als tegenstelling hiermee zien wij dikwijls bij politieke en religieuze leiders, maar ook de linkse media dat zij iets hards in de ogen hebben. Ze willen domineren. Schreef de profeet niet van de kwade herders van het volk: ‘De schapen weidt u niet, zwakke versterkt u niet, zieke geneest u niet, gewonde verbindt u niet, afgedwaalde haalt u niet terug, verlorene zoekt u niet, maar u heerst over hen met hardheid en geweld’ (Ez.34:3,4)?

Als je oog eenvoudig is, is de uitstraling altijd positief of zuiver. Gespleten figuren handelen dan weer zus en dan weer zo. Hun oogopslag is de uitdrukking van een verdeeld hart. Wie bijvoorbeeld twijfelt, ‘lijkt op een golf van de zee, die door de wind – beeld van de boze geesten – aangedreven en opgejaagd wordt. Want zo’n mens moet niet menen, dat hij iets van de Heer zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, onberekenbaar op al zijn wegen’ (Jac.1:6-8). Je kunt op zo’n persoon niet aan, want het innerlijke licht in hem is duisternis geworden. Hij lijkt op een hamer die van de steel vliegt op het ogenblik, dat je er een goede slag mee wilt doen. Hij lijkt op een veerman die naar de ene kant ziet en naar de andere kant roeit. Hij houdt geen koers.

Er zijn kerkgangers die na hun geestelijk werk verstrooiing zoeken bij de televisie, de borrel of de harde muziek. Zij zoeken compensatie voor de inspanning die van hen werd gevraagd en daarom moeten zij iedere keer ‘relaxen’. Ze leven onder druk. Hun lamp flakkert nog wel, maar de duisternis gaat overheersen. Het weinige licht dat zij eerst nog probeerden te verspreiden, verdwijnt en ze eindigen in grote duisternis. Gelukkig is hij, wiens ‘eenvoudige’ oogopslag de uiting is van een geheel verlicht lichaam.

24: ‘Niemand kan twee heren dienen, want of hij zal de één haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de één hechten en de ander minachten. U kunt niet God dienen en de mammon’.

Bij het uitspreken van de Bergrede was het de bedoeling van onze Heer dat zijn volgelingen vanuit het natuurlijke, godsdienstige denken en leven zoals dit kenmerkend was in het oude verbond, zich voortaan in de geestelijke wereld zouden bewegen. In dit overgangstijdperk bracht Jezus slechts de eerste beginselen bij van de uitspraken van God, dus de melk (Hebr.5:12). Zouden ze deze zich toe-eigenen, dan zouden ze de enge poort kunnen ingaan (7:13). Wanneer zij een juist inzicht zouden krijgen van de verschillen tussen het voorbijgaande en het komende, zouden ze nog een zware strijd moeten strijden om in de praktijk zich de nieuwe wereld eigen te maken en alleen ‘de dingen te bedenken die van boven zijn, waar Christus is’. Ze zouden geen twee heren meer kunnen dienen, want dit is in tegenspraak met het eenvoudige oog. Veel hoorders zouden het toch proberen. Ze willen immers ook vrede en overwinning verkrijgen, maar het zou vergeefse inspanning zijn.

Jezus zei waarschuwend: ‘Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen proberen in te gaan, maar het niet kunnen’ (Luc.13:24). Er is een radicale beslissing nodig: alles of niets. Ziekte, zonde en gebondenheden zijn de conflictstoffen en de barricaden, die alleen kunnen worden opgeruimd door een strijd in de hemelse gewesten en door gebed en bediening, waarbij de verborgenheden van het Koninkrijk van God in werking worden gesteld. Dit alles overziende, zei de Heer: volk van God, u kunt God niet dienen, als u zich niet losmaakt van de uiterlijkheden van de oude, godsdienstige opvattingen. Ze zijn van nul en generlei waarde in het nieuwe tijdperk van het herstel. Onthoud het goed: niemand kan daarbij twee heren dienen. Er zijn wel heren in menigte, voor u is er nochtans maar één Heer, Jezus Christus (1 Cor.8:6). Doe daarom de eerste stappen die de Bergrede aanwijst, zodat u geestelijke mensen kunt worden. Later zou de Heer met zijn leerlingen verder gaan en zijn toespraken inleiden met de woorden: ‘Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan’. Dan zouden zij de geheimen er van, die voor het natuurlijke oog verborgen zijn, leren verstaan. Dan zouden zij een onverdeelde schat in de hemelen bezitten. Je kunt niet God dienen en Mammon. Zo kreeg Judas hier al in het prille begin een waarschuwing.

