Over een toverdokter

  • ‘Dit zeg ik dan en getuig ervan in de Heer, dat u niet meer wandelt zoals de andere heidenen wandelen, in de zinloosheid van hun denken, verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven dat uit God is, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun hart’ (Efeze 4:17,18).

Een lezer uit Zuid-Afrika vertelt over een toverdokter aldaar:

Geachte lezer, wij willen u graag iets vertellen over de werkzaamheden van toverdokters en met name over het leven en werk van een blanke toverdokter hier in Zuid-Afrika. Wij ontlenen deze gegevens aan een artikel in het in Zuid-Afrika algemeen bekende en veel gelezene geïllustreerde weekblad ‘Huisgenoot’. Ik vertrouw, dat de ‘Nasionale Koerante’, die dit blad uitgeven, mij wel zullen willen toestaan om enkele zinsneden uit hun artikel over te nemen. De toverdokter, die ik u hier ter kennismaking voorstel, is geen onontwikkelde zwarte, maar een hoog beschaafde blanke dame, een gediplomeerd verpleegster, die enige jaren geleden samen met haar man vanuit Engeland geëmigreerd is naar Zuid-Afrika en gedurende de eerste tien jaar van haar huwelijk gevestigd was op een kleine handelspost in Wendaland, welk land later door de Regering van Zuid-Afrika tot een vrij en onafhankelijk ‘Thuisland’ is geproclameerd. Dit land ligt diep verscholen in de bergen en bossen in de prachtige, paradijsachtige natuur van Zuid-Afrika, welke natuurtaferelen in de inboorlingentaal aangeduid worden met de naam ‘Gramadoelas.

Deze dame is nu lid van de Stadsraad van Johannesburg en moeder van vijf kinderen. Zij vertelt, dat zij bij aankomst in Wendaland nog veel dingen moest leren. Ze moest leren eten koken, koeien melken, haar eigen brood bakken en de taal van de Wenda’s leren spreken. Aan haar zwarte buren moest zij als verpleegster onderwijs geven in eerste hulp en in naaldwerk en ze moest hun ook leren, hoe ze zondagsschoolklassen moesten leiden. Ze heeft samen met haar Wenda-buurvrouwen hun wederzijdse kinderen saam-saam grootgemaakt. Dit heeft niet alleen wederzijds vertrouwen gewekt, maar ook een voortdurende uitruil van kennis meegebracht. ‘Op die ou end’, zegt zij, ‘weet ek nie wie het van wie die meeste geleer nie’. Ze is bij allemaal bekend geworden als ‘Mashudu’, dat betekent ‘Die gelukkige’. Langzamerhand is zij ingeleid in al de geheime stamgebruiken die gewoonlijk niet aan buitenstaanders worden toevertrouwd. Op die manier is haar belangstelling ook gaande gemaakt voor de wereld van de toverdokter en omdat ze allemaal hun vertrouwen in haar gesteld hebben, is niets voor haar verborgen gehouden. Zij kwam dan ook zover, dat zij in een zeker stadium gereed gekomen was, om als toverdokter te worden ingewijd.

Nu zijn daar bij de Wenda’s drie soorten van toverdokters. De eerste soort is niets anders dan een kruidendokter. Hij maakt een degelijke studie van kruidenmedicijnen en dan doktert hij alles wat maar ziek is bij elkaar. De tweede soort is bekend als ‘Mungoma’. Deze is een soort zielkundige die ‘jou kop vir jou lees’ en jou op die manier helpt om jouw problemen op te lossen. Als derde bovenaan de hiërarchie staat de ‘Sangoma’, die met de geesten praat. Onze mevrouw is een ‘Mungoma’. Toen zij geïnaugureerd zou worden, moest zij een bok slachten en kruiden en wortels in het veld gaan verzamelen. Hiervan moest zij samen met enkele van die offerbok zijn beenderen soep koken en die soep drinken. Dit is een symbolisch ritueel en betekent een offer aan de geesten van de voorouders.

Nadat zij haar titel verkregen heeft is zij gerechtigd om aan het werk te gaan en haar werk bestaat in het gebruik maken van de zogenaamde ‘Dolosse’. Dit is een zakje van springbokvel dat ze zelf moest maken en daarin houdt zij die eigenlijke Dolosse. Elke zwarte stam heeft zijn eigen specifieke soort Dolosse. Zij heeft in haar zakje een aantal schelpen, acht heilige steentjes (vier van hout en vier van ivoor) en dan zijn daar verder nog beentjes van een boerbok, van een schildpad, een krokodil, een varken, ‘n springbok en een baviaan. Van elk diersoort twee, een van elk geslacht. Wanneer een patiënt opdaagt, vraagt zij deze, om plat op de vloer te gaan zitten. Verder wil zij van hem niets anders hebben dan zijn naam. Dan gooit ze een speciaal matje tussen hem en haar op de vloer, wat alleen gebruikt mag worden om de Dolosse op uit te gooien. Daarna vraagt ze de patiënt om in het zakje te blazen. Intussen doet zij zelf haar ogen dicht en probeert zich op het geval te concentreren met uitsluiting van alle andere gedachten. De vibraties welke die mens dan uitstraalt, geven haar een aanduiding van wat wat op zijn gemoed ligt. Het is dan de Dolosse die antwoord geeft en het probleem oplost.

