Zelfdoding: een catastrofe

De tragisch-romantische zelfmoord van Romeo en Julia (Frederic Leighton, 1855)

Zelfdoding. Meer mensen doen daar een poging toe, meer dan we durven denken. Jonge mensen vooral ook. 400.000 overwegingen per jaar! Niet niks. Hoe herkennen we signalen? Op welke manier kunnen we helpen. Welke waardeoordelen hanteren we? Een (moeizame) zoektocht naar antwoorden. Een berichtje uit de krant:

  • ‘Hij pleegde zelfmoord toen hij eenendertig was. Michiels dood kwam voor zijn moeder niet onverwachts. Veel had hij met haar gesproken over zijn zwaarmoedigheid en zijn zelfmoordplannen. Het leven viel hem te zwaar. Hij had het idee geen goede vader te kunnen zijn voor zijn zoon, geen goede echtgenoot voor de moeder van zijn kind. ‘lk kan het niet’, zei hij dan. ‘Het is beter als ik er niet meer ben’. Zijn moeder zegt: ‘Michiel was geestelijk ziek. Geestelijk lijden beschouw ik net als lichamelijk lijden als een onvolkomenheid van de natuur. Heel lang heb ik geloofd dat God mensen kwam halen, maar dat geloof ik niet meer. Net zo min als ik geloof dat Michiels lijden Gods wil is geweest’.

Het gebeurt steeds meer: zelfdoding. Je ervaart de huiver van een meer dan geladen onderwerp. We worden er allen wel mee geconfronteerd.

De omvang van een groot probleem

Zelfmoord (zelfdoding of suïcide) is een levensprobleem. De Leidse klinisch psycholoog dr. A.J.F.M. Kerkhof zei ooit dat zelfdoding niet een medisch, ethisch of juridisch, maar een psychologisch probleem is. Hoe besluiten mensen dat het beter is om het leven te stoppen? Maar het is meer dan dat. Het is een diep geestelijk probleem. Zelfdoding is de uitdrukking van hoe diep de wereld in het kwaad ligt (1 Joh.5:19). Geestelijk en getalsmatig gezien (er zijn er zoveel) is dat een huiveringwekkend gegeven. Het Centraal Planbureau voor de Statistiek houdt jaarlijks de gegevens bij over hoeveel mensen in Nederland een einde aan hun leven maken, maar in werkelijkheid gaat het om veel meer mensen, bij wie de dood niet als zelfdoding werd geregistreerd. Denk aan de man die, geteisterd door het verdriet om de verdrinking van zijn zoontje, zich tegen een boom dood reed. ‘Te veel gedronken’ zei men. Of de vrouw die in een diepe depressie haar rolstoel de vijver inreed en verdronk. ‘Een ongeluk’, zei men. In een ander krantenartikel:

  • ‘Het aantal zelfmoorden in Nederland is vele malen groter dan de officiële statistieken ons willen doen geloven. En wie zal het de arts kwalijk nemen als hij ‘hartstilstand’ in plaats van zelfmoord als doodsoorzaak opgeeft om de naaste familie te sparen?’

Het aantal zelfdodingen is elk jaar groter dan het aantal doden in het verkeer. Zelfdoding vind je in alle leeftijden en onder alle bevolkingsgroepen. De indruk bestaat dat het bij christenen iets minder is. Opmerkelijk is dat niet alleen in het buitenland (Australië, Hongkong) maar ook in Nederland kinderen onder de vijftien jaar tot zelfdoding overgaan. Een even negatieve ontwikkeling is dat steeds meer mensen boven de zestig grijpen naar zelfmoord.

Euthanasie is uiteraard niet hetzelfde, maar soms krijg je de indruk dat deze twee elkaar verdacht dicht naderen. Tegenwoordig kan men ook al poeder bestellen, die een einde aan het leven maakt. Het is de onherroepelijke stap in iemands leven. En nabestaanden achtervolgt het vaak nog jaren lang. Een man zei: ‘Mijn vrouw pleegde zelfmoord, nu wil mijn zoon geen kinderen omdat hij bang is dat het erfelijk is’. ‘Ik heb onlangs mijn zoon verloren’, vertelt een vrouw. ‘Niemand wil er over praten. Mijn man en kinderen zwijgen ook. Zelfs mijn vrienden en kennissen haken af. We zeggen niets, juist daarom is hij zo aanwezig’. Een moeder: ‘Mijn zoon heeft er een eind aan gemaakt. We hebben het nooit aan iemand verteld. De andere kinderen denken dat hij een natuurlijke dood is gestorven’.