Mammon is het gewin. ‘Alles wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven’, is Mammon (1 Joh.2:16). Vooral predikers moeten erop letten dat zij de verleidingen ontwijken, bijvoorbeeld van vrouwen, van eer en van geld. Zij moeten immers het goede voorbeeld geven en tot de gelovigen kunnen zeggen: ‘Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg’ (1 Cor.11:1). Mammon is een aanduiding van ‘vermogen’ of ‘rijkdom’, niet alleen van geld, maar van alles wat in deze wereld waarde heeft. Mammon is ook de naam van een demon geworden en daaraan heeft het voorwereldlijke dier mammoet, ‘Mammonteus primigenius’, zijn naam als demonisch dier te danken. God zegt: mijn zoon geef Mij uw hart, maar deze demon zegt: geef het mij. God zegt: wees tevreden met wat je hebt, maar mammon zegt: schraap alles bij elkaar. God zegt: wees liefdadig, maar mammon zegt: zorg allereerst voor jezelf. Hink daarom niet langer op twee gedachten en vraag je ook eens af wat je aan de dienst van de Heer geeft.

Niemand kan twee heren dienen. Je geest kan zich niet hechten aan een boze geest en aan Gods Geest. Paulus schreef letterlijk: ‘Wie zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:17). Het geestelijk lichaam van de ware christen wordt één met het geestelijk lichaam van het Heer. Hij is hierin immers ondergedompeld, want hij is ‘in Christus gedoopt’, dat is ‘in Heilige Geest’ (Gal.3:27). Jezus zei: ‘Ik en de Vader zijn één’ (Joh.10:30). Zijn geestelijk lichaam was gedoopt in het lichaam van God, want Hij was immers ook in Gods Heilige Geest gedoopt. Zo wordt ook ons geestelijk lichaam één met dat van Christus en daarmee ook één met God. Dit kan nooit plaatsvinden zolang ons geestelijk lichaam nog verbonden is met dat van een boze geest. Aan het lichaam van de zonde moet zijn kracht worden ontnomen (Rom.6:6). Dit gebeurt door de christelijke besnijdenis (Col.2:11).

Het woord van God en de kracht van zijn Geest werken als een mes, die de christen scheidt van ‘het lichaam van het vlees’, de boze geest die zijn menselijk lichaam begeert en zich aan hem hecht. Eenmaal riep de apostel uit: ‘Wie zal mij verlossen van (niet ‘uit’) het lichaam van de dood’, dus van de boze macht, die mij naar de dood voert. Het antwoord was: ‘God zij dank door Jezus Christus, onze Heer’ (Rom.7:24,25)! Wij moeten de boze geest, die zich aan ons hechten wil, haten. Daarom moeten in het bijzonder ook de profeten onder ons in het volle licht staan, anders vibreren de zonde en dwaalgeesten mee tijdens de godsspraak. Profeten moeten vol zijn van Heilige Geest en vooral geen contact opnemen met demonen. Ook staat er: ‘Wie niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, kan mijn leerling niet zijn’ (Luc.14:26). Haten wil zeggen: achterstellen bij de dienst van Jezus, niet laten prevaleren. De Bergrede bestaat niet uit losse kraaltjes rijgen, maar er is steeds verband tussen de uitspraken van Jezus. Hij had tevoren ook duidelijk gezegd: ‘Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’. Geef dan het beste wat je hebt voor het hoogste dat er bestaat.

25: ‘Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven, over wat u eten en wat u drinken zult; ook niet over uw lichaam, namelijk waarmee u zich kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding?’

Het gedeelte over ‘bezorgdheid’ zou men als een mooie psalm kunnen lezen. De regel: ‘Daarom zeg Ik u’ hoort er niet bij maar geeft alleen de samenhang aan met de voorgaande verzen over ‘de ware schat’. In Lucas 12:22-34 wordt dit gedeelte uit de Bergrede voorafgegaan door de gelijkenis van de rijke dwaas, die zoveel problemen had om zijn bezit veilig te stellen, dat hij tot het genieten ervan nooit toekwam. Jezus wilde door zijn leer de arme bevrijden van de strijd om het bestaan en de rijke van de mening dat hij niet genoeg heeft.

