Beeld en werkelijkheid

Jesaja 60:1-8

  • ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. Aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest. De Geest immers onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God. Want wie van de mensen kent de dingen van de mens dan de geest van de mens, die in hem is? Zo kent ook niemand de dingen van God dan de Geest van God. En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door God genadig geschonken zijn. Van die dingen spreken wij ook, niet met woorden die de menselijke wijsheid ons leert, maar met woorden die de Heilige Geest ons leert, om geestelijke dingen met geestelijke dingen te vergelijken. Maar de natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden’ (1 Cor.2:9-14).

Heel vaak wordt er gezegd: ‘Jullie vergeestelijken alles!’ Wij zijn terecht van mening dat het grootste gedeelte van Gods Woord in geestelijke zin moet worden gelezen en wij zijn erg blij dat God zelf ons deze inzichten geeft door de doop in Heilige Geest. Geestelijke mensen hebben dus inzichten, die de natuurlijke of ongeestelijke mensen missen. In het gedeelte van Jesaja 60:1-8 lezen we over allerlei wonderlijke dingen, die wij in overdrachtelijke zin dienen te lezen, willen wij er de juiste betekenis van begrijpen. Het gaat hier over: opstaan, verlicht worden, duisternis, donkerheid, volken, koningen, kamelen, schapen, een volk, duiven, enzovoort. Wij willen nu vers voor vers doornemen.

  • ‘Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer. Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar’ 1,2.

Opstaan moet iemand die slaapt en verlicht worden moet de mens die in het duister zit of wandelt, zodat hij kan zien waar hij loopt of heengaat. De vraag is: over wie gaat het hier? Het antwoord vinden wij in vers 14b, waar wij lezen: ‘Ze noemen je ‘Stad van de Heer’, ‘Sion van de Heilige van Israël’. Dezelfde oproep vinden we ook in 51:17 waar staat: ‘Word wakker, word wakker, Jeruzalem, sta op!’ en in 52:1: ‘Ontwaak, ontwaak, Sion, en bekleed je met je kracht! Bekleed je met je pronkgewaad, Jeruzalem, heilige stad. Klop het stof van je af en sta op, Jeruzalem, neem plaats op de troon. De ketens om je hals zijn losgemaakt, gevangen vrouw van Sion’. De inwoners van de stad van God waren dus gevangen, er was geen licht, ze hadden geen inzicht, er was geen zekerheid, ze waren als een dronken man, als iemand die bedwelmd was (51:17). Nu gaat het hier niet over Jeruzalem dat beneden is, over een stad in het Midden-Oosten, maar over het Jeruzalem dat boven is, het hemelse, dat onze moeder is (Gal.4:26). Deze plaats vinden wij ook in Hebreeën 12:22,23. Zij is de stad die beeld is van de gemeente van de levende God. Deze stad wordt dus gevormd door mensen.

Petrus merkt op, dat ’wat die redding inhoudt, probeerden de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen’ (1 Petr.1:10). In Efeziërs 5:14 lezen wij: ‘Daarom staat er: ‘Ontwaak uit uw slaap, sta op uit de dood, en Christus zal over u stralen.’ Het gaat over een geestelijk ontwaken en over het openen van de innerlijke ogen. Velen leven wel, maar alleen in de zichtbare wereld. Zij moeten opstaan in de geestelijke wereld. Dit gebeurt als zij doen wat Jezus in Johannes 5:24 zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: wie luistert naar wat Ik zeg en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven’. Hier is sprake van een geestelijke opstanding. Wanneer dan verder gezegd wordt: uw licht komt, betekent dit het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam (Joh.1:9). Dit licht is Jezus, want Hij getuigt van zichzelf: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft’ (Joh.8:12). Ook zei onze Heer in Mattheüs 5:14: ‘Jullie zijn het licht in de wereld’. In Jesaja 60 wordt dus geprofeteerd dat de gemeente wakker zal worden, verlicht zal zijn en op zal staan. Dit genoemde licht straalt al vanaf de komst van het Woord in het vlees. Toch zijn nog veel naamchristenen in de duisternis, hoewel dit licht toch al vele eeuwen schijnt. Zij zijn geestelijk in slaap of in de dood, hetzij door onwetendheid of ook wel omdat zij zich verzetten tegen de leer van het Koninkrijk der hemelen. Zoals het dochtertje van Jaïrus sliep, zo is het nog heel vaak met kerken en gemeentes, waarvan dit meisje een beeld is. Maar dezelfde stem die zei ‘cumi’, dat is ‘verrijs’, gebruikt hier als eerste woord hetzelfde: ‘Sta op’ (Marc.5:41).

