Zijn leven inzetten

  • ‘Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden’ (Joh.15:13).

Een heel belangrijke raad die de apostel in het midden van de gemeente legt, is dat haar leden de liefde moeten najagen en streven zullen naar de geestelijke gaven (1 Cor.14:1). Die liefde moet zich richten tot alle mensen, zoals ook Gods liefde uitgaat, maar liefde bewijzen kan men slechts in beperkte kring. De christen heeft daarom in de eerste plaats zijn liefde te tonen in het huisgezin van God. De liefde voor de broer/ zuster gaat bij hem voorop. Een geïsoleerde gelovige, die zich niet bij een plaatselijke gemeente aansluit, is niet in staat en heeft geen gelegenheid om deze vrucht van de Heilige Geest te ontwikkelen. Ook het juiste gebruik van de gaven van Gods Heilige Geest vindt plaats in het lichaam van Christus, in de zichtbare, plaatselijke gemeente. Daar heeft men ook ruimschoots gelegenheid zich te oefenen in verdraagzaamheid en zelfverloochening.

Bovengenoemde uitspraak van Jezus is bestemd voor zijn gemeente. Velen geven aan deze woorden een uitleg, die voor ons van weinig betekenis is. De bedoeling zou dan zijn dat men bereid moet zijn om voor medechristenen zijn leven te offeren of voor hen te sterven. Maar dat is niet de bedoeling van de Heer. Lezen wij ergens in Gods Woord dat een christen vergeleken wordt met een kaars die aan twee kanten opbrandt? Wel wordt hij vergeleken met een lamp, waarvan de olie regelmatig bijgevuld wordt. Hij kan dan voortdurend zijn licht laten schijnen (goede werken doen) zonder uitgeput te raken.

Moet een vrouw haar leven opofferen om haar man, het kind om vader en moeder, of moeten de ouders dit doen om hun kind? Of heeft ieder christen recht op leven? Wanneer de mens van de Heer een moeilijke opdracht krijgt, zal Deze de kracht en de wijsheid erbij geven. De Schepper geeft niemand een taak boven vermogen. Geldt niet voor allen, dat zij ‘leven en overvloed’ zullen hebben in de dienst van de Heer? Men verheerlijkt God niet door zich af te beulen, zodat men naar lichaam, ziel of geest beschadigd of gebroken wordt. Wie zo leeft dat hij om een ander zijn vrede, blijdschap, gerechtigheid of gezondheid verliest, doet dit niet in opdracht van de Heer, of in zijn gemeenschap, of door de kracht van de Heilige Geest.

Misschien denkt een lezer: ‘Maar Jezus zelf stierf toch ook voor anderen?’ Dit is waar, maar zijn offer was uniek. Hij zette trouwens zijn leven niet in voor zijn vrienden, maar voor zijn vijanden. Hij stierf voor ons, toen wij nog zondaars waren. Als vijanden werden wij verzoend door zijn lijden en sterven (Rom.5:8-10). Natuurlijk lijdt de ware christen wel verdrukking, wordt hij gesmaad, maar deze dingen komen niet van God, maar van de vijand. De Vader wil dat wij een stil en gerust leven leiden. Als dit niet gebeurt, is dit een bewijs dat er demonen in het spel zijn.

Bij het afscheid in de opperzaal sprak Jezus over een liefde, die van hetzelfde niveau was als Hij getoond had: ‘Dit is mijn gebod, dat u elkaar lief hebt, zoals Ik u liefgehad heb’. Daarna volgden de woorden: ‘Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden’. Wat doet u, als een van uw vrienden in nood is? Misschien neemt u de kinderen van een zieke zuster in huis om haar te helpen. Misschien springt u bij in de financiële nood van een broeder. Voortreffelijke zaken, die men echter in de wereld onder rechtgeaarde mensen ook tegenkomt. Dit is een inzet van het natuurlijke leven. Dit hoeft echter uw leven niet over te belasten en uit te putten. Het mag ook niet gaan ten koste van uw vitaliteit of van uw eigen gezin, want de Heer zei dat wij de naaste liefhebben zouden als onszelf en niet meer dan onszelf.

Wat zette Jezus in tijdens zijn aardse bediening? Het antwoord luidt: ‘Hoe God Hem met Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, goeddoende en allen genezende, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem’ (Hand.10:38). Leven staat altijd in verband met geest. Wie ‘de geest geeft’, verliest zijn natuurlijke leven. Jezus bezat ook de Heilige Geest en daarom kon Hij ook zijn leven inzetten dat met de goddelijke kracht verbonden was. De Bijbel verhaalt ons niet in hoeverre Jezus zijn natuurlijke leven inzette om zijn ouders of vrienden, maar hij toont ons wel wat de Heer door Gods Heilige Geest deed. In Hem ontplooiden zich alle gaven van Gods Geest en deze zette Hij in voor zijn vrienden en voor allen die met hun nood tot Hem kwamen. Hij kon ‘dienaar van allen’ zijn, omdat Hij zo begaafd was.