Bezorgd zijn wijst op een mentaliteit en op een gebondenheid die bij veel kerkmensen voorkomen. Jezus zegt: wees in geen ding bezorgd. Bezorgdheid betekent alle aandacht aan de aardse dingen wijden. Het is de negatieve instelling van de menselijke geest ten opzichte van wat kan gebeuren met zijn natuurlijk leven. Er zijn maar weinig mensen bezorgd ten opzichte van geestelijke zaken. Bezorgde mensen zijn ‘vleselijk’ ingesteld. Men is bang dat men geen houvast meer zal hebben en het leven zal verliezen, dat de zekerheden zullen worden weggenomen. Het leven hangt dan af van iemands bezit in de natuurlijke wereld. Jezus begint met ‘daarom’, dat wil zeggen verzamel u geen schatten op aarde. Probeer dit niet te combineren met de dienst van God.

Je kunt God niet dienen en mammon. Een slaaf kan zich niet met gelijke overgave wijden aan de uiteenlopende interesses van twee heren. Hij zal er steeds één voortrekken in zijn vlijt en aanhankelijkheid en de andere achterstellen, minachten of haten. Daarmee is dan de situatie tussen God en mammon beschreven. Ze zijn twee heren die onverzoenlijk tegenover elkaar staan. Ze eisen beiden de hele mens op en willen zijn denken vervullen. De natuurlijke christen gaat op in stoffelijke zaken en het geestelijke wordt door hem aan de kant geschoven. Aardsgerichte christenen maken zich druk over de natuurlijke zaken in de gemeente, want deze liggen hun. Jezus zegt: je kunt je aandacht niet verdelen. Je kunt God niet dienen èn mammon. Je kunt niet beiden tevreden stellen.

De mammon verschijnt in Lucas 16:9 als de onrechtvaardige rentmeester, net als de onrechtvaardige rechter in Lucas 18. De Heer zegt in de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester: doe maar als deze slimme beheerder, die de bezittingen die zijn heer hem toevertrouwd had, wegschonk om vrienden te maken. Je bent ook zo’n rentmeester in dienst van God en door je hulpvaardigheid en liefdadigheid verwerf je schatten in de hemel. Gebruik je geld in dienst van de Heer, zodat er zielen gewonnen worden welke later ‘in de eeuwige tenten’ je hun dank zullen betuigen. Mammon brengt je eeuwig leven in gevaar. Rijken gaan moeilijk het Koninkrijk van God binnen en het bedrog van de rijkdom en de zorgvuldigheden van het natuurlijke leven verstikken het zaad van het woord van God, namelijk van het eeuwig evangelie dat alleen hemels gericht is. Mammon (Geldduivel) is een demonische macht die de mens bezighoudt en hem schijnvrede geeft. Hij brengt hem onder een juk en geen geldgierige, dat is een afgodendienaar, heeft erfdeel in het Koninkrijk van Christus en God (Ef.5:5). Alle eeuwen door heeft de wereldkerk zich beziggehouden met mammon: indrukwekkende kathedralen, rijke bezittingen, schitterende jurken en macht en aanzien in de tegenwoordige wereld.

De Bergrede is de eerste aanzet om geestelijke mensen te vormen. Zij is erop gericht om het oude los te laten en een nieuwe weg ten leven in te slaan. Zij is het begin van een vernieuwing van denken en ook een uiting van afkeer van het oude levenssysteem. In het oude verbond werd de zegen opgevangen in de ‘baktrog’. Wanneer het je in het natuurlijke leven goed ging, was je een gezegend mens. Oud worden was iets begerenswaardig, want daarna volgde immers de dood en het dodenrijk zonder blijk van leven. Jezus drukt het zijn volgelingen op het hart: ‘Zoek eerst het Koninkrijk van God’. Laat de aardse manier van denken, doen en leven los. Dan is aan het einde van de aardse baan geen dodenrijk, maar de opnieuw geboren christen neemt op dat ogenblik voor eeuwig zijn intrek bij de Heer. De rijke jonge man kon royaal de geboden van het oude verbond houden vanwege zijn geld. Jezus zei toen dat een kameel gemakkelijker door het oog van een naald gaat, dan een rijke het Koninkrijk van God binnenkomt.