Het taboe doorbroken

Het onderwerp zelfdoding heeft heel lang in de schemer van de taboesfeer verkeerd. Inmiddels is er veel over gepubliceerd. Op het christelijk erf is er altijd wel over geschreven. De suïcidale mens is echter dikwijls in de kou achtergelaten. Langzamerhand verdwijnt de taboesfeer. Mede door een aantal getuigenissen op Tv en verscheidene goede boeken, ook van christelijke kant, is er inhoudelijk meer zicht gekomen op het probleem van zelfmoord. Een voordeel is dat er nu meer ‘open’ gepraat kan worden. De machinist die een suïcidant voor de trein heeft gehad, kan op meer begrip rekenen.

De levenslange wond van de nabestaande werd door het stelselmatig zwijgen rondom de zelfdoding niet geheeld. Meer openheid kan genezend werken. En het bespreekbaar maken – onder andere door goede informatie – zet potentiele zelfdoders soms toch aan het denken en voorkomt soms de ‘catastrofe’ in hun leven. Een verhaal op Tv van jongeren die ‘terug zijn gehaald’, niet in hun zelfmoordpoging zijn gebleven en nu zelfs positief in het leven staan, maakt grote indruk. De doorbraak van het taboe kent echter ook negatieve effecten.

Drs. K. Exalto spreekt in zijn boek ‘Geen hand aan u zelf’ (gedachten over de zelfmoord) over een relativerend spreken over de zelfmoord ook bij tal van christenen, een vergoelijkend spreken daarover. Hij signaleert een nauwe relatie tussen de waardering van de abortus provocatus, de waardering van de euthanasie en die van de zelfmoord. Wie eenmaal de euthanasie aanvaardt, moet ook wel de zelfmoord aanvaarden. De Franse filosoof Montesquieu schreef in 1721 al:

  • ‘Wanneer een mens overstelpt is door smart, ellende en verachting, waarom wil men hem dan verhinderen een einde te maken aan zijn leed en berooft men hem op wrede wijze van het geneesmiddel waarover hij beschikt? Het leven is mij bij wijze van gunst gegeven; ik kan het dus teruggeven wanneer het geen gunst meer is. Wanneer ik zelfmoord pleeg, maak ik slechts gebruik van het recht dat mij gegeven is. Wat is de mens? Maar een heel klein en nietig wezen; de natuur lijdt er geen schade van als wij onszelf vernietigen en God let er ternauwernood op’.

En Jean-Jacques Rousseau (geb.1712) zei:

  • ‘Als het leven een ramp is geworden, is het geoorloofd zichzelf te doden. Deze stelling gaat niet in tegen Gods wil. Het leven is ons immers gegeven; juist daarom mogen wij het afleggen’.

Nederlands bekendste ‘zelfmoord-professor’ (zo wordt hij nogal eens genoemd) René Diekstra in een interview:

  • ‘Het recht op zelfregulatie is belangrijk voor me. Waarom zou de mens zijn eigen einde niet mogen organiseren? Mijn eigen dood moet zijn: sterven in de armen van mijn geliefde, zonder afhankelijk te zijn van anderen’.

Zelfmoord moet mogen, stelt men. Vanuit een moderne, humanistische mensvisie wordt het recht op zelfmoord bepleit. Ik citeer nogmaals uit het krantenartikel:

  • ‘Zou het niet aanbeveling verdienen zelfmoord ook – maar niet uitsluitend – als een maatschappelijke ziekte als kanker op te vatten? Dat betekent allereerst de noodzaak het probleem van zelfmoord niet alleen emotioneel maar ook nuchter onder ogen te zien en bespreekbaar te maken. Dat betekent ook en vooral een voortdurend appel op mensen en medemensen en politiek, de oorzaken van zelfmoord te bestrijden. Maar het betekent ook het inzicht en de erkenning dat de lijders aan het leven niet tegen beter weten en hopen in – tegen zichzelf – beschermd moeten worden. Het lijkt mij weinig evangelisch een mens tot levenslang lijden te veroordelen’.

