Paulus en Elymas

De apostel trof in Pafos een jood aan die magiër of tovenaar en bovendien een valse profeet of waarzegger was. Deze Bar-Jezus, zoon van Jezus, was een uitgesproken voorbeeld van diep godsdienstig verval onder zijn volksgenoten. Waarschijnlijk maakte hij deel uit van het gevolg van de Romeinse proconsul, Sergius Paulus. Zijn bijnaam Elymas wordt in verband gebracht met het Aramese ‘alima’ (de sterke) of het Arabische ‘alim’ (de wijze). Deze oppertovenaar werkte met bijzondere krachten uit het rijk van de duisternis, net als Simon de tovenaar in Samaria.

De geest, die in deze magiër huisde, verzette zich tegen het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Hij zal zeker geprobeerd hebben door zijn beïnvloeding en druk de apostel machteloos en krachteloos te maken. Paulus was echter ‘vervuld met Gods Heilige Geest’ en daarom onaantastbaar voor de vijand. Wanneer Paulus Elymas scherp en strak aanziet, is het alsof de geesten in ieder van hen hun krachten meten. Dan stelt de apostel zijn tegenstander openlijk ten toon en ontmaskert hij deze, want hij noemt Bar-Jezus een zoon van de duivel, dus een geïnspireerde door de vader van de leugen en door de mensenmoordenaar vanaf het begin (Joh.8:44).

De boze geest in Bar-Jezus en daarmee ook zijn ‘mond’ (dat is de profeet) openbaarde zich als een vijand van gerechtigheid en waarheid, twee zaken die Paulus in naam van zijn Meester predikte. Dan keert ‘de hand van de Heer’, dat is de Heilige Geest, zich tegen deze occultist. Deze was net als destijds Bileam ook een man ‘wiens ogen geopend waren’. Door de confrontatie met de Heilige Geest wordt dit geestelijk oog verblind en als teken wordt ook het natuurlijke oog van deze tovenaar en waarzegger verduisterd. Dit doet denken aan wat de apostel Paulus zelf op de weg naar Damascus overkwam, toen hij uitging als een verscheurende leeuw om de gemeente van God te vervolgen. Plotseling werd toen ook de ‘vrome’ geest die hem voortdreef, geplaatst tegenover het grote licht, waaruit de stem van Jezus sprak. Ook hem werd toen een halt toegeroepen en ook hij werd in de natuurlijke wereld blind voor een tijd.

Toen Johannes op Patmos de verheerlijkte Meester zag, viel hij als dood voor diens voeten. Dit werd niet door Jezus veroorzaakt en was ook niet door Hem bedoeld, want de Heer richtte zijn bange leerling juist op. Het was menselijke vrees in een waar kind van God, die deze reactie veroorzaakte. Hoeveel groter zal dan de reactie zijn, wanneer een zwaar gebonden occultist moet terugdeinzen voor de kracht van God. Wanneer een vijand moet terugtrekken, verwoest hij vaak het door hem bezette gebied. Zo wordt hier door de verslagen vijand bij het verlaten van zijn prooi diens ogen verduisterd: ‘En direct viel op hem donkerheid en duisternis’.

Deze donkerheid en duisternis komen beslist niet van God, die de Vader van de lichten genoemd wordt. De boze geesten ‘vielen’ deze magiër aan (vergelijk hiermee de dood van Herodes). Vergelijk dit met de macht die uit de maanzieke jongen moest wijken. Hij moest dit doen zonder de jongen te beschadigen, hoewel de geest wel uitging ‘onder geschreeuw en stuiptrekking’. Bar-Jezus was zijn magische kracht kwijt, toen hij ‘rondtastende zocht naar iemand om hem bij de hand te leiden’. Toen hield deze magiër op ‘met de rechte wegen van de Heer te verdraaien’ en zich vijandig op te stellen tegen het evangelie.

Zo verdreef de apostel later ook een waarzeggende geest uit een slavin in de naam van Jezus. De afloop van deze geestelijke strijd was de oorzaak dat de landvoogd tot verandering kwam, want er staat:

  • ‘Toen de landvoogd zag, wat er gebeurd was, kwam hij tot geloof’.