Voor de natuurlijke mens een niet te verteren zaak, maar voor de geestelijke christen geldt ook hier, dat hij in het Koninkrijk van God kan leven zonder aardse rijkdommen. Zijn benodigdheden zullen hem ‘bovendien geschonken worden’. Breek met de gedachte dat het Koninkrijk van God een garantie is voor natuurlijke welvaart. Velen denken dat Gods zegen op een gemeenschap rust, die een prachtig gebouw bezit. Dan kwamen de eerste christenen er wel bekaaid af. Dezen hadden niets anders dan de vervulling met Gods Heilige Geest en grote blijdschap. Wat ze aan bezit hadden, brachten ze vaak naar de apostelen en deelden ze samen. Bij de ware christen speelt geld geen rol en hij krijgt er ook geen problemen mee.

  • Misschien zegt een twijfelaar: maar ik kan met mijn gezin zo niet leven. Ik blijf tobben en er gebeurt niets waarin ik veranderingen ten goede bespeur. Het antwoord is: waag het eens in geloof. Verander van instelling, word een geestelijk christen. Dan handel je anders dan vroeger en hou je rekening met de geestelijke wereld, of zal ik schrijven: alléén met de geestelijke wereld? Dan handel je met de wijsheid die van boven is en niet met die van de aarde, want deze is demonisch zegt Jacobus. Daarom u geheel anders!

Bezorgde mensen zijn negatieve mensen. Achter hun geld steekt een god. Daarom spreken velen zachtjes als ze het over hun bezit hebben. Jezus zegt: wees niet bezorgd bezig. Judas was negatief, wat uit zijn scherpe opmerkingen bleek. Ananias en Saffira waren niet eerlijk, maar sjoemelden met hun geld. De rijke wordt beziggehouden door zijn bezit en het vasthouden en vermeerderen ervan. Bij de arme gaat het om de zorgen voor zijn levensonderhoud. Jezus zegt: God zorgt voor je, groot is de Heer en met elke morgen keert zijn goedheid weer. Stel daarom geen eisen aan God. Paulus schreef aan zijn medewerker: ‘Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, moet ons dat genoeg zijn’ (1 Tim.6:8).

Sommige mensen zijn geschokt, van hun stuk gebracht, als ze hun interieur niet tot in de puntjes hebben verzorgd. Ze willen geen bidstond in hun woning vanwege het prachtige vloerkleed. Paulus waarschuwde ervoor het evangelie niet als een winstobject te zien in de natuurlijke wereld. Hij schreef: godsdienst is winstgevend, als zij gepaard gaat met tevredenheid. Mensen die in hun gedachten met geld en goederen bezig zijn worden negatief. De Mammon zegt nooit: het is genoeg. Je blijft begeren naar het andere, het mooiere en het meerdere. Je moet steeds ergens bovenuit en daarom is geldzucht of hebzucht de wortel van alle kwaad.

Om de inhoud van zijn woorden te accentueren zegt Jezus nu in de vragende vorm: is het leven niet meer dan het voedsel? Het lichaam meer dan de kleding? De mens leeft niet om te eten, leeft niet voor zijn kleding en voor zijn bezit. Hij eet en drinkt om te leven, heeft kleding nodig om zich te bedekken. Zijn huis moet hem en zijn kinderen dienen. De eerste wereld ging onder aan eten, drinken en seks. Dat was voor die mensen hun leven. De catastrofe kwam en ze merkten niets op. Hun leven was kleinschalig, kleinburgerlijk. Ze waren bezig met hun etentje en met een drankje te bereiden op het ogenblik toen Noach in de ark ging. De lekkere hap maakte hun blijdschap uit: ‘Nog een glaasje?’, ‘ja, heel graag’. In eten en drinken opgaan is geen mammondienst, maar de mens beweegt zich daarmee wel in dezelfde richting, namelijk buiten het Koninkrijk van God.

26: ‘Kijk naar de vogels in de lucht: zij zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren; uw hemelse Vader voedt ze echter; gaat u ze niet ver te boven?’

De ware christen verwerpt met zijn geest alle bezorgdheid. Jezus motiveert deze verwerping vanuit de grootheid en de rijkdom van de schepping. Zie naar de natuur. God schenkt daar alle leven, dus het belangrijkste, maar Hij houdt het ook in stand. De natuur verkondigt zijn goedheid. Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid worden uit zijn werken met het verstand doorzien (Rom.1:20). Vogels maken zich geen zorgen, want God zorgt voor hen. Groot is hun Heer. Wanneer de wintertijd aanbreekt en het voedsel schaars wordt en de overlevingskans gering is, geeft God hun in het hart om op weg te gaan en wijst Hij hun de weg naar betere oorden, totdat de wintertijd voorbij is en zij weer zonder zorg kunnen terugkeren. Groot is de Heer.