We kunnen deze meningen onmogelijk delen. Het taboe rondom zelfdoding doorbreken is een goede zaak. Het weg rangeren maakt de ramp alleen maar groter en is in wezen onbarmhartig. Het criterium voor opnieuw geboren christenen vinden wij in de woorden van de apostel Paulus (Rom.14:7-9), waar hij zegt:

  • ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf; zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer. Want Christus is gestorven en weer tot leven gekomen om te heersen over de doden en de levenden’.

De suïcidale mens

Wie is hij of zij? Ik denk dat deze simpele vraag iedereen wel intrigeert. Een duidelijk antwoord is echter niet zo makkelijk te geven. De vraag stellen is eenvoudig, haar beantwoorden klaarblijkelijk niet. Ik verwijs daarom naar de serie ‘Praktisch en pastoraal’. De psycholoog Dr. J. van der Wal, directeur van GLIAGG ‘De Poort’, schreef daarover ooit het voortreffelijke boekje: ‘Zelfmoord, christelijke hulpverlening rond een levensprobleem’. Een aantal opmerkingen uit dat boekje:

  • ‘Iedereen kan suïcidaal gedrag vertonen. Dat wil niet zeggen dat iedereen het ook doet. Verreweg de meeste mensen komen nooit tot een zelfmoordpoging en bij hen die dat wel doen, beperkt het zich meestal tot een enkele keer. Daarbij komt dat suïcidaal gedrag in geen enkele situatie maatschappelijk voorgeschreven of verwacht wordt’.

Zelfmoord is dus niet alleen zeldzaam, maar ook ‘vreemd’. Niemand doet zomaar een zelfmoordpoging. Dat ontlokt ons de volgende twee vragen: In welke toestand doet iemand zoiets en door welke omstandigheden of gebeurtenissen worden mensen suïcidaal?’ Voor een deel geven de motieven een antwoord. Van der Wal plaatst de uitkomst van een onderzoek door Kerkhof uitgevoerd onder een groot aantal mensen die kort daarvoor vanwege een zelfmoordpoging in een ziekenhuis waren behandeld. De antwoorden op het ‘waarom’ met het percentage dat dit met stelligheid noemde:

  • De situatie was zo ondraaglijk dat ik niets anders wist te doen – 78%
  • Mijn gedachten waren zo vreselijk dat ik daar vanaf wilde zijn – 55%
  • Ik wilde een tijdje weg uit een onmogelijke situatie – 50%
  • Ik wilde sterven – 48%
  • Ik wilde geen pijn meer voelen – 44%
  • Ik leek de controle over mijzelf te verliezen en weet niet meer waarom ik het deed – 42%
  • Ik wilde anderen duidelijk maken hoe wanhopig ik mij voelde – 39%
  • lk wilde het voor anderen gemakkelijk maken – 27%
  • Ik wilde hierdoor hulp van anderen zien te krijgen – 27%
  • Ik wilde weten of er iemand was die echt van mij hield – 14%
  • Ik wilde iemand laten zien hoeveel ik van hem/haar hield – 13%
  • Ik wilde anderen betaald zetten voor de manier waarop zij mij behandelden – 13%
  • Ik wilde iemand van mening doen veranderen – 10%
  • Ik wilde dat iemand zich schuldig zou gaan voelen – 10%

Van der Wal concludeert:

  • ‘Uit de meest gekozen motieven komt duidelijk naar voren dat een zelfmoordpoging in veel gevallen gedaan wordt in een situatie die men als ondraaglijk ervaart en waarin men zich bovendien niet in staat voelt om daar verandering in te brengen. Men voelt zich machteloos tegenover de problemen, men verwacht niet dat dit in de nabije toekomst zal veranderen en van anderen verwacht men evenmin nog iets. De problemen zijn bovendien van dien aard dat ze belangrijke levensdoelen van de personen bedreigen. Je zou kunnen zeggen, dat het bestaan zelf erdoor bedreigd lijkt te worden. Een dergelijke toestand noemen ze ook wel een crisissituatie. Daardoor komt men zo sterk onder druk te staan, dat er geen andere uitweg meer schijnt dan deze gespannen en ontwrichtende toestand radicaal te onderbreken. Velen doen dat met een zelfmoordpoging.
  • Verder valt op dat verschillende motieven tegelijkertijd kunnen voorkomen en bovendien onderling tegenstrijdig lijken. Zo kwam het nogal eens voor dat zowel het motief ‘Ik wil sterven’ als ‘Ik wil hulp’ werd gekozen. Hierin weerspiegelt zich het innerlijk verward of zelfs verscheurd zijn. Daar komt nog bij dat men zich in een crisis lang niet altijd bewust is van de eigen (tegenstrijdige) beweegredenen. Het belangrijkste dat uit de genoemde resultaten naar voren komt, is wellicht dat de meesten niet zozeer willen sterven, maar dat men bewust of onbewust vaak nog iets van het leven verwacht. Je zou kunnen zeggen: men wil in veel gevallen niet dood, maar men wil niet meer verder leven met de problemen die er zijn. Vandaar dat veel zelfmoordpogingen gezien kunnen worden als een wanhopige schreeuw om hulp’.

