Een lezer wees op ons een drietal artikelen van een Hervormd tijdschrift, waarin een dominee een aangrijpende artikelenreeks schreef over zijn ervaringen tijdens zijn ernstige en ‘ongeneselijke’ ziekte. Wij waren verbaasd over het geestelijk inzicht wat deze (Hervormde) man bezat. Het opschrift van zijn beschouwingen was: ‘Schrijvende vanaf het ziekbed’. Na een zware operatie wist deze dominee dat zijn herstel slechts van tijdelijke aard is, want hij heeft kanker. Allereerst tekende hij zijn innerlijke strijd na zijn ontwaken uit de narcose op de intensive care:
- ‘Je hoopt dat Hij present is in je ziekenkamer, je hoopt dat Hij verhoort wat je vraagt. En je vraagt bescheiden. Je ingewanden zullen ‘vanzelf’ weer gaan functioneren. Dat staat vast. Maar je vraagt of dit nu meteen kan gebeuren. Het lijkt geen onmogelijke vraag. De natuur moet een handje geholpen worden en je vraagt om die zegenende hand. Misschien reken je ook op beschermengelen. In elk geval, je rekent op hulp. En je citeert daarbij psalmenflarden, die je te binnen schieten. Maar er gebeurt niets. Ik kan het niet helpen, de lezer moet niet boos worden, ik heb het zo ervaren. En ik heb protest aangetekend. Want zo zei ik, ik wil akkoord gaan met het feit dat God zegt dat ik na 30 jaar moet stoppen met mijn werk. Ik wil akkoord gaan met een vroegtijdig einde van mijn leven. Maar waarom deze stilte … Integendeel, er gebeurde niets. Ik was alleen en bleef alleen. Niemand luisterde!’
Ik kan mij deze innerlijke strijd voorstellen van deze dominee. Wie zo iets meemaakt, wordt teruggegooid op de basisvragen van het geloof: bestaat God werkelijk en is Hij degene voor wie Hij Zich in zijn Woord uitgeeft? Handelt Hij ook in zo’n situatie naar zijn beloften? Men moet echter ook in staat zijn om Hem te benaderen, dit wil zeggen dat men zich moet losmaken van het natuurlijke denken om tot Hem op te klimmen in de geestelijke wereld, waar geheel andere wetten heersen dan op aarde, wetten die ‘hoger’ zijn en krachtiger dan die waarmee de arme en zwakke wereldgeesten rekening houden.
Ik denk hierbij aan die zware tijd, toen mijn vrouw een gezwel had, dat haar lichaam sloopte. Ik zie mijn vrouw nog met haar verzwakt lichaam ‘s morgens op een stoel zitten, terwijl zij de satanische machten bestrafte en haar geloofsvertrouwen uitsprak, niet in beschermengelen die ook hun functie hebben, maar in de kracht van Gods inwonende Geest, die in staat was haar sterfelijk lichaam levend te maken.
Het viel mij op dat deze dominee tot de conclusie kwam, dat hij door boze geesten werd aangevallen. Hij geeft de schuld niet aan God, maar aan de satan. Deze onderscheiding van geesten is de principiële basis voor een overwinning in de onzienlijke wereld. Hij stemt er verder mee in, wanneer God zijn werk op aarde beëindigt, maar dan wil hij dit ook van Hem weten.
- ‘Het tijdstip van mijn heengaan is aanstaande. Ik heb de goede strijd gestreden’ (2 Tim.4:6,7). Of zoals Petrus schreef: ‘Want ik weet dat het afleggen van mijn tent nu snel zal gebeuren, zoals ook onze Heer Jezus mij heeft doen weten’ (2 Petr.1:14).
Het viel mij zo op, dat de zieke dominee tot de conclusie is gekomen, dat hij vanwege zijn ziekte door de satan wordt aangevallen en niet door God, zoals Zondag 10 de kerken leert. Ik citeer:
- ‘Welnu, in de ‘completen’, het laatste dagelijks avondgebed, begint men de dienst met: ‘Broeders, wees waakzaam, uw tegenpartij de duivel gaat rond als een briesende leeuw’. Die tekst begon door mijn hoofd te spelen. Ik keek vervolgens de avondliederen er op na en ontdekte hoe de Anglicaanse Thomas Ken in zijn prachtig avondlied (gezang 387) spreekt van ‘de boze geesten van de nacht’. De Gereformeerde Gerhard Tersteegen heeft het in gezang 389 over ‘de boze machten en duistere krachten’. En een blik in de Paasliederen (u kiest maar, het is altijd raak) laat zien dat men daar totaal anders spreekt dan op de pagina overlijdensadvertenties van zogeheten christelijke dagbladen. Op die pagina lijkt God maar steeds bezig levens te beëindigen, de dood naar de mensen toe te sturen, ‘weg te nemen’, terwijl de gemeente op Pasen zingt dat Christus de vijand, de antimachten, verslagen heeft’.