Men moet oog hebben voor het goede dat God gemaakt heeft. Men kan zien dat er grote wijsheid en kracht achter zit. Wij hebben te maken met een creatieve en fantasierijke Schepper. Het wezenlijke van wat de Heer bedoelde voor zijn leerlingen, realiseerde Hij in hun leven, toen Hij hen uitzond als de vogels, zonder buidel en gemak. Toen ze terugkeerden, vroeg Hij hun: ‘Heeft het u aan iets ontbroken?’ Ze antwoordden: nee, want de Heer had in al hun behoeften royaal voorzien.

Let wel dat de Heer zijn leerlingen geen opdracht gaf onderweg regelmatig bidstond te houden om het benodigde voedsel te krijgen. Ze werkten voor hun Meester zonder bezorgd te zijn. Denk er ook aan hoe God zijn volk in de woestijn van al het nodige voorzag, omdat het op zijn bevel op reis was gegaan en zij net als de vogels niet konden zaaien of maaien noch verzamelen in hun schuren. De Heer zou nog overvloediger hebben kunnen zijn, wanneer het volk tevreden was geweest met wat Hij hun schonk. De psalmist zei: ‘Maar Hij zou Israël voeden met de edelste tarwe – ja, jou zou Ik spijzigen met honing uit de rots’ (Ps.81:17). Jezus zegt: zie naar de natuur. Hoe royaal is zij. God is niet karig. Hoeveel zaad en hoeveel vruchten gaan er niet verloren? Zie naar de vogels van de hemel en word wijs. Zij zaaien en maaien niet en hebben geen schuur. Vondel liet zijn ‘Wildzang’ zingen:

  • Wij vogels vliegen, warm gedost, gerust van tak in tak. De hemel schaft ons drank en kost. De hemel is ons dak. Wij zaaien noch wij maaien niet. Wij teren op de boer. Als ‘t koren in zijn aren schiet, bestelt al ‘t land ons voer.

De vogels zijn daarmee beeld van de geestelijke mens, die op bevel of vanwege zijn roeping van de Heer alles heeft verlaten om Hem te volgen, waar Hij ook heengaat. Vanuit het kleinere naar het grotere wordt dan afgeleid, dat God, de goede Vader, des te meer het leven van zijn volk in stand zal houden. ‘Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. Wees dan niet bang of bezorgd, u gaat veel mussen te boven’ (Matth.10:29,30). In Lucas 12:24 staat: ‘Let op de raven, zij zaaien niet en zij maaien niet, zij hebben geen voorraadkamer of schuur en toch voedt God ze. Hoe ver gaat u de vogels te boven!’ Raven zijn onreine dieren, verboden voedsel; daarom schrijft Mattheüs voor zijn Joodse lezers alleen maar: vogels.

Bezorgdheid is de domper van het geestelijke leven. Een zorgengeest verduistert het leven. Waarom kunnen de mensen niet slapen? ‘Duizend zorgen, duizend noden, kwellen hun angstvallig hart’. Ze zijn bezorgd voor de toekomst van hun kinderen, voor hun gezondheid, voor hun bestaan. Ze hebben de lamp niet op de kandelaar, maar deze schijnt onder de tafel. Bezorgde mensen zijn negatieve mensen. ‘Gaat u bij God niet veel vogels te boven?’ zegt de Heer opnieuw in een vragende vorm om de mededeling te versterken.

27: ‘Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?’

Opnieuw een retorische vraag, die gesteld wordt om iets te doen erkennen en waarop geen antwoord wordt verwacht. Met bezorgdheid win je niets. De toename van je bezorgdheid is evenredig met de afname van je geloof. Jezus zegt: ‘Vrees niet, geloof alleen’ (Marc.5:36). Tijden van vrees zijn tijden van armoede in het geloof. Wie dan nog in zo’n periode de gemeente verlaat, leert vaak de weg naar de psychiater vinden. Het bezorgd zijn, blijkt volkomen nutteloos. Het is de sfeer van het demonenrijk. Je kunt daardoor geen el aan je lichaamslengte toevoegen, dat is aan je geestelijk lichaam in het Koninkrijk van God.