Voorkomen, maar hoe?

Er zijn ook verschillende onderzoeken gedaan naar de redenen van zelfmoordpogingen bij jongeren. Een zelfmoordpoging is – vooral bij jongeren – geen aanstellerij. Jongeren die echt besluiten om er een einde aan te maken, zijn zo hopeloos dat ze echt niet verder willen leven. Die pogingen moeten zoveel mogelijk voorkomen worden. Maar dat lukt slechts, als we precies weten waarom het gebeurt en hoe je suïcidaal gedrag kunt herkennen. Zelfmoord vindt vaak plaats in een tijd van bewustzijnsvernauwing. Zelfmoord plegen is niet niks. Als de zelfmoordpillen en -poeders al in het nachtkastje liggen, is het de hoogste tijd om te praten en in te grijpen, als dat nog mogelijk is. Maar voorkomen is niet makkelijk.

Herkenning van signalen

Hoe kunnen niet-speciaal opgeleide mensen signalen van suïcidale dreiging herkennen, waarna professionele (pastorale) hulpverlening kan volgen? Om iets te kunnen voorkomen, zal men toch eerst de dreiging moeten herkennen. Dat is soms heel moeilijk. Mijn collega’s in het onderwijs en ik hebben een paar jaar geleden de signalen van een collega, we gingen bijna dagelijks met elkaar om, niet herkend. Achteraf waren er wel wat dingen, maar je verwacht zoiets toch niet. Toen het gebeurde, overviel het ons volkomen. Onderzoeken hebben aangetoond dat ook huisartsen patiënten, die kennelijk suïcidaal waren, niet als zodanig opmerkten. Het is gewoon moeilijk te signaleren of te aanvaarden dat het zo weleens zou kunnen zijn. In het boek ‘Zelfmoord’ staat het verhaal van een man wiens broer zich had beroofd van het leven:

  • ‘Je ziet wel dat hij het niet meer ziet zitten, hij praatte er trouwens openlijk over. Maar we hadden toch een heel goed contact en dan denk je er niet serieus over na, dat hij wel eens zelfmoord zou kunnen plegen. Dat is zo’n absurde gedachte, daar durfde je niet eens over na te denken’.

Een ander verhaal is het aspect van de gewenning. Sommigen praten al heel lang over zelfmoord, maar doen toch geen echte poging. Je denkt: het loopt zo’n vaart niet. Een weduwe vertelt dat haar man vijf jaar lang had gedreigd met zelfmoord. De dag voor zijn dood had hij nog gezegd: ‘Nu ben ik er nog te laf voor, maar binnenkort maak ik er een eind aan’. Door gewenning had ze er weinig aandacht aan besteed. Ondanks alle voortekenen, kwam de zelfdoding toch geheel onverwacht. Signalen die wijzen op zelfmoord zijn vaak ook onduidelijk: ‘Iemand merkte eens op in een kamer vol visite: Zoiets zou ik m’n kinderen nooit aandoen. De volgende dag verhing hij zich’. In crisissituaties is grote oplettendheid vereist. Vooral als men op bepaalde gebeurtenissen van ingrijpende verlieservaringen (overlijden, echtscheiding) reageert met tekenen van wanhoop. Dat kan zich op verschillende manieren manifesteren:

  • Negatief praten over zichzelf. Jullie hebben alleen maar last van me. Het zou beter zijn voor jullie als ik er niet meer was. Ik ben verdoemd. Het is allemaal mijn schuld.
  • Zich negatief uiten over anderen: Iedereen laat je in de steek. Niemand houdt meer van me. Er is geen mens die nog naar me omkijkt.
  • De hoop op genade opgeven: God heeft zich tegen mij gekeerd. Alles uit de Bijbel getuigt tegen mij.
  • Geen verwachting van de toekomst hebben: Ik kom hier niet meer overheen, ik ben slecht, mij wacht alleen nog het oordeel. Dit gaat niet meer voorbij, mij rest nog slechts pijn en een ellendige dood.
  • Gedragingen die op zelfmoord kunnen wijzen: depressiviteit, gebrek aan enige interesse, voortdurende somberheid, langdurige slapeloosheid, gewichtsverlies enzovoort.
  • Het uiten van doodswensen in de trant van: ‘Voor mij hoeft het niet meer. Ik ga liever dood. Ik hoop dat ik er gauw niet meer ben’ zijn wel heel duidelijke signalen.

