Verwijt

Kent u de giftige stof die ‘verwijt’ heet? Gemeen spul hoor. Het stinkt, beschadigt het menselijk leven en bij veelvuldig gebruik kan het zelfs een vernietigende uitwerking hebben. Als er iets vervelends gebeurt, een ‘dom’ ongelukje bij voorbeeld, hoe gemakkelijk worden dan dingen gezegd als: ‘Had dan ook beter opgelet’, of ‘Ik heb nog zó gezegd’, of subtieler, maar evengoed uit de familie van het verwijt: ‘Jij ook altijd…’ (liefst met een klein, gekweld zuchtje erbij).

Let op hoe dikwijls dit soort uitspraken er tussendoor rollen in het gezinsleven. Naar de kinderen toe, tussen man en vrouw, naar elkaar toe. Het wordt al minder, naarmate we groeien in het Koninkrijk van God en no minder naarmate we leven vanuit het besef dat God goed is en Hij diezelfde goedheid ook in ons legt, maar toch, soms… Gebeurt er iets vervelends dan begint niet zelden het zelfverwijt te stoken. Komt er op dat ogenblik nog eens een portie verwijt via een ander bij, dan krijgt het rijk van de duisternis wel even een pracht van een kans om een mens te vernederen, af te breken, in de hoek te drijven.

Hierover zaten we te praten. koffiedrinkend in de camper, met het wijde, stille Noorwegen-landschap om ons heen. En ja hoor, we zien het nu duidelijker dan ooit: verwijt is uit de koker van de satan, vijandig aan de bedoeling van God. Daarom, we doen er niet (meer) aan mee. Afgesproken! Laten we verder gaan. Spullen ingepakt. Alles goed opgeborgen. Alles goed vastgezet. Rijden maar. Het is een veeleisend stuk van de route. Onverwachte, smalle bochten, abrupt steile afdalingen, wegdek met stenen en kuilen, nauwelijks een berm, natuurlijk geen vangrail.

En dan gebeurt het. In een van die onverwachte bochten met kuilen: een oorverdovende klap! Wat is dat? We rijden nog. Alleen, het boldert en rinkelt en rammelt achter onze rug. Terwijl hij een plek zoekt om te stoppen kan ik ontdekken wat het is. ‘Het is de lade… ,’ zeg ik bedremmeld. Verstaat hij me niet door het gerinkel en gerommel? Hij zegt niets, heeft alle aandacht bij weg en wagen. O, hij moet me toch verstaan hebben, want ik zie hoe zijn kaak zich spant. Aanloop voor een opmerking… En ik denk dat ik weet wat hij zeggen zal. Want die lade.

Het is een handig ding. Alle bestek gaat erin, bekers, drinkglazen, kruidenpotjes en nog zo het een en ander. Op het soort wegen waarlangs wij onze trektochten maken wil zo’n lade echter weleens gaan schuiven. Daarom is er een vergrendeling op gemaakt. Werkt prima. Alleen… ik vergeet die grendel nogal eens te gebruiken. En daarover is tussen ons al menig (min of meer verwijtend) woordje heen en weer gegaan. De meters tussen klap en stilstaan zit ik dan ook a. in het zelfverwijt wat stom, wat stom en… in de verwachting dat hij wel iets dergelijks (verwijtends) zal zeggen.

We staan stil. Hij keert zich om, bekijkt de ravage, keert zich naar mij en zegt op onwaarschijnlijk tedere toon: ‘Zo, dat was dan een klein, dom foutje van jou, lieverd’. Als we uitgelachen zijn en alles is opgeruimd krijgt hij van mij een compliment: ‘Toch ben jij een héél stuk verder dan ik’. ??????? ‘Jij zei: klein-dom-foutje – ik vond het meer een knoeperd-van-een-fout.’ ‘Het wordt tijd om verder te gaan,’ zegt hij, ‘en doe die grendel op de lade, want ik weet niet of ik al zo ver zal zijn om de volgende klap met een omhelzing te beantwoorden…’.