De klanten, die zij gewoonlijk ‘patiënten’ noemt, omdat zij toch een soort dokter is, waar zij ook het volste recht op heeft, omdat zij immers haar doktersbul heeft ontvangen, zijn een verrassend mengelmoesje van mensen, allemaal uit de bewoners van de grote stad, zoals zakenmannen, die iets willen weten over hun zakenleven, huisvrouwen die lijden onder de spanning van een gejaagd stedelijk leven en natuurlijk ook tieners met puberteitsproblemen. De meeste van de patiënten zijn blanken, onder wie ook vooraanstaande persoonlijkheden. De volgende woorden met betrekking hiertoe schrijf ik letterlijk in Afrikaans over:

  • ‘Dis nooit maklike patiente wat al oral om hulp aangeklop het en nêrens anders gehelp kon word nie’. Tot zover Mevrouw Graham, die aangaande zichzelf hieraan toevoegt: ‘Ek is self ‘n oortuigde Christin. Daar is per slot van rekening bami maniere om God te dien’.

Overdag draagt zij haar toga als stadsraadslid van Johannesburg. Des avonds trekt ze haar toga uit. Dan is zij toverdokter. Tot zover het relaas over de toverdokter.

Reactie

Mevrouw Graham doet denken aan het gesprek van de Heer Jezus met de rijke jongeman (Marcus 10). In vers 21 staat: ‘En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zei tot hem: Eén ding ontbreekt u.’ Jezus kreeg hem lief! Ook nu vervult de liefde van Christus ons voor deze dame. Zij toont grote liefde en waarachtige ontferming, een echt moederhart vol liefde tot haar medemensen tegenover een van angst radeloos verlorene wereld. Zij zegt: ‘dat dit altijd mensen zijn, die van tevoren al overal elders om hulp aangeklopt hebben en nergens anders konden worden geholpen’.

Er blijft inderdaad werkelijk niets anders meer over dan om toch maar de vuile puinhopen op te ruimen, waarin de van God afgevallen christelijke wereld tegenwoordig leeft. Nadat de christenheid in haar geheel hopeloos gefaald heeft, is mevrouw Graham daar nog net goed genoeg voor in de ogen van veel christelijke ‘leiders’. Denk aan de geschiedenis in Mattheüs 17, waar Jezus, na de verheerlijking op de berg afdaalt naar het dal en Hij een wanhopige vader aantreft. Leerlingen van de Heer Jezus hebben erbij gestaan én de lijdensweg van die arme zoon werkeloos aangezien. Voor de zoveelste maal in de geschiedenis hebben ze het probleem weer niet kunnen oplossen en hebben ze weer eens verstek laten gaan. Waar blijft toch de wereld overwinnende kracht van het (officiële) christendom?

Mevrouw Graham is iemand, die met innerlijke ontferming bewogen over de diepe nood, waarin de wereld verkeert, iets doet! Iemand die ernstig zoekt naar een mogelijkheid om de aan nederlagen te gronde gaande mensheid toch nog aan een overwinning te helpen. Zij zoekt de oplossing hiervan in een onzienlijke wereld, en dat doet zij terecht, want dáár is het ook. Er is echter één ding wat er aan mankeert: zij zoekt het aan de verkeerde kant in die wereld. De Heer Jezus kijkt met liefde naar haar, net als naar die rijke jongeman en zegt tot haar: één ding ontbreekt u! Dat er een strijd in de hemelse gewesten gevoerd moet worden, weet zij. Zij doet ook haar best daarvoor met een oprecht hart. En zodra zij die andere kant van de hemelse gewesten betreedt zal alles in orde zijn.

Zij beweert in haar getuigenis, dat zij zelf een overtuigde christin is en dat daar per slot van rekening baie manieren zijn om God te dienen. Deze belijdenis is van haar kant volkomen oprecht bedoeld. Dat zij de verschillende kanten van de hemelse gewesten nog niet goed van elkaar kan onderscheiden, is niet háár schuld. Dat is voor de zoveelste maal weer de schuld van degenen, die haar in de ‘christelijke’ geloofsleer hebben onderwezen en daarbij natuurlijk weer het allerbelangrijkste hebben verzuimd om aan haar mee te delen.

Wij, u en ik, weten door genade het antwoord, dat zegt, dat in Christus Jezus geen nederlaag is, maar overwinning. En daarom kan dit artikel beëindigd worden met het overwinningsgetuigenis – uit de Statenvertaling – uit Titus 2:11-14:

  • ‘Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen en onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld, verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus, die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid en Zichzelf een volk zou reinigen, ijverig in goede werken’.

En dan uiteindelijk vers 15 als de slotsom, die noodzakelijk uit al het voorafgaande voortvloeit:

  • ‘Spreek dit en vermaan en bestraf met alle ernst! Dat niemand u verachte!’