Hulp en hulpverlening

Hoe kun je het beste helpen? Voorbeelden uit de praktijk maken duidelijk hoe moeilijk dat vaak is. Een moeder zegt: ‘Mijn zoon is de laatste tijd erg down. Hij eet nauwelijks, doet vervelend. Hij verpest de sfeer, maar ik durf er niets van te zeggen. Ik ben als de dood dat hij zichzelf dan iets zal aandoen’. Een vader over zijn zoon: ‘Ons gezin zit altijd in spanning. Het lijkt of mijn zoon een dubbelleven leidt. Hij heeft een vrolijke kant, maar tegelijkertijd schrijft hij afscheidsbrieven. Hoe moeten wij daarop reageren?’ Natuurlijk moet er hulp geboden worden, maar wat kan dat moeilijk zijn. Is er echter zelfmoordgevaar, dan moet er worden ingegrepen. Twee cruciale vragen kunnen dat bevestigen. In de eerste plaats: Zijn er suïcidale gedachten? Daarnaast: Heeft men ooit eerder een zelfmoordpoging ondernomen? Als alleen op de eerste vraag met ‘ja’ wordt geantwoord, is de kans dat het werkelijk gebeurt (statistisch gezien) 10% is. Wanneer beide vragen, of alleen de laatste, met ‘ja’ wordt beantwoord, betekent dat meer dan 30%. Goede hulpverlening is dan geboden. Goede professionele hulpverlening kan zeer welkom zijn. Maar wat is goed?

Medicalisering en psychologisering

We leven in een tijd waarin sprake is van medicalisering en psychologisering. Dat wil zeggen dat de geneeskunde en de psychologie het alleen voor het zeggen lijken te hebben op het gebied van de hulpverlening. We moeten ons niet van de wijs laten brengen door de psychiatrie en de psychologie. Duizenden wetenschappelijke publicaties die jaarlijks over zelfmoord verschijnen, hebben het zelfmoordprobleem niet kunnen terugdringen. Uit wetenschappelijk onderzoek is komen vast te staan dat speciaal ontworpen hulpverleningsprogramma’s voor suïcidale mensen geen of nauwelijks merkbaar effect hebben! We moeten psychologische inzichten niet totaal verwerpen, maar proberen te gebruiken op een manier waarbij de mens als schepsel van God tot zijn recht komt. Pas dan is de hulpverlening – in de ware betekenis – zinvol. De bekwame pastor, door Gods Geest geleid, met achter zich een gemeente die haar taak verstaat, zal blijken Gods hulpverlener te kunnen zijn. Immers, de strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef.6:12).

Binnen de hulpverlening gaan ook stemmen op om in bepaalde gevallen mensen die ‘dood willen’ daarbij te helpen. Mr. H. Drion, oud-lid van de Hoge Raad, bepleitte ooit de vrije verstrekking van middelen aan alleenstaande ouderen boven de 75 jaar. En de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie schrijft in een rapport dat hulp bij zelfdoding van psychiatrische patiënten geoorloofd moet zijn. Hulp bij zelfdoding zou, volgens het rapport, toelaatbaar zijn bij chronisch psychiatrische patiënten die bij ‘tijden’ met psychische stoornissen kampen en die in ‘goede tijden’ het verlangen tot beëindiging van hun leven bekend maken, omdat verdere behandeling naar men gelooft geen enkel uitzicht meer biedt. De Levenseindekliniek werkt tegenwoordig al met wachtlijsten… Dit soort hulpverlening is letterlijk uit den boze.