- ‘Het is toch glashelder dat in de evangelieverhalen Jezus nooit over ziekte en dood spreekt als zaken die God de mensen gezonden heeft. Het zijn voor hem de vijanden, die Hij te vuur en te zwaard aanvalt, uitwerpt, bestrijdt. Jezus vecht met ziekte en dood, zoals David met Goliath. De regering van God is heel duidelijk aangegeven: in ons bestaan, dat een bestaan in ‘bezet gebied’ is en blijft, waar de antimacht heerst en steeds weer overwint’.
Deze dominee is niet ver van het Koninkrijk van God. Hij bezit een scherpe onderscheiding. Hij ziet dat de aarde onderworpen is aan de satan en dat daarom de wet van zonde en van dood heerst. Deze wet heeft de duivel zelf ingevoerd, toen hij met zijn demonenlegers binnentrok. Vanwege overweldiging door de satan zucht de hele schepping en wij zuchten met haar. Er is slechts één weg tot ontkoming, namelijk om op te stijgen boven de aarde, boven het domein van de vijand, om zich te begeven in de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van God. Daar is de wet van de Geest van het Leven, die ons vrijmaakt van de wet van de zonde en de dood (Rom.8:2). En zover wij nog in het vlees leven, dat is in de natuurlijke wereld, leven wij in het geloof dat steeds sterker wordt, dat de dingen grijpt die wij niet kunnen zien en dat ons steeds hoger opvoert.
Ook Paulus wilde zich steeds hoger ‘verheffen’, maar een engel van satan belemmerde hem dit. Telkens kwam hij vanwege deze demonische macht in gevangenissen terecht, leed hij honger, werd hij geslagen, stond hij onder druk en werd zich zo bewust, dat hij het einddoel van het geloof, de volmaakt geestelijke mens nog niet had bereikt. Wanneer dit gebeurt, zal de christen ook niet meer sterven, maar wordt zijn vernederd lichaam in een ondeelbaar ogenblik veranderd in een verheerlijkt lichaam. Paulus was dus nog niet zover, maar hij jaagde naar dit doel.
De wet van zonde en dood
Wij merken op hoe de ex-farizeeër Paulus vroeger was: een geweldenaar en vol met ‘vrome’ demonen. Grote veranderingen waren er al gebeurd, maar schrijvend aan de Filippenzen, erkent hij dat hij het doel nog niet had bereikt. Hoe zullen wij dan iemand beoordelen die nog te kampen heeft met de wet van zonde en van dood? Die geen Bijbels Fundament in zijn leven heeft gelegd en 30 jaar lang valse leringen heeft gebracht binnen zijn specifieke geloofsrichting? Hoeveel mensen heeft hij als theoloog al die jaren misleid met leugens en dwalingen (verg. de tien maagden)?
Ook wij streven naar de volmaaktheid en blijven op het doel gericht, namelijk op Jezus Christus, ons grote voorbeeld. Velen bidden nu al: ‘Kom Heer Jezus’, maar een doel wordt bereikt, als men er werkelijk naar toe gaat. Zijn komst naar de aarde met de zijnen volgt dan wel.
De Heidelberger
Ook komt de schrijver op zijn ziekbed in conflict met een vraag uit de Heidelbergse Catechismus (over andere rampen uit dit boekje spreekt hij niet). Hij merkt op:
- ‘Voor diegenen, die hun Heidelberger niet meer uit het hoofd kennen, zondag 10, vraag 27 gaat over de voorzienigheid van God en geeft als antwoord dat voorzienigheid is:
“De almachtige kracht van God, door welke Hij hemel en aarde en alle schepselen, gelijk als met zijn hand onderhoudt en alzo regeert, dat regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen…”
In dit verband is het uitgangspunt van de dominee de roman van Maarten ‘t Hart: ‘Een vlucht regenwulpen’. De moeder van de hoofdpersoon in dit boek, Maarten, sterft aan keelkanker. Deze zegt dan bij het zien van deze verschrikkelijke dood:
“Nu weet ik zeker dat er ergens ver weg in het heelal god satanisch lacht om mijn verdriet, de god van zondag 10, die met vaderlijke hand mijn moeder een ziekte heeft doen toekomen, een voorproefje van het lijden van de hel. Zo is god, de god van de Heidelbergse Catechismus, de god, die mensen zo intens haat, dat hij mazelen en keelkanker voor ze heeft uitgevonden…”
De zieke dominee merkt hierbij op:
- ‘Wie schrijft vanaf een ziekbed, waarbij ook kanker de ontdekte kwaal is, die leest zulke passages met grote ontroering en instemming. Ook dat laatste woord moet er meteen uit. Zondag 10 is in feite een verschrikkelijke zondag. Er helpen geen theologische spitsvondigheden aan, om deze zondag nog op enige wijze te fatsoeneren. We moeten Maarten ’t Hart gelijk geven, als dat ons geloof is, dan is het een verschrikking, alle goede woorden ten spijt, die in de loop van de eeuwen door catecheten aan deze tekst vermorst zijn’.
