Gericht strijden

  • ‘En zij hebben hem dankzij het bloed van het Lam en dankzij hun getuigenis overwonnen’ (Openb.12:11).

Wanneer een mens op de wereld komt, is hij bij zijn geboorte goed en gaaf. Zijn geest moet zich eerst in het natuurlijke en daarna in het geestelijke gaan ontwikkelen, om in beide sferen de volwassenheid te bereiken (1 Cor.15:46). De aarde is echter het werkterrein van de duivel. Hij is immers de heerser van deze wereld (Joh.14:30), die rondgaat, op zoek naar een prooi (1 Petr.5:8). De duivel zal koste wat het kost proberen te verhinderen dat de mens zich geestelijk ontwikkelt volgens het plan van God. Deze groei kan alleen plaatsvinden, als de mens geestelijk leeft in het Koninkrijk van de Vader en in zijn gemeenschap. Om dit te voorkomen, valt de duivel de mens aan met zijn leger, de demonen, de boze geesten in de hemelse gewesten. De mens wordt verleid tot gemeenschap met een demon, waardoor de zonde wordt geboren (Jac.1:15).

Zodra de mens gezondigd heeft, is het voor hem onmogelijk nog langer contact met God te onderhouden; hij wordt afgesneden van het licht en komt in de duisternis. In Romeinen 6:23 staat: ‘Want het loon van de zonde is de dood’. Dit betekent: de duivel heeft zijn prooi, nadat deze gezondigd heeft, te pakken en voert hem af naar zijn schatkamer, een onderdeel van zijn rijk. De inwendige mens wordt daar nu verder naar geest en ziel bewaard als eigendom van de duivel (denk bijvoorbeeld aan de gelijkenis van de parel). Deze schatkamer van de duivel is het dodenrijk of de gevangenis. Dit gebied wordt beheerd door de gevallen engelen (serafs) en geregeerd door de koning van de dood, Dood hemzelf.

Dood is dus een ondergeschikte van de duivel (zie Hebr.2:14). Hij is de ‘schatbewaarder’. De taak van Dood en zijn doodsengelen (gevangenisbewaarders) is dus het beletten van iedere verdere geestelijke ontwikkeling van de inwendige mens. De geest van de mens wordt als het ware verbonden met, of geketend door de doodsengelen. Dit gebeurt op wettige wijze, want de mens hééft immers gezondigd. Deze doodsmacht heeft echter géén warme band met de mens; hij overheerst hem alleen. Een gevangenbewaarder moet immers altijd boven zijn gevangene blijven staan. Door nauw contact zou hij op gelijke voet komen. Wanneer een mens eenmaal in de gevangenis zit, komt hij daar niet meer zonder hulp van buiten uit: hij is ten dode opgeschreven.

De zee, beeld van het geestelijke leven

Het een en ander is te verduidelijken door de volgende vergelijking: zoals de aarde het beeld is van het natuurlijke leven, zo is de zee beeld van het geestelijke leven. Ook wordt de zee gebruikt als beeld van het dodenrijk (zie Op.20:13). Deze beelden vallen samen, want de meeste mensen bevinden zich innerlijk tijdens hun natuurlijke leven op aarde, in de zee, dit wil zeggen dat zij door hun verbinding met het dodenrijk afgesneden zijn van het leven met God. De doodsengelen, die hen ketenen, beletten hen op te stijgen als waterdruppels uit de zee en zich te voegen in de wolk, beeld van de gemeente. Biologisch leven zij rustig door op aarde, want de natuurlijke ontwikkeling gaat immers gewoon door.

Dit is echter niet het enige: ook de aanvallen van het demonenleger gaan ‘gewoon door’. De mensen zijn immers nog op aarde. De demonen zijn na één zonde nog niet verzadigd, maar willen de mens steeds opnieuw laten zondigen. Er kunnen dan gebondenheden ontstaan, waardoor iemand telkens weer moet zondigen, of hij wil of niet. Hierdoor zakt hij steeds dieper weg in de zee en wordt zodoende steeds meer vervreemd van een leven met God. Dit dieper en dieper wegzinken in de zee wordt opnieuw uitgevoerd door de beheersers van de zee, de doodsengelen, de cipiers van de gevangenis. Zij doen dit op wettige wijze, want let wel, de veroorzakers van het kwaad zijn de demonen en niet de cipiers van de gevangenis. De laatsten komen niet van hun plaats.

