Ja, maar…

We hadden logés. Een gezin met jonge kinderen. En hèhè, toen het hele spul op bed lag, konden we eens rustig praten. Eigenlijk waren ze daarvoor gekomen, deze logés. Want ze stonden op de drempel van het openstaan voor het eeuwig evangelie. U begrijpt wat ik bedoel. Nieuwgeboren christenen, teleurgesteld in de kerk, waar ze een tijdje honger en kou hadden geleden, wetend, dat er meer is, hier en daar ontdekken, van ons heel wat gehoord over het evangelie van het koninkrijk der hemelen.

Ze zeiden: ‘Jullie hebben iets, dat zien we wel, maar…’. Hun ‘maar’ betreft: die hemelse gewesten en moet je nou alles geestelijk zien? En dat aanspreken van boze geesten, moest dat nou? Je kon toch maar niet bij alles wat misliep zeggen dat er een boze geest achter zat? Enzovoort, enzovoort. Natuurlijk zetten wij daar tegenover hoe heerlijk het is en hoe hoopvol dit evangelie, juist over de hemelse gewesten, waarin wij geworteld zijn. We bleven maar vertellen van de weg, die omhoog voert, de weg van herstel. Helaas hun reactie bleef: ‘ja, maar…’

Toen werd hun jongste kind wakker. We hoorden een kreetje, nog een kreet en nog een. Mamma ging naar boven. De kreten werden heviger. De pappa ging naar boven. De kreten werden nog heviger. Wij, beneden, keken elkaar eens aan. Dit was geen gewoon huilen. Op hetzelfde ogenblik waren we al in de strijd. Dat gaat vanzelf hè? Boven kregen ze het kind niet rustig. Het werd alsmaar erger. De andere kinderen werden wakker. De onrust steeg.

Na een kwartiertje kwamen de ouders met hun jongste naar beneden. Een krijsend, kronkelend kind, waarmee z’n vader bijna struikelde op de trap. ‘Hebben jullie al met hem gebeden?’, probeerden we ons verstaanbaar te maken. Ze schudden het hoofd. Keken ons aan van ‘wat moeten we nou met zo’n kind?’ Het was erbarmelijk om te zien. Dat kronkelende lijfje, armen en benen maaiden rond, het gezichtje vertrokken, de mond opengesperd en een geluid, veel te groot en te woest voor zo’n klein kereltje.

‘Vinden jullie goed, dat wij…?’ vroegen we. Ze knikten en bleven proberen het kind in bedwang te houden. Mijn man gebaarde ‘Bid jij maar’. Nou, ik moet u vertellen, mijn stem kwam niet boven dit ‘hels’ kabaal uit. Ik zag ook niet zo gauw welke geest dit kind te pakken had. Ik zei alleen maar ‘satan, in de Naam van Jezus, je moet dit kind loslaten. Verdwijn!’ Toen zegende ik het kind met de herstellende kracht van Jezus. En ik zei ‘deze kracht treedt nu in werking, mijn Vader, dank u wel’.

Nog een paar seconden zetten wij de strijd voort in de taal van de Geest. Toen was het over. Volmaakt over. Z’n moeder nam het kind in de armen, maar hij gleed al onderuit, nestelde zich in slaaphouding op de bank. Keek nog even door oogkiertjes, lachte, stopte een duimpje in de mond, sop-sop en sliep. Een en al vrede. De verandering was zo abrupt opgetreden, dat we alle vier een beetje verbouwereerd naar het slapende hoopje mens zaten te kijken. Ja, wij ook, want we hebben niet altijd zulke snelle overwinningen.

Z’n moeder voelde aan het hoofdje. ‘De koorts is ook weg’, zei ze. En dat klonk als een belijdenis. Toen zeiden wij: ‘Nu hebben jullie het gehoord en gezien: Zo goed is Jezus onze Heer en zo goed is zijn (eeuwig) evangelie’. Korte tijd later is hun ‘ja, maar’, veranderd in ‘ja, amen’.