De heerlijkheid van de Heer is zijn tegenwoordigheid, zijn woning, zijn wolk- en vuurkolom. Zij scheen over en om de herders op de velden van Efratha als een lichtglans en zij is in Christus geopenbaard, zodat vervuld wordt: ‘Om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus’ (2 Cor.4:6). God is heerlijk in Zichzelf en onaantastbaar. Ook Jezus bezat deze heerlijkheid en Hij zei: ‘Vader, Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals wij’ (Joh.17:22). De duisternis wordt groter, maar wij zullen hierin niet wandelen, omdat wij het licht bezitten, dat is inzicht bezitten en kennis hebben van de onzienlijke wereld. Wij weten te onderscheiden tussen goed en kwaad. Daarom zullen wij niét drinken van wat uit de bek van de draak komt aan valse leringen en dwalingen of occulte vloedgolven (Op.12:15), want het licht is de waarheid. Wij zullen zijn als de stralende zon, die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt (Spr.4:18).

  • ‘Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel. Open je ogen, kijk om je heen: ze stromen in drommen naar je toe; je zonen komen van ver, je dochters worden op de heup gedragen. Je zult stralen van vreugde als je het ziet, je hart zal van blijdschap overslaan. De schatten van de zee zullen je toevallen, de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot’ 3-5.

Steeds meer mensen zullen opgaan naar de stralende opgang van de gemeente, dwars door de duisternis en dwars door een zee van dwalingen heen. Zij zullen allen met onbedekt gezicht, de luister en heerlijkheid van de Heer zien. Zij zullen meer en meer door de Geest van God naar de luister van dat beeld worden veranderd, immers door de Heer die Geest is (2 Cor.3:18). Zij zijn de wilde takken die geënt zijn op de ware olijf en hierdoor krijgt deze boom zijn grote omvang. Het zijn zeer velen die komen van west en oost en van noord en zuid en zij zullen als koningen heersen over de machten van de duisternis. Sion wordt aangemoedigd de ogen op te heffen en om zich heen te kijken, want ze komen van alle uiteinden van de wereld. Het zijn de zonen en dochters van wie de profeet Joël sprak en zij worden op de heup gedragen, zoals de moeders dit hun kleine kinderen doen in het Midden-Oosten. De inwoners van het hemelse Jeruzalem verheugen zich en hun ogen stralen van vreugde. Wij delen hun blijdschap en ondanks de opkomende duisternis, is er ruimte in ons hart, want alle benauwdheid en schrik zijn verdwenen.

Wanneer gesproken wordt over de rijkdom van de zee en de rijkdom van de volken, denken wij aan allen die gerechtvaardigd zijn door het geloof. ‘Je volk telt enkel nog rechtvaardigen, zij zullen het land voorgoed bezitten. Zij zijn de eerste scheuten van wat ik heb geplant, ik heb hen gemaakt om mijn luister te tonen’ (21). Zij verheerlijken God door hun gelovige en gehoorzame wandel. Zij zijn een plant die niet uitgerukt wordt, een overwinnende gemeente. Zij zijn dus de volken van rondom en de Heer haalt ze overal vandaan. Zij verkondigen de roemrijke daden van de Heer. Zij waren eenmaal ook in de duisternis, maar zij werden getrokken tot zijn wonderbaarlijke licht, ‘zodat nu door de gemeente de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelse gewesten’ (Ef.3:10).

  • ‘Een vloed van kamelen zal je land overspoelen, jonge kamelen uit Midjan en Efa. Uit Seba komen ze in groten getale, beladen met wierook en goud. Zij verkondigen de roemrijke daden van de Heer’ 6.

Het mag duidelijk zijn dat God het brengen van zijn roemrijke daden niet aan kamelen toevertrouwt, maar aan mensen. In 1 Petrus 2:9,10 lezen we van een uitverkoren geslacht en van een volk dat God zich verworven heeft: ‘Om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken’. Als God hier kamelen noemt en mensen op het oog heeft, dienen wij de eigenschappen van deze beesten na te gaan om ze toe te passen op mensen:

  • Zij heten de schepen van de woestijn, omdat zij verre tochten af kunnen leggen zonder honger of dorst te krijgen, omdat zij in cellencomplexen voorraden water en voedsel hebben opgeslagen. Wij leven in de woestijn van deze wereld en drinken van het levend water (de doop in Heilige Geest) en eten van het levensbrood en hebben geen moeite met het dorre klimaat om ons.
  • Zij zijn niet veeleisend, maar met weinig tevreden en nemen zelfs met distels genoegen. Dorens en distels zijn beeld van mensen die gevaarlijk zijn voor het volk van God. Dit mocht zich niet vermengen met de vijanden, die het beeld waren van satans demonen. Verdreven zij dezen niet, dan zouden ze worden tot een gesel in hun zijden, dus tot geestelijke verlamming en tot dorens in de ogen, tot geestelijke blindheid. Gods volk is niet veeleisend, maar is altijd blij. Het zal niet beschadigd worden door de dorens en de distels van valse leringen en dwalingen (zie Joz.23:13 en Num.33:55).
  • Hun voetzolen stellen hen in staat verre tochten in de woestijn te maken. Zo hebben wij onze voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie van de vrede (Ef.6:15).
  • Op glibberige plaatsen voelen zij zich niet thuis; daar zijn ze hulpeloos. Zo voelen wij ons niet thuis bij wereldse verleidingen of andere afgoderij.
  • Zij worden zeer oud. Zo staat van de rechtvaardigen, dat zij als ze oud zijn nog vrucht dragen en krachtig en fris blijven en nog zullen getuigen dat de Heer recht doet (Ps.92:15,16). Zij hebben als vrucht hun heiliging en als einde het eeuwige leven (Rom.6:22).
  • Het zijn herkauwers. Zo lezen de gelovigen ook telkens weer in hun Bijbel. Zij blijven gelijke pas houden met de ontwikkeling van het Koninkrijk der hemelen. Daardoor groeien zij op tot volwassen mannen in Christus.
  • Zij zijn lastdieren en dragen grote vrachten. Zo verdragen wij elkaars moeilijkheden en hebben zorg voor het gebrekkige en het beschadigde. Deze kamelen brengen goud en wierook aan. Zo is het volk van God vol geloof en aanbidding.