Belijdenisgeschriften
De conclusie van de schrijver is:
- ‘En zo goed als bijvoorbeeld de Nederlandse Geloofsbelijdenis, sprekend over de voorzienigheid, veel voorzichtiger te werk gaat en meteen zegt: God is geen auteur van de zonde, zo zeggen wij God is ook geen auteur van de kanker, het hartinfarct, de reuma en het verkeersongeval. Al die inbreuken in ons bestaan herinneren ons aan de leeuwen en de woestijn, aan de antimachten. Juist Pasen heeft duidelijk gemaakt, dat het antimachten zijn, door God verworpen en niet gewild. Overwonnen machten, al gaan wij er nog onder door’.
Ook in sommige(!) kerken komt men dus tot de conclusie – door schade en schande wijs geworden – dat ziekte duivelswerk is. Niet alleen deze zieke dominee komt door eigen lijden zo ver, maar ik zelf werd destijds als belijdend lid van de gereformeerde kerk geconfronteerd met een ‘ongeneeslijk’ geval van een van onze kinderen. Hierdoor hebben mijn vrouw en ik ook radicaal gebroken met het kerkelijke, gedachtesysteem en zijn wij een volkomen nieuwe weg ingeslagen, want God is goed en de duivel is een slechte duivel.
Nu zou ik hier wel willen eindigen door te willen vragen: ‘Dominee, wanneer je dan deze strijd in de geestelijke wereld ziet, waarom bind je dan de strijd niet aan, want door de overwinning op zonde- en ziekte-demonen komt toch het herstel? Waarom gaat u dan de weg over de aarde, wanneer u het wonder alleen verbindt met een operatief ingrijpen? U schrijft:
- “Wij willen bij het ‘wonder’ altijd weer de richting op van het abnormale, van het mirakel dus. Maar er wordt in het wonder gebruik gemaakt van het gewone deskundige bezig zijn van mensen. Dit maakt het wonder niet van mindere kwaliteit, integendeel … En terwijl de zaken voor onszelf mislopen, kunnen we toch het wonder wel beleven, bijvoorbeeld heel concreet in de wijze waarop in het ziekenhuis een verpleegkundige aandacht voor ons heeft, of doordat brieven op onze tafel komen, waardoor we het perspectief weer gaan herontdekken. Of doordat we buiten lopen en opnieuw zien, hoe wondermooi de natuur en hoe ongelofelijk rijk het leven is…”
Ik ontken niet dat de Heer wonderlijk troost en helpt door de omstandigheden en omringende personen, maar ik geloof ook dat onze God er een is van genezing, van herstel. Hij wil de oorzaak van de destructie wegnemen, namelijk de ziekte veroorzakende demonen. Om de overwinning op deze vijanden te behalen, wil God kracht geven door zijn Geest om deze demonen te verdrijven, zodat diens werken gestopt worden en het lichaam zonder of met hulp van de medici genezen kan. Daarom zei onze Heer tegen zijn leerlingen:
- ‘Ik heb u macht gegeven over het hele leger van de vijand, inclusief de ziekte bewerkende geesten’ (Marc.16:15-20).
Ik wil aan het werk van onze Heer een voorbeeld nemen en vertrouwende op Gods Geest die mij geschonken is en in zijn Naam en op zijn gezag de strijd inzetten als medewerker van God. Daarom wil ik ook niet als slaaf in het grote Babylon blijven wonen!
‘En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Ga uit haar weg, Mijn volk, zodat u geen deel hebt aan haar zonden en zodat u niet van haar plagen zult ontvangen’ (Op.18:1-7).