Veronderstel dat er een ernstige zieke in de gemeente is. U belooft voor deze te zullen bidden. U vraagt de Heer of Hij de lijder genezen wil. Wanneer dit niet gebeurt, spreekt u met nog enkele broers en zusters af om te volharden en er zelfs een bidstond aan te wijden. De volgende stap wordt dan dat u samen een hele nacht doorgaat. De vraag komt dan op: wat doet u nu zo’n hele nacht? Wat zegt u dan allemaal? Jezus heeft ons duidelijk gemaakt dat men door de veelheid van woorden niet moet denken eerder verhoord te worden. Hoe bidt men? Moet God door de knieën om de kastijding van het lichaam? Moet men Hem vermurwen? Wij weten dat Hij de genezing van bijvoorbeeld uw kind ook wenst als zij die voor de kleine bidden. Hij wil het goede, het volkomene en het Hem welgevallige. Hij wil herstellen, uitredden en genezen. Hij wil dat wij naar ziel, geest en lichaam naar zijn wetten functioneren. Bidden bestaat niet uit het gebruik van een omhaal van woorden in een moeilijke lichaamshouding, maar uit het bezig zijn in de hemelse gewesten. De strijd is daar niet tegen vlees en bloed, maar tegen de verwekkers van alle onheil.

De Bijbel gebruikt voor deze worsteling een duidelijk beeld. De Heer roept de gelovige op duivelen uit te werpen en de profeten spraken ook over ‘op de bres staan’. Een broer, een zuster of een kind dreigen onder te gaan. Zij zien het niet meer. Zij kunnen er niet meer tegenop. De toestand verergert. Zij worden overweldigd door de vijand. In de geestelijke wereld zouden wij dit kunnen vergelijken met twee mannen die aan het vechten zijn en van wie de een de bedoeling heeft de andere te overmeesteren, te pijnigen, te kwetsen, of te beroven. De aangevallene biedt weerstand, maar hij verliest het en komt onder te liggen. Het enige wat hij nog kan doen is om hulp roepen.

Nu is het ogenblik gekomen dat een of meerdere vrienden toesnellen. Het eerste wat ze doen, is de overweldiger van zijn slachtoffer scheiden. Dan plaatsen zij zich tussen de verwoede aanrander en het slachtoffer. Zij stellen zich op de bres en geven daardoor hun vriend de gelegenheid zich op te richten en zich te herstellen. Zij moeten er echter rekening mee houden, dat de vijand in zijn boosheid nu op hen losstormt, vaak bijgestaan door andere samenzweerders, om hén nu aan te vallen. In deze situatie mogen zij niet bang zijn, maar onverschrokken de vijand met zijn bendeleden weerstaan. Letterlijk is het beeld van ‘op de bres staan’ ontleend aan een bedreigde stad. Wanneer de vijand uit de omwalling verdreven is, zullen er dappere mannen moeten zijn, die in de bressen gaan staan om de tegenstander te beletten terug te keren. Intussen kunnen de andere stadsgenoten de vervallen puinhopen weer opbouwen en werken aan het herstel van de muur.

Wanneer uw broer, uw zuster of uw kind wordt aangevallen, bent u dan bereid naar bovengenoemde beelden als helper tussenbeide te treden en uw leven in te zetten? Verlangt u de aangevallenen te ontzetten en voor hen op de bres te staan? Bent u voldoende toegerust om het gevaar in de naam van de Heer te trotseren? Is uw geestelijke wapenuitrusting in orde, zodat u staande kan blijven in de boze dag? Vooral als u met grootmachten uit het rijk van de duisternis te doen krijgt, voelt u zich dan krachtig genoeg om weerstand te bieden met het zwaard van de Heilige Geest, het woord van God? Kunt u al de vurige pijlen opvangen en blussen met het schild van uw geloof? Zijn uw heupen omgord met de waarheid en bent u bekleed met het pantser van gerechtigheid? Is op uw hoofd de helm van heil, dit wil zeggen is uw denken gericht op genezing en herstel? U zult immers de klappen voor de andere moeten opvangen, want de boze geesten zullen zich op u concentreren, wanneer u hen de weg verspert.

Een leerling van Jezus dreigde onder te gaan vanwege het geweld van de satan. De satan probeerde Petrus te ziften als de tarwe, maar Jezus zei: ‘Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken’. Toen de machten van de duisternis de mond van de angstige Petrus gebruikt hadden om Jezus te verloochenen, om te vloeken en te zweren, kwam de Heer door de hof van Kajafas. Hij keerde zich om en zag zijn leerling aan. Door zijn blik werden de boze geesten verdreven en Hij stelde zich voor zijn geliefde volgeling op de bres. Hij gaf hem de gelegenheid tot zichzelf te komen en zich in het geloof weer op te richten, al was het onder tranen van berouw. Voor Jezus was dit het uur van de duisternis, waarin alle machten op Hem aanliepen. Zo zette de Heer zijn leven in voor de man, die in zijn overmoed tot Hem gezegd had: ‘Ik zal mijn leven voor U inzetten’.