Goud betekent in de Bijbel: gelouterd geloof. In Openbaring 3:18 raadt de Amen en getrouwe Getuige ons aan dit goud te kopen, opdat wij rijk mogen worden in Christus. In 1 Petrus 1:7 is sprake van goud, dat door vuur beproefd wordt. Dit soort geloof is tot lof en heerlijkheid bij de openbaring van Jezus Christus in ons. Wierook is beeld van de lofprijzing, wat je niet kunt zonder geloof. Zo stijgen de gebeden van de heiligen op tot voor Gods aangezicht (Op.8:3,4).

  • ‘Alle schapen en geiten van Kedar worden voor jou bijeengedreven, Nebajots rammen staan je ter beschikking; ze zijn weer welkom als offer op mijn altaar. Mijn tempel zal ik in alle luister herstellen’ 7.

Deze schapen en rammen stellen zich in dienst van Sion, dat is de gemeente. Ook de schapen stellen hier mensen voor. Zegt de Heer niet: ‘Jullie zijn mijn schapen, de schapen die Ik weid; jullie zijn mensen en Ik ben jullie God’ (Ez.34:31). Zij stellen zich in dienst van God als een welgevallig offer en daarmee verlenen zij aan het huis van God, de gemeente, luister en heerlijkheid. Zo schreef Paulus in Romeinen 12:1 over deze schapen: ‘Met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u’. Dit offer brengen zij met het oog op de barmhartigheid van God, die hen verloste, genas en overzette uit het rijk der duisternis in zijn licht.

  • ‘Wie zijn het die daar zweven als een wolk, die komen aanvliegen als duiven naar hun til?’ 8.

De vraag wordt gesteld: wie zijn die kamelen, die schapen en die rammen, die aan de horizon als wolkjes opkomen? Wolken zijn beeld van mensen. Zo lezen wij in Hebreeën 12:1 over een wolk van getuigen. In Judas 12 worden goddeloze mensen, waterloze wolken genoemd. Men verwachtte van hen zegen, maar het werd een grote teleurstelling. In het oude verbond was de aanwezigheid van God in de wolkkolom en zo is Hij nu in de gemeente. Wij zijn een plaats waar God woont door zijn Geest. Zoals God eenmaal uit de wolk sprak, zo doet Hij dit nu vanuit de gemeente, die de roemrijke daden van de Heer verkondigt.

In de natuurlijke wereld is een wolk los van de aarde. Zij beweegt zich in de lucht of langs de hemel en is niet tegen te houden. Zo is het ook met de gemeente in de geestelijke wereld. Zij beweegt zich in de hemelse gewesten. Zij is los van de zichtbare dingen en zij is niet tegen te houden omdat God in haar werkt. Zo staat er in Efeziërs 3:20,21: ‘Aan hem die door de kracht die in ons werkt in staat is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, aan hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, tot in alle generaties, tot in alle eeuwigheid! Amen’. Wanneer de wolk echter verbinding met de aarde krijgt, ontstaat er mist en wordt het zicht slecht. Zo moeten wij alles geestelijk blijven bezien, want het Koninkrijk der hemelen is een geestelijke zaak. De wolk is het teken van de Mensenzoon en Hij zal aan de hemel verschijnen met grote macht en heerlijkheid (Matth.24:30). In Openbaring 14:14 ziet Johannes ‘een witte wolk en daarop zit iemand die eruitzag als een mens. Hij heeft een gouden krans op zijn hoofd’. Onze verheerlijkte Meester blijft onafscheidelijk met ons verbonden, als wij onze hoge positie niet vergeten.

Dan is er ook nog sprake van duiven. Deze zijn boodschappers die berichten overbrengen door de lucht of langs de hemel. De duif is beeld van Gods Heilige Geest en deze woont in de gemeente. Hij neemt zijn boodschap uit de woorden van Jezus en verkondigt ons de volle waarheid en de toekomst. Noach gebruikte al een duif als boodschapper. De duif gaat door de lucht en weet over verre afstand zijn duiventil te vinden. Zij heeft bij wijze van spreken een radar aan boord of in zich. Zo hebben de kinderen van God, die vervuld zijn met de Heilige Geest, een geweldig doel voor ogen. Door de hemelse gewesten heen bereiken zij hun eindbestemming:

  • ‘De volmaakte mens van God tot alle goede werken volmaakt toegerust!’