We willen waarschuwen tegen het absolute zelfbeschikkingsrecht van de individuele mens en wijzen op de verantwoordelijkheid die men heeft tegenover de ander. Daarmee kan de naaste al heel gauw in het gedrang komen. Sterven is geen eenzaam gebeuren. Sterven heeft te maken met degenen die wij achterlaten. Een christen heeft niet voor zichzelf te leven, omdat hij niet meer van zichzelf is. ‘U legt Uw hand op mij’ (Ps.139). Daar mag je uit leven. Je hebt niet alleen naar je eigen ziel te staren en je eigen leven vlekkeloos te bewaren. Je hebt een verantwoordelijkheid voor je naaste. Niemand sterft voor zichzelf.

Waardeoordeel

Hoe we de zelfmoord beoordelen, is van groot belang voor de manier waarop we hulp zullen bieden. In de loop der eeuwen is de suïcidale mens op het kerkelijke erf er in het algemeen niet best afgekomen. Paus Nicolaas I (gestorven 867) beweerde: ‘Alle zelfmoordenaars begaan de zonde tot de dood. Voor hen mag niet gebeden worden. Ze zijn verloren’. Dat betekent een identificatie van zelfmoord met de ene onvergeeflijke zonde van het lasteren van de Heilige Geest! In zijn boek The life and death of Mr. Badman (Het leven en sterven van de heer Kwaad) is John Bunyans conclusie: ‘Zelfmoordenaars gaan zonder enige twijfel naar de hel. Gewis, zelfmoordenaars kunnen niet naar de hemel gaan’.

Velen hebben zo keiharde oordelen geveld, niet gehinderd door enige kennis van de geestelijke wereld en inzicht in de onzienlijke, hemelse gewesten (Ef.3:10). Dikwijls maakte men zelfs geen enkel verschil of onderscheid in oordeel. Christenvrouwen bijvoorbeeld die om ontering te ontgaan, in de rivier sprongen, werden even hard be- en veroordeeld als degenen die willens en wetens met voorbedachte rade hun leven beëindigden. Anderen waren veel milder in hun beoordeling. Calvijn onthield zich van het categorisch oordeel: alle zelfmoordenaars gaan verloren. Net als Luther was hij voorzichtig. Van Saul sprak hij: ‘Saul moet aan God als Rechter worden overgelaten’. Typerend voor Luther is dat hij in zelfmoordgevallen heel sterk het werk van de duivel heeft gezien. In een brief aan zijn vrouw, gedateerd 10 juli 1540, schreef hij:

  • ‘De duivel is hier in Eisenach zeer actief. Hij hitst het volk op tot brandstichting en zelfmoord’.
  • In een tafelrede zei hij: ‘Ik deel niet de mening van hen die zeggen, dat zelfmoordenaars gewis verloren zijn. De reden die ik daarvoor heb, is deze: Zij doen het niet vrijwillig, maar omdat zij door de duivel overmeesterd zijn’.
  • Bij de woorden: ‘O uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd (Gal.3:1 St. Vert.) merkt Luther op: ‘Wie door satan betoverd is, kan zichzelf niet redden; zijn macht is groot. Door al te grote droefheid tracht hij verontruste gewetens te verderven. Hij is namelijk in staat zich te veranderen in de gedaante van Christus, en wel zo precies en volmaakt, dat iemand die in aanvechting verkeert, het niet bemerkt. Velen, op dit punt onkundig zijnde, worden tot wanhoop gebracht en plegen zelfmoord. Zij zijn dermate door de duivel bedrogen, dat zij er vast van overtuigd zijn, dat zij worden aangevallen en beschuldigd, niet door de duivel, maar door Christus zelf’.

Voetius, hoogleraar theologie in Utrecht, hanteerde in 1664 een heel sterk argument door te zeggen dat er maar één onvergeeflijke zonde is, namelijk de lastering van de Heilige Geest en dat toch wel niemand het in zijn hoofd zal halen om de lastering van de Heilige Geest te identificeren met de zelfmoord.

Ons oordeel is dat wij geroepen zijn de geestelijke strijd aan te binden om de suïcidale mens te scheiden van occulte demonen (die uit de afgrond zijn opgeroepen door een of meer mensen) en andere wetteloze machten die hem dreigen te overweldigen. Om die bedreigde mens in de kracht van de Heilige Geest en met behulp van de Geestelijke gaven tot bevrijding te brengen, in vrijheid te stellen, hem in Christus’ Naam te verlossen van de tirannieke demonen. En waar dat door welke oorzaak dan ook anders uitpakt, zullen wij die wanhopige mens volkomen toevertrouwen aan de genade en de barmhartigheid van onze Heer.

En als het toch is gebeurd?

