Ik ben zo moe…

Jaren gebeden, gestreden, geloofd, volhard – en dan is het zover. De macht van de duisternis wordt bij de naam genoemd – ráák! Zo raak, dat hij weg is en weg blijft. Geweldige blijdschap en dankbaarheid en lof en aanbidding. Een getuigenis in de gemeente en aan ieder die het horen wil: ik ben machtig verlost van een kwelgeest, heerlijk genezen van een kwaal! Zo werkt God. Zo werkt zijn evangelie.

Een jaar is deze vijand nu weg. Helemaal. Er waren voorvallen en situaties bij gelegenheid waarvan voorheen die pijn kwam opzetten en soms hevig toesloeg. Nu komt zij door dit soort dingen heen zonder dat de vijand ook maar een voet aan de grond krijgt.

Maar op een ochtend is er weer dat zware wakker-worden. Direct met de herinnering erbij: zo was het in je pijn-dagen. Zo werd je wakker, weet je nog? Zwaar, dof, moe, met ogen die nauwelijks open willen, met ledematen die maar niet op gang te krijgen zijn.

Wat is dat nu? Hij was toch weg? Hoe kan dan dit? Stop met die vragen. Vijand wegsturen, opstaan, aan de dag beginnen. Om 10 uur: even zitten, even rusten. De zwaarte wordt drukkend in het lichaam. Niet in de geest, waar nog steeds verzet wordt geboden en opbouw wordt aangedragen en aangegrepen. Na een kwartiertje weer doorgaan met het werk. Maar halverwege de dag moet ze naar bed. Grauw, uitgeput.

Met het lichaam tussen de lakens blijft de geest nog steeds actief: Jij bent het, oude vijand, jij probeert het nog een keer, maar weet, jouw heerschappij over mijn leven is ten einde, de dagen dat je naar believen in en uit kon lopen zijn voorbij, je krijgt mij niet. Ze geeft zich niet over aan wanhoop of aan tobberige vragen. Heer, U haalt mij er ook nu doorheen – met U ga ik er weer bovenuit komen.

Maar erg dat het wordt. Plus de bijkomende plaagstootjes: vanavond Bijbelstudie. Sta jij mooi voor paal. Zuster die en die van dat prachtgetuigenis – wonderbaarlijk genezen. Waarom is ze er niet? Ziek? Wat voor ziek? O, dát hetzelfde dus! Genezen? Had je gedacht! Heer, laat U dat zo? En dan weer wegzinken in moeheid. Laat mij alsjeblieft hier liggen en slapen.

Als er iemand bij haar komt – kopje thee, glaasje sap, hapje eten – Gaat het? Antwoord: Ik ben zo moe. Ze bidden met haar, bidden voor haar, omringen haar met zorg, zeggen bemoedigende dingen. Waarop zij dankbaar knikt, glimlacht, de ogen sluit en zucht: Ik ben zo moe.

Na het bordje avondeten (dat ze niet leeg eet – te moe) krijgt ze van manlief een liefdevolle hint. Het lukt hem om het helemaal gaaf te zeggen, met bemoediging en aanmoediging waar wel correctie in zit, maar niet er boven op ligt. Hij zegt:

  • ‘Meisje, ik geloof dat jij je aandacht even moet verleggen.’

Einde van de preek. Spreker vertrekt. Deur achter hem dicht. Aandacht verleggen – wat bedoelt hij? Vestig uw aandacht dan op Hem. Dat doe ik toch? Alleen, ik ben zo moe, ZO MOE.

Of er een schakelaar wordt omgedraaid. Daar staat in het volle licht: moeheid die aandacht eist en warempel zoveel aandacht kreeg dat het haar belijdenis worden kon: ‘ik ben zo moe’. Met zo’n belijdenis wordt het zwaar werk voor je geest om jou er bovenuit te halen. Aandacht verleggen dus. Hij geeft de vermoeide mens kracht. En nog een paar van zulke gedachteflitsen.

Ze slaat het dek terug. Komt het bed uit. Schuifelt naar de badkamer. Gezicht van ouwe lappen in de spiegel. Zou je moe van worden – beetje scheef om zichzelf lachen. Hè lekker koud water, dat frist op. Wassen, haren borstelen, beetje crème op de wangen, kleren aan. Blik in de spiegel: hoe is het met de ouwe lappen? Hum, nog niet geheel verdwenen.

Uit de keuken komt geluid. Hij is de vaatwasser aan het inpakken. Telefoon. Nou moet hij daar ook nog heen. Ze stuurt zichzelf naar de keuken. Spoelt de vieze borden af, zet ze in de vaatwasser, etensresten worden opgeruimd. Er verschijnt een wijsje in haar hoofd. Even later zit ze te zingen: Voor al het goede verkregen, door geestelijke zegen, in Jezus gebracht, loof ik Hem die heerst in macht.

Ze krijgt er plezier in. Komt hij straks terug van de telefoon, zal je zijn gezicht zien. Afwas ingeruimd. En zo gebeurt het. Hij, verrast: Dat gaat goed! Zij: Ja, ik dacht, ik doe die afwas maar even. We moeten zo de deur uit, tijd voor de Bijbelstudie.

Dan deze man. Niks van: Zou je dat nu wel doen? en je ziet nog zo pips! Nee, deze nuchterling zegt: Goed idee, we gaan. Het wordt een beste avond. Eerlijk waar. Zonder kramp, zonder groothouden, zonder forceren. Na afloop is ze niet afgeleefd maar opgeleefd.