De wet in dat Koninkrijk is die van geestelijke groei, want deze getuigt van leven. Merkwaardig is dat de leeftijd van de snelste groei in het natuurlijke leven ook de meest zorgeloze periode is, namelijk die van de jeugd. Paulus schreef: ‘wij groeien ons aan de waarheid houdende naar het beeld van Jezus toe, dus naar de volwassenheid’ (Ef.4:15). Wie het rijk van God zoekt, verplaatst zijn aandacht naar deze groei, die belemmerd wordt door het zich bezighouden met de zorgen en moeiten van het natuurlijke leven, maar die gestimuleerd wordt door de aandacht te vestigen op de vrede, gerechtigheid en de blijdschap die in het Koninkrijk van God domineren. Wanneer een klein mannetje gefrustreerd is, kan hij door bezorgd te zijn zich niet langer maken. Zacheüs wilde Jezus zien, maar slaagde hierin niet, want hij was klein. Daarom liep hij snel vooruit en klom in een wilde vijgenboom om Hem te zien. Hij kon zijn postuur niet veranderen, maar zocht wel het Koninkrijk van God en daarom vond hij een oplossing. De Heer moest zelfs opkijken om hem te zien zitten.

In onze tekst wordt de gedachte gewekt dat een el verschil niet zo groot zou zijn, maar zij was de afstand van de elleboog tot de top van de middelvinger, ongeveer 45 cm. Wij kennen de juistheid van deze maat, omdat van de Siloah-tunnel vermeld wordt, dat deze 1200 el lang is. Bij nameting bleek dat dit 525 meter was. Een el is dus precies 0,4575 m. Dit is echter een aanzienlijke afstand in de lichaamslengte, terwijl Jezus in Lucas 12:26 spreekt over ‘het geringste’. Waarschijnlijk hebben we daarom aan de levensduur te denken, die als een loopbaan van een bepaalde lengte wordt voorgesteld (Hand.13:25 en 2 Tim.4:7). De vertaling Brouwer heeft: ‘Wie van u kan, met bezorgd zijn, aan zijn levensweg één el toevoegen?’ De vertaling Canisius heeft: ‘En wie van u kan door zijn tobben een el toevoegen aan zijn levensweg?’ De psalmist zegt: ‘Zie, u hebt mijn dagen als enige handbreedten gesteld, mijn levensduur is als niets voor U’ (Ps.39:6).

28-30: ‘En wat bent u bezorgd over de kleding? Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze. Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?’ 

Ook de bezorgdheid over de kleding is ongegrond. Dit wordt duidelijk gemaakt door een nieuwe conclusie, die vanuit het mindere naar het meerdere, vanuit het kleine naar het grote wordt getrokken. Zie eens naar de pracht van de lelies in het veld, de in het wild groeiende purperrode anemonen of zwaardlelies. Ze zijn zo mooi dat in Hooglied 2:2 wordt gezegd: ‘Als een lelie tussen de distels zo is mijn liefste onder de jonge meisjes’. De in purper geklede koning Salomo, de representant van pracht en praal, kon zich daar niet mee meten. Jezus zegt: let op de lelies, hoe ze groeien. Je moet ze niet plukken, maar bekijken. Zie hoe ze groeien. Het gaat om deze plant in haar eigen omgeving, op haar plaats in het veld en niet in de vaas. Die schijnbaar nutteloze planten zijn een voorbeeld van Gods zorg voor de natuur. Iedere wildbloeier heeft zo zijn eigen verschijningsvorm, de een nog gracieuzer dan de andere. Ze werken en ze spinnen niet, voegt de Heer er wijsgerig aan toe. Niet dat dit verkeerd zou zijn, maar het is hun taak niet.

Op de achtergrond denkt de Heer aan de hardwerkende boeren op het land en hun even actieve spinnende vrouwen thuis. Toch zijn die leliën uitbundiger gekleed dan de rijke Salomo. De koningin van Sheba stond zelfs perplex hoe diens knechten waren gekleed, hoe schitterend zijn paleis was, zelfs groter en mooier dan de tempel (1 Kon.10:1-13). Maar die had dan ook een lijfwacht nodig van zestig helden vanwege de verschrikking in de nacht (Hoogl.3:7,8). Wat deed God echter met de lelies, de viooltjes, de orchideeën, die mooier zijn en kunstzinniger gemaakt dan de spilzieke praal van Salomo? Die harmonische vreugde van de schepping komt er vanzelf uit. Klem je daarom aan de Schepper van hemel en aarde. Het gaat hier om de tegenstelling van de bezorgde mens die dag en nacht bezig moet zijn en de uiterst kwetsbare en vergankelijke schepping die het alleen van de rechtstreekse verzorging van God moet hebben. Hoe bekleedt en versiert Hij de wilde, schijnbaar nutteloze planten, die in het houtarme Palestina tot brandstof dienen. Hoe zal Hij daarom zeker voor zijn kinderen zorgen die met deze naam hun afhankelijkheid aan Hem uitdrukken. Maak ook van je kleding geen voorwerp van aanhoudende zorg. Zo is er in onze omgeving een vrouw die vanwege religieuze streekgeesten in het zwart moest lopen. Ze vertelde mij eens dat ze echter veel nachten bezig was om uit te denken wat zij moest doen om zo mooi mogelijk in het zwart voor de dag te komen. Voor velen in welvaartslanden geldt, dat de mode meer kleren verslijt dan de mens.