Wanneer iemand een wond heeft, zal de genezing uitgaan van de omringende cellen. Bij een zweer aan de hand komt niet de voet in actie, maar het dichtstbijzijnde weefsel. Dit moeten dan gezonde cellen zijn en deze mogen niet zelf ontstoken zijn. Op deze manier wordt de redding en het herstel in de plaatselijke gemeente geopenbaard.

De leden van de gemeente die het naast staan, zijn geroepen om zich het eerst voor de strijd op te stellen. Daarna de oudsten en wanneer het een zeer ernstige zaak is, komt de hele gemeente in werking. Waar men de verbondenheid van het lichaam niet onderscheidt, zijn er net als in de gemeente te Corinthe velen ziek, zwak en sterven er ‘niet weinigen’ een ontijdige dood (1 Cor.11:30). Zetten wij ons leven in voor onze beschadigde broers en zusters? Staan wij zelf in de kracht om anderen te kunnen helpen? Of bidden en smeken wij wel lang en veel, terwijl wij toch niet de methode volgen die de Heer ons voorgehouden heeft? Misschien doen wij dan wel heel lief en bezorgd, terwijl wij toch de geestelijke worsteling laten afweten. In het oude verbond klaagt de Heer:

  • ‘Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden’ (Ez.22:30).

God had gezocht, maar Hij had geen mensen gevonden die zijn plan kenden en zijn woorden onwrikbaar vasthielden. Voor hen die zich echter onvoorwaardelijk in dienst van de Meester stellen en zijn woorden trouw zijn, geldt:

  • ‘Je eigen mensen zullen weer opbouwen wat al eeuwenlang verwoest ligt; fundamenten, door vroegere generaties gelegd, zullen weer worden hersteld. Dan zal men je noemen ‘Hersteller van muren’, ‘Herbouwer van straten’ (Jes.58:12).

Wat heerlijk is het, als wij gaan zien dat het woord van God in de gemeente kracht heeft en op deze manier tot zijn doel komt. Niet voor niets is er geschreven dat degene, die naar het ambt van voorganger of oudsten verlangen, een voortreffelijke taak begeren (1 Tim.3:1). Zij mogen immers in de gemeente het voorbeeld geven en zij zullen allereerst de bressen moeten dichten. Wie zijn leven inzet, zal eerst zelf dit waarachtige, eeuwige leven moeten bezitten. Wie voorganger of oudste in de gemeente wil zijn, zal daarom moeten weten wat van hem geëist wordt en hoe hij zich op moet stellen, want hij zal des te strenger geoordeeld worden. Jezus roept ons op ons leven in te zetten voor onze vrienden. Het is duidelijk dat de Heer wil dat op deze manier de gemeente gebouwd wordt en tot onberispelijkheid gebracht.

De Heer sprak niet in vage termen en Hij gebood ons niet dingen na te streven die onbereikbaar zijn. Wij kunnen ons niet in de geestelijke wereld op de bres stellen voor hen die de woorden van de Heer niet kennen of deze verwerpen, met uitzondering dan van onze kinderen, of van man of vrouw die in ons geheiligd is. Het helpt niet veel als men zich in de bres stelt voor een ongelovige, wanneer hij tegelijkertijd door de poort de vijanden weer binnenlaat. Hij zal zich eerst moeten bekeren en zijn geloof op God richten. Wat is ook het resultaat in de hemelse gewesten, wanneer een evangelist met een vroom gebaar biddend zijn handen uitbreidt over de brieven van veel zieken, gebondenen en aangevochtenen? Zij zouden beter zelf de barmhartige Heer Jezus kunnen aanroepen en hulp zoeken bij de broers en zusters van de gemeente, waar zij bij horen of zich kunnen aansluiten. Onze ‘vrienden’ vinden wij in de gemeente, want Jezus noemt iemand ook een vriend, als deze doet wat Hij hem gebiedt. Hij noemt ons vrienden, omdat Hij ons de gedachten van de Vader kan bekend maken. Zo wordt vervuld:

  • ‘Zodat nu door middel van de (zichtbare plaatselijke gemeente met haar apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars) aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend zou worden’. De gemeente wordt bijeengehouden als een lichaam door de dienst van al haar leden (Ef. 3:10 en 4:11,16).

Er is in dit verband nog een benaming, die in Hebreeën 3:1 genoemd wordt, namelijk ‘deelgenoten van de hemelse roeping’. Wat een machtige inhoud hebben deze laatste woorden. Jezus had een hemelse roeping en als wij in zijn voetsporen volgen, bezitten wij dezelfde taak. De vriendennaam is mooi, maar het woord levenspartner gaat dieper en verder. Wanneer wij onszelf inzetten voor onze broer en zuster, zijn wij partners van onze Heer en hebben deel aan zijn levenswerk.