Als het dan toch is gebeurd, mogelijk zelfs na de meest efficiënte hulp, wat dan? Hoe kon het toch gebeuren? Soms is er een schreeuw van boosheid. Men is volkomen ontdaan. Hoe heeft hij of zij ons dat kunnen aandoen? Rouwverwerking is in het algemeen al vaak moeilijk, maar is na een zelfmoord meestal extra zwaar; de nabestaanden zijn ook slachtoffer. Op veel van die vragen zal geen antwoord komen. Want hoewel we weten dat dit alles uiteindelijk het werk is van wetteloze duistere machten, kunnen wij toch vaak niet precies aanduiden hoe het in zijn werk is gegaan en waardoor het zo ging.

Ergens blijft zelfmoord een mysterie, een donker geheimenis waar we niet bij kunnen. Wie weet er op de millimeter af wat er in andermans geschonden hart en verwarde geest afspeelt? Alleen Gods Heilige Geest, die de diepten van God doorzoekt, kan daar bij. Kwam het door die depressie of was het in psychose dat stemmen zeiden: ‘Nu moet je het doen’. Hier geldt Jezus’ woord meer dan ooit: ‘Laat los en je zult losgelaten worden’ (Luc.6:37). Velen blijven met schuldgevoelens zitten. Die gevoelens kunnen reëel zijn. Dikwijls zijn ze dat echter niet. Vragen vanuit het schuldgevoel knagen. Waarin ben ik te kort geschoten? Had ik dit niet kunnen voorkomen? Waarom heb ik mij niet voldoende gerealiseerd dat hij/zij het echt meende?

Stichting Korrelatie heeft met 600 mensen gepraat over de ‘catastrofe’ (zo hebben zij het benoemd, red.) en de talloze vragen besproken die de zelfdoding van een dierbare veroorzaakt in het leven van de achterblijvers. Om hen te beschermen (ze zouden ‘navolgers’ kunnen worden), om te helpen en te troosten. Vooral kinderen vormen een risicogroep als ze zo door een of beide ouders zijn verlaten. In hun brochure is te lezen:

  • ‘Zelfmoord heeft te maken met het fundamentele gevoel van geïsoleerd zijn van mensen, een gevoel dat vaak al heel lang bestaat. Zelfmoord is nooit de schuld van iemand anders. Wie dat denkt, lijdt aan zelfoverschatting’.

De hoogleraar René Diekstra antwoordt op de vraag of de zelfmoord van een kind het bewijs is van het falen van de (ouderlijke) opvoeding met een ondubbelzinnig nee. ‘Er is nooit aangetoond dat bepaalde gezins- of opvoedingssituaties bepalend zijn voor zelfdoding door kinderen. Wel, dat bepaalde en (vermoedelijk erfelijk bepaalde) psychische kenmerken samenhangen met de kans op zelfdoding. Maar het is toch moeilijk te verdedigen dat ouders de schuld dragen voor bepaalde erfelijke geneigdheden van hun kind of dat zij persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de eigenaardigheden van cultuur en samenleving. Ik durf zelfs de stelling aan dat de invloed, die ouders direct hebben op de ontwikkeling van hun kinderen en het functioneren van hun kind als volwassene, hoogstens een derde is van de invloed die andere factoren op die ontwikkeling hebben.

Eenvoudig gezegd, hoogstens 25% van die ontwikkeling moet op rekening van ouders/gezinssituatie en zeker 75% op rekening van andere factoren worden geschreven’. Wat de (dubieuze) afscheidsbrieven betreft: Ze zijn meestal niet overdacht en in rust geschreven, maar onder grote emotionele druk. Het is een misverstand te denken dat zo’n brief een verantwoord beeld geeft van de essentie achter het gedrag.

De zorgende gemeente

Zeker, ook in de gemeente komen we in aanraking met de mens in psychische nood. Een zaak die niet alleen de voorganger en de oudsten aangaat, maar de hele gemeente. Een zorgende gemeente (met warmte) is voor de suïcidale mens van zeer groot belang. Vooral als die mens weet dat de gemeente een plaats is waar men voor hem strijdt en meestrijdt en op de bres staat. Hij heeft zo’n enorme behoefte aan een plek waar hij zich veilig en werkelijk geborgen kan voelen, een plek van rust. En dat geldt uiteraard ook de nabestaanden. Voor iedereen is een klimaat van rust en veiligheid onmisbaar. Gods Gemeente zal dat klimaat moeten bieden!