31,32: ‘Wees daarom niet bezorgd en zeg niet: Wat zullen wij eten? of: Wat zullen wij drinken? of: Waarmee zullen wij ons kleden? Want al deze dingen zoeken de heidenen. Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt’.

De bezorgdheid voor eten, drinken en kleding is een typisch kenmerk voor het heidendom, zegt de Heer. Dit past niet bij zijn volgelingen. De heidenen hebben goden, maar ze kunnen zich niet op hen verlaten. Religieuze geesten onder de kerkmensen hebben hetzelfde voor ogen, want ze willen niet dat hun dienstknechten het hart verheffen tot God en als hemelburgers leven. Wie met ‘vrome’ geesten behept is, maakt zich altijd zorgen, want hij is geen vreemdeling hier op aarde. Jezus spreekt hier rechtstreeks zijn leerlingen aan: uw hemelse Vader weet wat u nodig hebt. Zij moeten daarom ‘geheel anders’ worden dan de wereldling. Hun Vader zal voor hen zorgen als zij zijn Koninkrijk zoeken, als zij radicaal uit het geloof leven dat zij een machtige God hebben. Eten, drinken en kleding zijn levensbehoeften van de aarde en de volgelingen van Jezus van Nazareth horen er niet bezorgd om te zijn, net zoals het volk Israël in de woestijn zich niet ongerust hoefde te maken. Vanuit dit bewustzijn moeten ware christenen hun standpunt ten opzichte van de materiële dingen bepalen. Zij moeten daarom breken met de gespannen levenshouding die hun bezorgdheid met zich brengt.

Jezus bracht zijn leerlingen niet in een droom- of fantasiewereld. Hij zelf kende de harde werkelijkheid heel goed. Hij wist hoe de arme landbouwer door de bezittende klasse werd uitgezogen en hoe de woekeraar hem in zijn wurgende greep hield en hoe de tollenaar hem op een gemene wijze uitbuitte. Hij wist ook wat het voor de arme betekende, als zijn oogst mislukte en Hij kende het wisselvallige leven van de Galilese visser. Toch is erin zijn toespraak geen aansporing tot verzet tegen de rijken of tot het ontketenen van een klassenstrijd. Jezus leerde zijn volgelingen geen ontevredenheid maar tevredenheid, geen eisen stellen maar bidden. Voor zijn kinderen gold het spreekwoord: ‘Op de berg van de Heer zal er in voorzien worden’ (Gen.22:14). Hij zou korte tijd na deze Bergrede zijn leerlingen uitzenden met de opdracht: ‘Ga en predik en zeg: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Genees zieken, wek doden op, reinig melaatsen, drijf boze geesten uit. Om niet hebt u het ontvangen, geeft het om niet. Voorziet u niet van goud en zilver of koper in uw gordels, van geen reiszak voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf, want de arbeider is zijn voedsel waard’ (Matth.10:7-10). Zijn volgelingen zouden leven uit de vernieuwing van hun denken. Niet hun bedrijvigheid maakte hen onbezorgd, maar het geloof en het vertrouwen op de wijsheid, goedheid, mildheid en voorzienigheid van de hemelse Vader. De apostel Petrus, die zo vaak het leven van Jezus van nabij had gezien, schreef daarom later: ‘Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u’ (1 Petr.5:7).

Laat nu de goede God maar zorgen! Hoe minder men tobt, hoe beter men slaapt, maar hoe meer ook de hemelse Vader in alle behoeften kan voorzien. Hij weet dat de werkloze om brood voor zijn gezin te verdienen werk nodig heeft. Hij weet dat pas getrouwden een huis nodig hebben. Hij weet dat iemand een fiets of auto nodig heeft om zich te kunnen verplaatsen, dat hij zijn kinderen moet kleden en ook moet laten leren. Hij weet dat zijn volgelingen ook dit alles hoeven.