De lichtzijde en de afgrond

Op deze manier kunnen we ons twee uitersten voorstellen met allerlei gradaties daartussen in: Als ene uiterste zien we iemand, die ondanks zijn zonden als een goed, natuurlijk mens op aarde leeft. Hij doet zoveel mogelijk zijn best en leeft feitelijk zonder dat hij zichzelf ervan bewust is, onder de invloed van ‘ingeschapen wetten van God’. Hij kent echter geen leven met God. Geestelijk gezien zou je kunnen zeggen, dat zo’n persoon ‘boven’ in de zee leeft, waar nog wat licht is. Hij merkt eigenlijk nauwelijks iets van zijn geestelijke gevangenis. Het andere uiterste is bij de mens, die de duisternis gaat lief krijgen en in de zonde gaat leven, er alles uithalend wat erin zit. Zo’n zondaar zakt zeer diep weg in de zee naar een plaats, waar totaal geen licht meer is, naar de afgrond (Grieks: Tartarus), het donkere deel van het dodenrijk. Deze mens kan in zijn aardse leven al duidelijk het klimaat van de dood ervaren én zelfs verspreiden.

Bij het sterven houdt het leven in de natuurlijke wereld op. De geest en de ziel van de mens kunnen zich daar niet meer bewegen; de totale inwendige mens komt nu in de situatie waarin hij geestelijk al verkeerde, dus in het dodenrijk, waar hij bewaard wordt tot het laatste oordeel (Op.20:13). Dan worden immers alle doden geoordeeld, ieder naar zijn daden. De eerstgenoemde mens wordt dus aan de lichtzijde van het dodenrijk bewaard, een ‘plaats’ waar geen demonen zijn. De demonen, die deze mens hebben laten zondigen, hebben hem bij het sterven verlaten. Zij willen onder geen enkele voorwaarde vrijwillig mee naar de gevangenis, waar ook hun activiteiten worden lamgelegd door de altijd sterkere doodsmachten. Bij het laatste oordeel kan ‘de goede mens’ ontwaken tot eeuwig leven (Dan.12:2). Omdat hij volgens ingeschapen wetten van God geleefd heeft, zal hij op de nieuwe aarde zich verder mogen ontplooien tot een geestelijk mens.

De laatstgenoemde mens heeft bij zijn sterven echter de demonen, die hij zo lief gekregen had, niet willen loslaten. Hij komt dus samen met zijn inwonende demonen, die zijn leven beheersten, in de afgrond terecht. Wanneer zo’n zondaar geoordeeld wordt, zal hij wakker worden om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd (Dan.12:2). We zien dus, dat op deze manier, door middel van een mens een demon in de gevangenis of in de afgrond kan komen, een plaats waar hij voordat de tijd is aangebroken wordt gepijnigd (Matth.8:29). Een demon ervaart het inactief gemaakt worden als een pijniging; hij wil immers graag actief blijven.

Uit hetzelfde aangehaalde Schriftgedeelte uit Mattheüs is op te maken dat ook op een andere manier een macht van de duisternis in de afgrond kan komen, namelijk op een gezagswoord van Jezus Christus of op een woord, in Jezus’ naam gesproken door een kind van God, die vervuld is met Gods Heilige Geest. Feitelijk is dit voor de desbetreffende macht nóg erger: hij komt nu zelfs zonder prooi in de afgrond. In beide gevallen is de mens de oorzaak, dat de boze geest in de gevangenis komt. De cipiers van het dodenrijk mogen deze demon niet meer loslaten. Ook dit is een geestelijke wet: de gevangenisbewaarders houden alles vast wat onder hun macht is gebracht.

Het oproepen van occulte demonen

Wanneer er echter op spiritistische wijze contact met een overledene gezocht wordt, kunnen de demonen die deze overledene in zijn leven ‘begeleid’ hebben, loskomen uit de gevangenis. Zij worden immers opgeroepen, ook al denkt men met de geest van de overledene te maken te hebben. De parallel is duidelijk: door een mens komt een demon in het dodenrijk en door middel van een mens komt hij er weer uit! Deze demon komt dus op occulte wijze onder de doodsmachten vandaan, waarna hij opnieuw zijn plaats in het leger van satan inneemt. Dit leger heeft veel divisies: leugenmachten, vrome geesten, zondemachten, onreine machten, ziektemachten, enzovoort. Zij allen vallen de mens aan, zetten hem onder druk en proberen hem tot gemeenschap te verleiden of desnoods daartoe te dwingen.

De doodsmachten horen dus niet bij het actieve satanische leger. Zij vallen de mens dan ook nooit aan. Wij hoeven daarom niet tegen doodsmachten te vechten. Strijden doen we tegen het leger van satan. Wanneer een demon, van welke divisie ook, op occulte (dit is: verborgen, bovennatuurlijke) wijze uit de gevangenis vrijkomt, zal hij het klimaat van de gevangenis, dus van de dood, met zich meebrengen. Zo’n macht is een occulte macht, maar deze naamgeving is eigenlijk onvolledig. Het woord occult slaat alleen op de manier waarop hij de gevangenis heeft verlaten en ook op het klimaat, dat zo’n macht altijd bij zich heeft. Het is dus feitelijk noodzakelijk bij het aanspreken van zo’n occulte macht in de naam van Jezus, ook zijn oorspronkelijke naam te noemen, bijvoorbeeld een occulte macht van geweld, een occult onreine macht. Ook de demonen uit het voorgeslacht, die zeer vaak een occulte achtergrond hebben, zullen we, willen we effectiever gaan strijden, bij hun ware naam moeten noemen.