33,34: ‘Maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden. Wees dan niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal voor zichzelf zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad’.

Wanneer wij in onze tijd het evangelie van het Koninkrijk der hemelen primair stellen, proberen wij hiermee in het voetspoor van Jezus te treden. Er is immers één ding van wezenlijk belang, namelijk het rijk van God, dat is de geestelijke, onzienlijke wereld waar God en zijn Zoon zijn, waar de tienduizendtallen van heilige engelen zich bevinden, waar de feestelijke vergadering is van de gemeente van eerstgeborenen met de geesten van de volmaakt rechtvaardigen (Hebr.12:23). In hoofdstuk 5:20 had de Heer er al op gewezen dat wij het Koninkrijk der hemelen slechts kunnen binnengaan, als onze gerechtigheid veel malen groter is dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën. Iemands vertrouwen op de verzoening van zijn zonden en zijn geloof in de goede zorg van de hemelse Vader vormen zijn gerechtigheid om binnen te gaan. Deze gerechtigheid van het Koninkrijk van God gaat gepaard met innerlijke vrede en blijdschap (Rom.14:17). Zij is de grond van de overwinning op de boze geesten, zoals er staat: ‘Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam’ (Op.12:11).

‘Zoek eerst’ betekent beslist niet, dat er ook nog een plaats is voor ‘in tweede instantie’. God eist de volledige mens op en duldt geen concurrentie, want ‘de geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid’ (Jac.4:5). Het naamchristendom heeft gemeend gerechtigheid te zoeken door in de hele wereld bijvoorbeeld de voedselnood te lenigen, maar zij predikte niet het evangelie van Jezus Christus. Waar zij het natuurlijke voedsel bracht, zien wij dat de oosterlingen het verzwakte christendom geestelijke injecties menen te kunnen geven. Wij denken aan yoga, Hare-Krishna, Zenboeddhisme, transcendente meditatie. Als ware christenen hebben wij echter de speciale opdracht om het evangelie van Jezus Christus, het geestelijke voedsel, over deze aarde te brengen. Het uitreiken van het natuurlijk voedsel is een opdracht voor de wereldgeesten, dus onder meer voor de overheid met haar sociale wetgevingen en vandaag overlopend van linkse hobby’s voor een maakbaar waanzin Utopia.

Natuurlijk heft de uitspraak ‘Zoek eerst het Koninkrijk van God’, de regel niet op dat de mens moet werken voor zijn eten, maar dit werk moet gezegend worden. En dit wordt het niet door massa’s uitkeringen, gratis te verstrekken aan heel de wereld, zoals vandaag op grote schaal gebeurt. Dit ‘moraliseren op andermans kosten’ is demonisch en komt regelrecht uit de koker van satan. Wij mogen ons echter niet aan de aarde verbinden, maar moeten als de vogels omhoog vliegen.

In de gemeente zullen wij dus allereerst ons bezighouden met hemelse zaken en niet onze tijd laten roven door voortdurend bezig te zijn met aardse zorgen, die dikwijls futiliteiten zijn in Gods ogen en die geen enkele eeuwigheidswaarde hebben. Ook moeten wij niet opzien tegen de dag van morgen, maar de aandacht richten op het heden. Wij leven hier en nu. Wie voor de komende tijd bang is, komt in een kramptoestand. In de Olijfbergrede zei de Heer: ‘De mensen zullen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen’ (Luc.21:26). Omdat men meent nog zoveel te moeten doen, voelt men zich omringd door dreigende bergen, beeld van de machten van de duisternis.

De woorden van de Heer bevrijden echter de mens van zijn nervositeit en gejaagdheid. Maak je daarom niet druk over wat je morgen misschien niet meer hebt. De hemelse Vader weet wat je toekomst is en Hij geeft wat je nodig hebt. De verboden bezorgdheid is de angstige blik op de toekomst en de overwaardering van het tijdelijke en het vergankelijke. In de dingen van morgen zal ook voorzien worden door Hem, die het wereldbestuur in handen heeft en aan wie alle macht op de aarde toekomt. De dag van morgen is nog niet van ons en wij hoeven de last ervan niet te dragen. God schenkt ‘al het andere’, dat is het goede, het welgevallige en het volkomene, als wij ons dan maar bezighouden met alles wat waar is, alles wat waardig is, alles wat rechtvaardig is, alles wat rein is, alles wat beminnelijk is, alles wat welluidend is en alles wat deugd en lof verdient.