Geestelijke wetmatigheden

Hoe kan een mens überhaupt strijden? Allen hebben immers gezondigd en zitten dus allemaal, in hun onbekeerde toestand, in de gevangenis, niet in staat om ook maar enigszins een vuist te maken tegen de machten die hen daarin brachten. Wil een mens geestelijk actief worden, dan is het dus eerst zaak om uit de gevangenis te komen om zich daarna teweer te stellen tegen de demonen, die hem daar opnieuw in willen brengen. Zonder hulp van buitenaf gaat dit nooit. Maar God zij dank door onze Heer Jezus Christus! Zijn Zoon heeft zich voor ons overgegeven als losprijs, opdat wij (geestelijk) zouden leven door Hem. Jesaja profeteerde in hoofdstuk 42:7 en 61:1, dat Jezus zou komen om gevangenen uit de kerker te leiden, om aan gevangenen vrijlating te verkondigen. Jezus haalde deze woorden aan, toen Hij in de synagoge te Nazareth tot de Joden over zichzelf sprak (Luc.4:19).

De mens die los wil komen zal zich moeten bekeren en geloven, dat Jezus Christus voor zijn zonden is gestorven en dat Zijn bloed hem reinigt van alle zonden, hoeveel het er ook zijn. Hij moet aanvaarden dat hij een rechtvaardige is, die rechtens vrij is van de zonde (Rom.6:7). De overwinning door het bloed van het Lam (Op.12:11) houdt in dat de mens door de belijdenis een rechtvaardige te zijn, vrij van de doodsengelen komt. Dezen kunnen hem niet langer ketenen, maar moeten hem loslaten en zij doen dit dan ook. Jezus heeft de sleutels van dood en dodenrijk. Wie in Hem gelooft, zal de dood in eeuwigheid niet zien (Joh.8:51)!

Door de zonde, veroorzaakt door een demon (al of niet occult), raakt de mens onder de heerschappij van een satan en door zijn rechtvaardigmaking, op grond van het bloed van Jezus, komt hij er weer onderuit. En dat alles volgens de wetten die daarvoor gelden in de geestelijke wereld. De veroorzaker van de zonde, de demon, gaat echter niet op de loop voor het bloed van Jezus. Gebondenheden verdwijnen ook niet vanzelf wanneer het bloed wordt aangeroepen. Hier is bevrijding voor nodig in de naam van Jezus. Op grond van het woord van ons getuigenis worden wij bevrijd. In vrijwel alle gevallen is daar de hulp van de gemeente voor nodig. Samen verkondigt men dan in de hemelse gewesten de overwinning van Jezus op het hele rijk van de duisternis. De Heilige Geest, die in ons woont, wordt door deze belijdenis aangespoord en zet zijn geestelijke kracht mee in.

Ook de heilige engelen maken zich op om de op het woord van de rechtvaardige mens van God uitgedreven macht, in de afgrond te werpen, waar hij volledig inactief wordt gemaakt door de daar aanwezige cipiers. Het is alleen mogelijk om een demon – en dus ook een occulte macht – aan te spreken, uit te drijven en naar de afgrond te verwijzen als men zich een rechtvaardige weet. In deze staat van rechtvaardigheid hoeft de occulte demon, die de mens ketende, niet meer aangesproken te worden. Deze heeft immers al losgelaten toen het bloed hem reinigde. Onze strijd gaat daarom niet tegen Dood hemzelf en zijn cipiers, maar tegen de demonen en de occulte, actieve machten uit het leger van satan.

Wanneer de mens zich laat aanklagen door de satan (hij is immers de aanklager van de broers, Op.12:10) en gaat twijfelen aan zijn rechtvaardigheid, kan de demon weer aan hem gaan ‘hangen’. Deze twee zullen dan in een gezamenlijke poging proberen de mens opnieuw in de gevangenis te brengen. Nu is het allereerst nodig om opnieuw zijn rechtvaardigheid te belijden, waarop de demon onmiddellijk afhaakt en diens klimaat verdreven wordt door het klimaat van het Koninkrijk van God, dat immers bestaat in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest. Blijft de sfeer van de dood dan nog hangen, dan hebben we te maken met een occulte geest. Hier moeten we dan de strijd tegen opnemen. Dat een occulte macht ‘taaier’ is dan een demon, die niet in het dodenrijk geweest is, zal duidelijk zijn. Zo’n occulte macht wil immers niet terug naar de gevangenis, hij weet wat dit betekent! Vandaar dat de strijd tegen zo’n occulte gevallen engel vaak langduriger is.

Als we blijven volharden, zullen we ook over hem de overwinning behalen!